Ik ben Kaepernick

Was knielen altijd een oefening in onderdanigheid, en dan maakte het nog wat uit of je eenbenig knielde of tweebenig, sinds Kaepernick is het een symbool van dwars respect. De aanstellerige flauwekul van mannen die hun vrouw knielend ten huwelijk vragen, daaraan heb ik niet meegedaan. Knielen voor zelfbedachte afgoden is ronduit stupide. De knielende americanfootballspeler Colin Kaepernick was heldhaftig en ik vroeg me af: wat zou ik hebben gedaan? Ook hij zal vrienden en familie hebben gehad die zijn actie niet ondersteunden of het naderhand doodzwegen. Als protest tegen bruut politiegeweld en stuitend racisme was het een mooi gebaar. Dat het zijn contractverlenging in de weg stond was jammer, maar Nike compenseerde dat door hem boegbeeld van de collectie maken. Trump schuimbekte als een steenmarter voor de rituele slacht in Wuhan. Megan Rapinoe, aanvoerster van Amerika’s vrouwenvoetbalelftal steunde Kaepernick. Het zijn nerveuze tijden. Opvattingen en houdingen kantelen als dominostenen in SBS-programma’s. Wie had een jaar geleden kunnen denken dat Hoogevener Klaas Knot van DNB het slavernijverleden van de bank zou gaan onderzoeken? Klaas! Knot!! Slavernijverleden!!! De Nederlandse Bank !!!! Was het ongepast dat Femke Halsema met een BLM-button op de Dam stond? Zelfs formule-1-rijders doen, nu ze erachter komen dat de F1 misschien helemaal geen sport is, hoogstens een soort jetskiën op wielen, aan zelfonderzoek. Max Verstappen is niet een man van de gebaren en blijft oncollegiaal staan bij  knielende kompanen. Ronald Koeman valt hem af. Koeman applaudisseert luidruchtig voor zijn voetbalmannen die kijkcijferkanon VI in de ban doen. Maar zelf een jaartje de VI-plopkap weigeren gaat ‘m weer net iets te ver: de KNVB heeft weer andere belangen, hè. Het Emmense gemeentebestuur schitterde door afwezigheid bij de blacklivesmaterdemo in Emmen op 21 juni 2020. Ik zag één raadslid van de PvdA. De (ex-)gemeentedichters waren wel goed vertegenwoordigd. Hoe zou dat komen?  Emmen hield de boot wat af met ruim 2 ‰ van de inwoners op het demonstratieplein. Jammer. Vaak zijn gebaren en daden veelzeggender dan woorden. 

Carola Schouten Zomeravondgast 2020

Een grefomeisje noem ik haar, maar ik weet bij god niet of ze gereformeerd is. Reformatorisch dan? Christelijk gereformeerd misschien? Gereformeerd vrijgemaakt? Nederlands gereformeerd? Oud gereformeerd? Hervormd niet, dat is te licht, doopsgezind ook niet, die zijn vrijzinnig. Misschien Hersteld Hervormd? Vrijzinnige geloofsgemeenschap: tuurlijk niet, veels te licht. Bij de protestantse geloven vallen de termen licht en zwaar samen met licht en donker. Protestantisme is een bijenkorf, er zijn meer subgeloven dan parlementaire splinterpartijtjes of blacklivesmatterafdelingen. Maar hemel, wat een aantrekkelijke vrouw. Kuiltjes in de wangen, lange blonde lokken, botoxvrije lippen, mooie rondingen maar nergens te, en, jammer dan, nooit een ordi decolleté, maar dat stimuleert de fantasie. Hoe komt ‘t dat een hardcore atheïst, één pur sang zeg maar, bijna geobsedeerd is door Carola Schouten. Nou moet ik erbij zeggen dat ik, gelukkig getrouwd, vaker mijn oog laat vallen op interessante powervrouwen (Pia Dijkstra, Celeste Plak, Angela Merkel, Noraly Beyer, Femke Halsema, Jetta Klijnsma, Agnes Kant, Heleen van Royen, Sylvia Witteman, Sylvana Simons; in mijn vorige woonplaats Sleen hield ik er zelfs een geheim tienleukstevrouwenlijstje op na). Ik hoor mijn kameraad alweer vragen: Klaas, waar komt dat bij jou vandaan? Daarmee suggererend dat alles in je jeugd besloten ligt en ik wreed lijd aan een Oedipuscomplex. Natuurlijk speelt mijn jeugd een rol. Carola is boerendochter en ik had een boerenzoon kunnen zijn en ter compensatie: ik ken enkele boerenzonen. Beiden zijn we plattelanders met een diepe liefde voor steden, we delen een zekere eigenwijsheid, hebben idealistische kantjes en belangstelling voor landbouw en veeteelt, we weten het vaak veel beter dan de egotrippende boeren, vinden waarheidsvinding belangrijker dan relaties voor de schijn, Carola werkte in een Kibboets en ik had als puber ook een (lichte) interesse in werken in een kibboets en we groeiden beiden op met Calvijn en (de antisemiet) Luther (Trouw in 2015: ‘Loopt er een rechte lijn van Luther naar Hitler?’), die allebei, net als ik en (hopelijk) Carola, weer antipapistisch zijn.

