Micksart Collectief, opening op 16 februari 2020

Op het industrieterrein, zo’n beetje naast Het Goed, Automobielberdijf Misker & zonen, een industrieel seksbedrijf en een sloopbedrijf zit MICKSART COLLECTIEF. Een grote productiehal herbergt een expositieruimte, open ateliers en een koffiehoek. Zondagmiddag 16 februari is de officiële opening. Het is beredruk. Duidelijk is dat het publiek Eric Knegt, centrale spil van Micksart, kan vinden.

Er is een keur aan kunstwerken aan de witte wanden en op al dan niet draaiende tableaus.

De officiële opening wordt verricht door Herman Idema, directeur van ondernemingsvereniging VPB. Hij gaat kort in op de rol van kunst (“kunst brengt liefde”) en licht de achtergrond van de overgang van het Rensenpark naar de Kapitein Grantstraat toe. Eric Knegt heeft een grote gunfactor en dat is mooi. Idema dicht Micksart Collectief een grote naamsbekendheid toe. Micksart is gericht op workshops, samenwerking, alles ondersteund door een hechte vriendengroep. Tijdens Idema’s toespraak gaat de website www.micksart.com de lucht in.

Vervolgens is het de beurt aan Eric Knegt die de medewerkers in het zonnetje zet. Hij licht het concept van de open ateliers toe. Helga Bijl, Johan Smid en Maita Augustin laten in hun ateliers het wordingsproces van kunstwerken zien. Ook is er tijd en ruimte voor muziek en zijn er vergaderruimtes. “Veel is mogelijk,” is ongeveer Knegts mantra. Onder leiding van Annigje, B-Silk en Sandra worden er workshops georganiseerd. Met Annie Sturing heeft Knegt MI&ANN opgezet, ook wel Designers from the North, een kleurrijk label dat jeans een tweede en nieuw leven belooft. Annigjes tassen gaan inmddels de hele wereld over.

Exposities: Micksart exposeert werk van de kunstenaars Patty Aalbersberg, Tinus D., Theo Leering, Pauline Luiten, Ina Marcus, Erik Neijmeijer, Nohablalogica, Jacques Tange, Themocrazy, Ramon Velema, Joost Vink, Daniël ter Waarbeek en Jack Zweers.

Na alle openingswoorden is het tijd voor muziek, overheerlijke hapjes en bier uit Oosterhesselen.

‘Toekomstdenken’, Drentse kunstenaars in De Fabriek

Bestaat er zoiets als Groninger plattelandkunst, Hofstadkunst, ex-mijnbouwregiokunst, krimpregiokunst; kunst waarvan de kern te herleiden is naar de streek waar het gemaakt is?

In 2019 bezoeken we de afstudeerdag van de Haagse Kunstacademie, ingeleid met een toespraak van burgemeester Krikke. De schellen vallen me van de ogen bij een rondgang langs afstudeerwerkstukken of – projecten. Elke student krijgt een (deel van) een ruimte toebedeeld en presenteert daar zijn werk. Opvallend: schilderkunst maakt ongeveer 0,05 % van het geheel uit.

In het CBK Emmen presenteren 87 kunstenaars zich met 117 kunstwerken (ik schat 80% schilderwerk) rondom het thema ‘toekomstdenken’. Nu is ‘toekomstdenken’ evenmin een bestaand woord als ‘verledenduiken’ of ‘hedenstofzuigen’, dus de taalliefhebbers zijn getriggerd. De uitnodiging gaat vergezeld van een zwarte foto met een speeltuinattribuut. De psycholoog, gevraagd naar de diagnose van de patiënt die in een psychologisch onderzoek op de vraag hoe zij/hij de toekomst zou willen tekenen een inktzwarte schets inlevert waarop een metalen speelterreinattribuut te zien is, schaars zilverachtig oplichtend in een lichtschijnsel waarvan de lichtbron op terminale batterijen werkzaam is, geeft een mistroostig inkijkje in een getormenteerde ziel van een bijkans suïcidale patiënt. Als dit het ‘toekomstdenken’ (sic) is van hedendaagse beeldendkunstenaars in Drenthe is mijn belangstelling direct gewekt, als een hospicemedewerker bij een stervende. Vanwaar deze pikzwarte donkerte als het om ‘toekomstdenken’ gaat? Ik ga op zoek naar onvindbare antwoorden.

