Kleine tuinman

Broek op halfzeven,
licht gebogen tuinman,
jonge pake in de dahlia’s;

ik beschouw je nieuwe handen,
tuinman, die net nog
harken waren, van dichtbij,

driftig op zoek naar een vertraagd want
aangeschoten lieveheersbeestje
(nu al liever dan een pissebed).

De natuur en jij tuinman,
lief gestreken door een
nevelige zon die niet zo zeker is;

mijn ogen strelen je rug
en het verre onweer
houd ik met hetzelfde gemak
als waarmee ik kastanjes vel,
met mijn handen tegen.

Jij kijkt op en om en weer op
en peilt mij met begrip
en verder ga je, tuinman,
de aarde zwelgt mijn zorgen.

Emmen, geslaagd

Met een nieuwe rugtas vol Franse hunebedstenen op weg:
Angelslo, vanaf de Heckningecamp, begin jaren negentig, je
Aarzelt bij de afslag naar de Heemingeslag, alsof
Ruimte je uitdaagt en influistert, de moskee
Talmt nog bescheiden op een taaie tekentafel:
Eigengereide kantinebakstenen; buurman Ludolf harkt graffiti:
Naadloze, nieuwe banen gras; takken vallen en bloc
En nu, eindelijk later, verorbert Ellert een tosti
Na een kalme, net geen Koreaanse, koningpilsnacht;
Magisterloze dagen tot examens. Nu baskets, volleys, nee
Even geen school meer, maar vrijheid, tijd voor feestje
En vakantie, werken; nu al kiezen voor leven later,
Straks, Life is Life, muziek, droom, voor herinneringen geslaagd.

(N.B. dit gedicht gaat over geslaagden in Emmen, maar speciaal over onze zoons Maarten en Mees, zoals de titel verraadt en de begin- (maar ook eind-) letters van de dertien regels)

Jongbloedvaart

O Jongbloedvaart, o mooie Jongbloedvaart;
je waterkant, je sensuele lissen,
je krabbescheer, je riet, je openbaart
aan mij je hart, je ziel, je hagedissen.

O Jongbloedvaart, o wulpse Jongbloedvaart;
naast jou word ik geregeld nagestaard
door een passant die aan mij vraagt: wat vinje?
en fluist’rend stamel ik dan zacht: ‘k bemin je’.

Je trekt aan mij al ben je soms wat duister,
toch zie ik door je kroos de waterpest,
fonteinkruid, hoornblad en de ware luister
van een kikkerpaar dat jij hebt vetgemest.

O Jongbloedvaart o hete Jongbloedvaart;
daar fietst mijn lief en roept vrij onvervaard:
‘zeg lekker ding, hoe staat de zaak, wat vinje?’
Mijn klompen uit, mijn moed bijeengegaard

en lustig zeg ik hees terwijl ik likkebaard:
‘verroer je niet, lig stil, dan kom ik in je.’

Zomertuin

De zachte wind beweegt
jasmijn, laurier en hop,

de zon prikt waar ze wil,
vooral haar rug en nek.

Hij sluit zijn ogen snel
en ziet een zwarte stip;

het scherpe licht omrandt
haar hoofd, de haren waaien.

Haar rug beweegt eerst niet,
dan maakt ze heerlijk vaart.

Genietend krult zijn mond,
zijn rug, hij likt haar oor.

Zijn ooghoek registreert
gejaagd bezoek op ’t pad.

De spanning loopt snel op
en sneller nog weer af.

Verliefd zoent hij haar mond;
dankzij het mooie weer
dit jaar al voor de elfde keer.

Wat een prachtzomer toch!

Suïcidale luchtvis

Dobber, waar bent u gebleven in dit tableau,
Boven of onder de werkelijke, weidse wereld, daar
waar de dreigende haak mij zoekt; spiedend
Langs gehavende Belcampo-indrukken,
Een Blauw Dorp, of Groninger land;
Tegeltjeswijsheid: wie de vis heeft, heeft de graat;
Ik spoed me over de lokkende, lonkende trompetten
Van groot hoefblad dat zich als een vagina dentata
Prijsgeeft als open schelpen, badend in
Schemerlicht met bomen behoedende maan,
Ver voorbij haar die een stam knotte als een
Kaasschaaf een Parmaman zonder overdreven
Gevoel zou inkorten en ontdoen van de fallus
Impudicus, die hem maakt en drijft.
Boot, waar verstopt u de wijkplaats, zeppelin
Van het water, bolknak, drijver in luchten, waar vind ik
Het anker, de ketting naar leven, naar lucht…

‘Suïcidale luchtvis’ werd geschreven bij het schilderij ‘Luchtvis’ van Hans Busman

Val

De val was iets te vrij
geworden, een vleug paniek
greep haar zeer stevig vast.

