Özcan Akyol in Coevorden (€ 7,50)

Het bibliotheekzaaltje is met zestig stoelen vol. Vrijwilligers, biebmedewerkers, leesgroepleden en twee pubers. 85 % vrouw. In de pauze kannenkoffie. Geroutineerd vertelt bestsellerauteur Akyol, BMI van 25, sjoemel-Audi, polootje, lichte jeans, blote voeten in sneakers en charmant plukkend aan een onzichtbare broeksriem onder een afwezig buikje, zijn verhaal over zijn Turkse achtergrond, zijn jeugd in Deventer. Veel vooroordelen over cultuurarme Turkse immigranten worden bevestigd: ouders die niet of nauwelijks Nederlands (willen) leren spreken, jongeren die met geritselde Armanishirts een straatuniform creëren, een wijk die Ankara aan de IJssel heet, Turkse werknemers die zo snel mogelijk een uitkering binnenharken en jeugd die knoeit met studiefinanciering. En natuurlijk een Nederlandse omgeving die zich niet bekommert om integratie, gepersonaliseerd in het cliché van een lagereschooljuf die een slimme gast een te laag schooladvies geeft. De schaamteloze openhartigheid over de zich misdragende en naar de criminaliteit afglijdende jongere is weldadig. Het is een EO-verhaal in optima forma. Akyol, de kansarme is de bekeerde predikant die op tijd het licht krijgt aangereikt door een (detail: Surinaamse) cipier die zijn brave inborst, studiezin en leesgierigheid ziet en hem Rozemarijntje, stripboeken, Baantjer, ’t Hart, Goethe en Céline geeft. Eus, de autobiografie, past over Özcans leven als een niets verhullend cellofaantje over een doos frikandellen. De kracht van Akyol, opgegroeid in een vrijzinnig Alevitisch nest, zeg maar de ietsisten in Turkije, journalistiek gestudeerd aan het christelijke Windesheim in Zwolle en gesjeesd aan de gereformeerde VU in Amsterdam, is wanneer hij voorbij de sappige details treedt van een bierdrinkende vader en een moeder die niet weet wat scheiden is en verhaalt van de magische sensatie die het lezen en nu dus schrijven hem geeft en de rol van literatuur, van taal, van veel lezen op zijn persoonlijke ontwikkeling tot een volledig mens. Akyol, bedankt!

Naturalis, Leiden

Een nieuw, schitterend museum. Dankzij de interessante architectuur is er ook voor volwassenen veel te zien, want ja, het museum is in de eerste plaats heel geschikt en aantrekkelijk voor kinderen. Aan de buitenkant vallen de joekels van natuursteensierstrips op waarvan je altijd hoopt dat ze naar beneden komen als jij elders bent. Vanuit de hal naar boven kijkend valt op dat de vloeroppervlakte per verdieping kleiner wordt. Dat biedt zowel beneden als boven mooie, ruimtelijke zichtlijnen. Dankzij deze ruimte-indeling is dit een museum dat, vergeleken met de kubieke meters, weinig vierkante meters expositieruimte heeft. Via een meer dan prachtige, luie trap, loop je langs de (oneven) etages waar veel te zien of te beleven is. De even etages ontbreken voor de bezoekers, omdat ze of niet (lijken te) bestaan of zijn ingericht voor andere doeleinden. In het auditorium op de begane grond staat een preparatie van een meeuw aangekondigd: iets wat plattelandskinderen op jongensverjaarsfeestjes kunnen bekijken is hier museaal. 

Wat is er te zien? Leven, verleiding, dood, dino’s, live science en meer. Meer dan een miljoen objecten. De mensheid in alle tijdperken, de natuur vanaf ver voor het verzonnen koppeltje Adam en Eva en dierenskeletten met afmetingen van cruisschepenonderdelen. Brave museummedewerkers kraken stenen en hebben een verhaal dat zowel de (klein)kinderen als de opa’s en oma’s aanspreekt. Er is een verdieping met veel actieve presentaties (zo kun je onder een harige bol proberen te gaan hangen als een apenjong dat zich aan moeders buik klemt), er is een ijstijdexpositie en er is een opgezette of synthetische viervoeter die zich als allemansvriend ontpopt.