Schuld, verantwoordelijkheid en kleur

De enige extra kleur die ik tijdens mijn middelbareschooltijd zag waren de vuurrode wangen van lerenbroekdraagster mevrouw Nagel toen brutale hond Sake Ozinga uit Twijzelerheide haar vroeg ‘Hebt u ook leren pijpen?’ En natuurlijk zij die in mijn geheugen als Zwartrokje gegrift staat toen ze mij steels en bijna gratis een drie centimeter brede blik op haar zwarte slipje toonde bij het beklimmen van de trappen naar het scheikundelokaal. Mijn zussen droegen geen slipjes maar dubbelkatoenen witte onderbroeken met Bambiopdrukken en met pijpen die zelfs onder driekwart sportbroeken uitkierden.

Mooi: Van Agt heeft het CDA de rug toegekeerd en stemt nu GRNLNKS, Bayer gaat grootschalig schikken bij Roundupclaims, rechtbanken stoppen met altijd de meervoudige kamer in te zetten en ziekenhuizen  elimineren overbodige zorg door het elimineren van de productieprikkel. Het onderwijs, dat onder broeder Slobs knikkende knieën bepaald geen heldenrol heeft gespeeld in coronatijd, gaat weer helemaal open. Welke rol speelt het onderwijs in de Black Lives Matter-discussie? Een grote. Antiracisme begint in de opvoeding, schoolboeken en jeugdliteratuur. Leg leerlingen uit wat kleur betekent en toon ze de kleuren. Figuurlijk maar ook letterlijk. Mijn oude school, het Esdal College in Oosterhesselen heeft een ‘taalklas’ met leerlingen uit het AZC. Wat waren we trots als een taalklasleerling, soms al binnen enkele jaren, overstapte naar het reguliere onderwijs. Wat was ik fier op een Singaporese collega. Wat haatte ik gesodemieter op het plein. De randvoorwaarden: een kleine school op het platteland waren uitdagender dan ideaal. Omdat het een openbare school was zetten we de deuren open voor alle gezindten en alle kleuren. En dat terwijl het openbare Esdal College een grefo ouderling als algemeen directeur heeft en bij interimmers een voorkeur aan de dag legt voor dominees (Piet Post www.pietpost.com en René Peters www.renepetersoss.com, inmiddels nr. 3 op de CDA-lijst). Kooistra, Post en Peters, mannen dat dan weer wel, kozen vol overtuiging voor open, openbaar onderwijs  en niet voor (algemeen)bijzonder onderwijs als protestants, Montessori, katholiek, Dalton, reformatorisch, Vrije School-, of Jena. Hier begint het stuivertje-wisselen van schuld en verantwoordelijkheid. Ouders zouden om zich heen moeten kijken en zich afvragen wanneer hun kinderen voor het eerst kennis maakten met kleuren en hoeveel gekleurde klasgenoten ze hebben. En hoe dat zo komt. Niet verwijten en veroordelen maar vragen stellen. Open vragen. En dan actie ondernemen en praten; word van medeplichtig medeverantwoordelijk. Dus naar de hel met louter witte scholen in Amsterdam-Zuid, de Utrechtse binnenstad of villawijken aan de rand van Assen. In actie komen vergt moed, inzet, doorzettingsvermogen en een goed functionerende medezeggenschapsraad. Elkaar aanspreken is niet altijd gemakkelijk, dat weet ieder met collega’s die meer van de teamleidster dan van de rechte weg houden, vijfentwintigstegraads familieleden die de roeispanen steeds net omgekeerd vasthouden, buurtbewoners die verkeerd vlaggen, kennissen die gemaakt zijn voor de slachtofferrol en klagen tot een tweede natuur hebben gemaakt.

