Salomon, het Kollumer Oproer

De première van Salomon, het Kollumer Oproer is oorverdovend mooi. Hoofdrolspeler Syb van der Ploeg als Salomon, speelt zich uit de naad (om maar eens een Friezisme te gebruiken). De couleur locale krijgt kracht en kleur door de locatie achter de Maartenskerk waar de opstandelingen meer dan twee eeuwen geleden daadwerkelijk werden opgesloten, de Friese paarden, de meer dan 100 spelers, waarvan een groot deel vrijwilligers uit de regio, en uiteraard de moeder aller regiotalen: het Fries. Ook niet onbelangrijk: voor locatietheater in de open lucht is er een prima balans tussen muziek en zang. Aan licht en geluid is meer dan gemiddeld aandacht besteed.

Een ingenieuze vondst, een Nederlands sprekende Google Maps, kundig gepresenteerd door Meriyem Manders, maakt het spektakel voor niet-Friessprekers te volgen. Af en toe staat Google Maps aan de laadpaal waarbij ledlampjes als een aura oplichten. Zij linkt het verleden aan de nieuwe tijd en wijst Salomon op gedachtenkronkels.

Het verhaal in een notendop: de uit Duitsland gevluchte Jood Salomon Levy is allergisch voor onrecht. Hij komt in actie als enkele streekjongens, Jan Binnes en Abele Reitses, de ene vanwege zijn rol bij het Kollumer Oproer en de ander vanwege dienstweigeren, door de Franse overheersers worden vervolgd. Salomon wordt neergezet als vrije jongen, womanizer met een libido als een gevuld kruidvat, en vooral strijder tegen discriminatie en onrecht: ‘Ik bin fan net ien!’. Het komt meer dan goed uit dat Syb van der Ploeg, in het echt ook nazaat van Salomon Levy, kan zingen en toneelspelen. De Fransozen doen waar ze goed in waren: ze guillotineren de hoofdpersoon. 

De verhaallijn wordt door scriptschrijver Dick van den Heuvel naar het nu en het recente verleden eigentijds gehouden, zonder de historische setting te verwaarlozen. Er wordt tot het randje met de chronologie gespeeld. De spelers zijn gekleed in historische kledij die zo uit het Museum in Veenklooster lijkt te komen. De verbindende elementen zijn de nare behandeling die marathonloopster Foekje Dillema ten deel viel, een hint naar de Me-Too-discussies, en meer. In de Foekje Dillema-case krijgt de KNAU het behoorlijk te verduren. Een vreemde noot in het spel is een terugkerende discussie tussen humoristische representanten van de berenburgindustrie. De aanwezigheid van schaatser Henk Angenent toont de sympa bereidheid om spruitjes telende niet-acteurs een kans te geven voor een groot publiek, wa wit…

Het massaal toegestroomde publiek (er zijn zo’n 1200 bezoekers, en dat zes keer) wordt gelijk het verhaal ingezogen door irritante Franse jengelmuziek: de anti-Franse toon is dus prettig gezet. De live muziek wordt verzorgd door De Kast en een kopersectie van Wilhelmina, de Kollumer brassband. We horen ‘In neie dei’ en bewerkte ouwe gouwes als ‘Vluchten kan niet meer’ en ‘Ben ik te min’. Het kon minder. En dan die onverstoorbare Friese paarden die flegmatiek, als Friezen op vakantie in Frankrijk, een bijdrage leveren, niet alleen voor de bühne, maar ook over het kerkpaadje galopperend achter het podium. Dit soort franje maakt dat het publiek ogen tekort komt. De scene met Kollumer vrouwen die hitsige madammekes spelen toont aan dat de verraderlijk koele uitstraling van de deernes meer broeierige verlangens verbergt dan voor mogelijk wordt gehouden. 

Een indrukwekkende scene is die waarin spelende kinderen de jonge Salomon wegpesten met discriminerende teksten als Je hoort hier niet, Joden hebben Jezus vermoord, opzouten! waarbij ongetwijfeld subtiel wordt verwezen naar de bepaald onfrisse houding van de Kollumers toen eind vorige eeuw de  moordenaar van Marianne Vaatstra in het asielzoekerscentrum werd gezocht in plaats van in een aanpalend dorp. Wat ik miste voor een evenwicht tussen terechte regionale trots en overdreven chauvinisme was een kat naar de blokkeerfriezen; oog voor je eigen tekortkomingen zou een fraaie extra laag zijn geweest.

(Salomon, het Kollumer oproer; 4 t/m 9 juli 2019; stoel € 31,50; consumptiemunten € 2,50)

Lintjesregen aan de markt in Emmen

Word actief in een kerk, ga wonen in een buitendorp en wees een man: drie eigenschappen van lintjeskrijgers anno 2019 in Emmen. Van de 3000 in Nederland werden er vijftien in Emmen uitgedeeld. Wordt elke aanvraag gehonoreerd? Neen: 11% wordt afgewezen, mensen met een berispelijk verleden komen niet in aanmerking.

foto Emmer Courant

Wat een mooie bijeenkomst werd het: een geoliede machine met heerlijke muziek, onder het spelen van Johan Pachelbels canon in D zag je zelfs zedig deinen van brede en smalle heupen, heel kort maar een haperende microfoon, uitstekende catering (de heerlijkste hapjes in glas. Nu nog de plastic vorkjes voor echte ruilen en het wordt een tien!), een geoefend spreker en een vrolijk, op zijn zondags uitgedost publiek en dan ook nog een ideale en schitterende locatie in de grote kerk in Emmen: geen zerken boven lang vergane lijken maar vloertegels van de Gamma, een stuk of vijf kapotte lampjes in een middeleeuws aandoend karrewiel onder een in blauwgroen gespoten houten gewelf, spinnenwebben op een veel te groot houten kruis, beeldende kunst aan de muur en een uitgelaten gezelschap. Het kon minder. De Grote Kerk in Emmen begrijpt het: in plaats van steeds slechter bezochte erediensten over door mensen bedachte (af)goden worden er wijn- en bierproeverijen georganiseerd, eet- en muziekfestijnen van Rotary, de Gouden Pijl-presentatie, een sekswerkerscongres & de Mattheus Passion, inlooporgelconcerten en exposities van beeldend kunstenaars, fotografen en eindexamenexpo’s: deze kerk gaat het wel redden. En de jaarlijkse lintjesregen.