Grootste min is een hele zaal die wordt ingenomen door twee campers en een immense foto op de vloer van een rotsformatie.

Wat is er niet te zien? Veel. De link naar de mens van nu is mager. Wat was er mooier geweest dan een in tweeën gesneden (bekende) Nederlander naast een oermens te plaatsen om zo de effecten van roken, stressen, vervetten, te weinig bewegen aan te tonen? En dat proces dan op zondagmiddag met 40 opa’s en drie kinderen in de snijzaal aanschouwelijk te maken?

De Toorn van Thunaer (€ 27,50)

Tegen de achtergrond van pikzwarte luchten, heen en weer vliegende uilen en vleermuizen en een heldere maan tussen schitterende sterren, ontvouwde zich het spektakelstuk De Toorn van Thunaer. Prachtig locatietheater, met 120 spelers uit de regio en 60 orkestleden. Het programmaboekje vermeldt een meer dan indrukwekkende lijst medewerkers. Na meer dan 40 jaar in Drenthe gewoond te hebben ben ik ervan overtuigd: dit kan alleen in de zuidoosthoek, in het gebied rondom Oosterhesselen, Zweeloo en vooral Sleen met als drijvende krachten Kruimink, Hegen en maestro Harm Dijkstra. 

Dijkstra tekende voor het script en de 24 (!) liedteksten en Kruimink voor de muziek die door Pijnappel werd gearrangeerd voor fanfareorkest Excelsior. De organisatie, er is zo’n drie jaar aan gewerkt, was perfect. Verlichte parkeerterreinen, een cafétent met voldoende medewerkers, en, niet helemaal onbelangrijk: prima licht en geluid. En zoveel medewerkers, zowel spelend en musicerend voor als vrijwilligers achter de coulissen: er zullen weinig Zuidoost-Drenthen zijn die niet iemand kennen met Thunaerbanden: chapeau!

De soms wat lastig te volgen historie is op zich niet spectaculair: niet al te slimme, bijgelovige roofridders die een streek belagen, een boerenbevolking die voordat ze verpletterd wordt door machtsspelletjes doorkrijgt dat samenwerken handiger is dan soleren, dorpen die elkaar bekampen met als inzet de hoogte van hun kerken, een wat naïeve clerus die grossiert in tegeltjeswijsheden en meer. En alles doorspekt met humorvolle vondsten waarbij de underdog en de liefde en de gisse plattelander het winnen van het kwaad, de overheerser en de bazen. 

Op een breed graspodium aan de overzijde van de Boksloot is veel te zien: prachtig geënsceneerde wasvrouwen die behalve de was gelijk hun voeten wassen, een gebochelde tollenaar die redeneert als de moderne fiscus, voorbij varende vissers, in de verte schapen- en geitenhoeders en vooral veel dorpelingen die niet voor één gat te vangen zijn. En niet te vergeten de witte wieven die als een soort deus ex machina de schreeuwerige Thunari verjagen.

Tijdens deze premièreavond wordt het publiek in bescherming genomen door meewerkende weergoden: slechts een miniem buitje en een magere temperatuur bewijzen de kwetsbaarheid van buitentheater. En dan is ruim drie uur theater, onderbroken door 24 liedjes en een pauze, een hele zit. De ruime afstand tot de speelvloer, het grote koor staat zeker op vijftig meter van de achterste publieksrij en het verre orkest maken dat de toeschouwers hun best moeten doen de lijnen vast te houden. Met het grote aantal spelers duurt het soms even voordat je door hebt waar de spreker staat. Op het moment dat de spelers tot voor de sloot, of erin zoals Hazarman de Heilige (Gerard Aalderink) komen, merken we het verschil en slaan echte vonken over.

Het enthousiasme van de spelers vergoedt veel, ook dat lang niet alle zang loepzuiver klinkt. De vele zangers, figuranten, Sliener, Zweeler en Hesseler dorpsbewoners zorgen voor een levendig tableau. Het is moeilijk slechts vijf bij naam te noemen, maar vooruit: Wemmie Eggens als boerin Gé, Mia Dijkstra als kruidenvrouw, Robert Braam als Kwiebes, Jeroen Rienties als troubadour Quintus Querido en Marieke Meijerink als Hillegonda de jonkvrouw moeten genoemd worden. En natuurlijk Daan Pastoor als dorpsjongen.

