Oikofobie, Oikocredit, oikofilie

Dankzij Baudet weten we inmiddels wat oikofobie betekent. We kenden natuurlijk al Oikocredit (dat al jaren tussen de 0,55 en 1,0 % rendement oplevert). Graag voeg ik er oikofilie aan toe. In mijn regio, Klaas houd het klein, komt oikofilie veel voor. Een mooi voorbeeld zagen we deze week in een persbericht van de gemeente Coevorden.  Wethouder Jeroen Huizing zag met lede ogen aan dat de paasbulten dit jaar kleiner dan normaal zouden blijven vanwege een schaarste op het snoeitakkenfront. Vuurtjes stoken willen we allemaal. Zelf fakkelde ik, tot vorig jaar, zelfs tuinafval op. De wethouder zal ook van branden houden, schat ik. Royaal stelde hij voor dat de gemeente Coevorden snoeihout beschikbaar wil stellen aan paasbultbouwers. Paasvuren zijn een mooie traditie en er zijn hier kwade geesten genoeg die erom vragen met een vuurtje en rook verjaagd te worden. Wethouder Huizing licht zijn standpunt toe door te zeggen dat ‘de Randstad-elite’ zich te veel zou mengen in het Paasvuren-ja-paasvuren-nee-discours. De wettenhouder maakt hier gebruik van een veelgebruikte retorica-truc door kritische naturen een onecht label op te plakken, ook wel framen genoemd. Niet iedere kritische geest maakt deel uit van de Randstad-elite.

Paasvuren? Prima. Mooi voor de liefhebbers. Maar met de kennis van nu over het uitstoten van CO2 en de risico’s van overslaande brandjes (Scheveningen) zou je ook een pas op de plaats kunnen maken. Overdrijf de kunst van het stapelen zou ik zeggen en onderdrijf de drive een zo hoog en groot mogelijke bult te bouwen met alle risico’s en nadelen van dien. Zet gezelligheid voorop, een beetje als in het welpenvoetbal: meedoen is belangrijker dan winnen. Zo’n oikofiele, om niet te spreken van oikomaniakale houding van een gezagsdrager is ongepast. Of zien we hier een regiopoliticus van CDA-huize die vreest ingehaald te worden door oikofiele Forum-voor-democratie-politici? Straks krijgen we nog obesitas goedpratende fysiotherapeuten (een patatje joppiesaus laten we ons niet afpakken), huisartsen die het roken niet durven aanpakken (stoppen met roken is niet gemakkelijk, zie ik) of brandweercommandanten die dealen in vuurwerk….

Mano Bouzamour ‘De belofte van Pisa’

Het zit er allemaal in: analfabete ouders, een zoon die voor zijn moeder tolkt bij de dokter en vrijdagse haatpreken. Een overval op een AH-filiaal <met een bijl>, straatschoffies die met vijfhonderdeurobiljetten ijsjes kopen bij de Italiaan, naïeve politie en effectieve arrestatieteams. Rukken met links, onzekerheid over de techniek van vingeren en niet kunnen bidden met een stijve pik. Examenfraude, een overval op een geldtransport met een uzi en een granaatwerper, smerige sanitaire omstandigheden in de moskee van de lulkoekimam (sic!) en een in merkkleding helende Algerijnse kapper. Fietsters die met “Karren, kut,” worden begroet, zenuwachtig getrek aan achterstevoren gedragen rode Lacoste-petjes, ‘het zijn toch allemaal N.S.B.-ers’ als het over leraren gaat en Marokkaanse opa’s die aan polygamie, schotels en loeiharde Koranzenders doen. Op de achterflap staat dat ‘De belofte van Pisa’ is gebaseerd op de auteurs eigen leven. Marokkaanse moeders zijn kort, allemachtig dik en gehoofddoekt. Zusjes werken bij de A H hebben donkerbruine ogen en zijn ondeugend en meisjeskamers ruiken naar lavendel. Kortom: De Belofte van Pisa is een aaneenschakeling van stereotypen, clichés en plattitudes; als je ze allemaal aan elkaar rijgt door de eikels van de besneden hoofdstedelijke straatschoffies, dan heb je een groezelig doch lang lint, Van De Pijp naar de Arena en weer terug. Het boek heet een schelmenroman en doet erg denken aan Eus van Akyol.

