Naturalis, Leiden

Een nieuw, schitterend museum. Dankzij de interessante architectuur is er ook voor volwassenen veel te zien, want ja, het museum is in de eerste plaats heel geschikt en aantrekkelijk voor kinderen. Aan de buitenkant vallen de joekels van natuursteensierstrips op waarvan je altijd hoopt dat ze naar beneden komen als jij elders bent. Vanuit de hal naar boven kijkend valt op dat de vloeroppervlakte per verdieping kleiner wordt. Dat biedt zowel beneden als boven mooie, ruimtelijke zichtlijnen. Dankzij deze ruimte-indeling is dit een museum dat, vergeleken met de kubieke meters, weinig vierkante meters expositieruimte heeft. Via een meer dan prachtige, luie trap, loop je langs de (oneven) etages waar veel te zien of te beleven is. De even etages ontbreken voor de bezoekers, omdat ze of niet (lijken te) bestaan of zijn ingericht voor andere doeleinden. In het auditorium op de begane grond staat een preparatie van een meeuw aangekondigd: iets wat plattelandskinderen op jongensverjaarsfeestjes kunnen bekijken is hier museaal. 

Wat is er te zien? Leven, verleiding, dood, dino’s, live science en meer. Meer dan een miljoen objecten. De mensheid in alle tijdperken, de natuur vanaf ver voor het verzonnen koppeltje Adam en Eva en dierenskeletten met afmetingen van cruisschepenonderdelen. Brave museummedewerkers kraken stenen en hebben een verhaal dat zowel de (klein)kinderen als de opa’s en oma’s aanspreekt. Er is een verdieping met veel actieve presentaties (zo kun je onder een harige bol proberen te gaan hangen als een apenjong dat zich aan moeders buik klemt), er is een ijstijdexpositie en er is een opgezette of synthetische viervoeter die zich als allemansvriend ontpopt.

Grootste min is een hele zaal die wordt ingenomen door twee campers en een immense foto op de vloer van een rotsformatie.

Wat is er niet te zien? Veel. De link naar de mens van nu is mager. Wat was er mooier geweest dan een in tweeën gesneden (bekende) Nederlander naast een oermens te plaatsen om zo de effecten van roken, stressen, vervetten, te weinig bewegen aan te tonen? En dat proces dan op zondagmiddag met 40 opa’s en drie kinderen in de snijzaal aanschouwelijk te maken?

Emslandkampen en kunst

Het blijft bijna niet te geloven: net over de grens met Duitsland waren in de Tweede Wereldoorlog vijftien concentratiekampen. Tussen ruwweg Papenburg en Lingen v i j f t i e n en er is zowat niets van overgebleven. Heel weinig mensen hebben weet van deze kampen, misschien nog minder dan er katholieken zijn met bijbelkennis. Maar dankzij de inspanningen van Pieter Albers is deze historie ontsloten.

Op zaterdag 20 juli fietsen kameraad en ik mee met de route Emslandkampen en Kunst, georganiseerd door de bijna splinternieuwe vereniging (sinds 2010) van amateurhistorici in Nieuw Schoonebeek. Kosten: € 12,- Er is veel belangstelling voor de regionale historie. Elke excursie, t/m 2020, is volgetekend.  Kameraad is historiegemotiveerd; ik ben fietsgemotiveerd: was het onderwerp baltsrituelen van bedreigde kolibrisoorten in het hoogveen dan was ik ook meegegaan. Pieter Albers is ingehuurd als deskundige. Met de dictie van een scheikundeleraar in rust spreekt hij de groep toe. Deskundig en duidelijk. Hij wordt ondersteund door een ploegje amateurhistorici uit Nieuw Schoonebeek.

Albers werd in 1987 getriggerd door een artikel in de Emmer Courant over de Kriegsgräbestätte met duizenden doden in de massagraven in en bij de Emslandkampen. Vooral de zinsnede: ‘Over veertig jaar zie je hier niets meer van,’ daagde hem uit. In 1933 kwam Hitler in Duitsland aan de macht en werd met de bouw van de concentratiekampen gestart. De bouw van deze kampen duurde tot 1938. Tijdens de oorlog werden de nu nog bekende concentratiekampen gebouwd. In de Emslandkampen kwamen in eerste opzet politieke tegenstanders die in het hoogveen als dwangarbeider werden ingezet. De op het stationnetje in Ringe aangevoerde Russen werden in rijen doorgestuurd naar het kamp in Neugnadenfeld. Russen die de barre reis niet hadden overleefd werden op platte boerenkarren naar massagraven vervoerd. Ab Masselink uit Nieuw-Schoonebeek was hiervan ooggetuige. Albers schreef het boek Gevangen in het veen.