Dat moet het brommerprotest zijn geweest, mijn eerste demonstratie. Rector Heukels had verordonneerd dat de brommers op het plein i.p.v. in de fietsenkelder gestald moesten worden. Van het schemerduister, waar alles gebeurde wat tot hel, verdoemenis en een levenslange fascinatie voor mooie lingerie leidden, naar het TL-licht van het plein. We blokkeerden de toerit naar school en het rectoraat stond schuimbekkend, rokend en kokend achter glas. Mijn tweede demo was in Leeuwarden: nog hoor ik ons fietsend het ‘Weg met Pa-Pa-Do-Pou-Los’ scanderen over de Nieuwstad. Geen voetballer maar een Griekse dictator. Veel en veel later werden het de demonstraties tegen opslag van kernafval in Gasselte, de neutronenbom in Amsterdam en bevriezing van lerarensalarissen en andere snode kabinetsplannen in Den Haag. Wat maakte dat ik meedeed aan demonstraties? Van mijn ouders heb ik het niet geleerd; mijn moeder zou me begrijpend hebben toegelachen en mijn vader vond alles goed. Door het lezen van boeken, geloof ik. Of het nu mijn toenmalige kameraden Multatuli, De Vries, Wadman, Brouwers, ‘t Hart, Wolkers, Biesheuvel, Aletrino, Cremer, waren of juist de stapels (verplichte) poëzie; er ging een wereld voor me open. In de buitenwereld stonden mannen als Den Uyl, Boersma, Aantjes klaar die me wezen dat de wereld maakbaar was.

En dan die BML-demo in Emmen. Is er in ZO-Drenthe sprake van institutioneel racisme? Systemisch? Er is een verschil tussen een racist zijn en licht racistische gedraginkjes. Eerder noemde ik het in zelfbedacht postmodernistisch sociologenjargon systemisch wit-sektarisch regionaal-urbaan soft-racisme waaraan ik mezelf ongetwijfeld ook wel eens zal hebben bezondigd. Kijk eens rond en denk hardop aan mevr. Simons, Akwasi, basisscholen (Utrechtse bijvoorbeeld) die de voorinschrijvingstermijn opzettelijk vervroegen zodat ze vanzelf wit worden, kleurloze politieke partijen, koren, economische fora,  wijken, museale bezoekersstromen, begraafplaatsen, bedrijfstoppen. En Volvocabriogezelschappen natuurlijk. Het komt aan op bewustwording, niet wegkijken en de knop omzetten, U-turns maken in vaste denkpatronen. Zwarte Piet heeft zijn langste tijd gehad, hopelijk ook op mijn Esdal College.

It Paradyske

Zaterdags fietsten we met de hele klas naar het zwembad. De hel heette It Paradyske. Jarenlang probeerde badmeester Kalen ons te leren zwemmen. Onder de snelbinder een kokervormig zwemtasje met een koord met clipsluiting. De binnenkant van rubber, die de natheid van de zwembroek moest weerstaan. Deed je het tasje thuis open dan rook je keukenhandschoenen die te lang in het gootsteenkastje hadden gelegen. Badmeester Kalen had een harde stem, een strakke buik en kort donker haar. Brechje Bosma van de Johan Bogermanstraat zou voor hem vallen. Ze trouwden in de gereformeerde kerk terwijl iedereen wist dat badmeester Kalen een heiden was. We kleedden ons uit in halfopen kleedhokjes. Ruw beton schuurde je voeten. Ik had een rode zwembroek van geribbelde stof met een geelgroen riempje. In het water voelde die zwembroek als een loden vest dat je naar beneden trok. Als ik, voordat ik in het water ging, het riempje even opentrok en er lucht inliet en dan snel het riempje strak aantrok, dan kon ik bijna een halve minuut extra drijfvermogen opwekken. Mijn pikje zwom dan wanhopig in de zwembroek als een verdwaalde vastgebonden goudvis. Badmeester Kalen schreeuwde wat we moesten doen. De jongens moesten duiken, de meisjes met een plankje zwemmen en Goitske en ik bleven op de kant. We moesten buikelings op een bankje liggen, de armen en benen bewegend in de lucht. Was dit wat een parachutespringer voelde? Als het badmeester Kalen schikte keek hij even naar ons en blafte dat we de schoolslag moesten oefenen. Raar woord: schoolslag. Was er ook een kerkslag? Vanaf de overkant van het zwembad zag hij wat we niet goed deden. Goitske droeg een gebreid zwempakje, geel met bruine schouderbandjes. Als dat nat was trok de zwaartekracht ongenadig hard aan de stof. Soms kwam Oene langs, badmeester Kalens hulp, een stagiair van een sportopleiding. Hij bewoog mijn knieën naar buiten door hard tegen mijn voetzolen te duwen. Oene was sterk. Mijn handen moesten anders. Hij wilde van bovenaf mijn knokkels zien. Tegen Goitske deed hij nog wreder. Haar dijen en heupen deden pijn, zei ze als we na afloop terugliepen naar de kleedhokjes. Er waren zwemlessen dat we alleen droog mochten oefenen. Goitskes wangen rilden en waren dan blauwachtig. Na afloop van een droogzwemles moest ik altijd plassen. Mochten we wel te water dan probeerde ik een gele lijn achter mij te voorkomen. Dat had ik gehoord, dat als je in het water plaste, iedereen een gele lijn achter jou kon zien. Wat voelde dat lekker. Je ging even staan, opende de bovenkant van het zwembroekje en dan voelde je een warme traktatie je pikje omarmen. Op de terugweg door It Paradyske had ik weer praatjes voor tien.