Er is ook een andere kant in de roman. Die maakt het redelijk leesbaar voor een zonovergoten middag. De hoofdpersoon is een door geschiedenis en oorlogsverhalen geobsedeerde hard studerende leerling op het Hervormd Lyceum Zuid. Ook de liefde voor muziek komt, soms geforceerd, bovendrijven. De halfdove hoofdpersoon en zijn broer spelen piano op een g e s t o l e n vleugel.  De ik-persoon is liefhebber van gregoriaanse koormuziek en van Bach en hij en zijn broer spelen Canto Ostinato van Simeon Holt. Verdomd nog aan toe, hoe enkele eenvoudig (doch zeer ongeloofwaardig) uitgewerkte elementen een boek draaglijk kunnen maken. Ik zou zeggen: Lezen en vergelijken met ‘Eus van Özcan Akyol. En als je durft met ‘Je denkt dat het komt’ van Meindert Talma. Een mooier sfeerbeeld van Turkse, Marokkaanse en Friese invloeden is ondenkbaar.

 

De schreeuwende vrouw

Van onze verslaggever. Een kenniscafé was er al in Emmen. En vanaf nu, 18 september 2015, dus ook een cultureel café. De deuren van de bieb staan wijd open. Ik bedwing de lust naar binnen te fietsen. Gastvrouw/presentator Ellen Veenema verwelkomt bezoekers. Leuk, denk ik, zo kan het dus ook. Zeker zestig (laat ik voorzichtig schatten) mensen hebben gehoor gegeven aan de oproep via het filmhuis, de bibliotheek en enkele kranten. Even rond kijken. Niet alleen grijze kuiven deze keer, ik zie ook jongeren. Minimaal vier scribenten van het Dagblad van het Noorden. Drie van de vier hebben vanavond een klus. Nou, dat kan een mooi krantenstuk opleveren. Verder cultuurliefhebbers, waaronder maar liefst zeven (ex)gemeentedichters. De hoofdact is een interview met Zuidhorner Vierkant, directeur van Atlas. De door een redactiegroep voorbereide vragen geven Vierkant de gelegenheid iets van zijn culturele voorkeuren te tonen. Dat lukt prima: Bach, Debussy en Mulisch komen voorbij, maar ook voor mij onbekende muziekmakers. Met de cultuur zit het wel goed, denk ik. De vragen blijven leuk en vriendelijk en braaf. Het wordt dan ook een leuk interview. Maar ook een goed interview? Een heikel onderwerp blijft onbesproken. Krantenlezers weten dat Vierkant bij Martiniplaza is weggebonjourd omdat hij niet duidelijk was met cijfers. Theaterdirecteuren hoeven geen econoom of cijferfetisjist te zijn, maar onduidelijk en obscuur met getalletjes, mwaaah. Hoe kijkt hij er zelf op terug, vraag je je dan af en je hoopt dat hij de gelegenheid krijgt dingen op te helderen, te verduidelijken; iedereen verdient een tweede kans. Dat gebeurt helaas niet. Waarom blijft dit onbesproken? Het grote giswerk begint nu pas. Hoe was de benoemingsprocedure? Waren er meer kandidaten? Is Vierkant wel de eerste keus van Emmen? Was hij een koopje, het resultaat van intergemeentelijke handjeklap? Was het vermijden van de vraag naar het hoe en waarom van Vierkants vertrek uit Groningen een voorwaarde voor deelname aan ‘De schreeuwende vrouw’? Thuis word ik nieuwsgierig. Even googelen levert op dat Vierkant een exploitatietekort van bijna een miljoen voor de gemeente had verzwegen. Verzwijgers hebben iets tegen transparantie. In de culturele hoek wordt vaker gegoocheld met cijfers. Bezoekerscijfers, inkomsten, worden al te riant voorgesteld. Het was voor Vierkant goed geweest zijn kant van het verhaal te laten horen. Met een schone lei te kunnen beginnen in Emmen. Nu blijven de vragen knagen.