We fietsen langs het Alte Picardi Kanaal en bezoeken een kunstwerk dat Draaikolk heet. In draadstaal gevatte Bentheimer bouwstenen verbeelden een draaikolk. Als de Drentse geschiedenis (Spier 2019) zich herhaalt zal dit werk binnen enkele jaren instorten als gevolg van gebroken staaldraden door een gebrekkig fundament of vandalisme. We fietsen verder naar het stationnetje in Ringe waar Albers ons toespreekt. Na de lunch waarbij we naar een film kijken over de kampen, fietsen we door, geteisterd door onweer en slagregens, naar Neugnadenfeld. Het fietserslint blijft ternauwernood intact. Het scheelt weinig of er ontstaat in plaats van een historische een speurtocht met een veelkoppig monster. We bezoeken een massagraf van Russische krijgsgevangenen. Sobere stenen zonder namen.

Onderweg val ik van de ene in de andere verbazing. Waarom zijn er in Duitsland bijna geen infoborden over de kampen? Waarom kregen Franse krijgsgevangenen een betere behandeling dan de Russische? Waarom is van deze kampen bijna niets overgebleven? Waarom vertelden drie geschiedenisleraren op het Christelijk Lyceum Oostergo te Dokkum in de jaren zestig van de vorige eeuw mij hier niet over? Waarom vertonen peperdure en immense kunstwerken die alleen met infoborden te doorgronden zouden zijn en die voor de eeuwigheid bedoeld zouden moeten zijn, binnen een decennium al ingrijpende tekenen van verval? Waarom werd er zo weinig aandacht besteed aan de geluidskwaliteit van een instructieve amateurfilm die liefdevol wordt vertoond?

Oikofobie, Oikocredit, oikofilie

Dankzij Baudet weten we inmiddels wat oikofobie betekent. We kenden natuurlijk al Oikocredit (dat al jaren tussen de 0,55 en 1,0 % rendement oplevert). Graag voeg ik er oikofilie aan toe. In mijn regio, Klaas houd het klein, komt oikofilie veel voor. Een mooi voorbeeld zagen we deze week in een persbericht van de gemeente Coevorden.  Wethouder Jeroen Huizing zag met lede ogen aan dat de paasbulten dit jaar kleiner dan normaal zouden blijven vanwege een schaarste op het snoeitakkenfront. Vuurtjes stoken willen we allemaal. Zelf fakkelde ik, tot vorig jaar, zelfs tuinafval op. De wethouder zal ook van branden houden, schat ik. Royaal stelde hij voor dat de gemeente Coevorden snoeihout beschikbaar wil stellen aan paasbultbouwers. Paasvuren zijn een mooie traditie en er zijn hier kwade geesten genoeg die erom vragen met een vuurtje en rook verjaagd te worden. Wethouder Huizing licht zijn standpunt toe door te zeggen dat ‘de Randstad-elite’ zich te veel zou mengen in het Paasvuren-ja-paasvuren-nee-discours. De wettenhouder maakt hier gebruik van een veelgebruikte retorica-truc door kritische naturen een onecht label op te plakken, ook wel framen genoemd. Niet iedere kritische geest maakt deel uit van de Randstad-elite.

Paasvuren? Prima. Mooi voor de liefhebbers. Maar met de kennis van nu over het uitstoten van CO2 en de risico’s van overslaande brandjes (Scheveningen) zou je ook een pas op de plaats kunnen maken. Overdrijf de kunst van het stapelen zou ik zeggen en onderdrijf de drive een zo hoog en groot mogelijke bult te bouwen met alle risico’s en nadelen van dien. Zet gezelligheid voorop, een beetje als in het welpenvoetbal: meedoen is belangrijker dan winnen. Zo’n oikofiele, om niet te spreken van oikomaniakale houding van een gezagsdrager is ongepast. Of zien we hier een regiopoliticus van CDA-huize die vreest ingehaald te worden door oikofiele Forum-voor-democratie-politici? Straks krijgen we nog obesitas goedpratende fysiotherapeuten (een patatje joppiesaus laten we ons niet afpakken), huisartsen die het roken niet durven aanpakken (stoppen met roken is niet gemakkelijk, zie ik) of brandweercommandanten die dealen in vuurwerk….