Het spel begint en eindigt met vier hedendaagse dorpsmeiden die gek genoeg blowen als de beste, maar geen schermverslaving tonen en niet praten over het leenstelsel, kamernood, Netflix en de prijs van XTC. En een beetje letterlijke onderbroekenlol, Kwiebes’ verwijfde trekjes en dat je stotteraars helpt met een tik? Soit!

Het Thunaerverhaal is educatief ingebed in een project met zeven basisscholen. Wil je nog een vervolg op de Thunaerflow: er zijn fiets- en wandelroutes langs de historische locaties.

Bauke Mollema-tocht in contrast

Met 2.500 toerfietsers jakkeren we harmonieus door het Groningse platteland. We snuiven onze longen vol. De tocht wordt, bekeken door plaatselijke zevendedagadventisten, een makkie door zonnestralen, de geur van hooi, gemaaid gras en stimuli als adrenaline, erotonine, oxytocine en dopamine die door onze lijven spuiten als Tesla’s door tunnels onder toekomstige Groningse ringwegen. Vergeleken met andere toertochten zien we veel vrouwen. Dat maakt ons oudjes rustig en zeker. Zodra we een paardenstaart zien denken we: als we de jagers niet kunnen bijhouden, kunnen we altijd achter de wasverzachtersgeuren blijven. Bauke komt ons speciaal uitzwaaien op de Vismarkt. De verzorging onderweg is goed. We worden volgestopt met bananen, reepjes en dorstlessers als verwaarloosde pinken in verafgelegen, hooilanden. Anders dan in voetbalstadions, bij koningsdagevenementen en in stadsparken op zonnige dagen wordt er geen rotzooi achtergelaten. De wereld om ons heen oogt helder, zacht, schoon en vriendelijk. Niemand die deze dag verstoort door gitzwarte gedachten over slechte luchtkwaliteit. Nog geen drie dagen later zal Groningen verworden tot het Armageddon van de vervuildestedendivisie door superhoog te scoren in de Air Quality Index. Hoog betekent slecht. Stad Groningen ondervindt zoveel last van smog dat het onderontwikkelde steden als Calcutta, New Delhi en Peking verslaat. Amsterdam en Rotterdam scoren 100 % beter dan Groningen. Luchtvervuiling kan via COPD, astma en longkanker dodelijk zijn. Toeval of niet, maar Zomergast Wanda de Kanter, geëxcommuniceerd door het knieënslappe KWF, roept ’s avonds op vriendelijke toon in de VPRO-woestijn hoe schadelijk nicotinedealer AH en rookgevolgen kunnen zijn. Ik word 21e bij de 85 kilometer.

ABN AMRO witwasfabriek

Knoeiende scholen krijgen de inspectie op hun dak met of zonder minaret. Boeren die zich vergissen met fipronil, kalvergeboorteregistraties, mestboekhouding, glyfosaat, veetransporten, veekeuringen, kippenruimtes, varkensziekten, q-koorts, pesticiden in lelieteelt en die dan gewasbeschermers noemen en stalbranden worden liefdevol belerend door Carola Schouten toegesproken. Blunderende banken mogen eerst hun eigen afval onzichtbaar maken als leprozen hun wondpleisters. De Nederlandse Bank verplicht ABN vijf miljoen rekeningen te checken op verdachte transacties. Het pad naar de gallemiezen of de ratsmodee leidt Van Rijkman Groenink via Zalm naar Van Dijkhuizen. De schoonmaak van de semi-staatsbank begint bij de president van de Nederlandse Bank, Klaas Knot. Klaas + Knot + Hoogeveen (is er een betere optelsom voor onverdachte kwaliteit dan dit namentrio?) wil de maatregel niet toelichten. Concreet: de bank heeft de administratie niet op orde. Dat klinkt als: schilders verwarren verfverdunners met urine; katholieken zoeken Lourdesroute in de koran; administrateurs gebruiken rad van avontuur naast computer. Een boete zit in het vat. Maakt zo’n maatregel de bank tot een criminele organisatie en rekeninghouders medeplichtig? Nee. Tot een fraude faciliterende ambtelijke witwasfabriek? Zeker, maar gedeeltelijk. Er zal ongetwijfeld een aantal rekeninghouders zijn met propere bedoelingen. Die weten heus wel dat belastingontduiking illegaal is, maar ook dat belastingontwijking dat niet is. De smoking gun zet Knot in beweging. Knots zwakte ligt erin dat hij de bank voorlopig zijn eigen vleesafval laat keuren. ABN AMRO-rekeninghouders bevragen zich vanaf nu driemaal daags en ’s nachts: houd ik mijn rekening bij dit gajes?

