3 WinterSalon en lezing Richard ter Borg 17 december 2017

Bijna alle Ploegleden tonen werk tijdens de WinterSalon, een jaarlijks in december terugkerende gebeurtenis tijdens welke de Ploegprent wordt gepresenteerd aan wie maar wil en speciaal aan de Ploegvrienden. In de lerarenkamer van het voormalige HBS-gebouw dat nu Veenkoloniaal Museum is, staan ezels in een cirkel opgesteld met Ploegwerk. Dit jaar werd de Ploegprent gemaakt door Marjan Cornelius. Het is een tekening in Oost-Indische inkt: een bomenrij langs een weg in Groningen (meer precies: de Allersmaweg tussen Aduarderzijl en Ezinge) in een verder kaal landschap. Cornelius is erin geslaagd de kijker maar raak te laten associëren. Kijk je door je oogharen, dan kan de suggestie van een naderende (stoom)trein worden opgeroepen, of een hoog op de poten staande wollige bizon, of, volgens een kijker, een in een brugklasbiologieboek uitvergrote foto van een gastro-enteritis veroorzakende bacterie. Het gekke is dat de bomen vol in het blad staan, terwijl de rest van het landschap winters aandoet. Als je de bladeren even wegdenkt lijkt het alsof het land door een sneeuwlaag is bedekt, de grastoppen steken net boven de sneeuwduinen uit, als jongenskuiven boven capuchonranden. Onder de bomen zie je òf schaduwen, òf sneeuwvrij gras.

Dan volgt de lezing van Ploegkenner, galeriehouder, kunstkenner en -handelaar Richard ter Borg. Hij had enkele schilderijen uit zijn winkel willen meenemen als illustraties bij zijn causerie over Ploegwerk van 1918 – 1940, maar dat was niet gelukt. In plaats daarvan deelt Ter Borg vooraf een fraai boekje uit aan de aanwezigen (Eric Bos, 50 Topstukken van De Ploeg, de figuratieven 1918 – 1940). Het is zo vol in het auditorium dat enkele bezoekers in de deuropeningen om de schuifwandpanelen heen moeten kijken, als luisteraars achter de pilaren in de Martinikerk bij een concert van De Jong & De Jong. Met het boekje in de ene en de microfoon in de andere hand, leidt Ter Borg ons in anderhalf uur door een schat aan mooie verhalen, anekdotes en interessante faits divers. Op de vraag of de Ploeg toekomst heeft is Ter Borg meer dan stellig: Zeker! Hij voorspelt dat pas na vijftig jaar de werkelijke waarde van Ploegwerk erkend en bekend wordt, zie bijvoorbeeld (oud-Ploeglid) Helmantel, en inmiddels alom bekende noorderlingen als Matthijs Rölink en Martin Tissing.

Ter Borgs Ploegheld is (de voor veel aanwezigen onbekende) Martin Klompien, ook wel de Groningse Breitner geheten. Klompien staat bekend om zijn aardse kleuren en sobere vormen, die niet automatisch als somber mogen gelden. Via de ‘opgeklapte’ landschappen van Altink komen we bij Werkman, wiens werk recentelijk op kunstbeurs PAN te Amsterdam roofgoed bleek te zijn en bij Martens, van wie wordt gezegd dat hij in W.O.II een dubbelrol speelde, hij was namelijk voorzitter van de Kultur Kammer. Job Hansen schilderde alleen als de temperatuur boven de 21⁰ kwam, dan pas was het licht goed genoeg. Met zijn techniek, olieverf gemengd met benzine, vertoonde Hansen met zijn werk een zekere Franse grandeur. Samen met Benner hoorde Job Hansen tot de eersten die deelnamen aan de B.K.R. Sandberg heeft nog geprobeerd Hansen bij de Cobra te krijgen. Wat zou er zijn gebeurd als dat was gelukt! Jordens was leraar en zijn onderwijsstijl, met nadruk op de vrije expressie, was in de jaren 20 geheel nieuw. Jordens kenmerkte zich door een permanente vernieuwing in zijn werk(stijl). Via Johan Dijkstra, die kunstrecensent was bij het Nieuwsblad van het Noorden komen we bij Ploeg- en Meppeler-Schoollid Jannes de Vries. De Vries verwijderde de olie uit de verf opdat de verf sneller zou drogen. Hij ondertekende zijn werk ook bijna nooit, iets wat, aldus Ter Borg, meer kunstenaars zouden moeten doen; immers het werk zelve vormt als het ware de enige echte handtekening. Deze stelling tekent Ter Borgs eigenzinnigheid, veel kunsttaxateurs zouden dit hem niet snel nazeggen.

Net als de verlenging van voetbalwedstrijden voor mij vaak het meest interessante deel van de wedstrijd is, is dat nu het slot van Terborgs lezing. Terborg blikt openhartig, lichtvoetig en grootmoedig terug op de oorwassing die hem ten deel viel na een faux pas in het kunstprogramma ‘Tussen Kunst en Kitsch’ in 2015. Ter Borg en de landelijke pers waren het met elkaar oneens over de herkomst van een door Terborg aan Karel Appel toegeschreven kleurig stukje houtsnijwerk. Als een Sjinkie Knegt die na een glijpartij in een vol Thialfstadion na afloop de pers frank en vrij te woord staat, vertelt Terborg over het voorval. Hij besluit met een positieve twist door te filosoferen over de wenselijkheid van een Noord-Nederlands programma in de trant van Tussen Kunst en Kitsch. Ik zie het al voor me met Ter Borg als een Groningse versie van Frits Sissing en snorrende camera’s in Veendam.
Het allerlaatste Ploeglid dat Terborg aanstipt is Jan Wiegers, die je, in de woorden van Ter Borg, tot de Punkers van de jaren 20 zou kunnen rekenen.