Matthäus Passion

De adem van de Matthäus Passion fluistert door mijn hoofd als een herinnering aan een bloedmooie jeugdvriendin. Het is het seizoen van winterstormen, voorjaarsbloemen en de MP. Hoe een verstokte atheïst, ver voorbij het agnosticisme, ietsisme, ietsiepietsisme, waar reguliere geloofverlaters zich aan vast klampen als slakken aan een slablad, toch een verwoed Matthäus Passion-fan is, wordt of blijft, verbaast mezelf ook. Even graven. Opgegroeid in een christelijk nest met een grefovader en een doopsgezinde moeder wordt je het geloof met een gesuikerde paplepel zonder nadenken ingegoten. Ik deed vrolijk mee. Een christelijke basisschool, zondagsschool, een niet rigide kerkgang in combi met een redelijk vrije opvoeding deden de rest. Ik had altijd een sterke belangstelling voor het majestueuze orgel.

Godver, wat werd er bij ons aan de eettafel gediscussieerd en wat waren we volgzaam. Mijn vader was zo vol van cijfertjes en grote getallen dat al mijn broers dachten dat ze dat voorbeeld moesten volgen en zonder nadenken econoom werden. Mijn moeder, voorzitter van de vrouwenvereniging, maakte dat mijn zussen en ik het zochten in psychologie, pedagogiek en talen. Thuis was een l.p. van Feike Asma, die Bach bij ons naar binnen bracht als de arbeiders van boer Benedictus de zakken aardappelen. Bachs Jesu bleibet meine Freude zit in mijn hoofd gekleefd en gebeiteld als bijbelteksten op grafstenen.

Bij de heropening van de Maartenskerk werden de jongens van de lagere school gerecruteerd en zongen al lopend een speciale tekst op de melodie van Jesu bleibt enz.; mijn tweelingbroeder en ik met gewassen snoet en in korte broek voorop met de statenbijbel op onze vooruitgestoken ijzeren knuisten. Op zondag naast mijn moeder zittend zongen we als lijsters voor en na de preek. Met mijn vader bezocht ik concerten van het Frysk Orkest dat subsidiërende gemeenten bezocht en daar voor minder bezoekers dan orkestleden hun verplichte programma’s, met ik geloof altijd een flinter Bach, speelden. Gevraagd door mijn voetbaltrainer Jan Boer, deed ik mee met de zondagsschool en gevraagd door schoolmeester Meindertsma werd ik lid van de jeugddienstcommissie. Dit was de basis.

Op mijn 17e, 18e ging ik de wereld om me heen wat beter bekijken en werd de kiem voor de latere atheïst in mij in het ontwikkelbad gestopt als foto’s in donkere kamers van blanco papier tot de mooiste platen werden. Ik zag dat religies de wereld er niet bepaald beter op maakten, realiseerde me dat het inhoudelijk de grootst mogelijke verzonnen kul is en alleen geschikt voor geboren twijfelaars, gelukszoekers, strohalmklampers en retrodenkers en ik hield het zonder wrok voor gezien. Wat mij betreft houden verstokte gelovers de religie binnenshuis, tot de voordeur. Geen religies op straat, in wachtkamers, ziekenhuizen, rechtszalen, laat staan in het onderwijs. Laten we jongeren tot hun 18e de indoctrinatie van het geloof besparen en laat ze daarna kiezen wat ze willen. Onderzoek wijst uit dat negen van de tien gelovigen de religie van hun ouders erven.

Ergens midden 40 werd ik weer gevangen door de betoverende muziek van Bach en groeide de belangstelling voor de MP. Zo dus.