Gouden Pijl, de toertocht

Wij doen de 100 km. Om Wildlands op de kaart te zetten gaat de eerste km langs de savanne. Slaperige leeuwen verlustigen zich aan gespierde fietsersbenen. Mijn fietsmaat heeft tanige kuiten als een Spaanse huis-aan-huis-verkoopster. ‘We maken er een rustig fietsdagje van,’ liegt de een de ander voor. Dat lukt tot Weiteveen. Daar spotten we het peloton: dertigers en veertigers die gemiddelden van 35 draaien. Met de vingers in de neus. We zien fietsen van 0,85 tot 10+ K. Na de pauze jakkeren we naar Wezuperbrug via kleine wegen. Klinkers, gescheurd asfalt, grind, oude fietspaden, alles zit erbij. Ik zie een bekende kop: Gert Jakobs. In de tour heette hij de super- of meesterknecht. Een bonk spieren. Zelfs zijn imposante bilpartij gaat niet blubberen op oneffen weggedeelten. Ik hoor hem uit over hoge velgen, stuurmanskunst, carbonfietsen, isotone dorstlessers en meer. En ik blijf naast hem fietsen. ‘Hoe classificeer jij dit tempo?’ vraag ik nog snel voordat hij zich laat afzakken naar de volgauto. “Dit peloton rijdt hard.” Om een gemiddelde van 35 te halen moeten de kopmannen boven de veertig komen als ze voor een bocht tot 28 zijn gezakt. Ik zie shirtopschriften als ‘Derrrannn’, ‘Marmotte’ en ‘Klaas-Jan Terwisga fietsenherstelbedrijf’. De stoempers, sjorders en sleurders hebben geen zadeltasje dat hangt te bungelen als het scrotum van een stier maar een extra bidon met reparatiemateriaal. Ik ben de enige met een spiegeltje, bel en ligstuur. Op de kasseien voorbij Wezuperbrug ga ik eindelijk kapot. Gesloopt. Gelukkig.

Gouden Pijl – de voorbereiding

Ineke Stevens (Rensenpark Emmen)

Aschenputtel en Meeresluft

Het is Gouden-Pijl-tijd. In de voorbereiding op dit fietsevenement houdt onze fietsgroep zich gedeisd. We leven rustig als sluiswachters in Drenthe. We gaan vroeg naar bed. We herlezen 43 Wielerverhalen van Tim Krabbé en rusten tussen de middag als Grieken bij het belastingloket. We wandelen wat en houden de spieren soepel. We eten uitsluitend vis, kip en couscous en drinken niets dan rodebietensap, Radler en water. Elke dag vetten we de ketting in en checken we de derailleur en de stuurlinten. De poetslappendoos is als een make-upplank van Lindalezeressen: voor elk onderdeel een ander lapje. Sinds buik- en schaamhaar oncontroleerbaar door de fietskleding naar buiten steken zijn we maar gestopt met het scheren van de benen. Een week voor de GP jachten we nog even oostwaarts: de routecommissaris wil naar Meppen en Haren. Voor ons doen rijden we vlot. In Meppen pakken we de rijweg en tarten Audi’s met sjoemelsoftware door ons bij stoplichten voor hen op te stellen. Naast de Ems gaan we los. 28,5 wordt het. Hier geen Heiltjes 27 of Vertrouwen uit Urk of Grouw, maar binnenvaarttankers met in kleine letters BASF en namen als Aschenputtel en Meeresluft. Wanneer ik riet, bamboe en mais niet meer kan onderscheiden, kalmeren we en verlagen het tempo. De zonnebril maakt graslanden dorder dan in het echt. Maar toch nog groener dan in het voorjaar toen boeren met Round-up Koningsdag opleukten met meer oranje dan de feestelijkheden verdroegen. Wij blijven ons voorbereiden, als roomsen op het hiernamaals.

