Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling


Als ik Lubbers’ Zuidenveldkroniek lees voel ik me als een kind dat door een caleidoscoop kijkt: steeds zie ik wat nieuws. Een foto op pagina 275 symboliseert het Zuidenveldgevoel treffend: vijf mannen zorgen ervoor dat een vastgelopen aanhanger weer vlot komt: met vereende krachten iets tot een goed einde brengen, dat typeert dit feest. Roelie Lubbers-Hilbrands beschrijft in Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling 1920 – 2020 de zuidenveldtentoonstellingen in al zijn facetten. Het zou mij niet verbazen als bij de eerstvolgende Zuidenveldtentoonstelling een platte kar aan haar is gewijd: haar lach en blonde lokken met duizenden maiskorrels, graanstengels en een keur aan bloemen op een plateau uitgelicht. Het boek is opgedragen aan enkele familieleden en, hier zien we Lubbers de diplomaat, aan alle deelnemers, medewerkers en bezoekers: het volk van het Zuidenveld.

Wat een immense klus moet het zijn geweest om de 100 jaren Zuidenveld te boekstaven, elk jaar op twee pagina’s, met er tussendoor beschrijvingen van het volgende decennium. In 304 pagina’s, zo’n 1.800 gram papier, boordevol tekst in gevarieerde lettertypes en foto’s, vanaf 1973 ook in kleur, sommige zelfs met watermerken, vertelt zij de historie. Overzichtelijk gerubriceerd en uiterst volledig: tot en met de jaarlijkse cateraar aan toe. Prijswinnaars, advertenties, bezoekersaantallen, financiële overzichten, bestuurssamenstellingen en meer.

Bij de decenniabeschrijvingen typeert Lubbers de historica de tijdgeest bondig en to-the-point. Van democratisering in de jaren zestig tot het homohuwelijk in 2002, velerlei maatschappelijke veranderingen komen voorbij die de landbouwtentoonstellingen inbedden. Al lezende voltrekt zich de geschiedenis van het boerenbedrijf met daarin een prominente rol voor de dieren en de boeren. Ertussendoor lezen we over de economische ontwikkelingen in de agrarische sector, de rol van de vrouwen, de oorlogsperiode, belangstellende hoogwaardigheidsbekleders, de regionaal-geografische ontwikkelingen en heel veel faits-divers die het boek leesbaar maken en houden. Van de vele foto’s is verreweg de mooiste die op p 61 met gelooide koppen van het prototype van Zuidenveldgangers: stoere mannen met petten.

Een speciaal onderdeel van het Zuidenveld zijn de versierdewagenoptochten en de versierde straten met de erebogen als hoogtepunten. Ik zie nog mijn oude buurman maanden voor het feest in Sleen in zijn schuur honderden vlinderfiguren voor de straatversiering lassen. Met veel gemeenschapszin en het inleveren van sloten vrije tijd, werd met man en macht gewerkt aan de gezamenlijke presentaties.

Missen we dan niets? Zeker, het boek was nog leuker en vollediger geworden als Roelie Lubbers anderhalve bladzijde had ingeruimd voor de keerzijde van de medaille, de achterkant van het gelijk. De ontwikkelingen in het boerenbedrijf gaan snel en het wordt allengs duidelijk dat die ook nodig zijn. Iedereen heeft in zijn familie wel een neefje dat een werkstuk over mest- of kalverfraude, Round-up en de miljardenclaims tegen Monsanto moet schrijven of een in Wageningen studerend nichtje dat op elke verjaardag van oom Annechienus de discussie aanjaagt met irritante vragen over biologisch boeren, het zielige van afgesneden staarten bij Belgische paarden, de circulaire landbouw van Carola Schouten en de ontwikkelingen in het dierenbevrijdingsfront, waarvan zij aspirant-lid is geworden. Het is jammer dat Lubbers de kritische geesten die binnen elke politieke partij te vinden zijn op p 7 zuurpruimen noemt. Niet zelden betreft het mensen met een agrarische achtergrond die het beste voor hebben met de boeren. Veel meer dan gratuite sympathie verdienen boeren het kritisch en met respect gevolgd te worden. Op p 253 volgt een licht herstel en komen dierenwelzijn, boerenprotesten en ecologische duurzame landbouw aan bod. Iets uitgebreider was aardig geweest en had meer recht gedaan aan de veranderingen die het boerenbedrijf te wachten staat.