Salomon Levy II, over echte ‘Salomonnen’ en meer

plaggenhut (een in de buurt van Zwaagwesteinde veel voorkomende woonvorm in de 18e eeuw)

(Getriggerd door het aangekondigde muziekspektakel ‘Het Kollumer Oproer’ over Salomon Levy <van 4 t/m 8 juli 2019 in Kollum>; met Syb van der Ploeg als Salomon Levy, ben ik even in mijn familiehistorie gaan kijken). Hoe zagen mijn voorouders van moeders kant eruit? Wordt dat ook beschreven door De Haan in Salomon Levy? Hoe zag de Noordoost-Friese wereld eruit eind 1700? Bij De Haan lezen we dat Zwaagwesteinde, een ventersdorp in de overgang van boerendorp naar heidedorp, zo’n 110 huizen ‘met een belastbare schoorsteen’ telde, waarvan 77 betaalvrijstelling hadden. In 1749 bestond de (beroeps)bevolking uit 17 arbeiders, 13 boeren, 5 weduwen, 4 karakteristieke heidelui, 4 handelslui, 3 schippers, 2 onbekende oude mensen, 1 spinbaas, 1 winkelier en 1 matroos. Slechts zes van de eenenvijftig huishoudens ontkwam aan de armoede (aldus H. De Haan in Salomon Levy). De Haan wordt na de secce beschrijving van gedocumenteerde informatie wat overmoedig als hij zich waagt aan subjectieve waarnemingen. Dat geeft hij ook zelf wel toe met: “….het is dansen op het slappe koord, maar laten we het proberen…” De Haan vervolgt met het inventariseren van Salomons eigenschappen: actief, vrijmoedig, intelligent, handelsgeest, spreekvaardigheid, toneeltalent, niet overmatig eerlijk, aanpassingsvermogen en zwerflust. Als Salomonachtige (sic!) beroepen worden, rekening houdende met de invloed van ingetrouwde partners,  genoemd: kooplieden, intellectuelen (gesproken wordt over een onderwijzeres, gemeentesecretaris en een dominee), politici, geldmagnaten, toneelspelers, enz. Het gaat nog verder.  Na een relativerend statement: ‘Zijn de afstammelingen van Salomon op het hoogtepunt van hun ontwikkeling (4e en 5e generatie) echte Salomonnen?’ De Haan durft het zelfs aan Salomons invloed op het uiterlijk van de Westereintsjers te beschrijven. De Sikkema’s (K. Sikkema sr. en K. Sikkema jr. in ‘Zwaagwesteinde, het ventersdorp op de Friese heide’) citerend, zegt hij: ‘Door vermenging van Salomons Joodse bloed met dat van de destijds al aanwezige zwerversbevolking zou een typisch ‘meng-ras’ zijn ontstaan.’ Het verenigt kenmerken van de Joodse koopman met die van de aan ontberingen gewende zwever. Let op, nu komt het: ‘Grote, forsgebouwde mensen treft men in Zwaagwesteinde niet aan, het haar is donker, soms zelfs rossig en donker is ook de huidskleur.’ De Sikkema’s: ‘… men herkent in de bruinogige krullebollen vaak nog onmiskenbaar de invloed van het volk van Israël.’ De kinderen van Salomon zouden zich vanwege hun bruine huidskleur ‘Bruinsma’ en later ook ‘De Bruin’ genoemd hebben.’ De Haan concludeert zonder op tegenspraak te rekenen: ‘Men kin dit sûnder mear oannimme.’

Ronald Hanson: De monogamie van de verstrengeling (kenniscafé Emmen 16 01 19, € 8,-)

Met professor Ronald Hanson (1976) die een lezing houdt over quantuminternet heeft het kenniscafé in Emmen weer bereikt wat kenniscafés goed maakt: een bedaagd publiek prikkelen met een uitdagend, complex verhaal. Dat Hanson een jonge spreker is met roots in Emmen (hij is opgegroeid in Emmerhout, was een leerling aan het Esdal College) maakt het extra interessant. Hanson studeerde in Groningen, Delft en California en is directeur van wetenschappelijk instituut QuTech. Dat kenniscafébezoekers de draad kwijtraken bij de antwoorden op vragen uit de zaal: dat hoort er allemaal bij. De zaal is voor 90 % bevolkt met jongens die 50 tot 70 jaar geleden ernstig leden onder de afwezigheid van internet.

Kundig manoeuvreert Hanson ons door de geschiedenis van het exact 50-jarig internet. Van de allereerste inlogpogingen in Stanford en Salt Lake City naar de ambitie om in 2020 een quantumverbinding in Amsterdam, Den Haag, Delft en Leiden te realiseren. Een doel van de quantumcomputer is het realiseren van complete privacy en 100% beveiliging. Ingewikkelde doelen komen voorbij. Bijvoorbeeld dat eigenschappen van elektronen verstrengeld blijven ongeacht de afstand, een beetje als een ouderwets huwelijk dus. Dichterbij dan we denken ligt de mogelijkheid diamanten te produceren die 100% puurder zijn dan de natuurlijk ontwikkelde varianten.