Emslandkampen en kunst

Het blijft bijna niet te geloven: net over de grens met Duitsland waren in de Tweede Wereldoorlog vijftien concentratiekampen. Tussen ruwweg Papenburg en Lingen v i j f t i e n en er is zowat niets van overgebleven. Heel weinig mensen hebben weet van deze kampen, misschien nog minder dan er katholieken zijn met bijbelkennis. Maar dankzij de inspanningen van Pieter Albers is deze historie ontsloten.

Op zaterdag 20 juli fietsen kameraad en ik mee met de route Emslandkampen en Kunst, georganiseerd door de bijna splinternieuwe vereniging (sinds 2010) van amateurhistorici in Nieuw Schoonebeek. Kosten: € 12,- Er is veel belangstelling voor de regionale historie. Elke excursie, t/m 2020, is volgetekend.  Kameraad is historiegemotiveerd; ik ben fietsgemotiveerd: was het onderwerp baltsrituelen van bedreigde kolibrisoorten in het hoogveen dan was ik ook meegegaan. Pieter Albers is ingehuurd als deskundige. Met de dictie van een scheikundeleraar in rust spreekt hij de groep toe. Deskundig en duidelijk. Hij wordt ondersteund door een ploegje amateurhistorici uit Nieuw Schoonebeek.

Albers werd in 1987 getriggerd door een artikel in de Emmer Courant over de Kriegsgräbestätte met duizenden doden in de massagraven in en bij de Emslandkampen. Vooral de zinsnede: ‘Over veertig jaar zie je hier niets meer van,’ daagde hem uit. In 1933 kwam Hitler in Duitsland aan de macht en werd met de bouw van de concentratiekampen gestart. De bouw van deze kampen duurde tot 1938. Tijdens de oorlog werden de nu nog bekende concentratiekampen gebouwd. In de Emslandkampen kwamen in eerste opzet politieke tegenstanders die in het hoogveen als dwangarbeider werden ingezet. De op het stationnetje in Ringe aangevoerde Russen werden in rijen doorgestuurd naar het kamp in Neugnadenfeld. Russen die de barre reis niet hadden overleefd werden op platte boerenkarren naar massagraven vervoerd. Ab Masselink uit Nieuw-Schoonebeek was hiervan ooggetuige. Albers schreef het boek Gevangen in het veen.

We fietsen langs het Alte Picardi Kanaal en bezoeken een kunstwerk dat Draaikolk heet. In draadstaal gevatte Bentheimer bouwstenen verbeelden een draaikolk. Als de Drentse geschiedenis (Spier 2019) zich herhaalt zal dit werk binnen enkele jaren instorten als gevolg van gebroken staaldraden door een gebrekkig fundament of vandalisme. We fietsen verder naar het stationnetje in Ringe waar Albers ons toespreekt. Na de lunch waarbij we naar een film kijken over de kampen, fietsen we door, geteisterd door onweer en slagregens, naar Neugnadenfeld. Het fietserslint blijft ternauwernood intact. Het scheelt weinig of er ontstaat in plaats van een historische een speurtocht met een veelkoppig monster. We bezoeken een massagraf van Russische krijgsgevangenen. Sobere stenen zonder namen.

Onderweg val ik van de ene in de andere verbazing. Waarom zijn er in Duitsland bijna geen infoborden over de kampen? Waarom kregen Franse krijgsgevangenen een betere behandeling dan de Russische? Waarom is van deze kampen bijna niets overgebleven? Waarom vertelden drie geschiedenisleraren op het Christelijk Lyceum Oostergo te Dokkum in de jaren zestig van de vorige eeuw mij hier niet over? Waarom vertonen peperdure en immense kunstwerken die alleen met infoborden te doorgronden zouden zijn en die voor de eeuwigheid bedoeld zouden moeten zijn, binnen een decennium al ingrijpende tekenen van verval? Waarom werd er zo weinig aandacht besteed aan de geluidskwaliteit van een instructieve amateurfilm die liefdevol wordt vertoond?