Maar voor de rest: Roelie, chapeau! Ik ben nu al nieuwsgierig naar de eerstvolgende coronavrije versierdewagenoptocht in 2021 in Schoonebeek.

Kijk verder dan vandaag en weet . . .

Na de eerste obstakels <het boekje is niet te koop in Emmens grootste boekenzaak, de omslag vertoont een röntgenfoto boven een niet schoongemaakte vloer in een operatiekamer en de inleiding is mager als mais aan akkerranden> openbaart een alleraardigst gelegenheidsboekje zich en leer je hoe een select gezelschap schrijvers in Drenthe 75 jaar vrijheid beleven. Met veel plezier lees ik de teksten: gedichten, waarvan een minimaal aantal rijmende, enkele korte verhalen en zkv’s. De wat potsierlijke aanduiding op de omslag dat het om een meertalige uitgave gaat, houdt in dat er in het Nederlands (70 %) en in (enkele varianten van) het Drents (30 %) is geschreven. Waar zijn toch de wereldtalen Arabisch, Gronings, Frans en Fries gebleven?

Ik leg het boek even weg. Een week denk ik na over wat ik heb gelezen. Wat herinner ik me na 168 uren het best? Dat niet alle werk nieuw is. Een inleiding die tekortschiet en dit boek een steen noemt. De éminences grises Kool en Omvlee die beiden een thema aanraken dat me al enkele jaren interesseert: wegkijkers en collaborateurs. Het mooiste woord uit de collectie: ‘slungellid’ uit een zkv van Veen. Dat het viertal light-Verse-dichters er al zo lang in slaagt zo kunstig gedichten te wrochten, vier individuen die samen een eenheid smeden in verzen die retestrak rijmen maar toch overeind blijven staan in mijn geheugen, is een prestatie van formaat. Mij bevalt het dichte en franjeloze van Gramsma, het mooie Drents van Boerema en meer. De schrijvers zijn op excursie geweest naar landschappelijke ingrepen in de buurt van Peest. Ik wist van landingsbanen in de buurt van Havelte, maar dit is nieuw voor me. Een hakenkruis in een vijver? Foutloos schrijven blijft nog een dingetje. Gestuntel met leestekens, verbaast waar verbaasd werd bedoeld; hen en niet hun, nazie i.p.v. nazi, enz.

De inleider heeft moeite met het onderscheid tussen een ; en een :. Hij schrijft niets over de mysterieuze locaties nabij Peest. Verderop lees ik dat de onwetende auteurs eerst even op excursie moesten, maar dan wil de lezer weten waarnaartoe en waarom? En waarom 26 en niet 126 auteurs? Waarom geen informatie over de financiering van dit boek? Waarom werd er bezuinigd op tekstcorrectie? Het boek kent nogal wat haren in de soep, dunne donshaartjes maar ook dikke schaamharen. Zelfs vlekkerige inkt. Fouten in teksten van een fysiotherapeut, makelaar of sekswerker, mwaah. Maar missers en inconsistenties bij taalliefhebbers en profi’s, je zou meer mogen verwachten. Niet wegkijken maar even de verantwoordelijkheid nemen en elkaar aanspreken.