In geen land ter wereld wordt meer aan vrijwilligerswerk gedaan dan in Nederland. Aan de lintjes te zien schort het nog aan een evenredige verdeling over de bevolkingsgroepen. In 2019 zien we geen mensen met een buitenlandse achtergrond. Wel zien we penningmeesters, websitebeheerders, manusjes van alles, decorbouwers, sportclubmedewerkers, juwelen, toneelspelers, gouden harten, kerkelijk medewerkers, EHBO’ers, wijkwerkers, dansgroep assistenten, duizendpoten, Zonnebloemers en meer. Wat betekent het dat dertien van de vijftien lintjes aan mensen van buiten Emmen worden uitgereikt? Dat het voor Emmenaren moeilijker is er één te krijgen natuurlijk. Of dat in de buitendorpen actiever geworven wordt. Alle vijftien werd een medaille in de Orde van Oranje Nassau opgespeld, dus geen gesodemieter met rangen en standen. Bij acht van de vijftien was er een duidelijke relatie met een kerkgenootschap. Emmen volgt de landelijke trend met 35% lintjes voor vrouwen: er waren zes vrouwen tegen negen mannen en, een novum? twee echtparen kregen een lint. Daar moet je als gemeente natuurlijk voorzichtig mee zijn, aan homeopathische verdunning hebben we natuurlijk niets. Wij kwamen speciaal voor Ine Schilder – Olierook. Met Humberto Tan, Fong Leng, Björn Kuipers en  Gerard Spong en vele anderen hoort zij dit jaar tot de gelukkigen.

Dan komen de drankjes en de fotografen. Burgemeester-conferencier-spreekstalmester Eric van Oosterhout regisseert op zijn burgemeesters door via de microfoon luid en duidelijk tegen de verbouwereerden: ‘Glas d’r afpakken!’ te prediken als de oranjebitters op een dienblad voorbijkomen en dan komt de groepsontlading door het samen zingen van het Wilhelmus.

Bert Wagendorp ‘Fictie moet de sport redden’ (Kees Fens-lezing)

Zoals Dolberg na een fraaie actie juichend naar de trainer loopt, zo haakt Bert Wagendorp na een geslaagde grap graag aan bij de lach van zijn hoofdredacteur Philippe Remarque (dankzij Volkskrant-columnist Silvia Witteman bij mij beter bekend als Huisgenoot P) en literatuurrecensent Arjan Peters, zeg maar de Louis van Gaal van de VK. Beide mannen zitten pal voor mij. De een met schreeuwende happy socks en de ander met saaie zwarte kniekousen. Zou Sylvia zijn was doen, vraag ik me af. “Is uw vrouw hier, ik ben een fan van haar,” fluister ik Remarque in zijn oor. “Nee, ze houdt niet van sport,” is zijn zwakke excuus, alsof het onderwerp er iets toe doet. Nee, maar ze houdt wel van literatuur en de lezing gaat over beide, denk ik. Hij buigt zich voorover en toont de rimpels bij de slecht afgewerkte mouwinzet van zijn colbert. Heerlijk, zo’n doordeweeks dagje Amsterdam. Een gratis lezing van Wagendorp, stercolumnist bij de VK, vooral nadat NRC-hoofdredacteur Vandermeersch een keer in de societyrubriek van DWDD verklaarde Wagendorp graag in de NRC-stal te zien. Met een Kruidvatkaartje met het spoor naar de hoofdstad. Opvallend dat tegenwoordig elke machinist in zijn toespraakje naast de overstapkansen ook het gemis aan vertragingsminuten noemt. En in navolging van de CDA-leus de taalfout in ‘een hele goede morgen’ etaleert.  De Rode Hoed is gevuld met senioren die het zich kunnen permitteren overdag gratis lezingen te bezoeken. Vintagejasjes, coltruien en extreem hoog opgetrokken broeken. De voorste rij stoelen is gereserveerd. Een grijze meneer knikkebolt nog voordat Wagendorp is begonnen. Een oude mevrouw gaat lekker op het bordje ‘gereserveerd’ zitten. Achter mij hoor ik een geprangde stem: “Hèhè, we gaan eindelijk weer eens uit onder leeftijdsgenoten,” en even verder gekweld: “Ik moest lessen Nederlands overnemen. Ach, wilde ik wel hoor, maar de bijgeleverde teksten zaten vol fouten.” De klaagzang stopt als Stijn Fens plaatsmaakt voor de spreker van dienst. Wagendorp houdt een schitterend betoog over sport (de belangrijkste bijzaak die bestaat) en Fens (ooit een rechtsbenige linkermiddenvelder). Sport wordt draaglijk door fictie. Buddingh, Krabbé, Mulder zijn de meestervertellers. En natuurlijk Fens en Wagendorp. Vanwege zijn steeds afzakkende bril oogt Wagendorp wat breekbaar. Zonder gene verheerlijkt hij Abe Lenstra, de beste voetballer ooit, en verguist hij Johan Cruyff dankzij wie wij twee wereldkampioenschappen zijn misgelopen. Wagendorp, humoristisch, op het cabareteske af, Groenloër met Friese roots, spaart Amsterdam en Ajax niet. Wagendorps tekst is al vooraf te koop voor € 5,- Ik vrees papiergeritsel met al die oudjes, zoals meelezers bij de Matheus Passion een extra roffeltje invoegen bij Jezus’ lijdensweg als het einde der pagina’s wordt bereikt, maar het valt mee. De Rode Hoed is niet uitverkocht en dat is jammer. Of regeert hier de wet van de gesponsorde stoelen waarbij vooraf bestelde stoelen niet bezet worden omdat de kaarteigenaar liever naar een paaldansclub verderop gaat?