Gert van Hoef, 18 juli 2019 in de Jozefkerk in Assen (€ 10,-)

25 jaar en meer dan 56.000 You Tube-abonnees, dat belooft wat. Het zomeravondconcert in de Jozefkerk in Assen trekt in aantal zo’n 1,5‰ van die abonnees. Niet gehinderd door wat straatruis van het inpakken van enkele gepimpte raceauto’s speelt Van Hoef een lekker gevarieerd programma, van Bach tot Van Hoef en van Asma tot Händel via weer Van Hoef. Het mooiste moment was toen ik de tune van de kinderfilm Babe hoorde in het slotstuk van Saint Saëns. Van Hoef balanceert gedurfd tussen eigen werk, bewerkingen van geestelijke liederen en ijzeren klassiek repertoire. Daarvan is de Passacaglia en Fuga van Bach wel ongeveer het toppunt, direct gevolgd door Griegs In the hall of the Mountain King uit de Peer Gynt Suite: kort, vrolijk en grappig. De lage tonen uit de Passacaglia komen lekker in je middenrif binnen en zorgen voor een prettige mix van opwinding en rust; dit werk werd zeker vijftien minuten uitgesponnen. Ongeveer 40 keer hoorde ik het thema, onberispelijk gespeeld, in allerlei muzikale tinten voorbijkomen. Het Allegro con brio uit Sonate I van Mailly viel een beetje tegen. Het aangekondigde vuurwerk waarbij alle registers open zouden gaan bleef wat bleekjes. De opening met een liedbewerking van God is getrouw, enz. zette de toon: schitterende orgelmuziek van een Frankie de Jong van de orgelmuziek, of nou ja… Van Hoefs eigen stuk Trumpet Tune, een mooi trompetdeuntje, maar voor mij te weinig trompet, deed me aan een middeleeuwse melodie denken. Heel sensitief en meditatief vond ik de improv van Nearer my God to thee, waarvan ik hoop dat het bij mijn en wat mij betreft bij ieders crematie gespeeld zal worden, schit-te-rend.

Voor een orgelconcert trekt Van Hoef een aardige pluk publiek. Zou hij de relilijn wat loslaten en bijvoorbeeld de Aria over Psalm 121 van Propitius en Asma’s Verlosser, vriend, gij hoop en lust inruilen voor Flight of the bumblebee of, nog beter een eigen bewerking van, pak ‘m beet Bella CiaoSpace Oddity van David Bowie of iets uit het vroege werk van Crossby, Stills, Nash & Young en een sexy bewerking van de Champions League Hymne, dan zou je een breder = jonger publiek bereiken. Het hoeft geen Ali B te worden, maar het mag nog wel wat wilder, sexyer en hipper. Nog even terug naar Saint Saëns: een heerlijke inzet die naadloos naar de Babe-melodie overgaat: kippenvel, douze points. Mijn metgezel, grossierster in understatements, mompelde, voor haar doen in overcomplimenteuze bewoordingen: ‘Dit vind ik wèl leuk.’

Met de rug naar het orgel zitten is nooit heel fijn, maar deze organisatorische imperfectie werd goedgemaakt door enkele <bescheiden> tv-schermen, die de hand- en vingerposities en de registermanipulaties van Gerts assistent mooi toonden. En voor diegenen die af en toe even wegsoesden was het prettig dat het repertoire werd beschreven in beeld.

Salomon, het Kollumer Oproer

De première van Salomon, het Kollumer Oproer is oorverdovend mooi. Hoofdrolspeler Syb van der Ploeg als Salomon, speelt zich uit de naad (om maar eens een Friezisme te gebruiken). De couleur locale krijgt kracht en kleur door de locatie achter de Maartenskerk waar de opstandelingen meer dan twee eeuwen geleden daadwerkelijk werden opgesloten, de Friese paarden, de meer dan 100 spelers, waarvan een groot deel vrijwilligers uit de regio, en uiteraard de moeder aller regiotalen: het Fries. Ook niet onbelangrijk: voor locatietheater in de open lucht is er een prima balans tussen muziek en zang. Aan licht en geluid is meer dan gemiddeld aandacht besteed.