Hanson, met zijn ploeg medewerkers internationaal koploper wat de ontwikkelingen aangaat van het quantuminternet, gunt ons een inkijkje in de laboratoria van de TU in Delft. We maken kennis met de mogelijkheden van teleportatie van data in verstrengelingen. Het NOS-journaal maakte er destijds, in 2014, starring Rob Trip, een interessant item van. Over de verstrengelingen merkte Einstein al eens op: “Spukhafte Fernwirkung; das kann nicht sein.” Hanson zet ons weer met beide benen op de grond als hij uitlegt dat de quantum-ICT zijn oorsprong vond in het uit enen of nullen bestaande telraam. Het uiteindelijke doel: een computer maken die de beste supercomputers verslaat, ligt in het verschiet. Hansons enige faux pas is een ongepaste opmerking over een beroepsgroep die onmisbare kabelfaciliteiten voor laboratoria verzorgt.

Na de pauze wordt een serie vragen gesteld. Dan blijkt dat het nog niet eenvoudig is om ogenschijnlijk eenvoudige, concrete vragen zonder ingewikkelde, abstracte en breedvoerige uitstappen te beantwoorden. De zaal heeft alle begrip en praat gretig na over de monogamie van de verstrengeling.

Het Groot Dictee der Nederlandse Taal

Winnaars: Thérèse Major (links) en Dirkje Scholten (rechts)

Emmen, 15 december 2018. In Nederland zijn er 21 plaatsen waar met het Groot Dictee wordt meegeschreven in openbare bibliotheken. Emmen is de enige plaats in Drenthe waar die mogelijkheid wordt geboden aan wie maar wil. Zeven helden willen dat wel. De bibliotheek biedt een zaaltje aan met een uitstekende radio- en t.v.-verbinding. De landelijke uitzending met dicteevoorlezer Philip Freriks en dicteeschrijver Wim Daniëls wordt gestreamd. Juryvoorzitter Klaas van der Meulen, die de tekst vooraf heeft kunnen bestuderen, stelt de deelnemers gerust. “Dit gaat een revolutionaire aflevering worden,” stelt hij met enige overdrijving vast, “jullie verlaten dit pand straks met een goed gevoel.” Daniëls heeft deze week bij Pauw aangekondigd dat hij een trendbreuk gaat veroorzaken: weg met de pedanterie van de moeilijke woorden en op naar een gewoon dictee. Maakten de winnaars tot dit jaar gemakkelijk 7, 8 of 9 fouten, nu is het teruggebracht tot een schamele twee. Landelijk winnaar is Pieter van Diepen. Bij de nabespreking wordt duidelijk dat de vraag of woorden al dan niet aaneen worden geschreven (lente-uitjes naast coderoodwaarschuwingen, hiernaartoe naast gaan ervan uit) een lastige lastig blijft.  In Emmen zijn er

Jongste deelnemers: Babette Hilbrands en Chanel Menzen

twee deelnemers met slechts 12 fouten: Thérèse Major en Dirkje Scholten. Na een shoot-out wint Thérèse Major. Ter vergelijking: beiden maken vijf fouten minder dan Volkskrantredacteur Jean Pierre Geelen die zich 17 keer vergiste. Opvallend is dat er in Emmen twee jongeren meedoen: Babette Hilbrands (16) en Chanel Menzen (20). Ik durf te wedden dat het aantal deelnemers in Emmen volgend jaar zal zijn verdubbeld.

 

 

De dicteetekst: Een klimaatmaat

1
2018 is nog niet ten einde, maar gaat, wat er tot eind december ook gebeurt, sowieso diverse weerrecords breken.

2
Er was deze zomer een hittegolf die lokaal naar verluidt 29 dagen aanhield, een on-Nederlandse toestand, en in juni werd ’s nachts op de Veluwse vliegbasis Deelen, vlak bij Arnhem, een nachtrecord gemeten van 24,4 graden Celsius; zo’n temperatuur houdt je wakker, was de veelgehoorde klacht.

3
Uit de meteorologische trukendoos kwamen in juli tezamen circa 314 zonuren tevoorschijn, waartegenover een schamele 10 millimeter neerslag stond; de minuscule aardappels van dit jaar zijn er de wrange souvenirtjes van.

 

4
Sommigen ervaren de toegenomen warmte als een cadeautje, en gaan ervan uit dat er te zijner tijd met Kerstmis al krokussen en lente-uitjes zullen zijn en dat carnaval enigszins subtropisch wordt.

 

5
Anderen voorzien een flinke toename van het aantal coderoodwaarschuwingen, waarvan de betekenis meestal is: hoed u voor het weer; ze vrezen voor een klimaatdebacle, een sterk vergrote kans op catastrofes, met bijvoorbeeld tekortschietende dijken als het langdurig gehoosd heeft.