Na afloop klinkt jengelmuziek. Hadden ze nu niet even Eeuwe Zijlstra kunnen inhuren om het indrukwekkend hoge orgel (een Flaes/Adema in een kast van Westerman) te bespelen? Als Huisgenoot P en Peters aanschuiven in de rij voor een handtekening, gaan wij de Jordaan in.

Kinderburgemeeester,  Maak er wat van!, High Voltage en Klaas Dijkhoff

Met de spetterende muziek van Otto Schwartz High Voltage besluit het Drents Jeugdorkest de nieuwjaarsbijeenkomst in het Atlas Theater op vier januari 2019. De muziek spat de zaal in als dunne verf op een doek. Als deze club losgaat, dan berg je maar. Wat een koper: goud! Vier hoornisten van wie er, net als indertijd noorderling Jacob Slagter, zeker één zal doorbreken in het Concertgebouw Orkest voorspel ik, spelen krachtig. Ook horen we ijzersterke trombones, trompetten en slagwerkers van het niveau van The Analogues en overal onderdoor de subtiele onmisbare muzikale steun van eufoniums.

Vijf aanstormende Loods 13-talenten openen de avond. Naturel even schelden op wat hun thuisbasis niet heeft, en vervolgens tonen ze hun ware aard en talenten door het verbeelden van een prachtige metafoor van overstekende, zelfbewuste zeeschildpadden die na het ontwijken van obstakels de veilige overkant bereiken. Goede stemmen, houding, mimiek, timing en teksten.

Tussendoor beluisteren we de zang van Melissa Meewisse, die zich als een jonge uitvoering van Ellen ten Damme met een vaste musicalstem aan de bomvolle zaal presenteert. Vorig jaar deed ze nog mee aan het Europees Songfestival van Minderheidstalen en nu staat ze op het podium met een band van vijf jonge kerels die lustig en gretig uit haar hand eten als bokken voor de haverkist. Gitaristen die het midden houden tussen bedaagde tokkelaars en bliksems brutale snerpende duvelskunstenaars.

De burgemeester wil een kinderburgemeester naast zich. Hij besluit zijn peptalk met citaten van de filosofen Ernie & Bert. Natuurlijk heeft hij een goed verhaal over het versterken van de economie, de financiën, de democratie en de veiligheid. Maar hij raakt de zaal met het verhaal van Nemr die staatssecretaris Klaas Dijkhoff een relevante maar moeilijke vraag over verblijfsvergunningen stelde. Van Oosterhouts mooiste statement is de verzuchting dat Emmen verre moge blijven van het alles bepalende en verstikkende Randstadraster dat over Drenthe dreigt te worden uitgerold als een asfaltlaag over een karrenspoor.

Je zou bijna vergeten dat er ook nog een culturele prijs wordt uitgereikt aan jeugdboekenschrijver Pieter Koolwijk, die de € 1.000,- braaf gaat besteden aan de vermarkting van zijn boeken in het Engels. Wim Beekman, directeur van FC Emmen wordt Emmenaar van het jaar.

Leuk avondje Emmen en ga vooral door met die informatieve en in tijd begrensde filmpjes. Die voorkomen oeverloze toespraken met een overdaad aan stoplappen, tegeltjeswijsheden en een overkill aan het woord ‘eigenlijk’. Zo blijft er tijd over voor muziek, een zwengel, een gesprek over kwakzalverij en katoenen zakdoeken, een zoen, een hap en wat drank.

Het Groot Dictee der Nederlandse Taal

Winnaars: Thérèse Major (links) en Dirkje Scholten (rechts)

Emmen, 15 december 2018. In Nederland zijn er 21 plaatsen waar met het Groot Dictee wordt meegeschreven in openbare bibliotheken. Emmen is de enige plaats in Drenthe waar die mogelijkheid wordt geboden aan wie maar wil. Zeven helden willen dat wel. De bibliotheek biedt een zaaltje aan met een uitstekende radio- en t.v.-verbinding. De landelijke uitzending met dicteevoorlezer Philip Freriks en dicteeschrijver Wim Daniëls wordt gestreamd. Juryvoorzitter Klaas van der Meulen, die de tekst vooraf heeft kunnen bestuderen, stelt de deelnemers gerust. “Dit gaat een revolutionaire aflevering worden,” stelt hij met enige overdrijving vast, “jullie verlaten dit pand straks met een goed gevoel.” Daniëls heeft deze week bij Pauw aangekondigd dat hij een trendbreuk gaat veroorzaken: weg met de pedanterie van de moeilijke woorden en op naar een gewoon dictee. Maakten de winnaars tot dit jaar gemakkelijk 7, 8 of 9 fouten, nu is het teruggebracht tot een schamele twee. Landelijk winnaar is Pieter van Diepen. Bij de nabespreking wordt duidelijk dat de vraag of woorden al dan niet aaneen worden geschreven (lente-uitjes naast coderoodwaarschuwingen, hiernaartoe naast gaan ervan uit) een lastige lastig blijft.  In Emmen zijn er

Jongste deelnemers: Babette Hilbrands en Chanel Menzen

twee deelnemers met slechts 12 fouten: Thérèse Major en Dirkje Scholten. Na een shoot-out wint Thérèse Major. Ter vergelijking: beiden maken vijf fouten minder dan Volkskrantredacteur Jean Pierre Geelen die zich 17 keer vergiste. Opvallend is dat er in Emmen twee jongeren meedoen: Babette Hilbrands (16) en Chanel Menzen (20). Ik durf te wedden dat het aantal deelnemers in Emmen volgend jaar zal zijn verdubbeld.

 

 

De dicteetekst: Een klimaatmaat

1
2018 is nog niet ten einde, maar gaat, wat er tot eind december ook gebeurt, sowieso diverse weerrecords breken.

2
Er was deze zomer een hittegolf die lokaal naar verluidt 29 dagen aanhield, een on-Nederlandse toestand, en in juni werd ’s nachts op de Veluwse vliegbasis Deelen, vlak bij Arnhem, een nachtrecord gemeten van 24,4 graden Celsius; zo’n temperatuur houdt je wakker, was de veelgehoorde klacht.