Om genoeg subsidies binnen te kunnen krijgen is er een samenwerking opgezet tussen Hengelo en Emmen, tussen Overijssel en Drenthe. Kunstenaars willen graag grenzen overschrijden, maar de overkant moet natuurlijk wel zichtbaar blijven, dus niet buiten de veilige familiegrenzen: krimpende oostelijke regio’s begrijpen elkaar natuurlijk gemakkelijker dan een krimpende regio en een grote stad. Dat is wat me door mijn hoofd spookt: wat zou er geworden zijn van een samenwerking tussen Emmen en Den Haag?

‘Toekomstdenken’ is als een sterk gesubsidieerd onderwijsproject, een soort talentontwikkelingsprogramma met verdiepingsdagen, evaluatiemomenten, inspiratiedagen en masterclasses. En vandaag een soort (groot)ouder- en kinddag. Boegbeelden, zeg maar een soort hoofdonderwijzers gidsen de aangemelde kunstenaars door het kunstlandschap en leggen uit wat kunst precies is en hoe je dat het best concipieert. Er worden rapporten uitgedeeld en de beste leerlingen krijgen extra lessen, masterclasses genaamd. Niet door landelijk bekende beroepskunstenaars maar door regionale boegbeelden. Soortgelijke ontwikkelingen zie je in de literatuur. Veel beginnende schrijvers leren liever aan de hand van doorgebroken auteurs schrijven dan dat ze zelf het vak leren door gewoon veel te lezen. Beelden kunstenaars groeien beter van veel kunst kijken dan dat iemand zegt hoe je je penseel het best vasthoudt. In het publiek scharrelt de verantwoordelijk ambtenaar, teamleider sport en cultuur. Hij houdt scherp in de gaten of er niet stiekem alcohol wordt geschonken en of de kunstwerken niet op de kop hangen.

Expositie CBK ‘Werkplaats Emmen 2019’; 13 04 19 – 16 06 19

Van Leuken

Paardenfokkers, parochiezalen en prachtige schilderijen

33 ‘professionele’ kunstenaars tonen hun kunnen met werk dat de laatste drie jaren is gewrocht. We zien een paar zalen vol geslaagd, af, onaf, interessant, teleurstellend, intrigerend en mooi, veelal braaf en incidenteel schitterend werk. Schuimbekkende toeschouwers zullen (helaas) weer uitblijven, want er is niets dat aanstoot geeft, of het zou het beeld van Myrte van Dijk moeten zijn, dat een Round-up drinkende figuur uitbeeldt. Men blijft binnen de grenzen en de lijnen van wat

Banis

acceptabel is en verdragen wordt in Zuidoost-Drenthe. De exposerende kunstenaars kwasten, tekenen, fotograferen en bewerken, kleien; nou ja: ontwerpen en maken kunst met enthousiasme en liefde, dat is te zien. Er is niets wat je niet aan een oude tante, buurman of opa zou durven schenken, maar er is ook weinig dat een museum zal halen. De expo heeft pretenties. Het zou gaan om professionele kunstenaars. Maar wat dat precies inhoudt blijft vaag als de Nexit-plannen van T. Baudet. Zoals professionele paardenfokkers kunnen leven van paarden fokken, professionele sekswerkers van het aanbieden van hun diensten, zo zouden professionele kunstenaars

