Als je moeder doodgaat

Je moeders tijd is bijna op en ik zoek troost voor jou

In woorden op digitaal papier en ontvouw de tijd;

Handenvol gedachten worden zichtbaar. Onophoudelijk

Transeamus neuriënd ga jij door je jeugd op zoek naar het begin.

 

Daar is je vader al, je broers en zussen, je moeder houdt

De wacht, bewaker van geluk, gezin en droomt van

Voorspoed boven oppervlakkigheid. Je voelt je oude straat,

De roomse school, de geur van wijn, beloften van geloven.

 

Je rent wat rond en wandelt, schrijft en zingt Tolite hostias.

Je rekt de tijd tot lijnen naar geluk in Weesp; je harddisk

Mixt een diep dolor met gloria gloria gloria als tussenstation

Naar stof en gruis. Vervloekt de tijd van gaan die komt.

 

Zijdezachte herinneringen worden kaal, jong gras nu steen.

Godver vriend, de tijd is op, wees blij en zing een lied.

 

 

 

Nieuwjaarswens ‘Nog veertig treden naar 2019’

Nog veertig treden naar 2019

 

Na roetveegpiet, blokkades, Friezen uit de bocht is het weer tijd

Voor oldskool kersemis met piek en kind, Maria van de mirre,

Een zootje vaste rituelen; het nieuwe jaar beukt op de deur.

De man maakt snel de dakgoot schoon, bepeinst het dividend

op hoge idealen, toekomstdroom en overdenkt het afgelegde spoor

In zwart en wit en geur en kleur.

De boze witte man heeft afgedaan; de nieuwe helden komen

bovendrijven: Sylvana, Lubach, Sint en Stint,

Een heel klein beetje Pia, mooie Carola, veel Minnesma enne

FC Emmen, dat met een zanderig verleden geen weet heeft

Van wat komen gaat: spreekkoor, zang of treur.

Waar we vandaan komen weten we onderhand nou wel,

Maar waar we heen gaan . . . . ? we doen maar als Mondriaan

En beschouwen de hoogte vanuit een relaxte witte hoek

En kiezen een ruime, weidse blik op wat gaat komen; nog veertig treden

naar 2019 en verder, veel verder als het even kan………………………..

 

Klaas en Inge

Kampioenschap Light Verse Emmen (28 oktober café Groothuis, € 15,-)

Een volle zaal, ongemakkelijke houten terrasstoeltjes, tien dichters (acht wedstrijddeelnemers en twee presentatoren), een liedjeszanger die maar blijft puberen: kortom een prachtmiddag. Özcan Akyol had zonder kennis van zaken bij DWDD opgemerkt dat het light verse zo goed als dood was. Deze middag bewijst het tegendeel. Natuurlijk, in de literatuurgeschiedenis en literatuurkritiek bestaat Light Verse marginaal, net als korfballen in de sport. Opvallend, en weer net als in het korfbal: bijna alle acht deelnemers vanmiddag komen uit plattelandsregio’s. Bekende namen uit de oude en dode doos zijn: Kees Stip, Drs. P en Driek van Wissen. Nog levende light-verse mastodonten: Lévi Weemoedt, Ko de Laat en Kees Torn. In Drenthe hebben we het illustere viertal Boudestein, Hoogland, Peters en Omvlee.

Vorm- en klankvastheid zijn bij light verse net zo belangrijk als regelgeving bij subsidieaanvragen. Om het voor de jury gemakkelijker te maken worden er deze middag ‘performance’ en ‘actualiteit’ aan toegevoegd. Houd je je bij Tachtiger Kloos’ definitie van poëzie als de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie dan red je het deze middag niet. Bij light verse wordt de emotie vervangen door de rekenliniaal. Zorgvuldig worden rijmschema’s toegepast en versvoeten en lettergrepen geteld. Lichtvoetigheid, niet per se gelijk aan humor, telt ook nadrukkelijk mee.

Melvin Bonnet

Van de 62 inzenders haalden acht de finale. Ieder krijgt zes minuten de tijd om werk voor te dragen. Twee doen dat uit het hoofd. Liedjeszanger Melvin Bonnet mag maar liefst vijf keer zijn zorgelijke, ironische, sarcastische, puberale, dwarse, confronterende, leuke gedachtenspinsels met ons delen: over een depressie, zijn ex-vriendin, zijn liefde voor lelijke vrouwen, de complexe zorg voor zijn pielemuisje en meer. Kortom: <in zijn woorden> ‘kutmuziek voor een kutpubliek’.