DeJongDeJongPlus Kerst in Contrast 21 december 2019

Ouwe volksverhalen over merkwaardige zwangerschappen en door sterren beschenen geboorten in nu door staatsagressie beheerste en door imbeciele, megalomane bestuurders bestuurde streken, wat heb je eraan? Nou niks natuurlijk, maar soms is de bijvangst interessante beeldende kunst (The scar of Bethlehem door Banksy) of prachtige muziek. De Martinikerk met Nederlands beste kerkorgel (dixit de Volkskrant) is uitverkocht bij Kerst in Contrast. Organisten Euwe en Sybolt de Jong, producenten van Koffers vol met Bach, de eersteprijswinnende Bach-cd 2019, bespelen vijf orgel(tje)s en bieden als Premier League spelertrainers kansen aan 8 vocalisten en een altvioliste. Natuurlijk missen we de kers-op-de-taart saxofoon van vorig jaar een beetje. De vocalisten beheersen de kerkruimte als de jeugd van Ajax rondo’s op het hoofdveld. De traditionele kerstsongs worden in een beweeglijke jas gepresenteerd, vanuit alle hoeken en gaten komen ze gezongen aangewandeld, een ideale gelegenheid om de stemmen afzonderlijk en samen te horen; en dat viel niet tegen. Maar goed dat in de klassieke muziek niet teveel rancuneus wordt teruggekeken, anders hadden we een van de fraaiste stukken (Vom Himmel hoch da komm ich her) van de antisemiet Luther moeten missen. (hieronder een filmpje van de processiezang In nativitate domini)

Een ingenieus voorverkoopsysteem voorkomt lange wachtrijen voor de kerkdeuren en garandeert goede plaatsen, met net als in stadions: de beste plaatsen zijn de duurste. Een contrast met voetbal: de skyboxen zijn hier goedkope harde herenbanken.

Het is kersttijd en dus kun je wat verwachten. De muziek, zowat twintig kerstsongs, klinkt schitterend, de harmonia lichtvoetig en klein en het kerkorgel zoals hij eruitziet: groots, kleurrijk en imposant. De gekste teksten (met als toppunt een zich op het sterven verheugen) worden met het grootste plezier en de grootst mogelijke zangkwaliteiten gezongen. We horen geraffineerde echootjes, waarbij stemmen en orgelklanken, nog eens extra vertraagd door 25 meter afstand, elkaar nazeggen alsof het de natuurlijkste zaak van de wereld is. Soms doet een deel van het publiek, wie weet gestimuleerd door de even traditionele als verfrissende tocht langs de benen, hoestend en kuchend mee, wat, samen met de contrasterende (het concert heet niet voor niks ‘Kerst in Contrast’) kermisklanken van de Grote Markt een weldadig en tegelijk enigszins vervreemdend effect heeft.

Publiek dat verwacht dat de broers De Jong het barokorgel lekker van jetje geven, komen bedrogen uit. Het lijkt alsof Euwe en Sybolt steeds meer op de achtergrond blijven en dat is goed, maar we hebben de limiet wel bereikt. Ik ga niet zeggen wat ik het mooist vond, ik kan moeilijk kiezen. Ik denk dat het Bachs Adagio en Gigue is.

Grootkoor Drenthe en Karin Bloemen (Assen, 13 december De Nieuwe Kolk)

Deelname aan het concert van het Grootkoor, na vijf lange repetities en bijna dagelijks oefenen, betekent voor mij zingen vanuit mijn tenen. Ik tel 8 rijen van 28 stoelen, misschien hier en daar wat open plaatsen, dus meer dan 200 zangers. De vrouwenbrigade links en rechts, zeg maar 85 sopranen en 85 alten bieden zoveel stevigheid dat van de mannen een max wordt gevraagd. En die kunnen ze krijgen. Ted en ik doen ons best. We hebben wekelijks samen gerepeteerd en kennen de muziek door en door. Toch is de generale een ramp. In de eetpauze, we worden even opgehokt in het voorportaal van een parkeergarage, zien we vertwijfelde koppen boven de eenvormige stropdassen en saaie sjaaltjes. Nou ja, eenvormige, one of the boys tenor Anneke steekt ons de loef af met een dubbele Windsor. Op afstand zijn we een Oekraïens koor uit de Stalinistische periode, of een CDA-congres uit de Brinkman-era, waarbij de standaardblauwe mannenbroederspakken zijn ingeruild voor crematoriumzwart. Ik mis kleuraccenten. Zo sterk is dus de kracht van samen zingen, dat individualisten zich voegen naar de gelijkvormigheid en stalen stramienen die het Grootkoormodel voorschrijven. De organisatie kruipt vanavond door het oog van de naald.