Van Dijk

moeten kunnen bestaan van wat ze maken. Maar de meesten (alle?) hebben bijbanen als leraar, pension- of galeriehouder of iets anders en daarmee zijn het meer semi-profs of amateurs. Het woord professioneel houdt ook een kwalitatieve belofte in. Die wordt door de meeste deelnemers glansrijk maar door een klein deel van de deelnemers niet waargemaakt. We zien werken die als opperste doel een perfecte mate van ultieme abstractie lijken na te streven, we zien werk dat in parochiezalen geleend lijkt te zijn of uit de hobbykamers van Jehovah’s Getuigen lijkt te stammen en we zien werk dat, wie weet professioneel, in opperste vaart, zo te zien met een snelheid van 25 per uur, met blokkwasten tegen het canvas lijkt te zijn gedrapeerd. En wie zien werk dat, mocht de toeschouwer er gevoelig voor zijn, uitnodigt tot verregaande somberheid. Ik spreek een deelnemende kunstenaar die mij provoceert door werk van Helmantel niet-professioneel te noemen. Tentoonstellingsmaker Slijpen

Van den Brink, detail

gaat ook in op de vraag wat professionele kunst inhoudt. Hij zegt met het nodige gevoel voor drama: “De vraag raakt mij.” Hij noemt een profi ‘iemand die een beroepspraktijk heeft’ en die van zijn werk zijn vak heeft gemaakt, maar niet per definitie succesvol hoeft te zijn. Een opleiding is niet per se nodig. Daarnaast moet je het durven, ambitie hebben en productie kunnen maken. Jammer genoeg gaat Slijpen geheel voorbij aan de kwalitatieve component. Zo kan seriematig geproduceerd werk van de woonboulevard uiterst professioneel zijn geconcipieerd, maar over smaak valt nog wel te twisten.

Lubbersen, 2 van de 25

Wethouder Robert Kleine noemt het door hem geobserveerde werk goed bij elkaar gezocht van talent dat in Emmen ‘rondloopt’. Het werk ‘vloekt niet met elkaar.’ In een vlaag van professionele assertiviteit complimenteert de wethouder zichzelf wanneer hij meedeelt dat hij  wanden op zijn werkkamer heeft vrijgemaakt voor zowel amateur- als professionele kunstenaars.

Wat zien we voor moois bij elkaar? Schilderijen, keramiek, tekeningen, objecten, veel

Immenga

 

meer én buitenbeen fotografie. Internationaal doorgebroken Saskia Boelsems toont prachtige foto’s die meer dan erg hun best doen geschilderd te lijken; haar indrukwekkende luchten, die het einde der tijden lijken aan te kondigen, zijn inmiddels haar handelsmerk. Melanie Banis heeft een reusachtige muurtekening gemaakt, die meer dan overeind blijft door de schitterende lichtinval die over het Oranjekanaal heen de zalen inspringt. Het voor haar werk geposteerde minibioscoopje daagt uit met een verticale projectie. Van Dick Lubbersen zien we 25 blokjes van ca 10 bij 10 die samen een prachtige beeldlijn vormen, als minifoto’s een begin van een kunstfilm. Architectschilder Jan van den Brink is een fijnschilder met intrigerende, surrealistische beelden en motieven, werk dat ook te zien is in Thijnhof te Coevorden. Van Pieter Immenga zien we bijna sprookjesachtige doeken die bij eerste oogopslag niet alles prijsgeven. Bij nadere bestudering zie je lagen achter de bomen vandaan kruipen die je het werk inzuigen.

Top of the bill is een kleurrijk schilderij (acryl op dibond) van Maarten van Leuken, een schilderij dat je ogen wil vasthouden als een vacuüm gezogen deksel op een glad aanrechtblad, dat je biologeert en daarenboven vrolijk stemt als een bonte specht in een forsythia in het voorjaar. Tenslotte: Ellen Kroeze presenteert prachtige schilderijen van welke het mooiste een ziekenzaal is met een treintje op de voorgrond en een roodborstje (?) op een gordijnrail. Mooi!

