Emslandkampen en kunst

Het blijft bijna niet te geloven: net over de grens met Duitsland waren in de Tweede Wereldoorlog vijftien concentratiekampen. Tussen ruwweg Papenburg en Lingen v i j f t i e n en er is zowat niets van overgebleven. Heel weinig mensen hebben weet van deze kampen, misschien nog minder dan er katholieken zijn met bijbelkennis. Maar dankzij de inspanningen van Pieter Albers is deze historie ontsloten.

Op zaterdag 20 juli fietsen kameraad en ik mee met de route Emslandkampen en Kunst, georganiseerd door de bijna splinternieuwe vereniging (sinds 2010) van amateurhistorici in Nieuw Schoonebeek. Kosten: € 12,- Er is veel belangstelling voor de regionale historie. Elke excursie, t/m 2020, is volgetekend.  Kameraad is historiegemotiveerd; ik ben fietsgemotiveerd: was het onderwerp baltsrituelen van bedreigde kolibrisoorten in het hoogveen dan was ik ook meegegaan. Pieter Albers is ingehuurd als deskundige. Met de dictie van een scheikundeleraar in rust spreekt hij de groep toe. Deskundig en duidelijk. Hij wordt ondersteund door een ploegje amateurhistorici uit Nieuw Schoonebeek.

Albers werd in 1987 getriggerd door een artikel in de Emmer Courant over de Kriegsgräbestätte met duizenden doden in de massagraven in en bij de Emslandkampen. Vooral de zinsnede: ‘Over veertig jaar zie je hier niets meer van,’ daagde hem uit. In 1933 kwam Hitler in Duitsland aan de macht en werd met de bouw van de concentratiekampen gestart. De bouw van deze kampen duurde tot 1938. Tijdens de oorlog werden de nu nog bekende concentratiekampen gebouwd. In de Emslandkampen kwamen in eerste opzet politieke tegenstanders die in het hoogveen als dwangarbeider werden ingezet. De op het stationnetje in Ringe aangevoerde Russen werden in rijen doorgestuurd naar het kamp in Neugnadenfeld. Russen die de barre reis niet hadden overleefd werden op platte boerenkarren naar massagraven vervoerd. Ab Masselink uit Nieuw-Schoonebeek was hiervan ooggetuige. Albers schreef het boek Gevangen in het veen.

We fietsen langs het Alte Picardi Kanaal en bezoeken een kunstwerk dat Draaikolk heet. In draadstaal gevatte Bentheimer bouwstenen verbeelden een draaikolk. Als de Drentse geschiedenis (Spier 2019) zich herhaalt zal dit werk binnen enkele jaren instorten als gevolg van gebroken staaldraden door een gebrekkig fundament of vandalisme. We fietsen verder naar het stationnetje in Ringe waar Albers ons toespreekt. Na de lunch waarbij we naar een film kijken over de kampen, fietsen we door, geteisterd door onweer en slagregens, naar Neugnadenfeld. Het fietserslint blijft ternauwernood intact. Het scheelt weinig of er ontstaat in plaats van een historische een speurtocht met een veelkoppig monster. We bezoeken een massagraf van Russische krijgsgevangenen. Sobere stenen zonder namen.

Onderweg val ik van de ene in de andere verbazing. Waarom zijn er in Duitsland bijna geen infoborden over de kampen? Waarom kregen Franse krijgsgevangenen een betere behandeling dan de Russische? Waarom is van deze kampen bijna niets overgebleven? Waarom vertelden drie geschiedenisleraren op het Christelijk Lyceum Oostergo te Dokkum in de jaren zestig van de vorige eeuw mij hier niet over? Waarom vertonen peperdure en immense kunstwerken die alleen met infoborden te doorgronden zouden zijn en die voor de eeuwigheid bedoeld zouden moeten zijn, binnen een decennium al ingrijpende tekenen van verval? Waarom werd er zo weinig aandacht besteed aan de geluidskwaliteit van een instructieve amateurfilm die liefdevol wordt vertoond?

Gert van Hoef, 18 juli 2019 in de Jozefkerk in Assen (€ 10,-)

25 jaar en meer dan 56.000 You Tube-abonnees, dat belooft wat. Het zomeravondconcert in de Jozefkerk in Assen trekt in aantal zo’n 1,5‰ van die abonnees. Niet gehinderd door wat straatruis van het inpakken van enkele gepimpte raceauto’s speelt Van Hoef een lekker gevarieerd programma, van Bach tot Van Hoef en van Asma tot Händel via weer Van Hoef. Het mooiste moment was toen ik de tune van de kinderfilm Babe hoorde in het slotstuk van Saint Saëns. Van Hoef balanceert gedurfd tussen eigen werk, bewerkingen van geestelijke liederen en ijzeren klassiek repertoire. Daarvan is de Passacaglia en Fuga van Bach wel ongeveer het toppunt, direct gevolgd door Griegs In the hall of the Mountain King uit de Peer Gynt Suite: kort, vrolijk en grappig. De lage tonen uit de Passacaglia komen lekker in je middenrif binnen en zorgen voor een prettige mix van opwinding en rust; dit werk werd zeker vijftien minuten uitgesponnen. Ongeveer 40 keer hoorde ik het thema, onberispelijk gespeeld, in allerlei muzikale tinten voorbijkomen. Het Allegro con brio uit Sonate I van Mailly viel een beetje tegen. Het aangekondigde vuurwerk waarbij alle registers open zouden gaan bleef wat bleekjes. De opening met een liedbewerking van God is getrouw, enz. zette de toon: schitterende orgelmuziek van een Frankie de Jong van de orgelmuziek, of nou ja… Van Hoefs eigen stuk Trumpet Tune, een mooi trompetdeuntje, maar voor mij te weinig trompet, deed me aan een middeleeuwse melodie denken. Heel sensitief en meditatief vond ik de improv van Nearer my God to thee, waarvan ik hoop dat het bij mijn en wat mij betreft bij ieders crematie gespeeld zal worden, schit-te-rend.

