Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling


Als ik Lubbers’ Zuidenveldkroniek lees voel ik me als een kind dat door een caleidoscoop kijkt: steeds zie ik wat nieuws. Een foto op pagina 275 symboliseert het Zuidenveldgevoel treffend: vijf mannen zorgen ervoor dat een vastgelopen aanhanger weer vlot komt: met vereende krachten iets tot een goed einde brengen, dat typeert dit feest. Roelie Lubbers-Hilbrands beschrijft in Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling 1920 – 2020 de zuidenveldtentoonstellingen in al zijn facetten. Het zou mij niet verbazen als bij de eerstvolgende Zuidenveldtentoonstelling een platte kar aan haar is gewijd: haar lach en blonde lokken met duizenden maiskorrels, graanstengels en een keur aan bloemen op een plateau uitgelicht. Het boek is opgedragen aan enkele familieleden en, hier zien we Lubbers de diplomaat, aan alle deelnemers, medewerkers en bezoekers: het volk van het Zuidenveld.

Wat een immense klus moet het zijn geweest om de 100 jaren Zuidenveld te boekstaven, elk jaar op twee pagina’s, met er tussendoor beschrijvingen van het volgende decennium. In 304 pagina’s, zo’n 1.800 gram papier, boordevol tekst in gevarieerde lettertypes en foto’s, vanaf 1973 ook in kleur, sommige zelfs met watermerken, vertelt zij de historie. Overzichtelijk gerubriceerd en uiterst volledig: tot en met de jaarlijkse cateraar aan toe. Prijswinnaars, advertenties, bezoekersaantallen, financiële overzichten, bestuurssamenstellingen en meer.

Bij de decenniabeschrijvingen typeert Lubbers de historica de tijdgeest bondig en to-the-point. Van democratisering in de jaren zestig tot het homohuwelijk in 2002, velerlei maatschappelijke veranderingen komen voorbij die de landbouwtentoonstellingen inbedden. Al lezende voltrekt zich de geschiedenis van het boerenbedrijf met daarin een prominente rol voor de dieren en de boeren. Ertussendoor lezen we over de economische ontwikkelingen in de agrarische sector, de rol van de vrouwen, de oorlogsperiode, belangstellende hoogwaardigheidsbekleders, de regionaal-geografische ontwikkelingen en heel veel faits-divers die het boek leesbaar maken en houden. Van de vele foto’s is verreweg de mooiste die op p 61 met gelooide koppen van het prototype van Zuidenveldgangers: stoere mannen met petten.

Een speciaal onderdeel van het Zuidenveld zijn de versierdewagenoptochten en de versierde straten met de erebogen als hoogtepunten. Ik zie nog mijn oude buurman maanden voor het feest in Sleen in zijn schuur honderden vlinderfiguren voor de straatversiering lassen. Met veel gemeenschapszin en het inleveren van sloten vrije tijd, werd met man en macht gewerkt aan de gezamenlijke presentaties.

Missen we dan niets? Zeker, het boek was nog leuker en vollediger geworden als Roelie Lubbers anderhalve bladzijde had ingeruimd voor de keerzijde van de medaille, de achterkant van het gelijk. De ontwikkelingen in het boerenbedrijf gaan snel en het wordt allengs duidelijk dat die ook nodig zijn. Iedereen heeft in zijn familie wel een neefje dat een werkstuk over mest- of kalverfraude, Round-up en de miljardenclaims tegen Monsanto moet schrijven of een in Wageningen studerend nichtje dat op elke verjaardag van oom Annechienus de discussie aanjaagt met irritante vragen over biologisch boeren, het zielige van afgesneden staarten bij Belgische paarden, de circulaire landbouw van Carola Schouten en de ontwikkelingen in het dierenbevrijdingsfront, waarvan zij aspirant-lid is geworden. Het is jammer dat Lubbers de kritische geesten die binnen elke politieke partij te vinden zijn op p 7 zuurpruimen noemt. Niet zelden betreft het mensen met een agrarische achtergrond die het beste voor hebben met de boeren. Veel meer dan gratuite sympathie verdienen boeren het kritisch en met respect gevolgd te worden. Op p 253 volgt een licht herstel en komen dierenwelzijn, boerenprotesten en ecologische duurzame landbouw aan bod. Iets uitgebreider was aardig geweest en had meer recht gedaan aan de veranderingen die het boerenbedrijf te wachten staat.

Maar voor de rest: Roelie, chapeau! Ik ben nu al nieuwsgierig naar de eerstvolgende coronavrije versierdewagenoptocht in 2021 in Schoonebeek.