Het concert begint en het zwarte gat voor ons dat zaal heet, daagt ons uit tot het uiterste te gaan. Onzekerheid wordt betonnen enthousiasme. Zorgeloosheid verslaat aarzeling. De wil te genieten vermorzelt terughoudendheid. We zingen op volle kracht en geluksgevoel doorstroomt me als belastingvrije kerosine een KLM-straalmotor. Godver, waar zijn we, zonder iets van andere tenoren te horen klampen Ted en ik ons aan elkaar vast als apenjongen aan hun moeders, als teken aan boswachtersliezen. We realiseren ons dat we elke steun kunnen gebruiken. De dirigenten doen hun best als Wiegman of Sloetsky bij uitwedstrijden. De beloofde felle lipstick van de dirigente ontbreekt helaas, we moeten het doen met haar expressieve, moederlijke mimiek. Ik houd me in en ga niet als een marinier stampen als we Transeamus zingen. Fum, fum, fum gaat klinken als een rubberbal op ingenieus bewerkt eikenhout waarbij de mmmmm zalig navibreert. De eerste regels van Born in a stable klinken als graniet en de eerste noten van For unto us vergeten we maar even en ruilen we graag in voor een supergoedgelukt Glory glory christ has come of de met een vette f aangeduide Christ is the lord uit O holy night. En dan de allermooiste passages: wanneer 225 stemmen zacht klinken als fijnbesnaarde zielen.

v.l.n.r. Ted, Mike, Frans, Klaas

De leraar Engels in mij blijft aanhikken tegen de uitspraak van de Engelse u die meer moet klinken als een a in pas dan een u in pus, maar ik ruil ergernis in voor flow. Karin Bloemen valt mee. Geen musicalstem met vlijmscherpe uithalen maar een ingetogen jazzy en sexy, zekerzeker, stem. Ze koketteert met haar ijzeren knieën als een James-Bond-schurk met zijn metalen gebit en met haar lijf als nieuwslezeressen van de commerciëlen maar god, wat kan dat mens zingen. Zij moet een kinderlijke fascinatie voor de verkleedkledingkist hebben gehad, maar het past, de vormen en de kleuren maken het mooooi. We eindigen met Joy to the world en In dulce jubilo en horen van onze groupies dat het goed was. Concertgebouw here we come . . .

200 jaar Scheuer orgel in Hardenberg

Wat ga ik tegenkomen in Hardenberg op 21 november? Geen gekkigheid met bubbels, liflafjes, of een overdaad aan bloemen maar gewoon schitterende muziek in de Stephanuskerk, een rechthoekige sobere kerkdoos met een ingenieus schrootjesplafond dat een perfecte akoestiek biedt en een orgel dat, roodbruin gekwast en piekfijn gerestaureerd, staat te shinen en te spinnen als een gerestaureerde Jaguar op een autobeurs. Een mevrouw in gele panteroutfit loopt naar voren, checkt de microfoon en knipt een lampje aan en de orgelcommissievoorzitter verwelkomt ons. We horen dat het orgel, stammend uit de loopfietstijd, elke vijftig jaar werd gefacelift. Door twee eeuwen heen werd het een bescheiden en rond klinkend orgel dat ‘heel lekker speelt’, aldus E. de Jong.

Dat het heel lekker speelt horen we de volgende vijf kwartier. Dat is de broers Euwe en Sybolt de Jong, meer dan kundig bijgestaan door sopraan Lette Vos, wel toevertrouwd. Scheuer klinkt als een gefinetunede achtcilinder, goed als het op power aankomt en schitterend als het klein moet zijn, bijvoorbeeld als echoënde grote broer van een kistharmonium. En weer: geen opsmuk, feestkleuren en -kleren voor de musici maar stemmige grijzen en zwarten. Ik voel en zie overal de ingetogenheid van Maarten ’t Hart. De muziek van Höpner, Bach, Piazza en arrangementen van Euwe de Jong zorgt voor genoeg kleur.