Kroeze, detail

Franco Grignani van 160219 – 150919 in M.A.X. Chiasso (Zw)

Je kijkt naar verticale, zwart-witte banen op papier. Je ogen registreren iets anders dan je hersenen willen dat je ziet. Je denkt links stroken te zien die zich losrollen van het oppervlak. Je kan er een pen aan vastklikken. Denk je. Je ziet rechts dat de fraaie krul zich weer vloeiend aan het papier laat hechten en opnemen. Dat is wat Grignani’s kunst weet te bewerkstelligen: niks krul, maar vlak als gevlinderd beton.

Het misschien kleinste Europese museum, het M.A.X te Chiasso in Zuid-Zwitserland, een soort schoenendoos op poten, exposeert werk van Franco Grignani: fotografie, grafisch werk en (kleine) objecten. Het museum ademt rust en kalmte als een Zwitsers kantoor voor de registratie van bootvluchtelingen. Er worden speciale rondleidingen georganiseerd: voor (groepen) scholieren, werkers in het onderwijs, grootouders, vrienden van het museum en ouders met kleine kinderen. Ook zijn er speciale publiekspresentaties, internationale presentaties en manifestaties samen met Il Cinema Teatro. Voor deze activiteiten is tijd genoeg, want de expositie duurt maar liefst zeven maanden.

De expo met Grignani de veelzijdige stelt niet teleur, iets wat me bij fotografie en grafiek vaak gebeurt vanwege meer dan gemiddeld obligaat, seriematig werk, dat veelal ogenschijnlijk met plezier, technische precisie en toewijding door werknemers en stagiairs in kunstfabriekjes wordt afgewerkt in (oncontroleerbaar) hoge oplages. Vaak etaleren fotografie en grafisch werk meer kwalitatieve en vooral kwantitatieve (hand)vaardigheid, ondersteund door dure, hoogwaardige, geavanceerde apparatuur dan artisticiteit.  Fotografie is vaker kunstig dan kunst.

Grignani (1908 – 1999) is een uitzondering vanwege de hoge kwaliteit (soms doet zijn werk gewoon aan Esscher denken) en de grote diversiteit. We zien een foto van ijzergaas achter spiegelend glas: een beetje vouwen, bijknippen en kneden, klaar, afdrukken maar, denk je. Bij iets langer spieden en turen ontwaren we nieuwe vormen en structuren, als je wil ontdek je een schildpadkop. Naast grafisch werk, het meeste in zwart en wit en het commercieelste, posters en affiches voor bedrijven, in kleur, en fotografie zien we ruimtelijk werk. Grignani ontwierp veel bedrijfslogo’s. Hij werd bekend door het Woolmark-logo, dat in 2011 door het Creative Review Magazine werd verkozen tot ‘Beste logo aller tijden’.

De expositie begint met een video over de kunstenaar. In één van de eerste zaaltjes zien we een prachtige potloodtekening die Grignani’s artistieke vaardigheid onderstreept. Buiten hangen pubers rond, met de rust van een Christen-Unie congres in de Alpen, verveeld chillend voordat de deuren na twee uren pauze, Zwitserland hè, weer openzwaaien.