(Illustraties: Jacco Olivier (1972) ‘Momentum’ (2019) in Voorlinden (juni 2020))

Keer om alstublieft, over zorg & de draai van Rutte

In ‘Na Corona’ schreef ik over een andere aanpak van de gezondheidszorg. Kern: meer preventie en het moet goedkoper. Na mijn stuk buitelen artikelen en commentaren in landelijke kranten over nutteloze en onbetaalbare zorg over elkaar. Waarom zou dat geen toeval kunnen zijn, zeg ik bescheiden. Ik noem ons systeem van overzorg geperverteerd en de kranten noemen het nutteloos. De V&VN noteert op haar homepage: ‘Verpleegkundigen en verzorgenden doen dagelijks best veel handelingen (soms wel 2/3 van de dagelijkse handelingen) waarvan het nut niet aangetoond is’. Er circuleren in ziekenhuizen (het Hagaziekenhuis) beterlatenlijsten waarop expliciet handelingen worden genoemd die beter kunnen worden gelaten. Leg dat maar eens uit aan iemand uit Ghana. Een dag na deze Klaastaalbijdrage over huisartsen die moeten stoppen met aandacht besteden aan ziektes en kwalen die zich vanzelf oplossen en serieus werk maken van mensen begeleiden bij het verbeteren van hun leefstijl, kwam de Volkskrant uit de kast met een soortgelijke oproep. De VK richtte zich meer op ziekenhuizen: ‘Twee verpleegkundigen kunnen op afstand 150 patiënten in de gaten houden onder supervisie van een medisch specialist. Maar het ziekenhuis krijgt pas geld als de specialist alsnog in actie moet komen.’ De reflex om spreekuren maar weer vol te plannen is dan groot. Met een transitie, een draai, een andere manier van kijken naar en denken over de zorg kunnen we een inhaalslag maken. Huisarts/columnist Danka Stuijver geeft het stokje door. Het lijkt dat de jonkies in huisartsland de verstofte en verstafte boel aan het opschudden zijn. Er is, zo blijkt keer op keer op keer nogal wat overbodige en daardoor kostbare zorg waar we zonder kunnen. Met haar zeg ik: Keer om alstublieft.

Een bekentenis: VVD’ers heb ik heel lang vreemd volk gevonden en ik nam ze zelden serieus. Liberalisme stond voor mij gelijk aan situationele vrijheid, platvloers opportunisme, berekenend economisme zonder poëzie. Ik werd keer op keer in mijn idee bevestigd door de schier eindeloze schandalen van schaamteloos slecht functionerende politici die moesten aftreden: Keizer, Van der Scheur, Van Rey, Weekers, Verheyen, Opstelten, Teeven, Van Miltenburg, Hermans, Albayrak, Zijlstra, enzovoort, enzovoort. De lijst van scandaleus liberaal personeel dat net niet hoefde af te treden maar de hand boven het hoofd werd gehouden en beschermd als een afvoerput onder een asbestdak is vele, vele malen langer.

Maar nu Rutte. Rutte opent mijn ogen. Twijfel penetreert mij als een wattenstaaf een neus. Rutte heeft de coronaperikelen onverwacht goed gemanaged met zoals hij zei: 100% maatregelen gebaseerd op 50% kennis. Rutte komt over als een fair-player, doortastend, openhartig en steunend op en luisterend naar een ploeg deskundigen achter hem. Hoewel de VVD nooit veel werk heeft gemaakt van actief optreden tegen onder- of bovenhuids racisme, werd in de afgelopen week een ommekeer zichtbaar. Rutte maakte een U-turn en keert zich eindelijk af van het zwartepietfenomeen, wow. Hij maakte net geen excuses maar zegt wel dat hij zich kon voorstellen dat mensen verdrietig werden van het racistische symbool.

Ik wil een lans breken voor de U-turn en mensen die zich in het verleden hebben vergist oproepen: Keer om alstublieft, volg Ruttes voorbeeld. Luister naar je innerlijke navigatiesysteem dat bij een reguliere ontwikkeling geweten heet. Een voorbeeld: een jaar geleden kon je niet op wittebubbelfeestjes komen of Sylvana Simons werd geattaqueerd. In Twittertaal: bespot, beschimpt, besmeurd en gekleineerd omdat ze zich kwetsbaar opstelde aan napraattafels en zich sterk maakte voor de zwarte zaak. Wit-Nederland voelde -terecht- een priemende vinger en er ontstond wat sociologen een vorm van ‘systemisch wit-sektarisch regionaal-urbaan soft-racisme’ gingen noemen. Op straat en op wat social media worden genoemd werd ze bespuugd maar in de met witte wijn besprenkelde huiskamercocons voor gek uitgemaakt. En nu de U-turn: doe als Rutte en spreek je uit. Ik roep iedereen op, vooral nog niet al te woke stedelijke plattelanders, die daaraan hebben meegedaan mevrouw Simons een doos bloemen per post te sturen met als boodschap: Sorry! Keer om…