3
Uit de meteorologische trukendoos kwamen in juli tezamen circa 314 zonuren tevoorschijn, waartegenover een schamele 10 millimeter neerslag stond; de minuscule aardappels van dit jaar zijn er de wrange souvenirtjes van.

 

4
Sommigen ervaren de toegenomen warmte als een cadeautje, en gaan ervan uit dat er te zijner tijd met Kerstmis al krokussen en lente-uitjes zullen zijn en dat carnaval enigszins subtropisch wordt.

 

5
Anderen voorzien een flinke toename van het aantal coderoodwaarschuwingen, waarvan de betekenis meestal is: hoed u voor het weer; ze vrezen voor een klimaatdebacle, een sterk vergrote kans op catastrofes, met bijvoorbeeld tekortschietende dijken als het langdurig gehoosd heeft.

 

6
Een ongeruste weerhobbyist heeft onlangs op een A4’tje voor me uitgetekend, en ik geloof niet dat het nattevingerwerk was, wat er van de polen over zal blijven als de opwarming van de aarde doorgaat; en met die polen bedoelde hij niet de Polen die velen van ons kennen van hun schilder- en stukadoorwerk.

 

7
Iets van het Middellandse Zeeklimaat mag wat mij betreft gerust hiernaartoe komen, maar ik hoop toch ook nog weleens ‘It giet oan’ vanuit Friesland te mogen horen, waar ze naast het skûtsjesilen en het fierljeppen graag ook de Elfstedentocht in ere willen houden.

8
We lijken nochtans alleen nog ooit en masse naar Leeuwarden te kunnen afreizen voor het alom geprezen natuurijsfestijn als we beseffen dat het klimaat, in dit specifieke geval Koning Winter, ons alleen ter wille kan zijn als wij van onze kant het klimaat tegemoetkomen door een goede maat van het klimaat te worden, een klimaatmaat.

 

 

Ogden Nash   Song of the Open Road

In februari verscheen de uitgave ‘Song of the Open Road’ van de Amerikaanse light-verse dichter Frederic Ogden Nash bij Koekanger Handpers¹, gerund door Peter en Margie Bekker. De uitgave/het uitgaafje (wanneer spreek je van een boekje?) is klein en bevat één gedicht van vier regels. Kleinere uitgaven zag ik nog niet. Toch bevat het maar liefst drie soorten papier in twee formaten: een bestorven groengrijzige omslag (19,7 x 14,3 cm) met rechtsonder een watermerk voorstellende een haan en een (drink)beker en daarnaast twee soorten bedrukt papier (18,9 x 14 cm). Een heel lichte papiersoort voor de titelpagina en dan nog een iets dikker, crèmekleurige papier, voor de tekst. Houd je het papier tegen het licht, zie je een fijn rasterwerk van doorzichtige lijnen. In totaal bevat het boekje 8 paginaatjes en een omslag. So far so good, genoeg verkleinwoorden. Nog enkele maten: het totale papieroppervlak is 810,91 cm², 1,33 keer zo groot als een A-viertje. De uitgave is een gebonden exemplaar. Een sierlijk blauw draadje is met liefde, dat zie je meteen, door drie gaatjes in het papier geregen, met in het midden een kunstig gestrikte knoop, de uiteinden waarvan op dezelfde afstand, dertien millimeter, zijn afgeknipt.

De inhoud van het vierregelige gedicht ‘Song of the Open Road’ luidt, vrij vertaald: ‘Ik denk dat ik nooit een reclamebord zal zien dat zo mooi is als een boom. Misschien zal ik helemaal nooit een boom zien, tenzij de reclameborden omvallen.’ In het nawoord licht de uitgever toe dat de auteur in 1940 het oorspronkelijke woord ‘misschien’ veranderde in ‘inderdaad’. Nog twee interessante verwantschapsverbindingen: de titel van het vers is gelijk aan die van een gedicht van Walt Whitman in Leaves of Grass. Song of the Open Road is een parodie op Trees van Joyce Kilmer, waarvan de eerste twee regels luiden: ‘I think that I shall never see / A poem lovely as a tree.’ Het vers in Nash’ moerstaal horen? Men surfe naar https://www.poemhunter.com/poem/song-of-the-open-road/

Wat een liefde voor het boekenvak spreekt uit het uitgeven van dit soort publicaties. Meer weten over de uitgever van dit soort werk? www.koekangerhandpers.com.

Ter vergelijking: driehonderdnegenennegentig woorden had schrijver dezes nodig voor de beschrijving van bijgaand versje van eenendertig woorden.

(¹Koekanger Handpers publiceert per jaar enkele uitgaven. In haar jarenlange bestaan werden honderden pareltjes verzorgd. Vele daarvan waren vanaf het moment van verschijnen gelijk een collector’s item.)

De Ploeg 5: taxatie Ploegwerk door Richard ter Borg; zondag 21 januari 2018, Veenkoloniaal Museum Veendam

Als we op zondagmiddag 21 januari het plein oversteken naar het Veenkoloniaal Museum in Veendam zien we auto’s voorrijden. Ze stoppen als Ubertaxi’s voor de museumdeur. Mensen stappen behoedzaam uit en torsen grote Lidl-zakken mee. “Boordevol Ploegkunst,” hoor ik iemand zeggen. Een half uur vervroegd vanwege de grote aanmelding, begint Richard ter Borg kunstwerken van Ploegleden te taxeren. Rijp en groen, oud en nieuw, alles mag worden ingebracht. Op grote schaal wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt, meer dan honderd mensen komen langs. In een museumzaal zitten mensen te wachten.

Ik spreek een vriendelijk echtpaar dat relaxed op hun beurt wacht met een grote lijst voor zich, ingepakt in een wit laken van het logeerbed. Veel meer dan dat het een werk van Werkman is, kom ik niet te weten. Dat het niet een olieverfschilderij is, wil de meneer nog wel kwijt. Als bij griepvaccinaties bij de huisarts wordt af en toe een achternaam opgeroepen en dan tijgt men naar voren.Achter een tafel zit een secretaresse die streept en schrijft en turft en afvinkt dat het een lust is en de kunstdragers, met of zonder boodschappentassen, naar Ter Borg dirigeert.