Glas van Dave Chihully in het Groninger Museum

T/m 5 mei 2019 is de glasverzameling van Dale Chihully nog te zien in het Groninger Museum. Ik hoorde er iemand over pochen. Ach, iedereen kan zich vergissen. Maar ja, niet iedereen heeft jeugdherinneringen aan een glazen asbak op tafel waardoorheen magische kleuren sliertten als uitgerekte olieresten in een sloot, of aan uitvergrote kleuren in het verenkleed van een kievit of een sierduif. Niet iedereen paart in het geheugenlabyrint de kleurenexplosie van de glazen bollen aan een doos kerstballen of stuiters die, eenmaal tevoorschijn getoverd vanachter het knieschot, de kleurenreceptoren in je ogen bijna deden exploderen als onweer je oren. Ook niet elkeen zal in zijn jeugd bij de Chinees hebben  gegeten, zittend naast een aquarium waardoorheen felgekleurde tropische visjes heen en weer schichtten als ongestuurde raketjes op oudjaarsavond. Die jeugdbeelden komen bij mij op als boertjes na een vette maaltijd als ik de kitscherige, fabrieksmatig geconcipieerde glasproducties in Engelse-dropkleuren aanschouw in het Groninger Museum. Het carnavaleske glas probeert zo fanatiek op een koraalrif te lijken dat het blasfemische proporties aanneemt. Hier, zo realiseer ik me, wordt een loopje met k u n s t genomen. Dat de museumdirectie heeft besloten een extra € 5,- te leggen op de entree voor handenarbeid en huisvlijt is onderkoeld gezegd onkies. Huur een ploeg eersteklas glasblazers in, zet die in een goed geoutilleerde fabriekshal en laat ze glas blazen en draaien en druppend uitrekken en weer afkoelen dat het een aard heeft. Zet twintig rode glazen kaarsen rechtop in een grindbak in de buitenlucht en laat het publiek   denken dat dit soort geglazuurde pijlstaarterecties moeilijk maakbaar en daardoor kunstig zijn. Demonteer de losse, nog nasissende en druipende onderdelen zoveel mogelijk, leg ze in met piepschuim beklede, gewatteerde kisten en transporteer die naar musea in provinciehoofdsteden waar men houdt van kerstballen, druipkaarsen en zich verwonderen over fake transportproblemen. Echt, iedereen mompelde: “Hoe hebben ze dit hierbinnen gekregen?” Miniaturen worden in de museumwinkel aangeboden voor oversized prijzen: van € 6.000 – € 7.500,- Zoveel opgeblazen lucht verdraagt dit mooie museum niet; we zien op het oog onverwoestbare stalen spanten in de Coop Himmelb(l)au-vleugel spontaan corroderen ten teken van een geelhesjesgevoel dat onhoorbaar maar permanent NEE roept, als een viraal gaand twitterbericht van een gedrogeerde Brexitvoorstander. Mendini zou zich in zijn graf ….

Ploegprent 2019

In de eindejaars WinterSalon van Groninger Kunstkring de Ploeg wordt de Ploegprent gepresenteerd. In dit jubileumjaar niet een enkele prent maar een map met twintig kopieën van nieuw Ploegwerk. Twee Ploegleden, Busman en Okel, slagen erin de nieuwsgierigheid naar hun werk naar grote hoogten te stuwen door hier en nu, maar eigenlijk het gehele bijna afgelopen jubileumjaar zo goed als onzichtbaar te blijven voor het (grote) publiek. Plaats van handeling is dit jaar Museum Oude Wolden in Bellingwolde. Kerstkransjes, glühwein, fikse sneden beboterde ‘poffert’, een achtergrondmuziek spelend bandje en een zwierige, in een imposante roze jurk gestoken mevrouw die ons naar binnen lokt; kortom laat de winter maar komen. Museumdirecteur Obby Veenstra en Ploegvoorzitter Willem Corsius spreken warme welkomstwoorden. Corsius memoreert dat deze expositie ongeveer het einde inluidt van het tegelijk inspirerende en (voor de jubileumcommissie) uitputtende jubileumjaar.  Na de plechtigheden, er wordt nog een ingelijste Ploegprent van Joke Klaveringa verloot onder de Ploegvrienden, zal er in een museumzaal getekend, geschetst en geschilderd kunnen worden. Er is een model ingehuurd, dat, gekleed, haar gezicht en kledij in de plooi zal proberen te houden. (Inderdaad de zwierige mevrouw van zo-even).