Dat het feest is zullen we weten: niet vaak werd Scheuer zo liefdevol vierhandig bepoteld, geaaid, gekneed, gemasseerd als nu door de broers. Na twee koraalbewerkingen van Freu dich sehr, o meine Seele (van JSB en Christian <what’s in a name> Gottlob Hopner) wordt Bachs Preludium in C groot in twee versies gespeeld. Aan het honderdkoppige publiek, opvallend genoeg merendeels mannen, de vraag welk van de twee de post-copitationum versie is. Da’s een makkie, de tweede ademt een sfeer van bevrediging en voldoening terwijl de eerste een is van een enigszins wilde onstuimigheid, die klaarblijkelijk ook bij Bach past. Weer heel andere geluiden en sferen ontstaan bij Ich steh mit einem Fuss im Grabe. Nog even Piazza tussendoor en dan snel verder met Bach: we beluisteren het op twee harmoniums gespeelde Rondeau BWV 1067/7 en Air-plus. Vos’ stem komt goed uit en past bij de orgels als vrolijkheid in theaters.

Het Peerd van Ome Loeks wordt in quizstijl in zeven smaken opgediend: Mendelssohn, Reger, Händel, Satie (!), Mozart, Bach en Chopin. En voor The Sally Garden beluisteren we nog de Bach-uitsmijters Ertot uns en een preludium en koraal over Ein Feste Burg enz. Streekgenoot Scheuer (geboren in Emlichheim en later wonend en werkzaam in Coevorden) zal zich rustig en tevreden glimlachend in zijn graf hebben kunnen omdraaien. Wat een mooi orgel.

Stanza zingt en speelt Wilmink (26 oktober 2019, de Deel, € 13,50)

Een kwartet mannen bespeelt samen een muziekinstrument of twaalf (piano, kazoo, basgitaar, akoestisch gitaar, saxofoon, ukelele, dwarsfluit, tig soorten percussie, mondharmonica, accordeon). Liefdevol zingen ze Willem Wilmink tot leven.

De sfeer in De Deel is die van haardvuur achter micaruitjes: gerieflijke stoelen aan grote tafels, koffie, thee en krakelingen, warm licht, een bitterbal, nootjes naast glazen bier of grenadine. Dit alles in een volle zaal en bij thuiskomst de klok verzetten naar wintertijd.

Vier Brabanders zingen met kunde, inzet en liefde de mooist denkbare teksten van Willem Wilmink. Mooie muziek, goede stemmen. Wilmink, over wie vorig jaar de biografie ‘In de man zit nog een jongen’ verscheen van Elsbeth Etty, wordt in Sleen nog iets onsterfelijker. Tuurlijk was hij voor zijn naasten een soms onuitstaanbare, tirannieke, gefrustreerde hork, grillig en zich miskend voelend en dronk hij meer dan goed voor zijn levensduur was, maar tegelijk was hij een taalvirtuoos, vertaler, veelschrijver, literatuurkenner: één van Nederlands beste dichters.

Het publiek bestaat vanavond uit liefhebbers. De eerste noten klinken nog niet of iedereen begint ‘deze vuist op deze vuist’ te zingzeggen, maar dat, zo verordonneert keyboardspeler Erik van Dijk, is niet de bedoeling. 

De tot muziek getransformeerde gedichten van Wilmink zijn vanavond nostalgische liefdesliedjes, levenswijsheden en filosofische protestliederen. Ze worden gesteund door kunstig gefabriekte collages van foto’s, films, cartoons: beelden die achter de muziek worden geprojecteerd. Wat maakte Wilmink toch zo speciaal, waarover schreef hij? We horen over de blinde Sander, de nostalgie van de geur, een café zonder een w.c. voor dames apart, soldaten die onder kruisen zijn begraven maar voortleven als kraanvogels. Ach heer, hoe moet dat nou met een op oudere leeftijd verliefd geworden vrouw? Het is gevoelig zonder sentimenteel te worden, raak maar nooit hard, zeggend maar nergens schreeuwend: kortom poëtisch.

De muziek, ah, de muziek klinkt als een klok en is op zijn mooist als het keyboard even een Hammondorgel wil zijn, wanneer de saxofoon bescheiden uithaalt en de basgitaar de akoestische steunt zoals Wobke Willem op het spoor hield, de accordeon mee het publiek in mag en wanneer drie mannenstemmen klinken als een kozakkenkoortje. En vergeet vooral niet de uitsmijter met troost voor mannen met rotkoppen die de mooiste vrouwen krijgen: Wilminkiaans, want een mooi contrast met het eerder gehoorde verhaal van een kniezende ex-man die in psycho-analyse moet. Dwaze moeders die over de hele wereld tegen onrecht strijden, de oude school, de Javastraat, en Ben Ali Libi ……. En meer.