Kom, ik pak de bloemlezing er weer bij. Boerema intrigeert met het openingsvers: ik noteer vraagtekens <als poëzie mij dwingt vragen te stellen dan omarm ik die> en plussen in de kantlijn. Wat goed geschreven, bijvoorbeeld ‘atlas van het onbegrepen woord’ en ‘hij deserteert van pien en mij’. Er schijnt iets interessants te zijn tussen Norg en Vries, iets met een Hitlerring en een hakenkruis. Dan Brans met ook zeer rake vondsten: de beginzin en de laatste twee van Spaarbankbosch. Brans’ opa inspireerde haar tot het schrijven van mooie zinnen, originele taal en, tja, een cliché aan het eind van Vurt van de Grebbebarg. Bremer, bedankt, onthult wat er bij Peest in het landschap gebeurde. Ze wil me doen geloven dat arbeiders een hakenkruisvormige vijver met fantasie groeven. Gramsma schrijft een prachtig gedicht Fantoompijn dat vanwege het buiten- en binnenverhaal en de brieven complex is omdat de waarheid wordt bezworen en een anti-waarheidsserum wordt gebrouwen…. Van der Koois Vrijheid op straat levert de boektitel en stof tot nadenken. De helden van de kapschuur van Kool is een verhalend gedicht dat in elke schoolbloemlezing thuishoort, over hoe wegkijkende vaders wegkijkende kinderen krijgen. Koops raakt in Alles giet veurbij aan de klassieke vraag wat eeuwig is en wat niet. Niets dus. Landkroon verduidelijkt (eindelijk, hèhè) wat het reisdoel was van het teleurstellende schoolreisje waarbij een historische sensatie uitbleef, voorafgaand aan het jaarlijkse diner. Nijenhuis legt in Bennie Valk uit waarom hij grote woorden wantrouwt en waarom waakzaamheid blijvend is. Leenstra weet knap maar liefst vijf levensfasen in een gedicht toe te lichten en neemt wraak op de bezetters door wel Papa en Jood maar duitsers en kotälla geen kapitaal te gunnen. En dan een kwartet door Omvlee, Hoogland, Peters en Boudestein gebeeldhouwde sonnetten over vader, Fries, toneelspeler, onderwijzer, dienstweigeraar, redacteur, Trotskist, linkse oproerkraaier Auke Kootstra: een monument! Omvlee gaat even door met een raak daderprofiel van B. Veen verrast met een prachtig zkv (of ukv?) Kuil en betoont zich een mooiewoordenliefhebber met aanminnig en de allermooiste vondst in deze bloemlezing slungellid. De irritante contaminatie meeheulen strepen we hier dan maar tegen weg. En dan Veenstra, met Barak kampioen op drie vlakken: mooiste openingszin, langste bijdrage en nogal wat taalfouten. Alle auteurs zijn in alfabetische volgorde opgenomen in dit boek, behalve Aagje Blink: weer niet erg natuurlijk, maar onelegant.

(Kijk verder dan vandaag en weet … Schrijvers uit Drenthe over 75 jaar vrijheid verscheen bij uitgeverij Koninklijke Van Gorcum; € 12,95)

Özcan Akyol in Coevorden (€ 7,50)

Het bibliotheekzaaltje is met zestig stoelen vol. Vrijwilligers, biebmedewerkers, leesgroepleden en twee pubers. 85 % vrouw. Geroutineerd vertelt bestsellerauteur Akyol, BMI van 25, sjoemel-Audi, polootje, lichte jeans, blote voeten in sneakers en charmant plukkend aan een onzichtbare broeksriem onder een afwezig buikje, zijn verhaal over zijn Turkse achtergrond, zijn jeugd in Deventer. Veel vooroordelen over cultuurarme Turkse immigranten worden bevestigd: ouders die niet of nauwelijks Nederlands (willen) leren spreken, jongeren die met geritselde Armanishirts een straatuniform creëren, een wijk die Ankara aan de IJssel heet, Turkse werknemers die zo snel mogelijk een uitkering binnenharken en jeugd die knoeit met studiefinanciering. En natuurlijk een Nederlandse omgeving die zich niet bekommert om integratie, gepersonaliseerd in het cliché van een lagereschooljuf die een slimme gast een te laag schooladvies geeft. De schaamteloze openhartigheid over de zich misdragende en naar de criminaliteit afglijdende jongere is weldadig. Het is een EO-verhaal in optima forma. Akyol, de kansarme crimineel wordt de bekeerde predikant die op tijd het licht kreeg aangereikt door een (detail: Surinaamse) cipier die zijn brave inborst, studiezin en leesgierigheid ziet en hem Rozemarijntje, stripboeken, Baantjer, ’t Hart, Goethe en Céline geeft. Eus, de autobiografie, past over Özcans leven als een niets verhullend cellofaantje over een doos frikandellen. Akyol, opgegroeid in een vrijzinnig Alevitisch nest, zeg maar de ietsisten in de Islam, journalistiek gestudeerd aan het christelijke Windesheim in Zwolle en gesjeesd aan de gereformeerde VU in Amsterdam, is op zijn sterkst wanneer hij voorbij de sappige details treedt van een bierdrinkende vader en een moeder die niet weet wat scheiden is en verhaalt van de magische sensatie die het lezen en nu dus schrijven hem geeft en de invloed van literatuur, van taal, van veel lezen op zijn persoonlijke ontwikkeling tot een volledig mens. Akyol, bedankt!