 

6
Een ongeruste weerhobbyist heeft onlangs op een A4’tje voor me uitgetekend, en ik geloof niet dat het nattevingerwerk was, wat er van de polen over zal blijven als de opwarming van de aarde doorgaat; en met die polen bedoelde hij niet de Polen die velen van ons kennen van hun schilder- en stukadoorwerk.

 

7
Iets van het Middellandse Zeeklimaat mag wat mij betreft gerust hiernaartoe komen, maar ik hoop toch ook nog weleens ‘It giet oan’ vanuit Friesland te mogen horen, waar ze naast het skûtsjesilen en het fierljeppen graag ook de Elfstedentocht in ere willen houden.

8
We lijken nochtans alleen nog ooit en masse naar Leeuwarden te kunnen afreizen voor het alom geprezen natuurijsfestijn als we beseffen dat het klimaat, in dit specifieke geval Koning Winter, ons alleen ter wille kan zijn als wij van onze kant het klimaat tegemoetkomen door een goede maat van het klimaat te worden, een klimaatmaat.

 

 

Uit zicht, CBK Emmen 14 april t/m 17 juni

Joyce Zwerver Slanted (metaal en transparant folie)

Als tentoonstellingmaker weet je dat bezoekers gillend wegrennen als ze het woord installatie horen. Toch durft Joost Slijpen van het CBK in Emmen het aan: Joyce Zwerver heeft speciaal voor het CBK in de kleine zaal een installatie gefixt. We zien een stuk of 5 à 6 kubusachtige constructies, ongeveer 2 x 2 x 2 meter, met smalle, witte, kunststof ribben die zijn bespannen met transparante huishoudfolie. Je kunt er omheen lopen. Afhankelijk van de hoeveelheid folie die is gebruikt kun je er eenvoudig doorheen kijken. Je zou er een speciaal gevoel bij kunnen krijgen, ik waan me in een plantenkas die na een storm provisorisch is hersteld.

Dankzij de expositie Uit Zicht, waarvan de opening door vijf handenvol bezoekers werd getrotseerd, ga ik een weekend tegemoet met meer vragen dan antwoorden. Als het CBK Met Uit Zicht bezoekers wil tergen, dan is de missie geslaagd. De begeleidende teksten stellen het incasseringsvermogen van kijkers op de proef, met archaïsche zinnen als: ‘Verf is geen middel om iets uit te beelden, maar verf is meer een doel op zich. Het poëtische werk vertraagt de blik van de toeschouwer. De toeschouwer wordt ook geprikkeld om ook naar zichzelf te kijken.’ Heb je in je verleden veel naar Koot en Bie gekeken, dan tovert je geheugen de typetjes tevoorschijn als dia’s op een klassiek projectorscherm, als verfspatten op een stofjas, als scherven op een museummuur.

Malou Cohen Sticky landscapes (kauwgum van de straat, metaal)

Ik probeer de diepere bedoeling van deze expo te begrijpen en meteen de erbij horende vragen te beantwoorden, wat kunst is, hoe duur kunstwerken mogen zijn, waarom in deze winkel geen prijzen te zien zijn, waarom schoonheid zijn plaats aan uitdaging heeft moeten afstaan, hoe het komt dat iemand gevonden scherven in een cultuurtempel als kunst durft te afficheren, waarom komen er weinig mensen bij de opening en meer. Joost Slijpen durft het aan in Zuidoost-Drenthe. Nog geen half jaar in dienst en hij exposeert spraakmakende, prikkelende kunst. Om met Malou Cohen te beginnen: deze jonge kunstenaar steekt kauwgum met een plamuurmes van de straat, plakt dat op een metalen plaatje en het CBK hangt het aan de muur en vraagt er € 280,- voor. Hetzelfde gebeurt met veelkleurige proppen op straat gevonden papier en platgereden ijzer. Het kleurige scherfje keramiek (€ 30,-) is van een ongekende kleurenpracht, dat dan weer wel. Om kijkers niet te provoceren hangen er geen prijskaartjes bij de voorwerpen, maar is er een lijst die opvraagbaar is.

Malou Cohen Come Back (papier van de straat)

Ik heb me weleens bevraagd of fotografie tot kunst gerekend moet worden. Stel je dezelfde vraag eens bij breiwerken die door een breimachine worden geproduceerd. Of kunstig op een draaiplateau gedraaide potten en vazen. Of op rommelmarkten ingekochte geborduurde werkjes die vervolgens achterstevoren naast elkaar worden gehangen naast een prijskaartje van, zeg maar € 17.500,-. Aan de fotografie van Berndnaut Smilde gingen zoveel artistieke en handvaardige handelingen vooraf dat daarover geen onzekerheid hoeft te bestaan.