Binnenkort weer hier in de buurt.

Matthäus Passion in Sleen

Matthäus Passion in Dorpskerk Sleen

Op zondag 5 april vanaf 15.00 uur wordt de Matthäus Passion van Bach uitgevoerd in de Dorpskerk in Sleen. Deze volledige uitvoering is in handen van Collegium Musicum Traiectum uit Utrecht. De kaartverkoop (kaarten à € 25,-) bij Coevordens theater de Hofpoort start nu.

De mooiste uitvoeringen van de Matthäus zijn de niet-alledaagse. Of een Friese, of een met Tango Extremo (aangevuurd door Jan Rot), een meezing-MP, of in 2020 in Sleen met Collegium Musicum Traiectum.

Collegium Musicum Traiectum is een Utrechts projectensemble voor jongvolwassen amateurmusici die een interesse hebben in het uitvoeren van vocaal-instrumentaal repertoire. Het gezelschap bestaat uit een koor en orkest en is bedoeld voor onlangs afgestudeerden en jong werkenden die hun studentenmuziekgezelschap hebben moeten verlaten en toe zijn aan een nieuwe uitdaging op muzikaal gebied.

Omdat de repetitieperiode kort en het repertoire uitdagend is, studeren de leden voorafgaand aan de repetities zelfstandig de partij in. Het ensemble is gespecialiseerd in werken uit de barok- en klassieke periode. De dirigent is Gilles Michels;  zanger Michiel Meijer en violist Paulien Kostense begeleiden het ensemble. Er zijn zo’n vijftig uitvoerenden, van wie de helft orkestleden zijn. De andere leden vormen twee koren.

Het initiatief van deze uitvoering komt van Thomas Hendriksen die samen met Hans Hordijk en Klaas van der Meulen, allen met nauwe banden in Zuidoost-Drenthe Stichting Culturele Dorpen Zuidenveld oprichtte.  De Dorpskerk in Sleen  is er uitermate geschikt voor.

Matthaus passion

“Het uit 1727 daterende stuk, voor velen het beste stuk dat Johannes Sebastiaan Bach ooit componeerde, combineert het indringende lijdensverhaal van Jezus Christus met een onovertroffen oratorium, een totaal zangstuk met orkest. Het volume van de groep past goed bij de akoestiek van de kerk uit de vijftiende eeuw. Bachs dierbaarste werk is geniaal, meeslepend en vol dramatiek en is in april te horen in Sleen.

Vanaf heden zijn toegangskaarten te koop. Daarvoor is samenwerking gezocht met Theater Hofpoort in Coevorden. De kaarten à 25 euro zijn te bestellen via de website van het theater. Later in het jaar worden voor belangstellenden diner- en verblijfsarrangementen aangeboden.

 

Grootkoor

Het Grootkoor is een bedrijf en een verzamelnaam voor 15 grote koren in Nederland die projectmatig werken. Op elke locatie wordt vijf keer gerepeteerd en dan volgt in december een concert in een theater. In Drenthe zijn de repetities in Westerbork en is de finale in theater De Nieuwe Kolk te Assen op dertien december. Aan het concert werkt diva Karin Bloemen mee. Een beetje dus als Coevordense Boys dat getraind door Ronald Koeman, bijgestaan door spelverdeler Frankie de Jong speelt in De Kuip. Deelnemende zangers betalen € 60,- voor de muziek en € 18,- voor een strikje dat bij de uitvoering wordt voorgeschreven. Een kaart voor een belangstellende (arme partners moeten wel weer mee natuurlijk) kost € 22,50. In Westerbork doen er, schat ik, ruim 200 zangers mee. Landelijk zou dat neerkomen op 3.000.

Als je zingen leuk vindt, vind je zingen met een koor van meer dan tweehonderd man ook leuk. Denk ik. Na één repetitie heb ik de smaak te pakken. We zingen voor vier stemmen gearrangeerde kerstmuziek. Ongelijk aan veel mechanische, steriele pop en rap zijn de melodieën vaak dikke prima en puik en, gelijk aan het merendeel van de pop en alle rap, de teksten vaak afgezaagd, pover en schamel.