Spanje 5: Intemperie

Den Uyl

Jesús Carrasco’s Intemperie verhaalt van een vluchtende dorpsjongen. Een vlucht wil ik het niet noemen, maar een soort uittocht is het zeker wanneer we op zondag 15 maart noordwaarts kachelen in een stoet van campers, enkele caravans en een zootje ongeregelde Poolse en Roemeense minivrachtwagentjes. De zon schijnt en de temperatuur en dieselprijzen wisselen als seksuele contacten van plattelandsmeisjes die voor het eerst in Salou zijn. De lange weg naar Lyon rijdend krijg ik visioenen van een premier die een verstandige toespraak zal gaan houden die me voor hem zal innemen. Verdomme, ik zal toch geen VVD’er worden? Ik vergelijk Ruttes toespraak met die van Den Uyl in december 1973; allebei getuigend van ferm en fier staatsmanschap. Vergeleken daarmee is de sprekende koning een sneue ledenpop. Al rijdend tast ik mijn geheugen af. Na afloop van Den Uyls rede sprak mijn moeder in een evaluerend gesprekje met mijn vader met bedroefde stem en vooruitziende blik de historische woorden: “Dizze man haldt ús bern út de tsjerke, Anne”¹ en ze onderdrukte een traan terwijl ze de kuiven van de beide Benjamins gladstreek met een likje spuug. Mijn vader die Den Uyl met zijn VAD²-plannen wel kon wurgen keek haar eens aan en mompelde iets als: “Dat sil mei ús Jaap Boersma³ neist dizze

Boersma

úfretter toch wol in slagje meifolle, Sjoukje,” stak een filterloze Golden Fiction op, legde het sigarettendoosje met die adembenemende zilveren band op tafel, inhaleerde inhalig, peuterde een stukje droge worst tussen de kiezen vandaan, bestudeerde dat als grefo’s de geschriften van Luther, droogde zijn vingers aan de binnenkant van zijn sokken, nam zijn kunstgebit in de handen en liep vervolgens naar de keuken om onder de keukenkraan zijn gebit, met wat Vim op de afwaskwast, schoon te boenen boven de gootsteen waarin net een door een buurman geslachte kip was schoongeboend. Wie kon toen bevroeden dat mem met vijfenhalf van de zeven kinderen die zouden uittreden, gelijk zou krijgen?

Spanje scherpt, voorgegaan door Duitsland de reisadviezen aan. Ze zijn als een soort uiterste houdbaarheidsdata. Men gaat er rekkelijk of precies mee om. Duitse inreisverboden wakkeren onze verplaatsingsdrift aan als zandstormen bedoeïenen. In Valencia worden de feesten van Las Fallas afgeblazen. Las Fallas doet me aan carnaval denken. In Nederland was het carnaval een brandhaard. Dat het carnaval een feest is met de wortels in de religie bewijst ook nu onomstotelijk dat godsdienstuitwassen niet bepaald bevorderlijk zijn voor de volksgezondheid: alles achter de voordeur houden ware beter.

Spanje 2; In de klauw van Klotinden

Probeer maar eens bij een Spaanse rijwielhersteller in je nieuwste Spaans uit te leggen dat de schijfremmen van je mountainbike een naar metalig geluid maken. En dat het dan toch lukt, kijk dat gevoel heb ik graag. Vale, mira, bij de sympa bakkersvrouw vragen om een multicereal i.p.v. een witte plakbaguette die je darmen verkleeft en verstopt als een reparatieplug een buitenband van een drietonner, dat gaat, gesteund door glimlachjes en heen en weer schietende pupillen al heel aardig.

Ik wil een evenwicht zien te vinden in mijn beeld van Spanje en zoek daarom naar een uitgebalanceerde mix van Spaanse pros en cons. Dus èn constateren dat de situatiekaart van de camping je verneukt door te suggereren dat achter de heg het strand al begint èn vaststellen dat de jeugdwerkloosheid in enkele jaren van boven de 35 naar 15 % is gedaald. Constateren dat de verstikkende greep van het katholicisme, het koningshuis en Franco de Spanjaarden onder de dikke debiliserende duim hebben proberen te houden, maar ja, bij alle drie was/is de keus aan de Spanjaarden zelf naturalmente, naast oog hebben voor een welhaast aangeboren houding open te staan voor grensoverschrijders. En daarvan zijn er veel.

In het voorjaar is Spanje het land van de geknotte en uitbottende acacia, waarvan de nieuwe loten naar buiten willen spuiten als ontsnappende lucht na een bloeddrukmeting, uitbundig bloeiende krentenbomen, de prunus japonica, die in geteelde toestand in de verte doet denken aan groepjes aan anorexia lijdende synchroonzwemsters die hun roze beentjes schuin omhoog boven de waterlijn naar de zon priemen en dat nog synchroon ook, hoerige bougainvillea’s en overschatte uit Nederland geïmporteerde voetballers.