Berndnaut Smilde

Het antwoord op de vraag wat kunst is hangt nauw samen met de vragen of het een allerindividueelste expressie is van een allerindividueelst gevoel, waar het wordt tentoongesteld, wat de waarde is, wie het heeft gemaakt, of het niveau van kunstnijverheid wordt overstegen en of het door kunstduiders wordt besnuffeld, beschreven, besproken en vooral: serieus genomen. Of er veel publiek komt kijken is niet zo belangrijk. In de zolderzaal van het CBK, de B-zaal, staat werk van wel honderd noordelijke keramisten. De waarde ervan fluctueert van € 12,50 – € 1.650,-. Van sommige stukken keramiek vraag ik me af of ze niet een verdieping lager, in de A-zaal dus, hadden moeten staan (en omgekeerd vraag ik me bij sommige stukken in de A-zaal af of ze niet naast de kapstok bij de receptie hadden gemoeten).

Naast de neiging publiek uit te dagen constateer ik een zekere luiheid bij het CBK. Zij provoceert trouwe bezoekers door binnen enkele jaren ouwe koeken op te dienen: de gefotografeerde wolken van Smilde (€ 7.500,-) zagen we hier eerder. Waarom dan nu weer in vredesnaam? Het blijven natuurlijk intrigerende werken: op meer dan ingenieuze wijze worden rookwolken in ruimtes met water bij elkaar gehouden en dan snel gefotografeerd, prachtig afgedrukt en aangeboden. De oplage is, vertelt Smilde, vijf of zes stuks. De laatste tijd is hij geobsedeerd door regenbogen, die op de kop, met een puntige driehoeksvorm worden afgebeeld in bebouwde landschappen.

Van Matthew Allen zijn niet zeer uitgesproken canvassen te zien ( à € 1.700,- ’t stuk) met kunstig gepolijst grafiet. En van Martijn Schuppers werken uit de periode 2015 – 2017: acryl, alkyd en olie op polyester canvassen (tussen € 9.000,- en € 12.000,-). Bij Schuppers zou, aldus de zalvende begeleidende tekst, verf meer een doel dan een middel zijn (sic!).

Voor de trouwe bezoeker resteert de intrigerende vraag wat deze vijf kunstenaars in Emmen bij elkaar brengt.

 

Identitijd, 7 feb – 8 april in CBK Emmen

De tentoonstelling ‘Identitijd’ toont werk van zo’n honderd kunstenaars uit Drenthe en Overijssel. De term grensoverschrijdend betekent hier dus provinciegrensoverschrijdend. Als ik verder lees, kom ik erachter dat in Emmen enkel Drentse kunstenaars grensoverschrijdend exposeren, dus meer een vorm van gemeentegrensoverschrijdend. De kunstwerken van gevorderden, studenten, amateurs en profi’s hangen en staan gebroederlijk en gezusterlijk naast elkander aan de muren in drie CBK-ruimtes. Tegen betaling van €40,- mochten de kunstenaars iets inbrengen, variërend van minuscule objecten tot joekels van triptieken. Toeschouwers betalen niets. De werken worden gejureerd door het publiek en door een vakjury, die, blijkens de begeleidende tekst, let op opvallendheid en bijzonderheid. Kwaliteit staat hier niet bij. De beste (bijzonderste/opvallendste) tien krijgen een masterclass aangeboden. Van vijf kunstenaars hangt een naamkaartje bij de werken. Die doen niet mee bij de jurering. Als je vaker in het CBK komt herken je vanzelf werk van bepaalde kunstenaars. Ik zie werk van anonieme amateurs naast werk van anonieme profi’s (waaronder een docent aan de AKE die ook in een Noord-Nederlands museum exposeert). Voor mijn gevoel wringt dat een beetje: een gloedvolle amateur in competitie met een beroeps. Maar soit. Ik maak enkele ronden en neem alles in me op. Ik zie een staalkaart aan kwaliteiten, technieken, materialen en vormen. Het begrip ‘kunst’ wordt hier breed genomen. Je kunt je natuurlijk afvragen of videoproducties en fotografie tot de beeldende kunst gerekend kunnen of moeten worden, maar hier mag het er allemaal bij, de grens wat nou wel of niet kunst is wordt in ieder geval overschreden.