Dirigent Etty van der Mei beheerst haar vak als geen ander. Een soort vriendelijke Louis van Gaal. Van 19.15 uur tot 22.00 uur wordt er gezongen; thuis oefen ik dagelijks. Anders dan bij reguliere koren wordt er geen tijd gemorst. We studeren, met een oefen-cd, 22 nummers in. Iedereen is gemotiveerd en gedreven, als middelbareschoolleerlingen voor de Grote Avond. Natuurlijk is ook bij het Drentse grootkoor het aantal mannen in de minderheid. Ver! Bij de mannen ben ik denk ik de jongste. Bij de vrouwen zie je een handvol millenials tussen veertigers, vijftigers en grijze kuiven.

Wat maakt het vierstemmig zingen leuk? Met een groep onbekenden, mijn zangmaten en ik kennen bijna niemand, in relatief korte tijd geconcentreerd brokstukken muziek instuderen die daarna als een puzzel een geheel vormen en bijna allemaal goed klinken. Dat we in december Edison-, Pisuisse-, Annie M. G. Schmidt- en Gouden-Harp-prijswinnares La Bloemen ontmoeten speelt niet mee. Dat we in een volle bak met uitstekende akoestiek optreden wel.

Grootkoor Projecten organiseert naast kerstprojecten nog koorreizen. Jaarlijks wordt in het Concertgebouw een koorproject voor, schrik niet, duizend zangers georganiseerd. Dit concert is, bijna standaard, uitverkocht.

Gert van Hoef, 18 juli 2019 in de Jozefkerk in Assen (€ 10,-)

25 jaar en meer dan 56.000 You Tube-abonnees, dat belooft wat. Het zomeravondconcert in de Jozefkerk in Assen trekt in aantal zo’n 1,5‰ van die abonnees. Niet gehinderd door wat straatruis van het inpakken van enkele gepimpte raceauto’s speelt Van Hoef een lekker gevarieerd programma, van Bach tot Van Hoef en van Asma tot Händel via weer Van Hoef. Het mooiste moment was toen ik de tune van de kinderfilm Babe hoorde in het slotstuk van Saint Saëns. Van Hoef balanceert gedurfd tussen eigen werk, bewerkingen van geestelijke liederen en ijzeren klassiek repertoire. Daarvan is de Passacaglia en Fuga van Bach wel ongeveer het toppunt, direct gevolgd door Griegs In the hall of the Mountain King uit de Peer Gynt Suite: kort, vrolijk en grappig. De lage tonen uit de Passacaglia komen lekker in je middenrif binnen en zorgen voor een prettige mix van opwinding en rust; dit werk werd zeker vijftien minuten uitgesponnen. Ongeveer 40 keer hoorde ik het thema, onberispelijk gespeeld, in allerlei muzikale tinten voorbijkomen. Het Allegro con brio uit Sonate I van Mailly viel een beetje tegen. Het aangekondigde vuurwerk waarbij alle registers open zouden gaan bleef wat bleekjes. De opening met een liedbewerking van God is getrouw, enz. zette de toon: schitterende orgelmuziek van een Frankie de Jong van de orgelmuziek, of nou ja… Van Hoefs eigen stuk Trumpet Tune, een mooi trompetdeuntje, maar voor mij te weinig trompet, deed me aan een middeleeuwse melodie denken. Heel sensitief en meditatief vond ik de improv van Nearer my God to thee, waarvan ik hoop dat het bij mijn en wat mij betreft bij ieders crematie gespeeld zal worden, schit-te-rend.

Voor een orgelconcert trekt Van Hoef een aardige pluk publiek. Zou hij de relilijn wat loslaten en bijvoorbeeld de Aria over Psalm 121 van Propitius en Asma’s Verlosser, vriend, gij hoop en lust inruilen voor Flight of the bumblebee of, nog beter een eigen bewerking van, pak ‘m beet Bella CiaoSpace Oddity van David Bowie of iets uit het vroege werk van Crossby, Stills, Nash & Young en een sexy bewerking van de Champions League Hymne, dan zou je een breder = jonger publiek bereiken. Het hoeft geen Ali B te worden, maar het mag nog wel wat wilder, sexyer en hipper. Nog even terug naar Saint Saëns: een heerlijke inzet die naadloos naar de Babe-melodie overgaat: kippenvel, douze points. Mijn metgezel, grossierster in understatements, mompelde, voor haar doen in overcomplimenteuze bewoordingen: ‘Dit vind ik wèl leuk.’