Gelukkige Slaven van Tom Lanoye, De meeste mensen deugen van Rutger Bregman, 21 lessen voor de 21e eeuw van Yuval Harari en In de klauw van Klotinden van Piet Oly vullen de leemten van wifi-gerelateerde bezigheden en onvolgbaar nieuws over de nieuwe plagen: overstromingen, sprinkhanen en virussen die maar niet de vaart van muizenexplosies willen evenaren en de effecten waarvan maar niet in de schaduw kunnen staan van de 20.000 jaarlijkse doden die de door de Nederlandse staat gestimuleerde tabaksindustrie eist.

Winterfiets Elfstedentocht 12 en laatste

Week 6

Het is volbracht, we hebben de 205 kms afgelegd in bijna 10 fietsuren, 8 regenuren, ½ strakkewinduur op een dag van 03.45 – 23.30 uur. Van de 1.200 deelnemers waren wij ongeveer de enigen op een atb. Eigenlijk viel de tocht mee en dat komt door het uitblijven van harde tegenwind en gemene kou; desalniettemin zijn 200 deelnemers onderweg afgehaakt. Weervoorspellers zaten er naast als een over het klimaat twitterende Baudet. In de Elfstedenhal heb ik, als enige, lekker en uit volle borst mee kunnen zingen met het Fryske Folksliet, op de trompettonen naast Wennemars. Dan voel ik me Frieser dan Fries, als een Turk in Almere.

Tussen IJlst en Sloten spreek ik Kemal uit Turkije en Jan uit Berlikum op een Batavus met ligstuur. Op mijn standaardvraag aan Kemal en alle Turken die ik waar dan ook ontmoet of hij een Gülenist is of een AK-partijaanhanger, relativeert hij mijn tunnelblik door ‘geen van beide’ te antwoorden. Hij is een Koerd en zowel Gülen als Erdogan hebben de Koerden slecht behandeld. In Bolsward zie ik een verpleegster die later gewoon echtgenote blijkt te zijn die een senior fietser een droge kous aantrekt terwijl ze zijn schonkige, lijkwitte en blauwdooraderde knieën masseert. Buiten vraagt ze hem liefdevol: ‘Moet het eten links in je fietstas en het drinken ernaast of omgekeerd?’ Op de groepsapp lees ik dat er een fietser onderweg een acute hartstilstand heeft gekregen en in kritieke toestand naar een ziekenhuis is gejakkerd. Ik hoop dat het de kousenman niet is.

Ondanks de zes lagen kleding over mijn torso krijg ik een koude buik. Mijn benen doen het, met slechts één kledinglaagje goed. Vanaf Stavoren hebben we ruggensteun van de wind als boeren met een opkoopregeling, asbestsaneringssubsidie, verduurzamingsgelden, of de reguliere EU-miljarden. De  verwarmde wanten lopen vol water als lekkende kruipruimtes en ik krijg ze moeilijk uit en aan; kristusziele, elektrocutie zal met lithiumbatterijen toch niet zo’n vaart lopen? Een EHBO’ster in Stiens ziet me worstelen en tovert mijn knipkaart behendig tevoorschijn als een Lidl-kassière de portemonnee van een kind en vraagt of ze mijn jack op de cv zal leggen. Later komt ze een praatje maken en checkt, vanwege mijn gestuntel of is het gewoon professionele liefde op het eerste gezicht? of ik niet onderkoeld ben. Ik wil haar kussen. Haar bezorgdheid is weldadig.

In Dokkum, bijna mijn hometown natuurlijk, zitten er in de Posthoorn meer dan zes bevroren medewerkers achter een eiken tafel als Stalinistische gerechtsdeurwaarders in Omsk. Eén wil wel even een knipje in mijn kaart doen. De 12 kms van Dokkum naar Aldtsjerk zijn de ergste. De bepijling hapert, amper straatverlichting en waar ze zijn doet de helft het niet. Dat is de schuld van die verrekte Farmers Defence Force-boeren denk ik zeker te weten totdat ik sleuven zie waar Rinsumageester sleuvengravers glasvezelkabels hebben toegedekt en aangestampt als Turken Armeense genocideverhalen of plattelandsburgemeesters door rekenkamers onthuld financieel wanbeheer.