Voor een orgelconcert trekt Van Hoef een aardige pluk publiek. Zou hij de relilijn wat loslaten en bijvoorbeeld de Aria over Psalm 121 van Propitius en Asma’s Verlosser, vriend, gij hoop en lust inruilen voor Flight of the bumblebee of, nog beter een eigen bewerking van, pak ‘m beet Bella CiaoSpace Oddity van David Bowie of iets uit het vroege werk van Crossby, Stills, Nash & Young en een sexy bewerking van de Champions League Hymne, dan zou je een breder = jonger publiek bereiken. Het hoeft geen Ali B te worden, maar het mag nog wel wat wilder, sexyer en hipper. Nog even terug naar Saint Saëns: een heerlijke inzet die naadloos naar de Babe-melodie overgaat: kippenvel, douze points. Mijn metgezel, grossierster in understatements, mompelde, voor haar doen in overcomplimenteuze bewoordingen: ‘Dit vind ik wèl leuk.’

Met de rug naar het orgel zitten is nooit heel fijn, maar deze organisatorische imperfectie werd goedgemaakt door enkele <bescheiden> tv-schermen, die de hand- en vingerposities en de registermanipulaties van Gerts assistent mooi toonden. En voor diegenen die af en toe even wegsoesden was het prettig dat het repertoire werd beschreven in beeld.

Salomon, het Kollumer Oproer

De première van Salomon, het Kollumer Oproer is oorverdovend mooi. Hoofdrolspeler Syb van der Ploeg als Salomon, speelt zich uit de naad (om maar eens een Friezisme te gebruiken). De couleur locale krijgt kracht en kleur door de locatie achter de Maartenskerk waar de opstandelingen meer dan twee eeuwen geleden daadwerkelijk werden opgesloten, de Friese paarden, de meer dan 100 spelers, waarvan een groot deel vrijwilligers uit de regio, en uiteraard de moeder aller regiotalen: het Fries. Ook niet onbelangrijk: voor locatietheater in de open lucht is er een prima balans tussen muziek en zang. Aan licht en geluid is meer dan gemiddeld aandacht besteed.

Een ingenieuze vondst, een Nederlands sprekende Google Maps, kundig gepresenteerd door Meriyem Manders, maakt het spektakel voor niet-Friessprekers te volgen. Af en toe staat Google Maps aan de laadpaal waarbij ledlampjes als een aura oplichten. Zij linkt het verleden aan de nieuwe tijd en wijst Salomon op gedachtenkronkels.

Het verhaal in een notendop: de uit Duitsland gevluchte Jood Salomon Levy is allergisch voor onrecht. Hij komt in actie als enkele streekjongens, Jan Binnes en Abele Reitses, de ene vanwege zijn rol bij het Kollumer Oproer en de ander vanwege dienstweigeren, door de Franse overheersers worden vervolgd. Salomon wordt neergezet als vrije jongen, womanizer met een libido als een gevuld kruidvat, en vooral strijder tegen discriminatie en onrecht: ‘Ik bin fan net ien!’. Het komt meer dan goed uit dat Syb van der Ploeg, in het echt ook nazaat van Salomon Levy, kan zingen en toneelspelen. De Fransozen doen waar ze goed in waren: ze guillotineren de hoofdpersoon. 

De verhaallijn wordt door scriptschrijver Dick van den Heuvel naar het nu en het recente verleden eigentijds gehouden, zonder de historische setting te verwaarlozen. Er wordt tot het randje met de chronologie gespeeld. De spelers zijn gekleed in historische kledij die zo uit het Museum in Veenklooster lijkt te komen. De verbindende elementen zijn de nare behandeling die marathonloopster Foekje Dillema ten deel viel, een hint naar de Me-Too-discussies, en meer. In de Foekje Dillema-case krijgt de KNAU het behoorlijk te verduren. Een vreemde noot in het spel is een terugkerende discussie tussen humoristische representanten van de berenburgindustrie. De aanwezigheid van schaatser Henk Angenent toont de sympa bereidheid om spruitjes telende niet-acteurs een kans te geven voor een groot publiek, wa wit…

Het massaal toegestroomde publiek (er zijn zo’n 1200 bezoekers, en dat zes keer) wordt gelijk het verhaal ingezogen door irritante Franse jengelmuziek: de anti-Franse toon is dus prettig gezet. De live muziek wordt verzorgd door De Kast en een kopersectie van Wilhelmina, de Kollumer brassband. We horen ‘In neie dei’ en bewerkte ouwe gouwes als ‘Vluchten kan niet meer’ en ‘Ben ik te min’. Het kon minder. En dan die onverstoorbare Friese paarden die flegmatiek, als Friezen op vakantie in Frankrijk, een bijdrage leveren, niet alleen voor de bühne, maar ook over het kerkpaadje galopperend achter het podium. Dit soort franje maakt dat het publiek ogen tekort komt. De scene met Kollumer vrouwen die hitsige madammekes spelen toont aan dat de verraderlijk koele uitstraling van de deernes meer broeierige verlangens verbergt dan voor mogelijk wordt gehouden. 