Na corona

Dat de nertsfokkerij versneld wordt opgedoekt, dat de intensieve dierindustrie tegen het licht wordt gehouden, dat een hygiënische revolutie als prettige bijvangst het scherp verminderen van kwalen als diarree en onduidelijke buikklachten oplevert: allemaal positief nieuws na enkele maanden coronaleed. Besmettinghotspots staan vanaf nu in een kwade reuk en moeten bezoekersstromen wat gaan reguleren: vergaderzalen, callcenters, gevangenissen, koorrepetities, familieverjaardagen, slachthuizen, overdekte marktplaatsen, kerken, winkelcentra, uitvaartbedrijven en indoorcarnaval. En fitnesscentra natuurlijk. Drugsbazen hebben moeite zwartgeldstromen te kanaliseren en dat deel van de politie dat geen lijntjes met de onderwereld heeft, doet goede zaken. De lucht wordt schoner want er is minder nutteloos auto- en vliegverkeer. Nog maar kortgeleden vonden we het heel gewoon dat mensen naar Australië of de Andes reisden om daar maanden te gaan rondreizen en nu zijn het de paria’s van de toerisme-industrie. Nu nog wat meer onderzoek naar de rol van aerosolen in binnen- en buitenlucht en we zijn klaar voor een vergelijking met de griep van 2017/2018; tot nu toe staat corona nog met een paar duizend overledenen achter. Nieuwe woorden als ondersterfte poppen up. In weken 21 en 22 was er minder sterfte dan in 2019. Misschien dat de zorg nu aan een inhaalslag toekomt. De eerstelijnszorg gaat tijd overhouden als de implicaties van de stelling dat 90% van de kwalen zichzelf oplost duidelijk worden. We gaan stoppen met de geperverteerde tandartsenij dat voor een grof vermogen nutteloze kosmetische ingrepen declareert. Wat betekent het dat we het gewoon zijn gaan vinden dat kerngezonde klanten twee x per jaar hun gebit lieten checken en dan ook nog juichten als er niets te doen was voor de witte jas? Huisartsen kunnen zich eindelijk gaan bezighouden met wat ze zouden moeten doen: preventie en leefstijlverbetering. Rokende en tonronde dokters krijgen een omscholing tot verkeersregelaar. De huisartsenij gaat eindelijk serieus de strijd aan tegen overgewicht, diabetes II en roken. Ze worden vanaf nu niet meer per behandelde patiënt of verkochte medicatie beloond, maar, na een uitgebreide nulmeting, per percentage gezonde cliënten. In een populair t.v.-programma hebben we jaren kunnen zien dat verstandige mensen net zo snel en vakkundig een diagnose kunnen stellen als een huisarts en dat gaat tijd opleveren. Cliënten met w.o.- of een hbo-opleiding krijgen overbodige vragen en tijdrovende klachten niet meer vergoed. Elke kilo boven of onder het groenste BMI gaat de klant 1% zorgpremie kosten. Rokers betalen 100% extra. Elke verminderde diabetes II, elke kilogram gewichtafname per klant en elke met roken gestopte cliënt levert de huisarts bonussen op. Wekelijks publiceert de NOS-app succesregio’s en voortgangpercentages in alle regenboogkleuren en de best presterende huisdokter per gewest. Natuurlijk zijn er allerlei mitsen en maren maar met een brede inzet van AI, gemonitord door enkele handenvol biotechnerds, onder supervisie van gutmensch Bregman, gaan we de goede kant op: naar begrenzing van de zorgkosten en meer gezonde mensen.