Frans, door vermoeidheid openhartig als een gewaterboarde Guantanamo Bay-inmate, bekent dat hij de melodie van het Friese Volkslied hoog op het repertoire wil zetten van een nog op te richten amateurensemble van fagot- en hobotoeteraars. Dan nog het laatste stempel en een, sorry, superlelijk, kruisje in de Blokhuispoort, het lekkerst denkbare familiebier en op naar de parkeergarage waar ik de schuurplekjes in mijn schaamstreek bestudeer in de alles vergrotende spiegel van een Tesla in aangenaam t.l.-licht.Onderweg naar huis neurie ik de melodie van

Frysk bloed tsjoch op! Wol no ris brûze en siede,
En bûnzje troch ús ieren om!
Flean op! Wy sjonge it bêste lân fan d’ierde,
It Fryske lân fol eare en rom.

Gemeentedichters Emmen starten week van de poëzie

Drie gemeentedichters (gemdi’s) traden zondagmiddag op in de bieb. De 35 luisteraars die FC Emmen niet naar Arnhem zijn nagereisd, kerkbezoek mijden als oorwurmen open ruimtes en de koopjeklaarzondag laten voor wat het is, luisteren vriendelijk en met aandacht. Men verbaast zich over het verzoek mobieltjes op stil te zetten terwijl de jonge cateraar luidruchtig een spaan aandacht meepikt.

Het is de eerste dag van de poëzieweek. Ik had net Arjan Peters’ artikel (Hoe dicht de dichter?) in de Volkskrant gelezen waarin Peters (sinds jaar en dag literair criticus in de VK) de werkwijze van drie dichters (Rosa Schogt, Asha Karami en Erik Jan Harmens) tegen het licht houdt. Ik zie levensgrote verschillen met de gemdi’s. Het grootste: de landelijke bekende dichters maken niet, nauwelijks, of per ongeluk gebruik van rijm. Schogt: “Ik geef de voorkeur aan klankrijm boven nadruk op het rijm. Het moet aanvoelen alsof het bijna per ongeluk rijmt.” Karami: “Ik schrijf geen klassieke vormen, maar schep een eigen orde, hier zonder hoofdletters of punten.” Harmens: “De taal mag een beetje mishandeld worden. Ik ging scherpe regels schrijven. Uitgebeend.”

Bertus Beltman

De drie vanmiddag gehoorde gemdi’s rijmen als Ajax scoort: veel. Bertus Beltman hanteert strakke vormen, ijzeren (zo lijkt het) schema’s, als garagisten die cilinders op een honderdste millimeter uitboren. Eddie Zinnemers is wat losser, maar zou hij stoppen voor het rijmwoord en het publiek vragen het volgende woord te scanderen, er werden weinig fouten gemaakt. Hetzelfde geldt voor Gähler. Gähler ontpopt zich als relatie- en zorgdeskundige. Ik mis vanmiddag Anna Sophie Bakker, Eva Broekmann en Peter Veen. Van Veen lees ik de laatste tijd veel, eeh, ready-mades, bijvoorbeeld een behangplakhandleiding vermomd als gedicht. Bakker en Broekmann komen met hun wat vrije poëzie wellicht het dichtst bij de klassieke opvatting (van Kloos) dat poëzie de allerindividueelste expressie is van de allerindividueelste emotie.

We horen vanmiddag thematiek die je verwacht te horen bij dichters. Over tijd van leven, digitale doofheid, over verleden en toekomst, de bevrijding, vriendschap en zorg. Beltman filosofeert over de te snelle komst van de toekomst: “Was het nog maar gisteren.” En: “Het is nooit te laat om kind te zijn.” Millennial Gähler, een zelfverklaard ‘achterafgenieter’ start met een vers over genieten, waarin the male chauvinist pig in mij al snel het verlangen naar een orgasme herkent en vervolgt met het dilemma van wel of niet een oordeel geven. Zinnemers is de luchtigste van de drie en etaleert zijn kwaliteit als sneldichter, nou ja, snelrijmer, als hij de uitslag van FC Emmen tegen Vitesse in twee regels beschrijft. Verder komt in zijn werk alledaags nieuws als pandaporno, Badr Hari, stikstof en de Brexit voor. Hij vloekt de farmers for defence, de klimaatontkenners, de idiotie van kickboksen, mallotige media-aandacht voor neukende panda’s en de knettergekke Boris J. niet stijf, maar spaart de kool en de geit wanneer hij uitkomt bij zijn eigen keuzeloosheid in allervriendelijkste en vrolijke liedjes en verzen.

Als ik even wegdommel hoor ik zangeres Lisa Ploeger (18) ‘here we go again in 1973’ zingen, maar had gemist dat het niet haar eigen tekst maar een cover was. Zij begeleidt zichzelf op een akoestisch gitaar en doet dat heel goed. Ze heeft een mooie stem, vooral wanneer ze de hoogte ingaat en vooral als ze even lekker uithaalt. Haar beste tekst deze middag is het gewaagde en superassertieve “I’m better than ever (when I stopped running in circles and crying in my sleep).” Vooral dat I’m better than ever deed ’t hem.