Heidi Benneckenstein: Een Duits Meisje en Baukje Prins: Gemengde Gevoelens

Twee boeken over de geschiedenis: Heidi Benneckenstein: Een Duits Meisje (2018)  en Baukje Prins: Gemengde Gevoelens (2014). Allebei non-fictie, geschreven door een vrouw en eyeopeners. Vijftien kilometer verderop is een land waar (op kleine schaal) kinderen worden opgevoed op paramilitaire wijze; ‘völkisch’ en in nazistijl. Een Duits meisje klinkt gewoon maar is het niet. Een schitterend boek over de desastreuze gevolgen van opvoeders die hun kinderen het rechts-extremisme als de rechte weg voorhouden: zo recent, zo dichtbij, zo wijdverbreid. Een Duits meisje probeert zich te ontworstelen aan de nationaalsocialistische ideologie waarin ze gedrenkt is.

Gemengde Gevoelens klinkt alledaags, maar is het niet. Het beschrijft de situatie van zo’n 400  ontheemde, misleide Molukkers die in 1951 neerstrijken in kampen in de Friese veengebieden in de buurt van Oosterwolde en Appelscha. Schrijnende, schrale situaties worden beschreven door de ogen van onbevangen lagereschoolkinderen. Over barakken, identiteit, cultuur, taal, grote gezinnen, verzuiling, burgemeestersvrouwen met de beste bedoelingen, schoolmeesters toegerust met liniaaltjes, gijzelingen, treinkapingen en hoe tegen de klippen op wordt geïntegreerd: zo recent, zo dichtbij en zo toe- en afgedekt.

 

De Lijst van Rob Stoker

Rob Stoker

Een oud-collega die een roman schrijft, dat maak je hoogstzelden mee. Mijn oude school is plaats van handeling, dus zit ik op het puntje van de stoel. Met veel interesse en plezier heb ik De Lijst gelezen.  Het  gaat niet over ‘de boekenlijst’ maar over een wraaklijst van een gefrustreerde leraar muziek met een nogal traditionele kijk op vrouwen. Muziek is niet het belangrijkste schoolvak en daar lijdt hoofdpersoon Tim van Galen bovenmatig onder. Hij is het mikpunt van spot van enkele collega’s en zijn vrouw. Tim besluit een lijst aan te leggen van collega’s die hem zieken: des te hoger het aantal punten, des te ruwer zijn wraakactie zal zijn.

Hier openbaart zich gelijk een zwakte in het boek. Een wraakactie eindigt in een ongeloofwaardige situatie: een beroerte na een hevige schrik is te veel van het goede. Hierdoor wordt het boek meer een thriller voor de jeugd dan een roman voor de volwassen lezer. De door cynisme verteerde Tim van Galen gaat te luchtigjes voorbij aan het verwoestende effect van zijn wraakactie; de totale paniek en innerlijke ontreddering duren maar heel even.

In Stokers boek herken ik brokstukjes van rafels van randen van schaduwen van oud-collega’s en uitvergrote stereotyperingen van schoolse werkelijkheden in de leraarskamer, bij rapportenvergaderingen, bij oudergesprekken (hoewel Van Galen ook hier wat cynischer aandoet dan goed voor de geloofwaardigheid van het boek is), de communis opinio over de uitzonderlijke positie van gym, de kerstmaaltijdhorreur, de cursusziekte in het onderwijs, het cijfersysteem Magister, de jaarlijkse grote avond, chantabele collega’s, gehannes met wachtwoorden, inloggegevens en mobieltjes, enzovoort en zo verder.

Tegenover de frustratie en ontevredenheid met zijn leven en vooral zijn relatie met zijn vrouw Wilma staat het vlammetje van een ontluikende verliefdheid op een leerling. Die verliefdheid is wederzijds en dat doet een gelukkig eind vermoeden. Stoker slaagt erin de hoofdpersoon dermate klunzig te laten opereren dat door de op elkaar gestapelde fouten hij uiteindelijk terecht komt onder de uitkomst biedende touwen in de gymzaal. Maar omdat daadkracht hier ontbreekt eindigt Tim van Galen schlemielig als een campingmuzikant in Frankrijk. Dat hij hier onvindbaar zou zijn is een van de vele ongerijmdheden.