Terug naar de acht finalisten:

Wim Meyles (1949), oud-docent Engels uit Sint Pancras start met drie sonnetten en enkele filosofiertjes. Onderwerpen die voorbijkomen: de tijgermug, de Hollandse fauna en grafschriften.

Dan Inge Boulonois (1945), ex-stadsdichter van Heerhugowaard die met een fluwelen stem over minister Bruno Bruins, haar niet bestaande X-benen en een hete hooimaand schrijft.

Nog een ex-stadsdichter, Arjan Keene (1963) uit Ede die ooit goed scoorde in de Turing- en Willem Wilmink-wedstrijden. Keene trekt de aandacht met Vijftig Tinten Drenthe.

Dan titelhouder, leraar, cabaretier Machiel Pomp (1968) uit Posterholt: legerkistjes, een guerillabroek en trui met hoodie. Mooie woordvondsten, een stem als een klok en alles uit het hoofd. Over performen gesproken!

Abbing

Christiaan Abbing (1984), vakleerkracht groep 5/6 uit Veenendaal komt het fraaist bij de actualiteit door een vers te verscheuren analoog aan het pas geveilde kunstwerk van Banksy.

Een thuiswedstrijd is het voor oud-onderwijzer Bertus Beltman (1941). Beltman,

Beltman

nestor in de groep gemeentedichters in Emmen, eert in zijn verzen Ben Feringa en FC Emmen en leest een ballade over ‘De laatste wil’ voor.

Uit Zaltbommel komt Marion van Rooij. Zij brengt Kees Stip in onze herinnering met enkele fraaie Trijntje Fops, bijvoorbeeld met ‘Op een kapoen’.

Niels Blomberg (1958) uit Almere vergelijkt de twee onlangs overleden zangers Aznavour en Koos Albers met elkaar en gaat via de Col du Vam, Track & Trace naar Trek in Trees. Ook alles uit het hoofd!

Dan beraadt de jury zich even en krijgen Van Pamelen en Zinnemers de gelegenheid hun kunsten te vertonen. Eindstand: op drie Abbing, op twee Keene en als winnaar Pomp.

vlnr: winnaar Pomp, presentatorduo Zinnemers en Van Pamelen

 

 

De stim fan wetter

De einetael van memme-ein en lytse pykjes
Draegt helder oer de romme feart
Sy boartsje op it wetter

Sjoch dêr, een kikkert kweaket lûd
En weaget syn kans op proai
Hy dreamt fan letter: grouer, fetter

In boer stapt neist de boat en flokt en sweart
Syn frou sjocht op, har eagen speie fjûr
In frommes’ lûd heart altyd better

In fisker stoarret nei de strakke tried
Is bliid en núndert seft in sangkje
Mei alles om him hinne: de stim fan wetter

Eerste vrouw

Na Willinge, Oldenhuis Tonckens, Tijmes, Meijer, Van der Wal,
Kootstra, Bouma, Best, Zegering Hadders, Gaarlandt,
Beusekamp, Ouwerkerk, Lensen, Van der Velden,
Allen man, wit, vijftigplussers, denk ik bij het horen van
De liefdevol uitgesproken naam van Cees Bijl enkel nog aan
Een powervrouw op de bellijst van de kommesaris:
Je zal het zien: verdomhoek wordt behoorlijk bestuur,
Emmen wordt Maastricht, Rome, Helmond, Eemsmond;
Negeren wordt aanbidden, onvriendelijk wordt liefdevol.

Sharon Gesthuizen: proef haar zoete klanken,
Wilma Mansveld: wie keek er plichtsgetrouwer,
Marga Kool de watervrouw, Agnes Kant de wetenschapper,
Sabine Uitslag, Fleur Agema de kunstenares,
Pia Dijkstra, Carola Schouten, geef de tijd aan
Anouchka van Miltenburg, Khadija Arib: scherper dan scherp,
Roelie Lubbers of Sylvia – what’s in a name – Witteman

Moge Allah, de gemeentelijke bestuurswet, God en
Tichelaar met hart, historisch besef, elan,
Ziel, verstand, kloten en vooral…..liefde
Ons behoeden voor een baan in ruil voor bewezen diensten
Een goedgedragbonus voor het werknet vol old boys:
Co, Frans, Jos, Fred, Ivo of Ard
Maar geef ons heden een samensmelting van
Antoinette, Sylvana en famke Femke …………..