Een indrukwekkende scene is die waarin spelende kinderen de jonge Salomon wegpesten met discriminerende teksten als Je hoort hier niet, Joden hebben Jezus vermoord, opzouten! waarbij ongetwijfeld subtiel wordt verwezen naar de bepaald onfrisse houding van de Kollumers toen eind vorige eeuw de  moordenaar van Marianne Vaatstra in het asielzoekerscentrum werd gezocht in plaats van in een aanpalend dorp. Wat ik miste voor een evenwicht tussen terechte regionale trots en overdreven chauvinisme was een kat naar de blokkeerfriezen; oog voor je eigen tekortkomingen zou een fraaie extra laag zijn geweest.

(Salomon, het Kollumer oproer; 4 t/m 9 juli 2019; stoel € 31,50; consumptiemunten € 2,50)

Randje Drenthe 255 km

Randje Drenthe, 255 km (https://opfietseindrenthe.nl/publicaties/is-randje-drenthe-jouw-uitdaging/

De fietsroute langs de randen van Drenthe lijkt op een gelijkbenige driehoek: de stukken Groningen – Meppel, Meppel – Nieuw-Schoonebeek, Nieuw-Schoonebeek – Groningen zijn ongeveer even lang, een kilometer of tachtig. Drenthe heeft zijn image veranderd. Was het voorheen Magisch Drenthe, nu is het Oer-Drenthe. De woorden oer, toer, stoer hebben qua klank en inhoud met elkaar te maken. Proef de naam Bourtanger Moor eens en je weet wat wordt bedoeld. In oerprovincie Drenthe is het verrekte stoer om op één dag een toer van 255 kilometer te fietsen. Of verspreid over meer dagen natuurlijk, dat kan ook. Een fietsroute van 255 kilometer dat is geen kattenpis. Ter vergelijking: de Elfstedentocht is per schaats een kleine 200 en per fiets zo’n 235 kilometer; daar gaat Drenthe even behoorlijk overheen.

In een ver verleden dacht men van de aarde af te vallen als je te dicht aan de rand kwam. Nog zijn er mensen die onrustig worden als ze het centrum niet meer kunnen zien. Vakantiegangers krijgen het Spaans benauwd als ze bij Parijs over de ringweg, de Boulevard Péripherique, rijden. Maar stoere reizigers geeft het een kik. Rijden langs de marges, de limieten, de periferie: de randen bieden altijd interessante inkijkjes in het leven achter de voordeuren en de aangeharkte tuinen. Denk aan reizen met de trein: wat is het leukste aan de lange ritten? Precies: als je net bent vertrokken en dan bij de rafelranden van de stad langs komt, de uiteinden van Zwolle, Berlijn, Beilen, Assen: scoutingterreintjes, boomhutten in achtertuinen, zandpaden, campings met bonte waslijnen, interessante tiny house-projecten: er is altijd veel te zien. Kortom: de randen van Drenthe zijn stoer. En nu de praktijk.

We starten in Drenthe’s industriële hart, Emmen. Fiets je vanuit Emmen oostwaarts, dan kom je bij Barger-Compascuum op de Limietweg, dit is dan ook echt de limiet, dichter bij de grens langs fietsen lukt niet. Racefietsers mijden deze weg vaak. De weg is te rond en er zitten kieren tussen de klinkers. Dat is ook de reden waarom ik eerder naar het noorden afbuig. Barger Compascuum gaat bijna naadloos over in Emmer Compascuum en dat zit bijna vast aan Roswinkel, dat vroeger deel was van de verdedigingslinie in het Bourtangermoeras. Nu is er een Fort voor het water, een kunstwerk omgeven door wallen. Het is te hopen dat je op de Drentse Mondenweg de wind mee hebt, tegenwind is killing. Langs Gasselternijveen, Gasselterboerveen en Gieterveen, Eexterveen, Nieuw-Annerveen, dan vraag je je niet meer af over welke grondsoort je fietst. Pseudopsychologen in en buiten Drenthe menen de volksaard aan de grondsoort te kunnen aflezen, waarbij zand gelijk is aan gemoedelijk en veen aan balsturig. In deze streek zie je geregeld spandoeken met de tegenpolen JA en NEE erop. Dat heeft niet zozeer met een regionale weifelmoedigheid te maken als wel met de plaatsing van windmolens: Ja staat hier voor duurzaam en Nee voor windmolens. Onder het Zuidlaardermeer langs, stukje west en dan noordnoordwest. Zou je vanuit een vliegtuig de grens van Drenthe volgen dan zie je een (motor)fietser, of een over een lessenaar gebogen klerk. Van Zuidlaren naar Eelde-Paterswolde zit je ongeveer in zijn nekhaar.