Anders dan bij Kunst en Kitsch zit Ter Borg niet achter een tafel met een ronddraaiend plateau, maar staat hij in een hoek. Gedoseerd docerend spreekt hij de mensen toe over invloeden, periodes in de kunsten, gebruikte technieken, onleesbare signaturen, al dan niet gelukte herstelpogingen en meer. Ik spreek een vrolijke jongeman die zijn beurt afwacht. “Mijn vader is klusjesman en bij een klus wilde de huiseigenaar een schilderij weggooien. Mijn vader zei dat hij het wel wilde hebben. Het is een veelkleurig werk, een echte Arie Zuidersma. Ik ben best benieuwd wat de taxatie zal zijn.” Later zie ik de jongeman weer, buiten terwijl hij het parkeerplein oversteekt. “En, hoe ging het?” vraag ik hem. “Niet slecht, het werd op zo’n € 600,- tot € 800 getaxeerd.”

 

 

Nieuwsgierig geworden door de naam van een oud-plaatsgenoot (Zuidersma was een Emmenaar) google ik thuis de naam Arie Zuidersma (1925 – 2014). In een krantenartikel wordt hij ‘de laatste schilder van de oude Groninger Ploeg’ genoemd. ’Oké,’ denk ik, en verder? Ik word nieuwsgieriger en leer dat hij ongeveer tien jaar Ploeglid is geweest en dat Klompien belangrijk is geweest voor zijn ontwikkeling als schilder. Na tien jaar keerde hij de Ploeg weer de rug toe. Ik lees, terwijl mijn ogen steeds groter worden, dat een schilderij van Zuidersma bij Korst Van der Hoeff in Den Bosch was geveild. Het werk dat werd geschat op € 300,- tot € 400,- werd verkocht voor € 2790,-, mind you: het zevenvoudige, oftewel, om in bitcoincijfers te blijven: een stijging van 600%. Hopelijk leest de jongen dit.

 

Dagboek Gouden Pijl 2017, winnaar Bauke Mollema

Het is 2017. Kranten melden in januari dat in de Tour de France van 2015 twaalf renners rondfietsten met een motortje in hun fiets. Zegt Verdy (¹). Deze mededeling heeft de bewijskracht van een spons in een emmer sop. Er zou al drie of vier jaar gebruik worden gemaakt van mechanische doping in de Tour. De fietser moet dan wel een gram of 800 extra voor lief nemen. Nieuwe woorden als zadelpenmotortje en versnellingsmagnetisme lijken het woordenboek te gaan halen.
De Gouden Pijl-organisatie zal, zo speculeer ik, in juni 2017 op de slotdag van de Giro d’Italia, als Tom Dumoulin als Giro-winnaar Italië aan zijn voeten werpt, in spoedberaad zijn bijeengekomen, met als enige agendapunt: hoe krijgen we Dumoulin in Emmen? In de pers wordt gesproken over de eerste Nederlandse Giro-winnaar. Maar de pers ziet vier over het hoofd. Het moet zijn: voor de vijfde keer een Nederlandse winnaar in de Giro: na Marianne Vos (drie keer) en Anna van der Breggen (2015) eindelijk eens een man. Ik bezoek in een weekend zeven plaatselijke cafés (research voor een boek als dit vraagt nu eenmaal nogal wat) en overal is Dumoulin als gewenste deelnemer aan de GP binnen vijf minuten het gespreksonderwerp. Als Limburgse Tom mee gaat doen dan is de winnaar voorspelbaar als de kleuren van een pasgeboren pandabeer. Op 30 juni lees ik dat Steenwijk hem heeft gecontracteerd. Emmen gaat het niet worden. Op de dag van de GP rijdt Dumoulin in Voorburg de tweede etappe in de BinckBank Tour. Wat Emmen wel heeft is een opperste vorm van materiaalfetisjisme: de roze fiets van Dumoulin staat als een heilig relikwie opgesteld in een partytent bij het VIP-dorp, als de voetbalschoenen van Johan Cruijff in het Cambuurstadion. De GP-bestuursstress zal op 16 juli verder oplopen als Bauke Mollema een Touretappe wint na dertig kilometer soleren. Je zal maar Gouden-Pijlbestuurslid zijn. In Noord-Nederland ontstaat nog enige discussie als Bauke’s pake (opa) zijn regionaliteit betwist en hem tot de Friezen wil rekenen. Het Dagblad van het Noorden betrekt geen stellingen, maar laat het eindbesluit aan haar lezers en besluit het discours met de uitslag van een onder Groningers en Drenten gehouden enquête, nou dan weet je het wel. In het Spektakel van Steenwijk wint Dumoulin voor Mollema. Dagblad van het Noorden-verslaggever Pomp ontfutselt Mollema de gouden quote: “Mijn kans in Nederland komt nog wel. Misschien tijdens de Gouden Pijl in Emmen.” Een noordelijk marketingbureau verzint een list: fans mogen aanmoedigende kreten inzenden die dan met reflecterende verf op het wegdek worden geschilderd. Als dit een trend wordt, weet ik nog wel iets bij [tot nu toe] femininefobe burgemeestersbenoemingen in Emmen. Als speciale gasten worden Jan Jansen, Joop

(¹) Jean-Pierre Verdy, voormalig directeur van het Franse dopingagentschap

Zoetemelk en Hennie Kuiper uitgenodigd die door ‘niemand minder dan’ Evert ten Napel in het middagprogramma zullen worden doorgezaagd over hun sportieve prestaties in het verleden. Weer geen lossehandenrace voor zestigplussers lees ik, maar een dikkebandenrace voor kinderen, een ‘Bike Trial Demo’ en een dernyrace voor oud-profrenners. Roelie Lubbers: “We hebben genoeg leuke oud-profrenners en verwachten een mooi spektakel in het centrum van Emmen.”