Sterke spanningscomponenten in De Lijst maken dat je blijft lezen. Een vergeten leesbril, stiekem met een mobieltje gemaakte foto’s, een parfumgeurtje, een door de schooldirecteur (die zich aan het eind van het boek ontpopt als een bekwaam rechercheur) over het hoofd geziene aanwijzing in de vorm van een G-muzieksleutel, een autoportierraam als brievenbus, maken het boek een sterk jeugdboek. Vier sterren.

En de namen in het boek, geven die nog een link naar de werkelijkheid? Niet dat ik weet. Natuurlijk geven de namen persoonsinfo, je heet niet voor niets Henk Baas of Wekema. Ook hier ligt weer het cliché op de loer: Thomas Müller is natuurlijk de gymdocent en je hoeft niet te raden wie een creamuts is. Ook de liedtekstwoorden (What have I done?) spreken voor zich. Dat schrijver Stoker niet van gisteren is bewijst het taalgebruik van Sem.

Na Stokers debuut Dertig messteken is De Lijst een mooie start op weg naar meer. De omnipresentie van de schrijver geeft de lezer concrete beelden vanuit elke persoon. Ik zou zeggen: verfilmen met vooral ontelbare close-ups van flesjes en doosjes op de trap. (En ach die vier of vijf taalfoutjes: soit, die worden er bij de 2e druk wel uitgefilterd.)

Mano Bouzamour ‘De belofte van Pisa’

Het zit er allemaal in: analfabete ouders, een zoon die voor zijn moeder tolkt bij de dokter en vrijdagse haatpreken. Een overval op een AH-filiaal <met een bijl>, straatschoffies die met vijfhonderdeurobiljetten ijsjes kopen bij de Italiaan, naïeve politie en effectieve arrestatieteams. Rukken met links, onzekerheid over de techniek van vingeren en niet kunnen bidden met een stijve pik. Examenfraude, een overval op een geldtransport met een uzi en een granaatwerper, smerige sanitaire omstandigheden in de moskee van de lulkoekimam (sic!) en een in merkkleding helende Algerijnse kapper. Fietsters die met “Karren, kut,” worden begroet, zenuwachtig getrek aan achterstevoren gedragen rode Lacoste-petjes, ‘het zijn toch allemaal N.S.B.-ers’ als het over leraren gaat en Marokkaanse opa’s die aan polygamie, schotels en loeiharde Koranzenders doen. Op de achterflap staat dat ‘De belofte van Pisa’ is gebaseerd op de auteurs eigen leven. Marokkaanse moeders zijn kort, allemachtig dik en gehoofddoekt. Zusjes werken bij de A H hebben donkerbruine ogen en zijn ondeugend en meisjeskamers ruiken naar lavendel. Kortom: De Belofte van Pisa is een aaneenschakeling van stereotypen, clichés en plattitudes; als je ze allemaal aan elkaar rijgt door de eikels van de besneden hoofdstedelijke straatschoffies, dan heb je een groezelig doch lang lint, Van De Pijp naar de Arena en weer terug. Het boek heet een schelmenroman en doet erg denken aan Eus van Akyol.

Er is ook een andere kant in de roman. Die maakt het redelijk leesbaar voor een zonovergoten middag. De hoofdpersoon is een door geschiedenis en oorlogsverhalen geobsedeerde hard studerende leerling op het Hervormd Lyceum Zuid. Ook de liefde voor muziek komt, soms geforceerd, bovendrijven. De halfdove hoofdpersoon en zijn broer spelen piano op een g e s t o l e n vleugel.  De ik-persoon is liefhebber van gregoriaanse koormuziek en van Bach en hij en zijn broer spelen Canto Ostinato van Simeon Holt. Verdomd nog aan toe, hoe enkele eenvoudig (doch zeer ongeloofwaardig) uitgewerkte elementen een boek draaglijk kunnen maken. Ik zou zeggen: Lezen en vergelijken met ‘Eus van Özcan Akyol. En als je durft met ‘Je denkt dat het komt’ van Meindert Talma. Een mooier sfeerbeeld van Turkse, Marokkaanse en Friese invloeden is ondenkbaar.