(dit is de tiende klaastaalpublicatie in het Ploegjubileumjaar)

Groei van AKE in CBK Emmen (6 december 2018 – 20 januari 2019)

Stijn aan het werk

Wethouder Robert Kleine, tentoonstellingmaker Joost Slijpen, AKE-voorzitter Cora Lameris, gitarist Gerard Rolink, mondharmonicaïst Chris Vrijbloed, communicatieofficier Suze van der Ster, vrijwilligers Petra Folkertsma, Roelie Overvoorde, Nelleke van den Berg en Inge Bousema: allemaal leuk en aardig, maar het ging vanavond natuurlijk om de twee jongste AKE-leden STIJN Weekamp (2004) en TEUN van Dijk (2002). Beiden zijn al enkele jaren lid van Amateur Kunstenaars Emmen. Zijn jongeren in de sport een natuurverschijnsel, in cultureel angehauchte clubs bepaald niet, daar zijn ze zo zeldzaam als roetveegpieten op het platteland. Met verve stonden Stijn en Teun geconcentreerd te arbeiden voor in de zaal.

Teun (voor) Stijn (achter)

In zowat alle openingswoorden werd dit tweetal aangehaald. Wat doen twee jonge kerels bij het vergrijsde AKE? Teun (Emmerhout, 5e klas VWO):”Ik houd van tekenen en schilderen. Dat artistieke komt nog in de familie voor, de internationaal bekende kunstenaar Adrie de Fluiter is namelijk een oom van mijn vader. De kwaliteit van de kunstlessen op school is, eh, wat oppervlakkig, er is ook weinig tijd voor. Bij AKE oriënteer ik me op kunst en leer ik de basisvaardigheden. Het is een belangrijke hobby voor mij. Over tien jaar? Dan ben ik architect.” Stijn (Parcival College Groningen, h/v): “Op school krijgen we slechts een blokuur tekenen, voor mij wat te weinig. Bij AKE ontwikkel ik mijn tekenvaardigheden.”

De Emmense amateurkunstenaars exposeren al sinds jaar en dag bij het CBK Emmen. In de afgelopen periode scoorde AKE goed met een expositie in het Rensenpark. Meer dan 5.000 bezoekers bezochten de groepsexpo. Voorzitter Cora meldt dat deze expositie voor een vijftig nieuwe leden heeft gezorgd.

Mariola Bekel: sieraden

Wethouder Robert Kleine heeft de wanden van zijn kantoor permanent ter beschikking gesteld van AKE-leden.

Jan Liewes: Koolzaad

Op deze manier is hij verzekerd van een verse aanvoer van landschappen, bloemen, planten, een prachtig expressionistisch lammetje, enz. waar hij geen omkijken naar heeft. Hij roemt de samenwerking AKE – CBK. Samen met Stijn en Teun opent hij de expositie. Joost Slijpen is trots en blij en prijst deze expo als een fantastische en noemt, vanwege de drukte, vandaag een Black Thursday, parallel aan de in Amerika superdrukke Black Friday. Cora Lameris gaat in op de laagdrempeligheid van AKE.

Meer dan tachtig werkstukken worden in ‘Groei’ getoond. Keramiek, sieraden, installaties, collages,

Janny Eising: Lammetje

houtskooltekeningen, aquarellen, natuursteen, olieverven en meer. Eyecatcher is natuurlijk een mooie fontein.

Nadja Kerkmeer, Bart Mol: Installatie

Wethouder Kleine verklaart stellig dat dit kunstwerk nu net niet op zijn werkkamer een plaats krijgt, vanwege een mogelijk te sterke plasreflex. Natuurlijk zie je veel kwaliteitsverschil, maar het plezier dat van de getoonde werken afspat is overduidelijk. En dan die lekkere muziek op de begane grond…

Chris en Gerard

Film Het oneindige zoeken over M. C. Escher (29 november 2018 CBK Emmen € 3,-)