In Memoriam

Je zus vertelt me dat je bent overleden. Ik leg net een foto aan de kant waarop je lachende kop staat. Raar hoe familiedraden kunnen lopen. Toevalligheden zijn als lijm in fotoboeken. Nog een lijmdraad: ik zit in een Zeeuwse periode en ben de Geheime Dagboeken van Hans Warren aan het herlezen. Van Warren weet ik veel meer dan van jou. Terug naar de foto: jij zit tussen je vader en moeder in, daarnaast je zus. Wij vieren onze eerste trouwdag. Jullie allevier een lach van oor tot oor. In onze familie is dat een bijzonderheid. Ik herinner me de dag dat je werd geboren. Mijn moeder riep het door de woonkamer, ik met mijn rug tegen een lauwe radiator bezig drie kilo aardappelen te schillen. Mijn tweelingbroer hoefde ze alleen te ontpitten en te verzuipen. “Oom Auke en tante Doet hebben er een zoon bij.” Als ik jouw naam hoor vraag ik of jij naar mij bent vernoemd. Mem speelt Kurt Waldheim: “Ek nei dy jonge, fansels ek nei dy.” Onze vaders waren broers. Tussen jou en mij zitten dus vier lijmdraden spermatozoïden. Jullie woonden in de hoofdstad. Je vader had een artistieke inslag. Bouwkundig tekenaars verhuizen van woonboot naar flat naar waterkadehuis. Jou herinner ik me als een van de broers uit de Kameleon: strohaar dat alle kanten oppiekt, actie, fiere jongenspraat, een sympathieke belhamel en de wereld in willen. Voor Friezen is Zeeland als Overijssel voor Arubanen. Een andere wereld. Wat hen bindt: water, een eigen draadjestaal en geloof in een verzonnen en aanbeden held die je later laat vallen als een hijskraan een basaltblok op een zompige dijk. Daarin verschilt de bijbel van de Kameleon. Als je een jaar of twaalf, dertien bent help ik, pas verhuisd naar de hoofdstad, je met de vervoeging van Engelse werkwoorden. Detail: waarom de paragraaf Engelse meervoudsvormen zo ver moet gaan dat zelfs de uitzondering – en achter ox is opgenomen, verbaast me tot vandaag. We lachen erom en roken een sigaret. Je ogen glinsteren als je praat over opgevoerde brommers en meiden in fietsenhokken. Kijk, daarover hadden ze het niet in die Kluitmanserie. Je helpt je vader die een glazen keukencocon in de woonkamer plaatst, je bent architect of niet. Natuurlijk verliezen we elkaar uit het oog als jij de liefde zoekt in Zeeland. Voor Friezen is zo’n stap niet alledaags. Je doet waar je goed in bent. Penitentiaire inrichtingen zie ik voor me. Gevuld met gedetineerden en mannen als jij. Dat leven meer is dan werken en de familyman spelen weet jij als de beste en de burgemeester laat via marionettendraden de koning zijn kunstje doen met een terecht eerbetoon aan jou. Niet voor iedereen is Zeeland louter voorspoed en geluk, daar weten Hans Warren, jij en de jouwen alles van. Als je vader doodgaat, Friezen huilen niet, spreek ik een dochter: wijs en ondernemend. In haar herken ik jou, waarom zou je klagen? Jij ziet er monter uit. De drieletterafkorting uit je voornaam heeft je in de tang. Je leven wordt geknepen. Ik denk aan een schroefdop die koolzuur tegenhoudt. De organist van dienst doet zijn best, maar vergeet een handvol klassiekers. Ouders moeten doodgaan voor hun kinderen. Vaders doen dat. Dat niet alle moeders zich aan die wetmatigheid houden is natuurlijk meer dan mooi.

37 jaren afrodisiacum

Jij hebt het zeer met mij getroffen,

zo peins ik elke dag drie maal.

Ik ben niet dik, niet dom, niet kaal

en ga niet naar de hoeren in de stad.

 

Heel af en toe neem ik een tuiltje

blommen voor je mee. Ik doe de tuin,

ik rook mijn vingers niet geelbruin

en noem je regelmatig lieve schat.

 

Ik draag geen instapschoenen, buideltas

of witte das; ik boks of tennis niet,

ik help je altoos in of uit je jas;

 

waarom breng jij mij dan in diskrediet

als ik, mijn lief, al sinds ons trouwen

des nachts mijn sokken aan wil houden?

Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling


Als ik Lubbers’ Zuidenveldkroniek lees voel ik me als een kind dat door een caleidoscoop kijkt: steeds zie ik wat nieuws. Een foto op pagina 275 symboliseert het Zuidenveldgevoel treffend: vijf mannen zorgen ervoor dat een vastgelopen aanhanger weer vlot komt: met vereende krachten iets tot een goed einde brengen, dat typeert dit feest. Roelie Lubbers-Hilbrands beschrijft in Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling 1920 – 2020 de zuidenveldtentoonstellingen in al zijn facetten. Het zou mij niet verbazen als bij de eerstvolgende Zuidenveldtentoonstelling een platte kar aan haar is gewijd: haar lach en blonde lokken met duizenden maiskorrels, graanstengels en een keur aan bloemen op een plateau uitgelicht. Het boek is opgedragen aan enkele familieleden en, hier zien we Lubbers de diplomaat, aan alle deelnemers, medewerkers en bezoekers: het volk van het Zuidenveld.

