Mano Bouzamour ‘De belofte van Pisa’

Het zit er allemaal in: analfabete ouders, een zoon die voor zijn moeder tolkt bij de dokter en vrijdagse haatpreken. Een overval op een AH-filiaal <met een bijl>, straatschoffies die met vijfhonderdeurobiljetten ijsjes kopen bij de Italiaan, naïeve politie en effectieve arrestatieteams. Rukken met links, onzekerheid over de techniek van vingeren en niet kunnen bidden met een stijve pik. Examenfraude, een overval op een geldtransport met een uzi en een granaatwerper, smerige sanitaire omstandigheden in de moskee van de lulkoekimam (sic!) en een in merkkleding helende Algerijnse kapper. Fietsters die met “Karren, kut,” worden begroet, zenuwachtig getrek aan achterstevoren gedragen rode Lacoste-petjes, ‘het zijn toch allemaal N.S.B.-ers’ als het over leraren gaat en Marokkaanse opa’s die aan polygamie, schotels en loeiharde Koranzenders doen. Op de achterflap staat dat ‘De belofte van Pisa’ is gebaseerd op de auteurs eigen leven. Marokkaanse moeders zijn kort, allemachtig dik en gehoofddoekt. Zusjes werken bij de A H hebben donkerbruine ogen en zijn ondeugend en meisjeskamers ruiken naar lavendel. Kortom: De Belofte van Pisa is een aaneenschakeling van stereotypen, clichés en plattitudes; als je ze allemaal aan elkaar rijgt door de eikels van de besneden hoofdstedelijke straatschoffies, dan heb je een groezelig doch lang lint, Van De Pijp naar de Arena en weer terug. Het boek heet een schelmenroman en doet erg denken aan Eus van Akyol.

Er is ook een andere kant in de roman. Die maakt het redelijk leesbaar voor een zonovergoten middag. De hoofdpersoon is een door geschiedenis en oorlogsverhalen geobsedeerde hard studerende leerling op het Hervormd Lyceum Zuid. Ook de liefde voor muziek komt, soms geforceerd, bovendrijven. De halfdove hoofdpersoon en zijn broer spelen piano op een g e s t o l e n vleugel.  De ik-persoon is liefhebber van gregoriaanse koormuziek en van Bach en hij en zijn broer spelen Canto Ostinato van Simeon Holt. Verdomd nog aan toe, hoe enkele eenvoudig (doch zeer ongeloofwaardig) uitgewerkte elementen een boek draaglijk kunnen maken. Ik zou zeggen: Lezen en vergelijken met ‘Eus van Özcan Akyol. En als je durft met ‘Je denkt dat het komt’ van Meindert Talma. Een mooier sfeerbeeld van Turkse, Marokkaanse en Friese invloeden is ondenkbaar.

 

De kop wat dikker, het haar dunner, een schiere Audi, begin veertig en ‘zul de laifde nog kommen?’

Troubadour Jan Henk de Groot in Bistro Tante Sweel 14 januari 2018; entree € 15,-

Drenthe, 2018. Het is een grijze, koude, winterse dag tussen carbidschieten, midwinterhoornblazen en paasvuren in. Het enige lichtpunt in de verre omtrek is Jan Henk de Groot, ‘keunenk van Westerdaipsterdale’, die ons van 15.00 – 17.40 uur met zijn programma ‘Tachtig Tammo’, meeneemt naar het Groningen van zijn jeugd. ‘Tachtig Tammo’ is een spreuk die in de jaren 90 op verkeersborden langs de Kielsterachterweg, westelijk van Veendam, te lezen was en diende om automobilisten tot minder spoed te manen. Het onthaasten-thema komt enkele keren terug, evenals heimwee naar vroeger, jeugdliefdes en een lading jeugdherinneringen. Speelpunt is Tante Sweel, een minitheater in Zweeloo. Het publiek zit verspreid door de zaal achter donkere tafels, op barkrukken aan de bar; de theekopjes in de vensterbank, plastic baksteenbehang aan de muren. De tochtdeuren blijven lekker piepend zwiepen, en heel soms hoor je een telefoon (‘Sssttt, ja schat, ik kom zo, zet de aardappels maar alvast op.’) De entourage lijkt gemaakt voor Jan Henk.