Met de rug naar het orgel zitten is nooit heel fijn, maar deze organisatorische imperfectie werd goedgemaakt door enkele <bescheiden> tv-schermen, die de hand- en vingerposities en de registermanipulaties van Gerts assistent mooi toonden. En voor diegenen die af en toe even wegsoesden was het prettig dat het repertoire werd beschreven in beeld.

Motette, Bach en Gothics in Leipzig,

Drie concerten in twee dagen, dat is in Leipzig een makkie. In het weekend worden er in de Thomaskirche en de Nicolai Kirche allerlei concerten georganiseerd. Eintrittspreise zijn vaak € 2,- maar dan moet je ook een prevelement van een Pfarrer(in) voor lief nemen. Die van de Nicolai Kirche gaf desgevraagd als reden dat men op zeker moment meer waar voor het geld wilde bieden.  In het pinksterweekend wordt Leipzig overspoeld door duizenden verkleden die Gothicje spelen. Het ‘Wave Gotik Treffen’ trekt liefhebbers uit alle hoeken en gaten uit Duitsland en ver daarbuiten. We zien zwaar opgemaakte amateurpolitici van de Grünen, boerinnen uit de Harz, leraressen algebra en Duits uit München en makelaars en ambtenaren uit het Rijnland. Eerst veronderstelde ik nog dat het woord ‘schwarz’ zou duiden op de zwarte kousen die elkaar met Pinksteren zouden komen opwekken en opladen als een accukabel een tot op de draad versleten accu, maar nee, schwarz is de kleur van de make-up, de steeds buitenissiger gewaden en attributen van de ware liefhebbers. 

Pfarrerin Britta Taddiken had met d’r lange zwarte toga alles van een onversneden Gothic Witch, maar was het niet. Ze opende de muzieksessies in Bachs Thomaskirche met een verwijzing naar de ontmoeting tussen Queen E. en Donald T. De tweede sessie op zaterdag was aangekondigd als Bachs Motette, maar deze tekst moet men maar nemen als bijbelteksten, homeopatische recepten of vennootschapsbelastingaangiften van Shell: geloof ze of onderzoek ze. Maar ze komt ermee weg. Natuurlijk leggen Bartholdy, Brahms, Altnikol, Eccard en Thomas het af tegen Johan Sebastian Bach, van wie de eerste drie Coro-regels alle Leipzigse Gothicmuziek wegblazen als een fabrieksventilator Tata Steels fijnstof. Op vrijdag zitten er 300 en op zaterdag 500 toeschouwers in de kerkruimte. Stijfjes, de blikken gericht op de plafonds en de vloertegels en niet zelden de ogen gesloten als de pre-orgastische fase op het aanrechtblad in het weekend. Schitterende muziek. Bijna zeventig jongens en jonge mannen, zingen, in toom gehouden door cantor <what’s in a name> Gotthold Schwarz, met een klasse, een ingetogen gratie en een expressieve uitbundigheid als Friese eerstepremiepaarden rennen op Amelandse dijken.  De oude Johan Sebastian, geplet onder een met bloemen overladen zerk buiten, geniet mee, weten wij.

Een week nadat we Arjan Lubach in zijn nieuwste show aandacht horen besteden aan orgelmuziek, zitten we in Leipzig op de eerste rang. Maria Wolfsberger speelt op zaterdag in de Nicolai Kirche op het Ladegast-Eule orgel (met meer dan 8.600 pijpen het grootste orgel in Sachsen) stukken van Buxtehude, Scheidt, Bach, Messiaen, Reger en Noetzel. De Drei Variationen Choralbearbeiting über <<Veni Creaotor spiritus>> komen het best uit de verf. Het lichtroze en het mint van de pilaren en de plafonds doen prettig profaan aan, evenals een handvol Gothics die de maagdelijk witte kerkbanken sieren.