Wat een immense klus moet het zijn geweest om de 100 jaren Zuidenveld te boekstaven, elk jaar op twee pagina’s, met er tussendoor beschrijvingen van het volgende decennium. In 304 pagina’s, zo’n 1.800 gram papier, boordevol tekst in gevarieerde lettertypes en foto’s, vanaf 1973 ook in kleur, sommige zelfs met watermerken, vertelt zij de historie. Overzichtelijk gerubriceerd en uiterst volledig: tot en met de jaarlijkse cateraar aan toe. Prijswinnaars, advertenties, bezoekersaantallen, financiële overzichten, bestuurssamenstellingen en meer.

Bij de decenniabeschrijvingen typeert Lubbers de historica de tijdgeest bondig en to-the-point. Van democratisering in de jaren zestig tot het homohuwelijk in 2002, velerlei maatschappelijke veranderingen komen voorbij die de landbouwtentoonstellingen inbedden. Al lezende voltrekt zich de geschiedenis van het boerenbedrijf met daarin een prominente rol voor de dieren en de boeren. Ertussendoor lezen we over de economische ontwikkelingen in de agrarische sector, de rol van de vrouwen, de oorlogsperiode, belangstellende hoogwaardigheidsbekleders, de regionaal-geografische ontwikkelingen en heel veel faits-divers die het boek leesbaar maken en houden. Van de vele foto’s is verreweg de mooiste die op p 61 met gelooide koppen van het prototype van Zuidenveldgangers: stoere mannen met petten.

Een speciaal onderdeel van het Zuidenveld zijn de versierdewagenoptochten en de versierde straten met de erebogen als hoogtepunten. Ik zie nog mijn oude buurman maanden voor het feest in Sleen in zijn schuur honderden vlinderfiguren voor de straatversiering lassen. Met veel gemeenschapszin en het inleveren van sloten vrije tijd, werd met man en macht gewerkt aan de gezamenlijke presentaties.

Missen we dan niets? Zeker, het boek was nog leuker en vollediger geworden als Roelie Lubbers anderhalve bladzijde had ingeruimd voor de keerzijde van de medaille, de achterkant van het gelijk. De ontwikkelingen in het boerenbedrijf gaan snel en het wordt allengs duidelijk dat die ook nodig zijn. Iedereen heeft in zijn familie wel een neefje dat een werkstuk over mest- of kalverfraude, Round-up en de miljardenclaims tegen Monsanto moet schrijven of een in Wageningen studerend nichtje dat op elke verjaardag van oom Annechienus de discussie aanjaagt met irritante vragen over biologisch boeren, het zielige van afgesneden staarten bij Belgische paarden, de circulaire landbouw van Carola Schouten en de ontwikkelingen in het dierenbevrijdingsfront, waarvan zij aspirant-lid is geworden. Het is jammer dat Lubbers de kritische geesten die binnen elke politieke partij te vinden zijn op p 7 zuurpruimen noemt. Niet zelden betreft het mensen met een agrarische achtergrond die het beste voor hebben met de boeren. Veel meer dan gratuite sympathie verdienen boeren het kritisch en met respect gevolgd te worden. Op p 253 volgt een licht herstel en komen dierenwelzijn, boerenprotesten en ecologische duurzame landbouw aan bod. Iets uitgebreider was aardig geweest en had meer recht gedaan aan de veranderingen die het boerenbedrijf te wachten staat.

Maar voor de rest: Roelie, chapeau! Ik ben nu al nieuwsgierig naar de eerstvolgende coronavrije versierdewagenoptocht in 2021 in Schoonebeek.

Kijk verder dan vandaag en weet . . .

Na de eerste obstakels <het boekje is niet te koop in Emmens grootste boekenzaak, de omslag vertoont een röntgenfoto boven een niet schoongemaakte vloer in een operatiekamer en de inleiding is mager als mais aan akkerranden> openbaart een alleraardigst gelegenheidsboekje zich en leer je hoe een select gezelschap schrijvers in Drenthe 75 jaar vrijheid beleven. Met veel plezier lees ik de teksten: gedichten, waarvan een minimaal aantal rijmende, enkele korte verhalen en zkv’s. De wat potsierlijke aanduiding op de omslag dat het om een meertalige uitgave gaat, houdt in dat er in het Nederlands (70 %) en in (enkele varianten van) het Drents (30 %) is geschreven. Waar zijn toch de wereldtalen Arabisch, Gronings, Frans en Fries gebleven?