Na de pauze laat Beltman ons genieten van zijn strakke versvormen, stapt Gähler van het podium en op het publiek af en demonstreert Zinnemers hoe liedteksten en cabaret verschillen van poëzie. Als entr’acte treedt Rudolf Kuko op die Emmens schoonheid à capella bezingt.

Rob Stoker Verslagen vriendschap (roman, € 18,50)

Bij de presentatie van Rob Stokers derde boek werd even gesteggeld over de vraag hoe je Verslagen Vriendschap moet noemen: een roman, een literaire of psychologische thriller? Waarom de, excusez le mot, luie uitgevers (het boek bevat nogal wat taalfouten (¹)) niet gewoon op ‘jeugdboek’ of zelfs ‘jongensboek’ kwamen is een raadsel.

Verslagen Vriendschap is een spannend, filmisch geschreven jeugdboek. Felix en Leon zijn twee zestienjarigen die in een slaperig houtzagersstadje wonen. Leon is een enigszins onzekere jongen uit een gewoon gezin die blij is vriendschap met Felix te kunnen sluiten en kennis maakt met Felix’ aantrekkelijke tante Lynn. Felix woont bij zijn tante in een pension en zit vol geheimen en geheimzinnigheden. Beide jongens zitten voor het schoolexamen en werken graag in de houtzagerij.

Tegenover deze twee staat een trio anti-helden: Mike, Joshua en Peter, ook wel de ratjes of huftertjes genoemd. Bij een vervelende confrontatie pakt Felix met zijn klauw Mike even bij de pols tot het kraakt. Later chanteert hij de ratjes met foto’s waarop ze masturberend zijn afgebeeld. Het verhaal is dooraderd met geheimen en leugens en stoere jongensdingen. Dat alles zorgt voor een onheilspellende sfeer.

Vanaf het begin komen geheimzinnige zaken aan de oppervlakte. Een geblindeerde zwarte Audi staat her en der in het stadje geparkeerd. Van de chauffeur heeft niemand het gezicht ooit gezien. Waarom zou een jongen zijn vader in de brand steken? Felix heeft een jaar in een jeugddetentie-inrichting gezeten. Langzaam wordt de verhaallijn ontpeld. Halverwege het boek vallen zaken op hun plaats en wordt duidelijk wat er zich vroeger heeft afgespeeld. De spanning wordt niet aangetast, integendeel.

De door Stoker gepresenteerde wereld doet gedateerd aan. Roken is nog stoer, je kunt zelfs stoer sigaretten uit pakjes toveren, vrouwen runnen pensions, het huishouden of een koffiepunt en mannen zagen hout, zijn boswachter, advocaat, alcoholist of psycholoog. Die psycholoog is een gekke Henkie wiens therapie door patiënten wordt gesaboteerd. Stoere houtzagers noemen een schuchtere jongen ‘homootje’, ogen spuwen vuur en staren alsof ze water zien branden. Stoker hanteert het taalgebruik van een VMBO-leraar: niet te lange zinnen in een klare taal; het enige vreemde woord is parameters.

Literaire beeldspraak of metaforen zijn zo goed als afwezig. Wat het jeugdboekgevoel vergroot is dat Stoker achternamen vaak achterwege laat. De advocaat heet Tom, de psycholoog Robin en de boswachter Tim. Een vader die zijn handen niet van zijn dochter kan afhouden geeft het boek een moderne impuls. Verder in het boek blijkt ook hier dat de leugen zwaarder weegt dan het vermeende misbruik.

Het boek is kunstig geconstrueerd en verdeeld in hoofdstukken die alle het woord ‘onheil’ bevatten: Het jaar van het onheil, Het jaar voor het onheil, Vijf jaar na het onheil en meer. De plaats van handeling wordt niet nader aangeduid maar je voelt op elke bladzijde Amerika. Het betreft een provinciestadje waardoorheen een rivier loopt. Het landschap is heuvelachtig met naaldboombossen. Alle personen hebben Engelstalige namen. Omdat Stokers vertelperspectief dat van de alwetende is weet de lezer veel meer dan de personages en dat staat soms de geloofwaardigheid in de weg. Voor een filmscript is dat natuurlijk ideaal; de filmlocatie lijkt, afgaande op de omslagfoto, al bekend.