Via Peize naar Roden, Drenthe’s vijfde plaats in grootte. De plattelandsrust gaat hier over in bedrijvigheid, het verkeer wordt een tikkeltje drukker, maar nooit te. Zou je hier trajectcontroles houden dan ontdek je dat racefietsers hier al snel auto’s bijhouden. Fietsers prijzen zich gelukkig dat routemakers niet de grillige loop van beekjes en diepen volgen.  Speciale fietspaden van asfalt of beton wisselen landbouwweggetjes af. Met geluk heb je vrij baan. Al te roekeloze, vaak erg jonge tractorchauffeurs willen nog wel eens het alleenrecht voor deze wegen opeisen zodat fietsers door de berm mogen rijden, maar vaak gaat het goed. De route gaat getand verder via Norg en Veenhuizen naar Assen. Assen heeft veel allure, maar is ook bekend met hoofdstedelijke problemen. Is het protest tegen een pontificaal kunstwerk geluwd, dan ontstaat het rondom hangjongeren, een enorme outlet, een lawaaisportcentrum met internationale uitstraling, een commissaris des konings die een faux pas begaat en zo verder. Never a dull moment, kortom. We rijden vlot door naar de rechtlijnige rust in Smilde, een soort Drentse Mondenweg maar dan net weer iets anders.

Dan passeer je in een ruk Wateren, Vledder, Frederiksoord, Havelte en Nijeveen om bij weer zo’n mooie stad uit te komen, iets kleiner dan Assen maar een even mooi: Meppel. Een historische binnenstad, grachten, een theater en een drukkerijmuseum. Van Meppel zetten we in een zo goed als rechte streep van zeventig kilometer oostwaarts koers naar Nieuw-Schoonebeek, met onderweg als grootste pleisterplaatsen De Wijk, Zuidwolde, Kerkenveld, Elim, Coevorden en Schoonebeek. Het eerste stuk hiervan is de uitloper van de bible belt en dus zal niemand je vreemd aankijken als je, gebogen over je racestuur in een bui van euforie luidkeels een psalm zingt, fluit of neuriet. Eens even afstappen en rondkijken is hier bepaald geen straf. Als je in de verte de middelhoge windturbines in Duitsland ziet opdoemen weet je dat je een duurzame toekomst en Coevorden nadert, alweer zo’n mooi stadje. Nog even doortrappen richting Duitsland en dan op naar Klazienaveen en Barger Compascuum.

  • * *  *  *

Randje Drenthe 255 km

Emmer compascuum / Munsterscheveld / li ri Roswinkel / li ri Nieuw Weerdinge / re ri Eerste Exloërmond / li ri Gasselternijveen / re ri Gasselterboerveen, Torenveen, Bonnerveen, Gieterveen, De Hilte, Eexterveen, Nieuw Annerveen, Spijkerboor, re/li Oud Annerveen / Zuidlaarderveen / li ri De Groeve / Zuidlaren / re ri De Punt / li/re ri Paterswolde / li Boterdijk / over Eelderdiep / Peize / Roden / Roderes, Steenbergen / Een / Norg / Westervelde / ri Veenhuizen / ri Huis ter Heide, langs Norgervaart, langs Kloosterveen / Assen langs Asserbos, De Haar / Laaghalerveen / re ri Smilde / li Hijkersmilde / in Hoogersmilde re op Bosweg / li Oude Willem (hier in Friesland??) / re Houtvester Jansenlaan, Schaapdrift, Huenderweg, / Doldersum / Vledder / Frederiksoord / langs Het Schier, Havelte / langs Eursinge, Veendijk / Nijeveen / li Meppel / Schiphorst / De Wijk / Veeningen / Zuidwolde / Kerkenveld / Nieuw Moscou / Elim / Dalerpeel / Nieuwe Krim / Klooster / Coevorden / Pikveld / Wijerswold / Vlieghuis / Schoonebeek / Nieuw Schoonebeek / Weiteveen / Barger Oosterveen / Klazienaveen / Zwartemeer / Barger Compascuum / Emmer Compascuum /

Motette, Bach en Gothics in Leipzig,

Drie concerten in twee dagen, dat is in Leipzig een makkie. In het weekend worden er in de Thomaskirche en de Nicolai Kirche allerlei concerten georganiseerd. Eintrittspreise zijn vaak € 2,- maar dan moet je ook een prevelement van een Pfarrer(in) voor lief nemen. Die van de Nicolai Kirche gaf desgevraagd als reden dat men op zeker moment meer waar voor het geld wilde bieden.  In het pinksterweekend wordt Leipzig overspoeld door duizenden verkleden die Gothicje spelen. Het ‘Wave Gotik Treffen’ trekt liefhebbers uit alle hoeken en gaten uit Duitsland en ver daarbuiten. We zien zwaar opgemaakte amateurpolitici van de Grünen, boerinnen uit de Harz, leraressen algebra en Duits uit München en makelaars en ambtenaren uit het Rijnland. Eerst veronderstelde ik nog dat het woord ‘schwarz’ zou duiden op de zwarte kousen die elkaar met Pinksteren zouden komen opwekken en opladen als een accukabel een tot op de draad versleten accu, maar nee, schwarz is de kleur van de make-up, de steeds buitenissiger gewaden en attributen van de ware liefhebbers. 