Van boven af zag zij
de horizon, een kerk
en in de verte een fabriek.

Ver onder haar publiek,
wijd open monden
genageld aan de grond.

Men liep gehaast
in deze noodseconde
en zie, daar was de dood.

Zijn blik ietwat verbaasd,
de handen op de rug,
wie had hem hier genood?

De avondzon scheen licht
en gaf de laatste kleur
aan haar gedeukt gezicht.

Hoe te leven

Wie zegt mij dat ik geen hut mag bouwen, een astronaut
In een hondendrol laten ontploffen tegen de nieuwe
Opel Astra van de buurman, hangen in touwen
Boven een houtvuur zoals iedereen hangt, een overall
Dragen en een dode mol begraven naast Barbie,
Een eksternest leeghalen, een ravenjong koesteren,
Roeien, een vlot bouwen, als piraat plassen in goten
Op het kermisterrein, de meester met drop en Bazooka
Vastplakken, pieren steken, met een katapult
Weerloze jongetjes met vuurwerk bekogelen,
Duiken vanaf bruggen over de Ericase vaart,
Paddenstoelen proeven, met de slee raggen achter
Een crossbrommer, onvoorzichtige latten
Decouperen, een vlieger aan de skelter binden of … …?
Moet ik soms lieflijk mijn tong uitsteken
Bij de dokter, veel te grote, gifgroene
Jurkjes dragen? Vertel me, vertel me
Van het waarom
En het hoe
Te leven.

‘Hoe te leven’ werd geschreven bij het schilderij ‘Uitdagend’ van Silvia Benniks

Gemeentedichters Emmen

gemeentedichters Emmen V.l.n.r.: Eddie Zinnemers, Bertus Beltman, Joep van Ruiten, Peter veen, Berendy Gähler, Klaas van der Meulen, Geja Casu, Cobi de Jonge en Anna Hardonk.

Koning Willem Alexanderkanaal, of palingen steken oceanen over

Palingen steken oceanen over om te gaan
Paaien; zalmen zwemmen tegendraads &
Stroomopwaarts  indien nodig naar verre,
Ongenaakbare geboortegronden; ondankbare
Snoeken hoeven maar tot Zuid-Friesland,
Want daar zijn voor zoete snoeken de beste
Paaigronden, zeggen ze; op zulke uitspraken
Zul  je broedse kieviten nooitnevernea betrappen;
Tot nu stootten de Duitse volle visvrouwtjes
Hun geile, grage neuzen tegen basalten taluds
Van stalen Eemsdijken ter hoogte van Meppen,
Haren, wie weet zelfs Rütenbrock-Mitte; westwaarts
Willen ze, als meegalopperende snoekshoofden,
Vom Osten nach Westen, een prima route.
Drentse waterstaatingenieurs met een passie
Voor snoeken verstonden  de driften en
Verzonnen iets: kunstmatig creëerden ze
Vraag naar doorvaarroutes, die waren goed
Voor toerisme en de weg zoekende volgelingen
Van dominee Rosenbaum in Klazienaveen-Noord,
Voor kunststof hatende Ericanen die blijven
Neuriën dat hout moet, de snoekentomtom navigeerde
Nabij de grazige weiden van beide Compascua,
Klazienavener Woonschepen: uitverkocht,
Submariene hunebedden kwamen in beeld,
Vanaf rondvaartboten met glazen bodems, alles
Dankzij de paaigrage snoek, Oranjedorp kreeg
Nog meer kleur, de doorzwemroute kwam er
En daarmee de doorvaarroute, de wereld ligt
Open, verre horizonten ontsluiten zich, straks
Ligt Emmen aan de staandemastroute, wordt
Coevorden twaalfde stad, de snoeken dankbaar,
Dankbaar de snoeken.

Wit, grijs, zwart

Natuur in Zuidoost-Drenthe is Van Gogh:
Grijsgetint, ouderwets, soms ingetogen;
Bekeken door een bus bebrilde ogen,
Op zoek naar gulden snee, gezichtsbedrog.

Dan weer is de natuur een bont palet
Van beelden, kleuren als een druppel olie
Op een weg, schittering van zilverfolie,
Een kermis, voorjaarstinten van Monet.

Als contrast ontwaart men, reeds op afstand,
Zwartwitte vogels vliegend, soms een grijze,
Knisperend en fladderend, dissonant
In rust, stilte-infiltrant, ten bewijze

Van vooruitgang, hier een reep, daar een flard
landbouwplastic, lappen wit en zwart.