Streektaalprijswinnaar De Groot, ooit persoonlijk begeleider in de gehandicaptenzorg, Zuidhorner, vader van drie, BG‘er (bekende Groninger), leraar ‘songwriting’ aan het MBO, burn-out-ervaringsdeskundige, is met recht een bard of troubadour te noemen. Deze jas past hem beter dan het moderne singer-songwriter. Door het land reizend in een Espace vol gitaren en geluidstechniek zit hij de ene avond in Houten (Utr.), de andere middag voor een uitverkochte zaal in Zweeloo. Een stuk of vijftig liefhebbers van het Gronings, of van de streektaal in het algemeen, luisteren een kleine drie uren (!), even onderbroken door een plas- bier- of theepauze, naar de mooie liedjes van Jan Henk de Groot.
De Groot ontpopt zich voor mij en mijn naast me zittende stad-Groningse poedie (wij horen hem voor het eerst, ja echt) als een 42-jarige romanticus die dweept met het platteland en de jeugd, de muziek van vroeger op vinyl en vuurtjes stoken. Hij schuwt emoties en gevoeligheden niet. Sentimenten liggen op de loer. Er komen teksten voorbij over de hond Bobo, over de jeugd die meer met ‘rapjederij’ en minicraft heeft dan met buiten spelen en in bomen klimmen. Over buurtschappen, touren in Noord-Groningen, de Kielsterachterweg, de twee huizen, over het bultje, in Westerdaiperdale en over de Sound of Music-achtige sfeer in zijn gezin tijdens een barbecue. Bij De Groot geen woord over FC Groningen, krimp, fabriekssluitingen, aardbevingen, de Nam, de politiek, of ‘het westen’. Zijdelings komt de pyromanie in ‘t Zandt voorbij. De inwoners zouden na de drukte wel aan wat vertier toe zijn, maar ze vonden The Voice of Holland natuurlijk weer belangrijker. Hij doet me aan Lohues denken. Soms, bijvoorbeeld bij het lied ‘Janneke’ aan de tekst ‘Frekie’ van Willem Wilmink.

De Groot, ooit gestimuleerd door opa, met wie hij nog een gitaar maakte, maar die ook verrekte irritant kon wezen, speelt prachtig gitaar, soms begeleidt hij zichzelf op de mondharmonica. Zijn stem heeft een groot bereik, zowel in de hoogte als in de breedte, de verte en de diepte. Heel soms vrees je dat hij bij een fenomenale uithaal ‘achter de poest’ zal raken, maar dat gebeurt mooi niet. Fraai is een vocale vioolsolo en later hoor ik een gezongen zingende zaag. Het geluid scoort deze middag een tien.
In leuke begeleidende en verbindende teksten licht De Groot zijn liedjes toe. Mooie, uitwaaierende verhalen met prachtige Groningse woordvondsten als ‘scharreltjederij’, ‘verkeringderij’, ‘soundcheckderij’ en meer. De mooiste nummers zijn ‘O, o, o, Janine’ over een onzekere, onstuitbaar verliefde beugelpuber die extatisch en tegelijk liefdevol Janine (Albring) bezingt en ‘Dubbelcassettedeck’ over lang vervlogen tijden en de onuitwisbare herinneringen aan de oneindige mogelijkheden van het dubbelcassettedeck, een jongensding dat net zo gelukkig maakte als een multifunctioneel Zwitsers zakmes.
Als toegiften krijgen we ‘de moeder van Michel’ en Spiekerboor, over een negenjarige die onder de indruk is van de topless zonnende moeder van een vriendje onder de strakblauwe lucht in de strakblauwe sloggi en over het begin van des zangers muzikale talenten. Na het dankwoord van de Sweel-Cultureel-voorzitter krijgt De Groot nog heel royaal drie flesjes plaatselijk gebrouwen bier aangeboden.

Orgelconcert Ronald IJmker in Coevorden op 31 mei 2017

Just as I am (van Lennart Morée; 1988) klinkt als een titel van Daniël Lohues en met dit heerlijk langzame werk stelt millennial IJmker (1981) zich aan ons voor: de kop is eraf, de toon is gezet en wat voor één. We luisteren, met de zon op het orgel als een natuurlijke volgspot, naar een vakbekwame organist. De overgang, we gaan zo’n tweeënhalve eeuw terug, naar grootmeester Bachs Fantasia und Fuge en Sicilienne kon niet groter zijn; en dan Air, evenals veel werken van Bach (de koralen bijvoorbeeld) een stuk muziek dat ooit in je hoofd terechtkwam (in mijn geval via de band Ekseption in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw) om er daarna nooit meer uit te gaan; ik moest veel moeite doen om niet te hard mee te neuriën. Hetzelfde geldt in iets mindere mate voor Mendelssohns Choral mit variationen. Prachtig gespeeld. IJmkers interpretatie van Prélude Fugue et Variation van C. Frank is er één van de begenadigde liefhebber. Doordacht, liefdevol en begeesterd tegelijk. Fris en degelijk. Of Skizze van Schumann nou schetsen of concepten zijn, bij IJmker klonk het meer dan conceptueel of schetsmatig; ik hoorde beweeglijkheden in tempi waar aritmische typen het Spaans benauwd van krijgen. A. Pompers Andante con moto: wat een mooie muziek, aan het eind van het stuk dacht ik te kunnen horen dat Pomper een beiaardier is geweest. Dat Pomper op zijn zesde blind is geworden maakt zijn muziek misschien nog specialer. Fantasie over het Lutherlied Een vaste burg is onze God van J. Zwart kan met recht een fantasie worden genoemd; meer variaties op hetzelfde thema hoor je niet vaak: schitterende muziek. De muziek werd prachtig verklankt door de jonge IJmker, die vanavond bewees de muziek verinnerlijkt te hebben. Eenendertig mei 2017: de wereld en ik liggen achterover; de wereld van de warmte en ik van IJmkers orgelspel. En die nieuwe c.d. die nog niet klaar is? Dat werkt als een uitgesteld softijsje op een zwoele zomeravond: later is lekkerder.