Pfarrerin Britta Taddiken had met d’r lange zwarte toga alles van een onversneden Gothic Witch, maar was het niet. Ze opende de muzieksessies in Bachs Thomaskirche met een verwijzing naar de ontmoeting tussen Queen E. en Donald T. De tweede sessie op zaterdag was aangekondigd als Bachs Motette, maar deze tekst moet men maar nemen als bijbelteksten, homeopatische recepten of vennootschapsbelastingaangiften van Shell: geloof ze of onderzoek ze. Maar ze komt ermee weg. Natuurlijk leggen Bartholdy, Brahms, Altnikol, Eccard en Thomas het af tegen Johan Sebastian Bach, van wie de eerste drie Coro-regels alle Leipzigse Gothicmuziek wegblazen als een fabrieksventilator Tata Steels fijnstof. Op vrijdag zitten er 300 en op zaterdag 500 toeschouwers in de kerkruimte. Stijfjes, de blikken gericht op de plafonds en de vloertegels en niet zelden de ogen gesloten als de pre-orgastische fase op het aanrechtblad in het weekend. Schitterende muziek. Bijna zeventig jongens en jonge mannen, zingen, in toom gehouden door cantor <what’s in a name> Gotthold Schwarz, met een klasse, een ingetogen gratie en een expressieve uitbundigheid als Friese eerstepremiepaarden rennen op Amelandse dijken.  De oude Johan Sebastian, geplet onder een met bloemen overladen zerk buiten, geniet mee, weten wij.

Een week nadat we Arjan Lubach in zijn nieuwste show aandacht horen besteden aan orgelmuziek, zitten we in Leipzig op de eerste rang. Maria Wolfsberger speelt op zaterdag in de Nicolai Kirche op het Ladegast-Eule orgel (met meer dan 8.600 pijpen het grootste orgel in Sachsen) stukken van Buxtehude, Scheidt, Bach, Messiaen, Reger en Noetzel. De Drei Variationen Choralbearbeiting über <<Veni Creaotor spiritus>> komen het best uit de verf. Het lichtroze en het mint van de pilaren en de plafonds doen prettig profaan aan, evenals een handvol Gothics die de maagdelijk witte kerkbanken sieren.

Duitsland: stuur de jongens van het Thomanerchor naar het EurovisieSongFestival en hark met gemak en een jeugdig-brute brille de douze points van alle landen binnen als Frans Timmermans stemmen van liberalen.

Gijs Boelen, de Donny van de Beek van de orgelmuziek

Als Bach een combi van Pele, Cruijff en Messi in één is, dan is Gijs Boelen de Donny van de Beek van het orgel. Boelen speelt Bach, Händel, Franck en Boelen. Omgezet in een persoonlijke lijst wordt dat: I: Bach, II: Boelen en Händel en Franck gedeeld op III. Zeer jammer dat Boelens eigen compositie Moto Ostinato niet te beluisteren is op YouTube; via Google kom je bij Petr Eben i.p.v. bij Boelen. Ook zijn Arabische Dans vind ik, na 43 seconden zoeken <en dat is voor internetsurfers verrekte lang> niet terug, ook niet op Boelens eigen website [waarop wel fragmenten van ander, ook lang niet misselijk werk, bijvoorbeeld van Einaudi, zijn te beluisteren]¹. Mijn Donny-van-de-Beek-vergelijking vindt onder de concertbezoekers geen weerklank behalve glazige ogen; dit is een bewijs van wat ik de orgelmuziekbubbel noem. Terug naar de muziek. Bach = een combi van Pele, Cruijff en Messi: de uniciteit en de kwaliteiten zijn ongeëvenaard. Boelen is een jonge organist, een allround middenvelder met zowel aanvallende als defensieve kwaliteiten, een veelzijdige voor wie wat op een exceptioneel complex muziekinstrument beuken en timmeren en vlijen en zoekend tasten en strelen en aaien en uitdagend masseren niet genoeg is, nee, hij componeert zelf. Daarmee ontstijgt hij het leger van uitvoerende musici en wordt een, eh kunstenaar. Niet een uitvoerder of namaker maar een maker. 

Terug naar het concert (op 29 mei ’19 in Coevorden, entree € 9,-). Waarom Boelen met Bach begint is een raadsel, maar daarmee zijn de verwachtingen gelijk hoog gespannen. Na de eerste seconden hoor je het al: hier speelt een topper, Ajax-waardig. Soms inhouden, pingelen, diep over links of rechts, een schijnbeweginkje, een verrassend schot op doel maar nooit schwalbes, overtredingen en shirtjetrekken. Bij een onverwachte situatie, een tweede bal op het veld: gewoon rustig opnieuw beginnen. We slaan Händel en Franck maar even over, the usual suspects zeg maar, prachtmuziek daar niet van en gaan naar Boelens eigen werk: Moto Ostinato. Veelvuldig herhaalde thema’s, ik noteer vier +’jes. Ik verbeeld me zelfs dat het swingt. Geen wonder. In de bijsluiter noemt Boelen invloeden van de symfonische rock en de jazz. En de Arabische dans brengt je naar de allermooiste stegen van de verlokkelijkste Marokkaanse kasbahs, je ruikt de kruiden, de hashiesh, je voelt de zinnenprikkelende zon en de verleidelijke blikken onder halve sluiers en als je niet oplet word je gebeten door een muzikale slang die zich uitrekt om de dansmuziek te horen en net als je een biljet van € 10,- onder een riempje om een snel bewegende buik van een sensueel dansende schone wil steken, is het voorbij.