M A X I M A

Liefdevol swipe ik je tevoorschijn met een veeg over je wang
Volg de lijnen van je wenkbrauwen, luister naar je gruizige
Stem met dat lichte, buitenlandse accent, dat aan je kleeft
Als eierzoekimpuls aan Friezen, als kauwgum aan een teenslipper
Jij en ik… we ontliepen elkaar, ik miste je bij de opening van
De brave, wilde landen; kou, zwijgende Bartjes
Wachtten; arme, witte hokjesmannen en blauwe neuzen
Met waterdruppels; ijzige ogen, stijfstramme leden
In thermo-onderbroeken juichten mateloos, vlooiden en
Begroetten je man zonder muziek, highfiveden in lucht
Zonder vlagvertoon kwam de zwarte auto, zonder feest,
Zonder warmte want zonder jou, en dus geen tango voor mij
Met jou langs de Drentse bavianen en de lijpe, ontdooide ijsberen
Je straalt en lacht en gulzig zingend blaas je zachtjes in mijn oren
Ik veeg je met mijn jongenshand naar de rand van mijn hart

Pasen in Sleen (2013)

‘t Is zondag, we wandelen, paniek slaat toe,
waar zijn de kids gebleven die net nog naast
ons struinden, vraag ik m’n oude lief verhaast;
ik kijk in ’t ronde, en gil luid: ‘joehoe joehoe’.

De rust van hof, van strekse stenen onder mos,
een drielinggraf, de lelies nog in volle, struise bloei,
is gauw vergaan, verstoord en dood
en even denk ik niet aan vrouwenbloot.

Dan, opgelucht zie ik ver weg een gele
jas: dat is vast één, bedenk ik, rustig nu,
en uit een kuil, een droge sloot, zo’n hele
diepe, kruipt nummer twee, ik dank de hemel, sodeju!

Terzelfder tijd klinkt verderop, vanuit de pastorie,
een opgewonden predikantenstem : ‘kijkaan, kijkaan’,
zeg vrouw, het lijkt wel Pasen potjandrie,
er zijn alweer twee doden opgestaan.

Raadhuisplein

Buikelings liggen we naast de zilveren half-pipes,
Ik verbind me langs de geur van koninginnengras
Met een afdruk van mijn twaalfjarige ik.
Naast mij zie ik oogleden onzichtbaar trillen,
Kieren worden spleetjes worden openingen;
En grijze haartjes veranderen in nieuwe.
Geluiden worden horenderoren minder,
Knopen lossen op, ik roetsj de jarentrappen af
En land voor het vooruitzicht van een
Ruikbare schooltas met een wereld vol
Onmetelijke tijd; polsstok springend jachten we naar
Waar eieren petten met kleppen doen bollen.
We voetballen met de mannen na de schoolbel,
Duwen een vlot door de sloot naar de Trekvaart.

Je hand wijst naar een dak waar straks
Misschien moet worden gemaaid; ik zie enkel
Een tepelvrije dwarsdoorsnede van cup E.
In de betonnen sloot, recht als een gevallen
Kerktoren bestaan slakken, schrijvertjes;
Pantserjuffers beklimmen gifgroen riet tot ze,
moe, hun harde overjassen als miniaturen
Van krokodillen lossen en achterlaten.
De wereld lijkt vernieuwd, maar de tijd bevriest en
Alles wat verandert blijft gelijk en
Jouw lippen willen proeven, almaar proeven
Van mij en gesmolten kaas die nochtans niet druipt,
Maar blikkert en vlamt als een gedachte aan
Wat wil worden herinnerd.

Mees (4 in 1999)

Ruim vier en al zo snel en kwiek bij vlagen
dat ik mij afvraag of je sterke benen
zijn aangeleverd door je ouders’ genen
of door de Drentse wind zijn meegedragen.

Godzijgedankt kun jij ook schaterlachen
en knuffelen en duizend kusjes geven
en zingen in je zelf en heel bedreven
paardrijdend van je vaders rug afraggen.

Als leraar-vader peins ik gediplomeerd
welk deel van het gedrag is aangeboren
en welk deel er later nog werd bijgeleerd;

u voelt vast haarfijn aan hoe ik ga scoren:
de goede elementen zijn van mij
en al het and’re van de maatschappij.

Maarten (8 in 1999)

Hoe hevig ben je, Maarten, acht geworden;
je ogen lachten en je mond een plooi
vol pret en taart, van zes tot acht poesmooi
bezoek dat aan je zwengelde en sjorde.

Telefoon van oma Loris, tante Jels, oma
Schuitema, deze keer niet van opa want
die is immers dood na een korte tijd in coma
en Annie van het spoor uit Swifterband.

Vol spanning stortte jij je op de pakjes,
daarbij wel bijgestaan door broeder Mees,
die moeilijk los kwam van de doos gebakjes.

Diep in je hart, als ik je goed beschouw,
ben je het blijst, achter je pokerface
met het kaartje van Niree: ik hou van jou.