(¹) 9 bleef iets langer bleef hangen / 12 Felix gezicht, 163 Felix verklaring / p 26 aan het eind van dag / 39 deze gezicht / halfopgerookte?? / 42 ofzo / 44 een vent hebt / 65 Anna = Anne / 77 binnen korte termijn?/ 103 herinnerde hij / 106 behalve (met) wiskunde / 108 in het pension en liepen we / 128 dat ze echt in paniek in raakte / 129 muziek te luisteren / 133 die slipje / 152 gelijk hoog /p180 mili-eutechnische/

Het groot Dictee der Nederlandse Taal in Emmen

29 jaar na het eerste Groot Dictee der Nederlandse Taal met het inmiddels beroemde ‘przewalskipaard’ van Kees Fens waagden op twee november 2019 negen personen zich aan het meeschrijven met het Nationaal Dictee in de bibliotheek in Emmen. Dat is twee meer dan vorig jaar. Via een narrowcasting-systeem konden de deelnemers de landelijke uitzending in Zutphen volgen. Voorlezer dit jaar is Gerdi Verbeet en Wim Daniëls heeft het dictee geschreven. Daniëls brak vorig jaar met de vanaf het begin breed gedragen traditie het dictee te vullen met woorden die enkel door trouwe lezers van het Groene Boekje gekend werden. Dat het dictee daardoor nu heel eenvoudig werd, nou nee.

Dit jaar was er een actueel thema: de agrariër. Ook nu weer was er het obstakel van het verbindingsstreepje in bijvoorbeeld tafeltje-dek-je en eau-de-colognegeur en de inmiddels beruchte ‘driewoordenwoorden’ als ‘vollegrondteelt’ en ‘warmemelkdrinkers’.

Het landelijk gefilmde dictee, met celebrity’s als Jan Siebelink, Kader Benali, minister van Onderwijs Ingrid van Engelshoven, Oscar Hammerstein en Ingmar Heytze duurde ongeveer drie kwartier. Heytze zei: “Mijn idee is dat het goed te maken is terwijl dat niet zo is.”

In Emmen deden mee: Margreet Joling, Riet Lina, Thérèse Major, Aly Schirring, Jenny Scholte, Elly Schutten, Leidy Veldman, Joke Voss en Dini Wagelaar. Winnaar met slechts vijftien foutjes: Aly Schirring. Zij ging naar huis met de Taalkalender 2020 van Onze Taal. Ter vergelijking: bij de prominenten maakte kinderboekenschrijver Gideon Samson twaalf fouten. Van alle deelnemers in Zutphen presteerde Niels de Jonge het beste met zes fout. In Emmen was er voor alle deelnemers Winterbloei van Jan Wolkers.

Het Groot Dictee der Nederlandse Taal 2019:

 Boeren, burgers en buitenlui

1. ‘Het móét me van het hart: we worden beschimpt en geschandaliseerd, terwijl we nota bene ’s lands belangrijkste maaltijdbezorgers zijn’, zei een boer uit een Zuidoost-Noord-Brabants dorp geagiteerd tegen me.

2. ‘Daarenboven hebben we een kolossale bijdrage geleverd aan het Nederlandse vocabulaire’, brieste hij voort. 

3. Inderdaad zijn duizend-en-een woorden dankzij de boerenstand in de Nederlandse taal terechtgekomen, bijvoorbeeld: tractor, boerenperziken, gewasbesproeiing, vollegrondteelt,
rood- en zwartbont en mond-en-klauwzeer.

 4. Daarbovenop heb je tientallen boerenzegswijzen, waaronderop z’n janboerenfluitjes’ in de betekenis ‘langzaamaan, rustig aan’, en ‘de boer zijn hemd’ voor het vel op gekookte melk, dat sommige warmemelkdrinkers zo fraai over de balustrade van hun melkmok weten te draperen.

 5.  Velen wijzen heden ten dage naar de boeren als degenen door wie de biodiversiteit teloorgaat en ook als de ultieme stankverspreiders, terwijl er geen punt wordt gemaakt van dreumesen die ongegeneerd hun wegwerpluiers volpoepen, noch van notoire schetenlaters en evenmin van goedgekapte jongeren en bejaarden met hun verstikkende eau-de-colognegeur.

 6. Het is wrang dat een beroepsgroep die dagelijks tafeltje-dek-je mogelijk maakt zo verguisd wordt, terwijl we allemaal tijdenlang boer zijn geweest toen we van jagers-verzamelaars evolueerden in landbouwers met een huisje-boompje-beestje-ideaal.

 7. Anderzijds valt niet te loochenen dat anno nu vooral de intensieve veehouderij, al dan niet in de vorm van bio-industrie, het milieu schade berokkent.