In de mobiele bios Locacinema van Emmens Filmhuis kijken zo’n honderd gasten in de grote zaal van het CBK-gebouw, zonder verduisterende gordijnen maar met gitzwarte raampartijen, naar een film over Escher, die de meesten nog van vroeger kennen van de grote stapels onverkoopbare ramsj bij wat destijds De Slegte heette. We zien een kwetsbaar kind uit Leeuwarden dat naar Toscane moet verhuizen om aan te sterken, en zich ontwikkelt tot een succesvol kunstenaar met wiskundige inslag die trouwt met een vrouw die aanleg heeft voor psychische problemen met wie hij twee zoons krijgt van wie er een later korte tijd achter de Italiaanse fascisten aanloopt. Eschers vrouw ontwikkelt wat ‘mental problems’, Escher zelf op latere leeftijd darmkanker. Escher is iemand die zijn hele leven twijfelt aan zichzelf en zich steeds minder begrepen en daardoor eenzaam voelt. Commerciële gasten in Amerika vergrijpen zich aan zijn werk door orgastisch- psychedelisch kleuren te rammen in de sobere grijs- wit- en zwarttinten en deze piraterij dan voor te veel geld illegaal verkopen.

Escher over zichzelf: “Ik ben niet een kunstenaar, ik ben een wiskundige.” In de film volgen we hem op zijn reizen naar Spanje en Italië. Hij vestigt zich in Rome. Het is een schitterende film. Dat er af en toe een kleine hapering in de projectie is neemt iedereen voor lief. De sympa entreeprijs, de gratis koffie en thee vooraf, geschonken door de vriendelijkste gezichten die je maar kan wensen, maken alles goed. De film geeft een zeer compleet beeld van leven en werk van deze imponerende kunstenaar. Escher raakt geïnspireerd door geometrische vormen op eenvoudig ogende tegeltjes die hij tegenkomt in het Alhambra in Granada. Ook de muziek van Bach stimuleert en inspireert Escher. Het mathematische, het dwingende ritme, de herhaalde cadans in deze muziek doen het. Later beïnvloedt Escher popmuzikanten. Graham Nash, Mick Jagger en vele anderen roemen zijn werk. Jagger vraagt Escher een hoes voor hem te ontwerpen. Dat weigert hij.

Als je Eschers werk bekijkt verbaast het dat hij is begonnen met modellen en landschappen, veelal houtsnedes. Schitterend komen de prachtige, soms gemetamorfoseerde beelden voorbij van eindeloze trappen, vlinders, reptielen, vogels en vissen die in elkaar overgaan. Het wiskundige in zijn werk noemt hij het resultaat van eindeloos zoekend systematiseren en weer vraagt hij zichzelf af of het wel kunst is wat hij maakt.

De Ploeg 9: Galerie Van Strien (4 november – 27 december 2018) 100 Jaar De Ploeg

Thomas Dijkstra

Belangstellend gadegeslagen door Van der Valks verre toekan tonen maar liefst elf Ploegschilders hun werk bij galerie Van Strien in Nieuw-Amsterdam: Marjan Cornelius, Willem Corsius, Thomas Dijkstra, Harriët Geertjes, Annelies Gommer, Arien de Groot, Marten van Holten, Geert Schreuder, Mary Velthoen, Aly van der Wal en Janny van der Woude.  Historie en vooruitgang komen hier bij elkaar aan de periferie van Nederland. Aan Duitse zijde overzien van vooruitgang getuigende windturbines de streek die ooit werd gedomineerd door turfstekers, illegale jeneverstokers en heideplaggers. Godzijdank werd de regio aan de vergetelheid onttrokken door Vincent van Gogh en Max Liebermann die hier eind negentiende eeuw ronddoolden en artistieke sporen nalieten. Nieuw-Amsterdam begint met een splinternieuwe kade aan de Vaart Zuidzijde Friese watersportallure te krijgen en het verderop gelegen Erica en Weiteveen hebben al voldoende allure met resp. bard Daniël Lohues en een door de koning geopende schaapskooi.