En waarom dan toch maar een veertig bezoekers? De orgelmuziek moet uit haar zelfgecreëerde bubbel komen. De deuren open. Orgels staan vaak in slecht toegankelijke kerkgebouwen. Het lijkt erop dat de belangstelling voor orgelmuziek gelijke tred houdt met leegloop bij de gastheer. Net zoals Cruyff Foundation met Cruyff courts in stadswijken de jeugd barrièrevrij aan het voetballen krijgt moeten de Boelens van deze tijd orgels op platte karren monteren, de Champions League Hymne bewerken, Ed Sheeran, Duncan Laurence, Franse en Amerikaanse (en vooruit) Nederlandse rappers en zich op markten, sta(t)(d)ionspleinen, op festivals enz. enz. vertonen. Als de bliksem, nu het nog kan.

 

¹Herstel: een fragment van Arabische Dans staat wel op Boelens website. Ik vind het na 2.14 minuten zoeken.

Lintjesregen aan de markt in Emmen

Word actief in een kerk, ga wonen in een buitendorp en wees een man: drie eigenschappen van lintjeskrijgers anno 2019 in Emmen. Van de 3000 in Nederland werden er vijftien in Emmen uitgedeeld. Wordt elke aanvraag gehonoreerd? Neen: 11% wordt afgewezen, mensen met een berispelijk verleden komen niet in aanmerking.

foto Emmer Courant

Wat een mooie bijeenkomst werd het: een geoliede machine met heerlijke muziek, onder het spelen van Johan Pachelbels canon in D zag je zelfs zedig deinen van brede en smalle heupen, heel kort maar een haperende microfoon, uitstekende catering (de heerlijkste hapjes in glas. Nu nog de plastic vorkjes voor echte ruilen en het wordt een tien!), een geoefend spreker en een vrolijk, op zijn zondags uitgedost publiek en dan ook nog een ideale en schitterende locatie in de grote kerk in Emmen: geen zerken boven lang vergane lijken maar vloertegels van de Gamma, een stuk of vijf kapotte lampjes in een middeleeuws aandoend karrewiel onder een in blauwgroen gespoten houten gewelf, spinnenwebben op een veel te groot houten kruis, beeldende kunst aan de muur en een uitgelaten gezelschap. Het kon minder. De Grote Kerk in Emmen begrijpt het: in plaats van steeds slechter bezochte erediensten over door mensen bedachte (af)goden worden er wijn- en bierproeverijen georganiseerd, eet- en muziekfestijnen van Rotary, de Gouden Pijl-presentatie, een sekswerkerscongres & de Mattheus Passion, inlooporgelconcerten en exposities van beeldend kunstenaars, fotografen en eindexamenexpo’s: deze kerk gaat het wel redden. En de jaarlijkse lintjesregen.

In geen land ter wereld wordt meer aan vrijwilligerswerk gedaan dan in Nederland. Aan de lintjes te zien schort het nog aan een evenredige verdeling over de bevolkingsgroepen. In 2019 zien we geen mensen met een buitenlandse achtergrond. Wel zien we penningmeesters, websitebeheerders, manusjes van alles, decorbouwers, sportclubmedewerkers, juwelen, toneelspelers, gouden harten, kerkelijk medewerkers, EHBO’ers, wijkwerkers, dansgroep assistenten, duizendpoten, Zonnebloemers en meer. Wat betekent het dat dertien van de vijftien lintjes aan mensen van buiten Emmen worden uitgereikt? Dat het voor Emmenaren moeilijker is er één te krijgen natuurlijk. Of dat in de buitendorpen actiever geworven wordt. Alle vijftien werd een medaille in de Orde van Oranje Nassau opgespeld, dus geen gesodemieter met rangen en standen. Bij acht van de vijftien was er een duidelijke relatie met een kerkgenootschap. Emmen volgt de landelijke trend met 35% lintjes voor vrouwen: er waren zes vrouwen tegen negen mannen en, een novum? twee echtparen kregen een lint. Daar moet je als gemeente natuurlijk voorzichtig mee zijn, aan homeopathische verdunning hebben we natuurlijk niets. Wij kwamen speciaal voor Ine Schilder – Olierook. Met Humberto Tan, Fong Leng, Björn Kuipers en  Gerard Spong en vele anderen hoort zij dit jaar tot de gelukkigen.

Dan komen de drankjes en de fotografen. Burgemeester-conferencier-spreekstalmester Eric van Oosterhout regisseert op zijn burgemeesters door via de microfoon luid en duidelijk tegen de verbouwereerden: ‘Glas d’r afpakken!’ te prediken als de oranjebitters op een dienblad voorbijkomen en dan komt de groepsontlading door het samen zingen van het Wilhelmus.