Een ingenieuze vondst, een Nederlands sprekende Google Maps, kundig gepresenteerd door Meriyem Manders, maakt het spektakel voor niet-Friessprekers te volgen. Af en toe staat Google Maps aan de laadpaal waarbij ledlampjes als een aura oplichten. Zij linkt het verleden aan de nieuwe tijd en wijst Salomon op gedachtenkronkels.

Het verhaal in een notendop: de uit Duitsland gevluchte Jood Salomon Levy is allergisch voor onrecht. Hij komt in actie als enkele streekjongens, Jan Binnes en Abele Reitses, de ene vanwege zijn rol bij het Kollumer Oproer en de ander vanwege dienstweigeren, door de Franse overheersers worden vervolgd. Salomon wordt neergezet als vrije jongen, womanizer met een libido als een gevuld kruidvat, en vooral strijder tegen discriminatie en onrecht: ‘Ik bin fan net ien!’. Het komt meer dan goed uit dat Syb van der Ploeg, in het echt ook nazaat van Salomon Levy, kan zingen en toneelspelen. De Fransozen doen waar ze goed in waren: ze guillotineren de hoofdpersoon. 

De verhaallijn wordt door scriptschrijver Dick van den Heuvel naar het nu en het recente verleden eigentijds gehouden, zonder de historische setting te verwaarlozen. Er wordt tot het randje met de chronologie gespeeld. De spelers zijn gekleed in historische kledij die zo uit het Museum in Veenklooster lijkt te komen. De verbindende elementen zijn de nare behandeling die marathonloopster Foekje Dillema ten deel viel, een hint naar de Me-Too-discussies, en meer. In de Foekje Dillema-case krijgt de KNAU het behoorlijk te verduren. Een vreemde noot in het spel is een terugkerende discussie tussen humoristische representanten van de berenburgindustrie. De aanwezigheid van schaatser Henk Angenent toont de sympa bereidheid om spruitjes telende niet-acteurs een kans te geven voor een groot publiek, wa wit…

Het massaal toegestroomde publiek (er zijn zo’n 1200 bezoekers, en dat zes keer) wordt gelijk het verhaal ingezogen door irritante Franse jengelmuziek: de anti-Franse toon is dus prettig gezet. De live muziek wordt verzorgd door De Kast en een kopersectie van Wilhelmina, de Kollumer brassband. We horen ‘In neie dei’ en bewerkte ouwe gouwes als ‘Vluchten kan niet meer’ en ‘Ben ik te min’. Het kon minder. En dan die onverstoorbare Friese paarden die flegmatiek, als Friezen op vakantie in Frankrijk, een bijdrage leveren, niet alleen voor de bühne, maar ook over het kerkpaadje galopperend achter het podium. Dit soort franje maakt dat het publiek ogen tekort komt. De scene met Kollumer vrouwen die hitsige madammekes spelen toont aan dat de verraderlijk koele uitstraling van de deernes meer broeierige verlangens verbergt dan voor mogelijk wordt gehouden. 

Een indrukwekkende scene is die waarin spelende kinderen de jonge Salomon wegpesten met discriminerende teksten als Je hoort hier niet, Joden hebben Jezus vermoord, opzouten! waarbij ongetwijfeld subtiel wordt verwezen naar de bepaald onfrisse houding van de Kollumers toen eind vorige eeuw de  moordenaar van Marianne Vaatstra in het asielzoekerscentrum werd gezocht in plaats van in een aanpalend dorp. Wat ik miste voor een evenwicht tussen terechte regionale trots en overdreven chauvinisme was een kat naar de blokkeerfriezen; oog voor je eigen tekortkomingen zou een fraaie extra laag zijn geweest.

(Salomon, het Kollumer oproer; 4 t/m 9 juli 2019; stoel € 31,50; consumptiemunten € 2,50)