 8. Maar toch: hoedt u zich voor al te veel gejeremieer over boeren.

 9. Wij allen zorgen voor milieuschade, als carnivoor, automobilist, motorrijder, vliegende globetrotter, afsteker van vuurwerk op oudjaarsavond en in de nieuwjaarsnacht, enzovoort.

10. Om de milieuproblemen het hoofd te bieden, moeten we gezamenlijk onze verantwoordelijkheid nemen en vooral één ding doen: ons boerenverstand gebruiken.

 

 

 

Naturalis, Leiden

Een nieuw, schitterend museum. Dankzij de interessante architectuur is er ook voor volwassenen veel te zien, want ja, het museum is in de eerste plaats heel geschikt en aantrekkelijk voor kinderen. Aan de buitenkant vallen de joekels van natuursteensierstrips op waarvan je altijd hoopt dat ze naar beneden komen als jij elders bent. Vanuit de hal naar boven kijkend valt op dat de vloeroppervlakte per verdieping kleiner wordt. Dat biedt zowel beneden als boven mooie, ruimtelijke zichtlijnen. Dankzij deze ruimte-indeling is dit een museum dat, vergeleken met de kubieke meters, weinig vierkante meters expositieruimte heeft. Via een meer dan prachtige, luie trap, loop je langs de (oneven) etages waar veel te zien of te beleven is. De even etages ontbreken voor de bezoekers, omdat ze of niet (lijken te) bestaan of zijn ingericht voor andere doeleinden. In het auditorium op de begane grond staat een preparatie van een meeuw aangekondigd: iets wat plattelandskinderen op jongensverjaarsfeestjes kunnen bekijken is hier museaal. 

Wat is er te zien? Leven, verleiding, dood, dino’s, live science en meer. Meer dan een miljoen objecten. De mensheid in alle tijdperken, de natuur vanaf ver voor het verzonnen koppeltje Adam en Eva en dierenskeletten met afmetingen van cruisschepenonderdelen. Brave museummedewerkers kraken stenen en hebben een verhaal dat zowel de (klein)kinderen als de opa’s en oma’s aanspreekt. Er is een verdieping met veel actieve presentaties (zo kun je onder een harige bol proberen te gaan hangen als een apenjong dat zich aan moeders buik klemt), er is een ijstijdexpositie en er is een opgezette of synthetische viervoeter die zich als allemansvriend ontpopt.

Grootste min is een hele zaal die wordt ingenomen door twee campers en een immense foto op de vloer van een rotsformatie.

Wat is er niet te zien? Veel. De link naar de mens van nu is mager. Wat was er mooier geweest dan een in tweeën gesneden (bekende) Nederlander naast een oermens te plaatsen om zo de effecten van roken, stressen, vervetten, te weinig bewegen aan te tonen? En dat proces dan op zondagmiddag met 40 opa’s en drie kinderen in de snijzaal aanschouwelijk te maken?

Emslandkampen en kunst

Het blijft bijna niet te geloven: net over de grens met Duitsland waren in de Tweede Wereldoorlog vijftien concentratiekampen. Tussen ruwweg Papenburg en Lingen v i j f t i e n en er is zowat niets van overgebleven. Heel weinig mensen hebben weet van deze kampen, misschien nog minder dan er katholieken zijn met bijbelkennis. Maar dankzij de inspanningen van Pieter Albers is deze historie ontsloten.

Op zaterdag 20 juli fietsen kameraad en ik mee met de route Emslandkampen en Kunst, georganiseerd door de bijna splinternieuwe vereniging (sinds 2010) van amateurhistorici in Nieuw Schoonebeek. Kosten: € 12,- Er is veel belangstelling voor de regionale historie. Elke excursie, t/m 2020, is volgetekend.  Kameraad is historiegemotiveerd; ik ben fietsgemotiveerd: was het onderwerp baltsrituelen van bedreigde kolibrisoorten in het hoogveen dan was ik ook meegegaan. Pieter Albers is ingehuurd als deskundige. Met de dictie van een scheikundeleraar in rust spreekt hij de groep toe. Deskundig en duidelijk. Hij wordt ondersteund door een ploegje amateurhistorici uit Nieuw Schoonebeek.

Albers werd in 1987 getriggerd door een artikel in de Emmer Courant over de Kriegsgräbestätte met duizenden doden in de massagraven in en bij de Emslandkampen. Vooral de zinsnede: ‘Over veertig jaar zie je hier niets meer van,’ daagde hem uit. In 1933 kwam Hitler in Duitsland aan de macht en werd met de bouw van de concentratiekampen gestart. De bouw van deze kampen duurde tot 1938. Tijdens de oorlog werden de nu nog bekende concentratiekampen gebouwd. In de Emslandkampen kwamen in eerste opzet politieke tegenstanders die in het hoogveen als dwangarbeider werden ingezet. De op het stationnetje in Ringe aangevoerde Russen werden in rijen doorgestuurd naar het kamp in Neugnadenfeld. Russen die de barre reis niet hadden overleefd werden op platte boerenkarren naar massagraven vervoerd. Ab Masselink uit Nieuw-Schoonebeek was hiervan ooggetuige. Albers schreef het boek Gevangen in het veen.