Mijn top-zes:

Drieluik: Stamboom, Tijd, Woestijn; gemengde techniek

Op 6: Een drieluik genaamd (v.l.n.r.) Stamboom, Tijd, Woestijn; gemengde techniek;

 

 

 

 

Op 5: Neftis’3, 4 en 5; keramiek;

Neftis’ 3, 4 en 5; keramiek

 

 

 

 

 

Op 4: Autoband met klok; gemengde techniek;

gemengde techniek

 

 

 

 

 

Op 3: Meisje, IJsje; acryl

Meisje, IJsje; acryl

 

Op 2: Wia van Dijk: Levensringen; digiprint op digibond;

Wia van Dijk, Levensringen; digiprint op digibond

 

 

 

 

 

 

Op 1: Tussentijd; acryl

Tussentijd; acryl

 

Fryske Matthäus Passion, Drachten De Lawei 27 maart 2018

Wat is er mooier dan de Mattheus Passion in je moerstaal beluisteren? Misschien een weekend op een onbewoond eiland met Carola Schouten. Op dinsdag 27 maart laten we ons inpakken door de prachtige muziek van Bach, uitgevoerd door het Noord-Nederlands Concertkoor, meer dan een handvol solisten, het Noord-Nederlands Orkest, het Martini Jongenskoor uit Sneek en dat allemaal onder leiding van dirigent Reinhard Goebel. De Lawei is uitverkocht, zelfs meer dan uitverkocht. Omdat enkele vrijkaarthouders niet komen opdagen kunnen dubbelgeboekten alsnog een plaats krijgen. Voor mij is dit, ongetwijfeld dankzij het Fries, de beste Mattheus die ik tot nu toe hoorde, met de tangoversie van Jan Rot op de tweede of hoogstens derde plaats. De teksten zijn liefdevol en kundig vertaald.

Bezoekers in Drachten krijgen een programmaboekje uitgereikt waarin de zangers niet zijn vermeld. Jammer, deze zuinige onvolledigheid. Van de solisten en dirigent zijn mooie flatteuze jeugdfoto’s opgenomen. En dat brengt mij bij het enige manco van de Mattheus Passion. Over Bachs muziek, de teksten, de uitvoering door de zangers en musici niets dan lof. Er wordt altijd veel geredekaveld over de tempi in Bachs werk, godzijdank houdt dirigent Goebel de vaart er lekker in, dat houdt de zangers ook beter bij de Friese les. Helaas contrasteert het vlotte muziektempo met de presentatie. Die gooit ons een eeuw terug. Natuurlijk is de beroemde lijdensweg en kruisiging geen lolletje maar daartegenover staat dat de erop volgende wederopstanding toch een vorm van een happy end is.

We zien alle uitvoerende deelnemers in stemmig zwart. Klassieke muziek blijft liefhebbers met deze sombere verkleedpartij op een afstand houden. De leden van het jongenskoor niet natuurlijk, die lijken zoveel op engelen dat ze een wit overhemd mogen dragen. Als je goed kijkt zie je wat protestkleuren. De dirigent, de strengste van het geheel en dus iemand van wie je het niet zou verwachten, draagt een rode buikband die hem op een stierenvechter doet lijken en, what’s more, hij draagt rode sokken. Hij probeert nog wel om ze aan het zicht te onttrekken door heel foute ca 20 cm te lange broekspijpen, maar bij het voorjaarshupje dat hij maakt als hij de bok bespringt toont hij het rood, ongeveer als de blosjes op de dameswangen op de eerste twee rijen. Bas Maarten Koningsberger (die in de pauze alom Jeroen van Koningsbrugge wordt genoemd) draagt een longblazer en met zijn strenge looks heeft hij het uiterlijk van een 19e -eeuwse patriciër die het lachen is vergaan, maar graag zingt en dat bovendien verrekte goed kan. Sopraan Johannette Zomer toont een voorliefde voor een punky kapsel: prachtig die springerige dwarse lokken. Al met al is het een stijve boel op de planken en dat weerspiegelt zich in de zaal: oud, wit, stram, grijs, ingehouden is in de meerderheid, als SP’ers in Oss. Het zou zoveel luchtiger en aantrekkelijker en, inderdaad sexyer kunnen.

Slotkoor

De meeste musici, allen profi’s en koorzangers kunnen hun partij natuurlijk wel dromen. Dus waarom dan zo aanhoudend koekeloeren in de partituren? Weg ermee zou ik zeggen, vort met de papieren. Sommige koorzangers zijn zo papiervast dat ze zelfs bij door iedereen gekende passages hun ogen aan het papier vastnagelen als Jezus’ voeten aan het kruis. Musici klampen aan hun muziekstandaard als Kamerleden aan de katheder bij hun maidenspeech. Een uitzondering was Georg -Jezus – Gädker die, als hij niet zong, vrijmoedig doch met gekwelde blik de zaal in keek, alsof hij zijn nieuwste scharrel ontdekte die het met een ander aanlegde. Je zal zien dat wanneer er meer vanuit het hart en minder vanaf het papier wordt gespeeld, de muziek gaat winnen aan expressie, aan gevoel.