Expositie CBK ‘Werkplaats Emmen 2019’; 13 04 19 – 16 06 19

Van Leuken

Paardenfokkers, parochiezalen en prachtige schilderijen

33 ‘professionele’ kunstenaars tonen hun kunnen met werk dat de laatste drie jaren is gewrocht. We zien een paar zalen vol geslaagd, af, onaf, interessant, teleurstellend, intrigerend en mooi, veelal braaf en incidenteel schitterend werk. Schuimbekkende toeschouwers zullen (helaas) weer uitblijven, want er is niets dat aanstoot geeft, of het zou het beeld van Myrte van Dijk moeten zijn, dat een Round-up drinkende figuur uitbeeldt. Men blijft binnen de grenzen en de lijnen van wat

Banis

acceptabel is en verdragen wordt in Zuidoost-Drenthe. De exposerende kunstenaars kwasten, tekenen, fotograferen en bewerken, kleien; nou ja: ontwerpen en maken kunst met enthousiasme en liefde, dat is te zien. Er is niets wat je niet aan een oude tante, buurman of opa zou durven schenken, maar er is ook weinig dat een museum zal halen. De expo heeft pretenties. Het zou gaan om professionele kunstenaars. Maar wat dat precies inhoudt blijft vaag als de Nexit-plannen van T. Baudet. Zoals professionele paardenfokkers kunnen leven van paarden fokken, professionele sekswerkers van het aanbieden van hun diensten, zo zouden professionele kunstenaars

Van Dijk

moeten kunnen bestaan van wat ze maken. Maar de meesten (alle?) hebben bijbanen als leraar, pension- of galeriehouder of iets anders en daarmee zijn het meer semi-profs of amateurs. Het woord professioneel houdt ook een kwalitatieve belofte in. Die wordt door de meeste deelnemers glansrijk maar door een klein deel van de deelnemers niet waargemaakt. We zien werken die als opperste doel een perfecte mate van ultieme abstractie lijken na te streven, we zien werk dat in parochiezalen geleend lijkt te zijn of uit de hobbykamers van Jehovah’s Getuigen lijkt te stammen en we zien werk dat, wie weet professioneel, in opperste vaart, zo te zien met een snelheid van 25 per uur, met blokkwasten tegen het canvas lijkt te zijn gedrapeerd. En wie zien werk dat, mocht de toeschouwer er gevoelig voor zijn, uitnodigt tot verregaande somberheid. Ik spreek een deelnemende kunstenaar die mij provoceert door werk van Helmantel niet-professioneel te noemen. Tentoonstellingsmaker Slijpen

Van den Brink, detail

gaat ook in op de vraag wat professionele kunst inhoudt. Hij zegt met het nodige gevoel voor drama: “De vraag raakt mij.” Hij noemt een profi ‘iemand die een beroepspraktijk heeft’ en die van zijn werk zijn vak heeft gemaakt, maar niet per definitie succesvol hoeft te zijn. Een opleiding is niet per se nodig. Daarnaast moet je het durven, ambitie hebben en productie kunnen maken. Jammer genoeg gaat Slijpen geheel voorbij aan de kwalitatieve component. Zo kan seriematig geproduceerd werk van de woonboulevard uiterst professioneel zijn geconcipieerd, maar over smaak valt nog wel te twisten.

Lubbersen, 2 van de 25

Wethouder Robert Kleine noemt het door hem geobserveerde werk goed bij elkaar gezocht van talent dat in Emmen ‘rondloopt’. Het werk ‘vloekt niet met elkaar.’ In een vlaag van professionele assertiviteit complimenteert de wethouder zichzelf wanneer hij meedeelt dat hij  wanden op zijn werkkamer heeft vrijgemaakt voor zowel amateur- als professionele kunstenaars.

Wat zien we voor moois bij elkaar? Schilderijen, keramiek, tekeningen, objecten, veel

Immenga

 

meer én buitenbeen fotografie. Internationaal doorgebroken Saskia Boelsems toont prachtige foto’s die meer dan erg hun best doen geschilderd te lijken; haar indrukwekkende luchten, die het einde der tijden lijken aan te kondigen, zijn inmiddels haar handelsmerk. Melanie Banis heeft een reusachtige muurtekening gemaakt, die meer dan overeind blijft door de schitterende lichtinval die over het Oranjekanaal heen de zalen inspringt. Het voor haar werk geposteerde minibioscoopje daagt uit met een verticale projectie. Van Dick Lubbersen zien we 25 blokjes van ca 10 bij 10 die samen een prachtige beeldlijn vormen, als minifoto’s een begin van een kunstfilm. Architectschilder Jan van den Brink is een fijnschilder met intrigerende, surrealistische beelden en motieven, werk dat ook te zien is in Thijnhof te Coevorden. Van Pieter Immenga zien we bijna sprookjesachtige doeken die bij eerste oogopslag niet alles prijsgeven. Bij nadere bestudering zie je lagen achter de bomen vandaan kruipen die je het werk inzuigen.

Top of the bill is een kleurrijk schilderij (acryl op dibond) van Maarten van Leuken, een schilderij dat je ogen wil vasthouden als een vacuüm gezogen deksel op een glad aanrechtblad, dat je biologeert en daarenboven vrolijk stemt als een bonte specht in een forsythia in het voorjaar. Tenslotte: Ellen Kroeze presenteert prachtige schilderijen van welke het mooiste een ziekenzaal is met een treintje op de voorgrond en een roodborstje (?) op een gordijnrail. Mooi!

Kroeze, detail

Franco Grignani van 160219 – 150919 in M.A.X. Chiasso (Zw)

Je kijkt naar verticale, zwart-witte banen op papier. Je ogen registreren iets anders dan je hersenen willen dat je ziet. Je denkt links stroken te zien die zich losrollen van het oppervlak. Je kan er een pen aan vastklikken. Denk je. Je ziet rechts dat de fraaie krul zich weer vloeiend aan het papier laat hechten en opnemen. Dat is wat Grignani’s kunst weet te bewerkstelligen: niks krul, maar vlak als gevlinderd beton.