Even een kleine terugblik. In 2003 kreeg DvhN-verslaggever Harm Vonk de woede van Michael Boogerd over zich heen toen hij suggereerde dat uitslagen van criteriums vaak afgesproken werk zijn. Ik noemde de onduidelijkheid hieromtrent de mythe van de Gouden Pijl. Het lot van mythes is vaak dat ze op zeker moment worden ontmythologiseerd, denk maar aan de mythe van de Hof van Eden, de zondvloed, de Arke Noachs, Sinterklaas, enzovoorts. Hoe de publiciteitsmores in nog geen drie handvol jaren kan veranderen blijkt uit het feit dat er in 2017 in de krant (DvhN) openlijk wordt gediscussieerd over uitslagafspraken bij criteriums in de rubriek Forum. Een viertal deskundigen, onder wie GP-voorzitter Roelie Lubbers, geeft voorzichtig zijn mening over een andere aanpak bij het criterium de Draai van Kaai in Roosendaal. Daar wil men een echte koers en geen afgesproken winnaar. Lubbers laat zich niet uit de tent lokken en zegt: “Je moet mee met de tijd, maar we gaan pas na de GP evalueren en nadenken over de toekomst.” En wat vindt Bauke Mollema ervan? “Als die criteriums te zwaar worden, hebben de renners er geen zin meer in. Het grote publiek ziet de toppers ook liever, denk ik.”

In het middagprogramma voor genodigden bevraagt Ten Napel vier dernyrijders: Maarten den Bakker, Theo de Rooy, Bart Voskamp en Peter Möhlmann. Dit viertal is het voorprogramma voor de historische terugblikken met Kuiper, Zoetemelk en Janssen. Mooie wielerverhalen passeren de revue tegen een achtergrond van historische foto’s uit de GP-archieven.

Het lijkt ’s avonds in Emmen rustiger te zijn dan anders. Ik probeer het aantal snacktentjes en drankverkooppunten te tellen. Het zijn er veel. Bijna alles wordt met muntjes betaald: € 3,- voor één munt; € 300,- voor 200 muntjes. Er is een viertal muziekpodia, waar een gezellige sfeer heerst. Je hoort overal muziekflarden; routebordjes zijn overbodig. Er is zelfs sprake van ingestudeerde samenzang; we mogen ‘I Know’ meezingen bij een prachtig nummer van CCR, gezongen door de coverband 5th Wheel. De muziek in Emmens centrum varieert van rock (Elvis, CCR), via Nederlandstalige tot Duitse schlagers. De hardste muziek Komt van Marktplatz Oktoberfest. Burgemeester Van Oosterhout heeft hier het eerste biervat aangeslagen. Mocht je jodelen verwachten, krijg je musici in lederhosen en dirndlmeisjes die kortgerokt op hoge tafels mogen dansen. Geluidsinstallaties van twee keer drie m³doen hun best mijn muziekreceptoren te prikkelen: fibrerende oorspieren activeren mijn ruggengraat en via een ingenieus neurofysiologisch stelsel gaat de geluidsroute via enkele bilspieren langs de bovenbenen en de kuiten naar de voetzolen, die – vergeefs – ritmisch pompom en hiphop willen doen. Van een vriendelijke beveiligingsmedewerker hoor ik dat er veertig man is ingezet. De politie eerst met tien man en later met twintig. Vorig jaar waren er wat ongeregeldheden. Het is nog vroeg, maar het voelt goed. Het lijkt minder druk dan voorgaande jaren, maar het is gezellig. Plastic glazen en plastic flesjes zoeken wanhopig prullenbakken zoals papieren op mijn schrijftafel archiefmappen. Op het Raadhuisplein is Radio Continu on Tour. Weer samenzang, nu iets als SHELA-SHELA. Soms kost het moeite vast te stellen of het om Nederlands- of Duitstalige muziek gaat, maar het klinkt goed en de gelijkenis met een projectkoor is snel gemaakt. Voordat ik er erg in heb zing ik mee. Als je omhoog kijkt zie je flatbewoners de avond van hun leven hebben, een enkeling experimenteert met lichteffecten. Ik realiseer me dat zeventig inderdaad het nieuwe vijftig is. De luxaflex gaat in de maat open of dicht. Flikkerende t.l.-buizen geven een psychedelisch effect. De al jaren dode Annie M. G. Schmidt kijkt mee in een cabaretreclame vanaf de tijdig gerepareerde flatscreen aan de gevel van Atlas; paddo’s, festivalbier of ayahuascathee zijn hier echt overbodig. Ik ga in gedachten terug naar vanmiddag en vraag me af of ik droomde toen ik Emmens burgemeester en Jan Janssen ridderlijk op hun knieën zag gaan om het hesje van een gastdame op te pakken dat zij kort daarvoor quasi-onopzettelijk had laten vallen. Ik hoor de spreekstalmeester roepen dat Mollema op vijf rondes voor het einde plat op zijn machine ligt en we besluiten terug te keren naar de wedstrijd. De rijders draaien onvermoeibaar om de kerk, als zand-Drenten om meningsverschillen.