Het publiek moet bij de Passiemuziek zijn handen fijnknijpen omdat applaudisseren ‘not done’ is. Als je rondkijkt zie je bevroren mensen die niets liever willen dan meedeinen, meeneuriën en af en toe, vooral na de zoveelste geslaagde solo, eelt op de handen klappen. Maar men doet het niet. Het mag niet. De ongeschreven gedragscode luidt: sacraal, stijf, bevroren, ingehouden negentiende-eeuws, Als uiteindelijk na afloop dan een klaterend applaus klinkt, voelt dat als een bevrijdende, orgastische ontlading, maar aan de houding van de dirigent te zien komt het applaus te vroeg.

Neo Rauch Museum de Fundatie Zwolle 21 jan – 3 juni 2018

 Wat levert twintig jaar kwasten in voormalig Oost-Duitsland Neo Rauch, – Neue Leipziger Schule – op? Een expo in de Overijsselse provinciehoofdstad met 65 schilderijen die allegorische geschiedenissen vertellen, bijna alle geschilderd in bestorven kleuren, soms lomp, soms haarscherp, maar nooit gelikt als de eveneens grote en hedendaagse verhaalschilderijen van Stone Roberts (American Dream, Assen). Het zijn een soort zoekplaatjes geworden waarop je, er rustig voor staand, steeds meer ontdekt, zoals je, een boek van Tommy Wieringa of Jeroen Brouwers lezend, steeds meer vindt. Alles is los te zien maar samengeklonterd levert het meer op.  Directeur Ralph Keuning (gesteund door toezichthouder Rogier van Boxtel) had alles uit de kast gehaald om publiek te verleiden te komen. In tv-spots hoorde je hem dwingend “U moet komen!” roepen. Nu zal een deel van de bezoekers ongetwijfeld gehoorproblemen hebben, maar er zouden grenzen moeten zijn aan de marketingstrategie. Vooruit dan maar.

Wat schildert iemand die zijn psyche onderzoekt en de naar boven drijvende wanen, angsten, visioenen, gedachtenspinsels, dromen visualiseert? Precies dat biedt de expositie ‘Dromos’ van Rauch. Alsof je voor een werk van Jeroen Bosch staat. Alsof je de dromennachtboeken van een psychiaterbezoeker leest. Associatieve draden, heen en weer en weer heen flitsende cartooneske beeldverhalen waarin gedold wordt met perspectief, kleur en vorm. Het wordt druk, op het oog onsamenhangend, complex, gelaagd en verwarrend: kunst zoals kunst moet zijn. Aantrekkend en afstotend tegelijk. Bevestigend en contrasterend. Nooit rustig, braaf, toedekkend of lauwwarm. Je moet je afvragen of de wetenschap dat Rauch uit voormalig Oost-Duitsland komt, zichtbaar is. Tussen de oogharen door herken je wat ik industrieel-folkloristische historisch-angehauchte fantoompijn zou willen noemen. Na de horrorschilderijen van Jan Cremer in een vorige, zowel opzienbarende als saaie, expositie in Zwolle is de onmiskenbare kwaliteit en diversiteit van Rauch een plezante verademing.

Soms lijken de beeldverhalen onaf of tegennatuurlijk gemixt: we zien een door elkaar lopende schotel met als ingrediënten kermistaferelen, aangetaste natuur, religieuze dan wel communistische symboliek, maskerades in donker licht, Maria’s vermomd als mannenbroeders, gevleugelde gnomen, sombere tafelkleden onder oplichtende waxinelichtjes, musicerende blinden, draderig poepende hondachtigen met mannenkoppen, drilboren als microfonen als palingen als dolfijnen, verbogen spoorrails onder zware luchten, rokende schoorstenen, fotografische doorkijkjes op enkel-, heup-, knie- of schouderhoogte…. Kortom never a dull moment.

De expo wordt toegelicht met quasi-filosofische quatsch: ‘Also das Kunstwerk ist etwas, was man nicht wollen kann, sondern das geschieht. Man kann ja den Löwenzahn auch nict anbauen.’ Een paardenbloem vergelijken met een door mensenhanden gewrocht kunstwerk: hahaha.

In een begeleidende film zien we de kunstenaar in zijn atelier met het formaat van een fabriekshal zijn werk doen: de kwast in de hand die verstopt is in een lashandschoen.

(¹) Een dromos is een toegangsweg naar een tempel met aan weerszijden een rij sfinxen.