Het misschien kleinste Europese museum, het M.A.X te Chiasso in Zuid-Zwitserland, een soort schoenendoos op poten, exposeert werk van Franco Grignani: fotografie, grafisch werk en (kleine) objecten. Het museum ademt rust en kalmte als een Zwitsers kantoor voor de registratie van bootvluchtelingen. Er worden speciale rondleidingen georganiseerd: voor (groepen) scholieren, werkers in het onderwijs, grootouders, vrienden van het museum en ouders met kleine kinderen. Ook zijn er speciale publiekspresentaties, internationale presentaties en manifestaties samen met Il Cinema Teatro. Voor deze activiteiten is tijd genoeg, want de expositie duurt maar liefst zeven maanden.

De expo met Grignani de veelzijdige stelt niet teleur, iets wat me bij fotografie en grafiek vaak gebeurt vanwege meer dan gemiddeld obligaat, seriematig werk, dat veelal ogenschijnlijk met plezier, technische precisie en toewijding door werknemers en stagiairs in kunstfabriekjes wordt afgewerkt in (oncontroleerbaar) hoge oplages. Vaak etaleren fotografie en grafisch werk meer kwalitatieve en vooral kwantitatieve (hand)vaardigheid, ondersteund door dure, hoogwaardige, geavanceerde apparatuur dan artisticiteit.  Fotografie is vaker kunstig dan kunst.

Grignani (1908 – 1999) is een uitzondering vanwege de hoge kwaliteit (soms doet zijn werk gewoon aan Esscher denken) en de grote diversiteit. We zien een foto van ijzergaas achter spiegelend glas: een beetje vouwen, bijknippen en kneden, klaar, afdrukken maar, denk je. Bij iets langer spieden en turen ontwaren we nieuwe vormen en structuren, als je wil ontdek je een schildpadkop. Naast grafisch werk, het meeste in zwart en wit en het commercieelste, posters en affiches voor bedrijven, in kleur, en fotografie zien we ruimtelijk werk. Grignani ontwierp veel bedrijfslogo’s. Hij werd bekend door het Woolmark-logo, dat in 2011 door het Creative Review Magazine werd verkozen tot ‘Beste logo aller tijden’.

De expositie begint met een video over de kunstenaar. In één van de eerste zaaltjes zien we een prachtige potloodtekening die Grignani’s artistieke vaardigheid onderstreept. Buiten hangen pubers rond, met de rust van een Christen-Unie congres in de Alpen, verveeld chillend voordat de deuren na twee uren pauze, Zwitserland hè, weer openzwaaien.

Oikofobie, Oikocredit, oikofilie

Dankzij Baudet weten we inmiddels wat oikofobie betekent. We kenden natuurlijk al Oikocredit (dat al jaren tussen de 0,55 en 1,0 % rendement oplevert). Graag voeg ik er oikofilie aan toe. In mijn regio, Klaas houd het klein, komt oikofilie veel voor. Een mooi voorbeeld zagen we deze week in een persbericht van de gemeente Coevorden.  Wethouder Jeroen Huizing zag met lede ogen aan dat de paasbulten dit jaar kleiner dan normaal zouden blijven vanwege een schaarste op het snoeitakkenfront. Vuurtjes stoken willen we allemaal. Zelf fakkelde ik, tot vorig jaar, zelfs tuinafval op. De wethouder zal ook van branden houden, schat ik. Royaal stelde hij voor dat de gemeente Coevorden snoeihout beschikbaar wil stellen aan paasbultbouwers. Paasvuren zijn een mooie traditie en er zijn hier kwade geesten genoeg die erom vragen met een vuurtje en rook verjaagd te worden. Wethouder Huizing licht zijn standpunt toe door te zeggen dat ‘de Randstad-elite’ zich te veel zou mengen in het Paasvuren-ja-paasvuren-nee-discours. De wettenhouder maakt hier gebruik van een veelgebruikte retorica-truc door kritische naturen een onecht label op te plakken, ook wel framen genoemd. Niet iedere kritische geest maakt deel uit van de Randstad-elite.

Paasvuren? Prima. Mooi voor de liefhebbers. Maar met de kennis van nu over het uitstoten van CO2 en de risico’s van overslaande brandjes (Scheveningen) zou je ook een pas op de plaats kunnen maken. Overdrijf de kunst van het stapelen zou ik zeggen en onderdrijf de drive een zo hoog en groot mogelijke bult te bouwen met alle risico’s en nadelen van dien. Zet gezelligheid voorop, een beetje als in het welpenvoetbal: meedoen is belangrijker dan winnen. Zo’n oikofiele, om niet te spreken van oikomaniakale houding van een gezagsdrager is ongepast. Of zien we hier een regiopoliticus van CDA-huize die vreest ingehaald te worden door oikofiele Forum-voor-democratie-politici? Straks krijgen we nog obesitas goedpratende fysiotherapeuten (een patatje joppiesaus laten we ons niet afpakken), huisartsen die het roken niet durven aanpakken (stoppen met roken is niet gemakkelijk, zie ik) of brandweercommandanten die dealen in vuurwerk….