Willem Corsius is de eerste die het spreekgestoelte bestijgt. Hij maakt reclame voor twee interessante Ploegpublicaties. Daarna betreedt Peter van Strien de zeepkist. Hij verhaalt van een protestgroepje Groninger kunstenaars dat protesteert tegen de aandacht voor De Ploeg. Schertsend spreekt hij van tegenacties in de vorm van ‘een schop onder de kont’ en ‘met een knokPloeg eropaf’.

Een voor een stelt hij de Ploegkunstenaars voor aan de ca. vijftig aanwezigen die gedurende zijn woorden zichtbaar moeite doen de alvast uitgestalde hapjes en drankjes even te laten voor wat ze zijn.

De toespraken bieden ampel gelegenheid om door de ramen naar buiten spiedend even weg te dromen. We zien grijze Drentse landschappen langzaam oplossen in een aarzelende nevelige schemer. Van Strien wil gezegd hebben dat De Ploeg meer is dan landschappen & ploegen die strakke voren trekken en memoreert:

  • detail Marjan Cornelius

    de kleurige feestmutsen van Marjan Cornelius en glaswerk in houtskool en potlood;

  • de strakke Waddenlijnen van Marten van Holten;
  • digimateriaal en driedimensionaal werk van Willem Corsius;
  • de geheimzinnig dreigende parkeergarages van Annelies Gommer;

    Annelies Gommer

  • de landschappen van de geest van Arien de Groot;
  • de liefde en fascinatie voor en de worsteling met de dingen die voorbijgaan en de schoonheid van verval van Geert Schreuder;
  • Aly van der Wal die erin slaagt het land, water en de lucht bijeen te brengen met het licht als de grote tovenaar;
  • Harriët Geertjes die in haar zoektocht beeld en intentie doet samenvallen;
  • Janny van der Woude die twee ‘plein-airtjes’ toont;
  • de mevrouw in het zwembad van Mary Velthoen die de worsteling van de mens (= wij) om het hoofd boven water te houden, toont;
  • en tenslotte Thomas Dijkstra die een thuiswedstrijd speelt en evenwicht in de expositie brengt met wat groter werk, o.a. een grote dame die vlakbij de entree de bezoekers welkom heet.

Na een liefdevol ingepakt overheerlijk augurkje en een glaasje witte wijn zien we zowaar een van kou rillende toekan goedkeurend knipogen.

Turk in Almere-zuid over Friese fonteinen en meer

Zoals de Turk in een Almeerse buitenwijk streeds Turkser wordt zo word ik in Emmen steeds Friezer. Woorden als cultuur, vooruitgang, moedertaal, hafabra, kerkorgels, schaatsen, kaatsen, zeilen, paarden, zelfredzaam, windenergie, betaaldvoetbal, eigenzinnig, eiland, infrastructuur, gemeenschapszin, kaas, artistiek, literatuur, kunnen niet voorbijkomen of ik maak de uitstap naar de moeder aller provinciën: F. Natuurlijk moesten we de elf fonteinen zien. In het kader van Leeuwarden Culturele Hoofdstad (voor Maastricht, voor Groningen en voor Haarlem) delen ook de andere tien steden mee in de winst. In elke stad, behalve Dokkum, want Dokkum is wat traag, wordt een fontein geïnstalleerd. Mooie dingen hoor die fonteinen, daar niet van. In één woord kwetsbaar, origineel, bijbels, over-the-top, artistiek, decoratief, duur, vergankelijk, sober, prachtig, allemaal tegelijk. In IJlst een boeket blommen op een zwarte tol, in Stavoren een Jonas; ongelijk de bijbelse variant is deze via een permanent openstaande bek te betreden: mensen wordt in ruil voor een nat pak toegestaan op de tong te gaan zitten en een Jonaëske ervaring op te doen.

Voorbij Hindeloopen, net voor Workum kijk je even naar links. Zonder na te denken rijd je door, totdat je beseft wat je ziet: een opdekoppe boerderij. Hoe ‘oarsom tinke ‘oarsom bouwe’ wordt. Kijk zelf en verbaas je met mij….