Duitsland: stuur de jongens van het Thomanerchor naar het EurovisieSongFestival en hark met gemak en een jeugdig-brute brille de douze points van alle landen binnen als Frans Timmermans stemmen van liberalen.

Gijs Boelen, de Donny van de Beek van de orgelmuziek

Als Bach een combi van Pele, Cruijff en Messi in één is, dan is Gijs Boelen de Donny van de Beek van het orgel. Boelen speelt Bach, Händel, Franck en Boelen. Omgezet in een persoonlijke lijst wordt dat: I: Bach, II: Boelen en Händel en Franck gedeeld op III. Zeer jammer dat Boelens eigen compositie Moto Ostinato niet te beluisteren is op YouTube; via Google kom je bij Petr Eben i.p.v. bij Boelen. Ook zijn Arabische Dans vind ik, na 43 seconden zoeken <en dat is voor internetsurfers verrekte lang> niet terug, ook niet op Boelens eigen website [waarop wel fragmenten van ander, ook lang niet misselijk werk, bijvoorbeeld van Einaudi, zijn te beluisteren]¹. Mijn Donny-van-de-Beek-vergelijking vindt onder de concertbezoekers geen weerklank behalve glazige ogen; dit is een bewijs van wat ik de orgelmuziekbubbel noem. Terug naar de muziek. Bach = een combi van Pele, Cruijff en Messi: de uniciteit en de kwaliteiten zijn ongeëvenaard. Boelen is een jonge organist, een allround middenvelder met zowel aanvallende als defensieve kwaliteiten, een veelzijdige voor wie wat op een exceptioneel complex muziekinstrument beuken en timmeren en vlijen en zoekend tasten en strelen en aaien en uitdagend masseren niet genoeg is, nee, hij componeert zelf. Daarmee ontstijgt hij het leger van uitvoerende musici en wordt een, eh kunstenaar. Niet een uitvoerder of namaker maar een maker. 

Terug naar het concert (op 29 mei ’19 in Coevorden, entree € 9,-). Waarom Boelen met Bach begint is een raadsel, maar daarmee zijn de verwachtingen gelijk hoog gespannen. Na de eerste seconden hoor je het al: hier speelt een topper, Ajax-waardig. Soms inhouden, pingelen, diep over links of rechts, een schijnbeweginkje, een verrassend schot op doel maar nooit schwalbes, overtredingen en shirtjetrekken. Bij een onverwachte situatie, een tweede bal op het veld: gewoon rustig opnieuw beginnen. We slaan Händel en Franck maar even over, the usual suspects zeg maar, prachtmuziek daar niet van en gaan naar Boelens eigen werk: Moto Ostinato. Veelvuldig herhaalde thema’s, ik noteer vier +’jes. Ik verbeeld me zelfs dat het swingt. Geen wonder. In de bijsluiter noemt Boelen invloeden van de symfonische rock en de jazz. En de Arabische dans brengt je naar de allermooiste stegen van de verlokkelijkste Marokkaanse kasbahs, je ruikt de kruiden, de hashiesh, je voelt de zinnenprikkelende zon en de verleidelijke blikken onder halve sluiers en als je niet oplet word je gebeten door een muzikale slang die zich uitrekt om de dansmuziek te horen en net als je een biljet van € 10,- onder een riempje om een snel bewegende buik van een sensueel dansende schone wil steken, is het voorbij.

En waarom dan toch maar een veertig bezoekers? De orgelmuziek moet uit haar zelfgecreëerde bubbel komen. De deuren open. Orgels staan vaak in slecht toegankelijke kerkgebouwen. Het lijkt erop dat de belangstelling voor orgelmuziek gelijke tred houdt met leegloop bij de gastheer. Net zoals Cruyff Foundation met Cruyff courts in stadswijken de jeugd barrièrevrij aan het voetballen krijgt moeten de Boelens van deze tijd orgels op platte karren monteren, de Champions League Hymne bewerken, Ed Sheeran, Duncan Laurence, Franse en Amerikaanse (en vooruit) Nederlandse rappers en zich op markten, sta(t)(d)ionspleinen, op festivals enz. enz. vertonen. Als de bliksem, nu het nog kan.

 

¹Herstel: een fragment van Arabische Dans staat wel op Boelens website. Ik vind het na 2.14 minuten zoeken.