Ik leg het boek even weg. Een week denk ik na over wat ik heb gelezen. Wat herinner ik me na 168 uren het best? Dat niet alle werk nieuw is. Een inleiding die tekortschiet en dit boek een steen noemt. De éminences grises Kool en Omvlee die beiden een thema aanraken dat me al enkele jaren interesseert: wegkijkers en collaborateurs. Het mooiste woord uit de collectie: ‘slungellid’ uit een zkv van Veen. Dat het viertal light-Verse-dichters er al zo lang in slaagt zo kunstig gedichten te wrochten, vier individuen die samen een eenheid smeden in verzen die retestrak rijmen maar toch overeind blijven staan in mijn geheugen, is een prestatie van formaat. Mij bevalt het dichte en franjeloze van Gramsma, het mooie Drents van Boerema en meer. De schrijvers zijn op excursie geweest naar landschappelijke ingrepen in de buurt van Peest. Ik wist van landingsbanen in de buurt van Havelte, maar dit is nieuw voor me. Een hakenkruis in een vijver? Foutloos schrijven blijft nog een dingetje. Gestuntel met leestekens, verbaast waar verbaasd werd bedoeld; hen en niet hun, nazie i.p.v. nazi, enz.

De inleider heeft moeite met het onderscheid tussen een ; en een :. Hij schrijft niets over de mysterieuze locaties nabij Peest. Verderop lees ik dat de onwetende auteurs eerst even op excursie moesten, maar dan wil de lezer weten waarnaartoe en waarom? En waarom 26 en niet 126 auteurs? Waarom geen informatie over de financiering van dit boek? Waarom werd er bezuinigd op tekstcorrectie? Het boek kent nogal wat haren in de soep, dunne donshaartjes maar ook dikke schaamharen. Zelfs vlekkerige inkt. Fouten in teksten van een fysiotherapeut, makelaar of sekswerker, mwaah. Maar missers en inconsistenties bij taalliefhebbers en profi’s, je zou meer mogen verwachten. Niet wegkijken maar even de verantwoordelijkheid nemen en elkaar aanspreken.

Kom, ik pak de bloemlezing er weer bij. Boerema intrigeert met het openingsvers: ik noteer vraagtekens <als poëzie mij dwingt vragen te stellen dan omarm ik die> en plussen in de kantlijn. Wat goed geschreven, bijvoorbeeld ‘atlas van het onbegrepen woord’ en ‘hij deserteert van pien en mij’. Er schijnt iets interessants te zijn tussen Norg en Vries, iets met een Hitlerring en een hakenkruis. Dan Brans met ook zeer rake vondsten: de beginzin en de laatste twee van Spaarbankbosch. Brans’ opa inspireerde haar tot het schrijven van mooie zinnen, originele taal en, tja, een cliché aan het eind van Vurt van de Grebbebarg. Bremer, bedankt, onthult wat er bij Peest in het landschap gebeurde. Ze wil me doen geloven dat arbeiders een hakenkruisvormige vijver met fantasie groeven. Gramsma schrijft een prachtig gedicht Fantoompijn dat vanwege het buiten- en binnenverhaal en de brieven complex is omdat de waarheid wordt bezworen en een anti-waarheidsserum wordt gebrouwen…. Van der Koois Vrijheid op straat levert de boektitel en stof tot nadenken. De helden van de kapschuur van Kool is een verhalend gedicht dat in elke schoolbloemlezing thuishoort, over hoe wegkijkende vaders wegkijkende kinderen krijgen. Koops raakt in Alles giet veurbij aan de klassieke vraag wat eeuwig is en wat niet. Niets dus. Landkroon verduidelijkt (eindelijk, hèhè) wat het reisdoel was van het teleurstellende schoolreisje waarbij een historische sensatie uitbleef, voorafgaand aan het jaarlijkse diner. Nijenhuis legt in Bennie Valk uit waarom hij grote woorden wantrouwt en waarom waakzaamheid blijvend is. Leenstra weet knap maar liefst vijf levensfasen in een gedicht toe te lichten en neemt wraak op de bezetters door wel Papa en Jood maar duitsers en kotälla geen kapitaal te gunnen. En dan een kwartet door Omvlee, Hoogland, Peters en Boudestein gebeeldhouwde sonnetten over vader, Fries, toneelspeler, onderwijzer, dienstweigeraar, redacteur, Trotskist, linkse oproerkraaier Auke Kootstra: een monument! Omvlee gaat even door met een raak daderprofiel van B. Veen verrast met een prachtig zkv (of ukv?) Kuil en betoont zich een mooiewoordenliefhebber met aanminnig en de allermooiste vondst in deze bloemlezing slungellid. De irritante contaminatie meeheulen strepen we hier dan maar tegen weg. En dan Veenstra, met Barak kampioen op drie vlakken: mooiste openingszin, langste bijdrage en nogal wat taalfouten. Alle auteurs zijn in alfabetische volgorde opgenomen in dit boek, behalve Aagje Blink: weer niet erg natuurlijk, maar onelegant.

(Kijk verder dan vandaag en weet … Schrijvers uit Drenthe over 75 jaar vrijheid verscheen bij uitgeverij Koninklijke Van Gorcum; € 12,95)