Dagboekaantekeningen Gouden Pijl 2015, over Kuiper, Zoetemelk en meer

Dit wordt mijn eerste, volledige, Gouden Pijl. In voorgaande jaren kom ik, als alles meezit, naar de wedstrijd van de profs, maar vaak genoeg zijn we op vakantie of heb ik andere, nog dringender, dingen te doen. Op maandagmorgen 10 augustus 2015 ga ik alvast kijken bij de voorbereidingen. Ik ga even zitten bij het Insulinde Plantsoen met achter mij de begraafplaats. Ik kijk rond en denk na over de dood en organisatorische zaken als: afzettingen, banieren, cateringbedrijven, doorlooproutes, dranghekken, draaiboeken, evenementsbierpompen, fietsenrekken, genodigdenpasjes, hangjongeren, illuminaties, kilometers kabels, langeafstandslopers, motoragenten, neo-profs, ontheffingen inzake de drank- en horecawet, oranje jassen met reflectorstrepen, podia, quads, rondemissen, statafels, spandoeken, schriklinten, tv-schermen, tribunes, toiletwagens, urineafvoer, VIPs & vrijwilligers, werkplannen, en zweetplekken.
Ik zie en hoor een geoliede organisatie; alles grijpt in elkaar als de ketting op de tandwielen van een gesmeerde derailleur. Een soort kermisopbouw maar dan vele malen groter. Praktische zaken dienen zich aan: waar laat je de urine die je verzamelt in een toiletwagen? Weg laten lopen in een rioolput is geen optie. Direct laten verdampen en de zouten opvangen kost te veel tijd. De oplossing: pompen naar een groot vat. Wat gebeurt er als het regent? Bij een wolkbreuk? De plantsoenmedewerker op de begraafplaats vraag ik of zijn werkzaamheden met de Pijl te maken hebben. Zijn ‘Nee,’ verbaast me enigszins.
De route van het parcours volg ik. De bochten in de buurt van de markt maken het voor toeschouwers interessant. Sommige terrassen bieden een eersterangs zicht. Ik stel me dilemma’s voor. Wel of niet rijden over de oude markt? Wel of niet de bierprijzen verhogen? Wel of niet over het nieuwe plein? Kunnen de nieuwe, ijzeren sierroosters rond de bomen een grote publiekstoeloop aan? Is de koepel niet een ideale plaats voor de speaker? Voor de huldiging? Hoe worden verkeersdrempels getackeld? Blijven de winkels open? Wordt dat met vergunningen geregeld? Wie controleert het kanon waarmee het startschot wordt gegeven? De pagina’s ‘Veiligheid’ in het draaiboek stellen me gerust. Ik lees dat zelfs rijbewijzen van karavaanrijders worden gecheckt en de mededeling ‘Geen gevaarlijke auto’s in de karavaan’ stelt me gerust. Niemand zit te wachten op monstertrucks die het publiek inrijden.
Op dinsdag, D-day, mag ik Joop Zoetemelk en Hennie Kuiper oppikken, ze zijn vandaag eregasten. Beiden zien er goed uit, bijna afgetrainde lijven. De gezichten en de stemmen herinner ik me goed. Wat een sympathieke, vriendelijke mannen. Hennie Kuiper is er als Rabo-medewerker, gastheer, lees ik ergens. Hij vertelt over zijn eerste ervaringen met de Gouden Pijl. En dat hij klanten van de bank begeleidde bij bezoeken aan wedstrijden. “De GP is altijd een heel goede ronde en dat komt vanwege het rennersveld. Vaak bepalen de financiën het rennersveld, anders komen ze gewoon niet. Renners verdienen hun geld op drie manieren: hun jaarcontract bij de ploeg, wedstrijdpremies en presentiegelden bij criteriums.” Later krijgt Kuiper een adviserende rol tussen organisatoren en renners. Kuiper kent de fietswereld van haver tot gort. En nu? Kuiper: “Ik leef gezond en ik fiets. Ik doe niet aan andere sporten. Fietsen is mijn lust en mijn leven. Jaarlijks fiets ik tussen de 5.000 en 7.000 km. Ik kom elk jaar in Emmen. Ik zet me in voor groene energie, windmolens en dergelijke. Als fietser weet je wat wind voor je kan betekenen: pure power, eerlijke energie en dat zo gezond als goud, zonder bijwerkingen.” Ik vergeet helemaal te vragen wat hij van e-bikes en ligfietsen vindt en of hij zijn benen nog scheert. Ik realiseer me dat ik met een Olympische Kampioen praat en winnaar van de wereldtitel bij de profs in 1975. Twaalf keer heeft hij meegedaan in de Tour de France, hij was ploegleider in Duitsland en de Verenigde Staten, hij was ooit ploegleider van Lance Armstrong, now we’re talking!
Vervolgens komt Zoetemelk erbij, fris na een douche. In zijn kielzog handtekeningenjagers. Zoetemelk volgt de Tour op de voet, maar de andere wedstrijden niet zo erg. Nieuws over criteriums sijpelt niet door tot in Frankrijk. Nog even theedrinken met de heren en dan naar het middagprogramma in een groot restaurant. Gerben Karstens en Gert Jakobs zijn wel aangekondigd, maar ontbreken. Ondertussen leer ik iets over de woorden zoetemelk en zoetemelks. Dagvoorzitter Herbert Dijkstra ondervraagt iedereen op milde wijze. Aan het woord komen wethouder Bouke Arends, Roelie Lubbers van de GP, Ron Klitsie van de Rabo, Joop Zoetemelk, Renate Groenewold en anderen.
Een van de gespreksonderwerpen is sponsorgelden. Ik pak een bierviltje en reken even een beetje mee. We horen dat de gemeente € 20.000,- doneert (ongeveer 18 cent per inwoner van de gemeente) en de provincie € 10.000,- (twee cent per Drent). Hoeveel zou de Rabobank doneren? Ineens herinner ik me een passage uit het Gouden Pijlarchief, ergens uit 1999, opgeslagen in het gemeentelijk archief. Daarin zegt de toenmalige bankdirecteur een sponsorbijdrage toe van ƒ 22.500,- met de toezegging dat bedrag in 2000 en 2001 met ƒ 2.500,- te verhogen. Ik reken snel uit dat als dat bedrag jaarlijks (en, geheel tegen de bancaire modus in, niet geïndexeerd) wordt toegevoegd, je in 2015 zit op ƒ 62.500,- : 2,2 = € 28.409,-. Ik neem me voor de Rabodirecteur daar eens naar te vragen.