We fietsen langs het Alte Picardi Kanaal en bezoeken een kunstwerk dat Draaikolk heet. In draadstaal gevatte Bentheimer bouwstenen verbeelden een draaikolk. Als de Drentse geschiedenis (Spier 2019) zich herhaalt zal dit werk binnen enkele jaren instorten als gevolg van gebroken staaldraden door een gebrekkig fundament of vandalisme. We fietsen verder naar het stationnetje in Ringe waar Albers ons toespreekt. Na de lunch waarbij we naar een film kijken over de kampen, fietsen we door, geteisterd door onweer en slagregens, naar Neugnadenfeld. Het fietserslint blijft ternauwernood intact. Het scheelt weinig of er ontstaat in plaats van een historische een speurtocht met een veelkoppig monster. We bezoeken een massagraf van Russische krijgsgevangenen. Sobere stenen zonder namen.

Onderweg val ik van de ene in de andere verbazing. Waarom zijn er in Duitsland bijna geen infoborden over de kampen? Waarom kregen Franse krijgsgevangenen een betere behandeling dan de Russische? Waarom is van deze kampen bijna niets overgebleven? Waarom vertelden drie geschiedenisleraren op het Christelijk Lyceum Oostergo te Dokkum in de jaren zestig van de vorige eeuw mij hier niet over? Waarom vertonen peperdure en immense kunstwerken die alleen met infoborden te doorgronden zouden zijn en die voor de eeuwigheid bedoeld zouden moeten zijn, binnen een decennium al ingrijpende tekenen van verval? Waarom werd er zo weinig aandacht besteed aan de geluidskwaliteit van een instructieve amateurfilm die liefdevol wordt vertoond?

Oikofobie, Oikocredit, oikofilie

Dankzij Baudet weten we inmiddels wat oikofobie betekent. We kenden natuurlijk al Oikocredit (dat al jaren tussen de 0,55 en 1,0 % rendement oplevert). Graag voeg ik er oikofilie aan toe. In mijn regio, Klaas houd het klein, komt oikofilie veel voor. Een mooi voorbeeld zagen we deze week in een persbericht van de gemeente Coevorden.  Wethouder Jeroen Huizing zag met lede ogen aan dat de paasbulten dit jaar kleiner dan normaal zouden blijven vanwege een schaarste op het snoeitakkenfront. Vuurtjes stoken willen we allemaal. Zelf fakkelde ik, tot vorig jaar, zelfs tuinafval op. De wethouder zal ook van branden houden, schat ik. Royaal stelde hij voor dat de gemeente Coevorden snoeihout beschikbaar wil stellen aan paasbultbouwers. Paasvuren zijn een mooie traditie en er zijn hier kwade geesten genoeg die erom vragen met een vuurtje en rook verjaagd te worden. Wethouder Huizing licht zijn standpunt toe door te zeggen dat ‘de Randstad-elite’ zich te veel zou mengen in het Paasvuren-ja-paasvuren-nee-discours. De wettenhouder maakt hier gebruik van een veelgebruikte retorica-truc door kritische naturen een onecht label op te plakken, ook wel framen genoemd. Niet iedere kritische geest maakt deel uit van de Randstad-elite.

Paasvuren? Prima. Mooi voor de liefhebbers. Maar met de kennis van nu over het uitstoten van CO2 en de risico’s van overslaande brandjes (Scheveningen) zou je ook een pas op de plaats kunnen maken. Overdrijf de kunst van het stapelen zou ik zeggen en onderdrijf de drive een zo hoog en groot mogelijke bult te bouwen met alle risico’s en nadelen van dien. Zet gezelligheid voorop, een beetje als in het welpenvoetbal: meedoen is belangrijker dan winnen. Zo’n oikofiele, om niet te spreken van oikomaniakale houding van een gezagsdrager is ongepast. Of zien we hier een regiopoliticus van CDA-huize die vreest ingehaald te worden door oikofiele Forum-voor-democratie-politici? Straks krijgen we nog obesitas goedpratende fysiotherapeuten (een patatje joppiesaus laten we ons niet afpakken), huisartsen die het roken niet durven aanpakken (stoppen met roken is niet gemakkelijk, zie ik) of brandweercommandanten die dealen in vuurwerk….