Renate Groenewold beschrijft de verschillen en overeenkomsten in het fysiek van schaatsers en wielrenners; ik had, kijkend naar imposante bovenbenen, ook al iets gezien op dit vlak. Ze heeft een aantrekkelijk plan over de begeleiding van profrenners na hun actieve wielercarrière. Niet dat ze allemaal in een zwart gat duvelen maar hier zijn kansen en hoor ik niet ergens het toverwoord winwinsituatie? Ik bekijk Wout Poels en Bauke Mollema. Poeh, wat zouden die schoon aan de haak wegen? Aardige kerels, stuk voor stuk. Naar Bauke is al een wielertoertocht genoemd, waarvan een deel van de opbrengst naar een goed doel gaat. Na een wandeling langs de uitgebreide buffetten lopen we naar het Gouden Pijldorp. Daar wordt me duidelijk dat netwerken meer een werkwoord dan een zelfstandig naamwoord is.
De reclamekaravaan trekt voorbij. Ik heb net ergens geleerd dat reclame is afgeleid van reclamare, Latijn voor herhaaldelijk roepen. De reclame makende bedrijven vormen de basis van de Gouden Pijl. Mooie old- en newtimers roepen hun boodschappen het publiek in. Dranghekken zijn inmiddels zo vormgegeven dat toeschouwers wat worden weggehouden van wat er op het parcours gebeurt. De speakers, de jongste praat als een veilingmeester op de bloemenveiling bij afslag, wisselen elkaar af en spieken op lijsten met sponsornamen. Beeldschermen brengen de koers achter de horizon dichtbij. Enkele meerijdende auto’s demonstreren in één moeite door de vroemfactor van de uitlaatsystemen, per slot van rekening staan hier merendeels mannen, potentiële autokopers. Hier worden, voel je, deals gesloten, afspraken gemaakt, plannen gesmeed, herinneringen opgehaald, terugblikken gememoreerd, toekomstvisies ontvouwd, onenigheden gladgestreken, concurrenten een loer gedraaid, vakanties in toptienen afgezet, mkb- en vakbondsacties verguisd of opgehemeld en natuurlijk glazen geledigd en hapjes genuttigd. Heel af en toe kijken de mannen op, als stokstaartjes bij naderende reuring, bijvoorbeeld als vier hooggehakte meisjes, gehuld in vuurrode, ultrakorte, engelpakjes, compleet met scharlakenrood geverfde vleugeltjes van veren, het netwerkdorp betreden.
Hennie Kuiper en Joop Zoetemelk doen hier waar ze goed in zijn: praten met volwassen fans en met hen op de foto gaan, als profvoetballers op een open dag. Ik leer dat selfies maken niet aan pubers is voorbehouden. Joop Zoetemelk vertelt met graagte over zijn tijd in de Tour de France en hoe belangrijk criteriums voor renners zijn en omgekeerd.
Dan de wedstrijd. Opvallend is dat de rangorde in het peloton per ronde flink kan verschillen, behalve in de staart. Daar zien we vrolijk koutende renners, alsof ze hun vakanties doornemen, maar wel doorrijdend met een dikke 40 km gemiddeld per uur. Dat betekent dat ze met topspeed bij het begin van de tunnel gemakkelijk de zestig halen. Het systeem van premies is van de kant af moeilijk te doorgronden. We zien in de jurybus enkele ervaren, serieuze mevrouwen met kunstige knotten, die spelersnamen proberen in te prenten als leerlingen onregelmatige Franse werkwoorden en die de standen in de gaten houden als onderwijzeressen de laatkomers op maandagmorgen. Nauwkeurig wordt er geschreven en gestreept en gevinkt en gepotlood opdat de renners krijgen wat hun toekomt: premies, gladiolen, of…
Bij de gehaalde snelheden valt me ook iets op. In een stapel Strava-uitdraaien, ontdek ik iets opmerkelijks. De profwedstrijd noteert een gemiddelde van ruim 40 km per uur bij een parcourslengte van ruim 90 km. Even ter vergelijking: toen Van Poppel in de Eneco Toer 2015 sprintte voor de eindstreep kwam hij op een topspeed van 73 km en hij reed gemiddeld 44,6, over een parcours van 183 km. Meer dan 90 km fietsen op een warme zomeravond op een parcours met de nodige bochten, en dan 40 gemiddeld aanhouden is natuurlijk een prestatie. Die prestatie wordt opvallend genoeg geëvenaard door de vrouwen/amateurs; het gemiddelde van Marijn de Vries (24e bij de vrouwen) is bijna 40 km/u. Maar, en dit is natuurlijk opvallend, verbazingwekkend, om niet te zeggen verbluffend: de beloftes draaien bijna 44 km/u, dus ruim drie km sneller dan de profs. Er zijn speculatieve verklaringen mogelijk voor dit fenomeen. In tal van takken van sport zie je dat de reserves zich meer inspannen dan de selectie, het A-team. Nu is de afstand ook iets korter (profs: 91 km en de beloften/amateurs 79,8 km) en dus kunnen ze meer power overhouden om sneller te koersen. Ter vergelijking: ons mannenfietsgroepje op zondagochtend met een gemiddelde leeftijd van 62,5 jaar, rijdt gemiddeld 28,8. De snelste hardloper komt op 18,1 km/u.
En wist ik dat de Gouden Pijl altijd op de derde dinsdag na de Tour de France wordt verreden en dat de Pijl (met Boxmeer) het enige criterium is dat geen entree vraagt? Nee.

Gewoon geluk

Voorzichtig nog dringt het tot elkeen door,
De vier jaar Esdal zijn haast omgevlogen,
De meesten deppen met een lap hun ogen,
Hun mentor is de klos, de kletsmajoor;

De dagen vloden voort, de uren gleden
Weg, ‘t was gewoon geluk; de lessen meest
Een feest; examenstress was licht vermaak.
Wie had dat ooit gedacht, vier jaar geleden?

Voilà, ’t is bijna klaar en dus weer tijd
Voor een goed boek, een glas of wat champagne,
Een sterk verhaal, een Albert Heynlasagne,
Een frisse duik, een vruchtenijs, jolijt.

Laat tantes, ooms en dronken oma’s kletsen
Dat vroeger alles beter was en leuker
Het mooist is nu, zegt elke ware hedonist,
De romantiek van toen is voor de kommaneuker.

(gedicht voorgelezen op 30 juni 2014 t.g.v. diploma-uitreiking leerlingen klas 4a (b.b./k.b.) en 4b (t.l.) Esdal College Oosterhesselen)