Na de pauze Bert Kampings mooie, eigenzinnige, stem en gitaar, een overactieve automatische deur, een bak nootjes op een stoel, Gerwin Groote die zijn column daadkrachtig met Shakespeare begint, een vrolijk rammelende trolley met lege flessen. Hé, ik zie een banier waarop vijf van de zes woorden goed gespeld zijn. Dan een discussie. Er wordt door een viertal deelnemers uit de theaterwereld (d’Ancona, Kluivers, Wink, Wortmann) gesproken over theater en het culturele klimaat in Zuidoost-Drenthe. Een mooi gesprek. De vrouwen doen het weer eens stukken beter dan de mannen. Kluivers ontvangt zelfs langdurig applaus. Soms neemt d’Ancona de rol van gespreksleider over. Waarom precies was er geen plaats voor Kluivers in het nieuwe Atlas-team? Samen omzetcijfers aanleveren is gemakkelijker dan het in je eentje moeten doen. Hoe komt het dat het Noord-Nederlands Toneel zo weinig publiek trekt? Waar ligt de grens voor het openhouden van subsidiestromen bij door het publiek genegeerde voorstellingen? ‘Als ik persoonlijk geraakt word,’ hoor ik, ‘dan is het, ook bij maar honderd bezoekers, goed.’ Mmmm. De happy few is al snel persoonlijk geraakt. Hoe komt het dat Shakespeare in Diever tweeëntwintig uitverkochte voorstellingen heeft? Waarom trekt het Aol Volk twaalf keer meer publiek in Emmen dan het NNT? Iemand spreekt serieus over een gebrek aan interactie tussen het publiek en acteurs. Werd er soms in slaap gevallen, gegaapt, niet of te zacht of op het verkeerde moment geklapt, gefloten, met witte zakdoekjes gewuifd, boe geroepen, met beugelflessen of tomaten gegooid? En ligt dat dan aan het publiek of aan de theatermakers? Daar heb je iets, denk ik. Wanneer theatermensen verwachten dat het publiek meer dient te interacteren ontstaat er al te gauw een curieus verwachtingspatroon waaraan moeilijk valt te voldoen.
Ik vergat een vrijwillige bijdrage te geven, realiseer ik me als ik met de fiets voor een stoplicht sta. Maar ja, entree betalen voor een café is nog niet mijn ding. Ik vertrek met meer vragen dan antwoorden en dat bevalt me.

Özcan Akyol

Elke waarheid heeft vele gezichten. In de Volkskrant van 2 januari 2014 schrijft Özcan Akyol dat geweld langs en binnen de lijnen van amateurvoetbalwedstrijden wordt veroorzaakt door ‘moedwillige sabotage van clubscheidsrechters’ en door ‘het slappe optreden van veel clubbesturen’. Bestuursleden zouden zelfs agressie en onsportiviteit cultiveren (sic). Dat is een gemakkelijke redenering. Akyol gaat voorbij aan de eigen verantwoordelijkheid van sporters. Een Fries spreekwoord luidt: ‘Je moet horen wie het zegt.’ Eens kijken wie hier aan het woord is. Akyol is auteur van Eus, een roman die overloopt van agressie tegen meisjes, vrouwen, onderwijzers/leraren, politie, werkgevers, reisleiders, buren, winkeliers, ambtenaren; de lijst is niet uitputtend. Het boek wordt een schelmenroman genoemd. Enkele citaten aangaande sportactiviteiten:
– p 51: “Met de zware ballen torpedeerden wij het andere geslacht. Ze moesten kapot. De meisjes smeekten om genade, maar wij waren doof voor hun smeekbedes.” “…één meisje raakte ik zelfs pontificaal in haar gezicht … dat het bloed uit haar snavel liep. Een tand had zich door haar lip geboord. …Kreupelend ging ze richting de uitgang.“ Met een uit de jatten van Ömer gegriste basketbal werd het meisje nogmaals gevloerd. “Nu krijste ze zo hard…” Enz.
– p.88: “Kareltje rochelde de tegenstander in zijn gezicht, onze aanvoerder deelde een elleboogstoot uit … Hij raakte de beste speler van die kakkers pontificaal op zijn rug.”
Het eerste citaat betreft een gymles, het tweede een voetbalwedstrijd.
Uiteraard is de auteur niet gelijk aan zijn romanpersonages. Maar romans worden gelezen. Lezers worden beïnvloed. En zeiden Tommy Wierenga en Maarten van Rossem (bij de presentatie van Arjen Lubachs ’IV’) niet al dat alles wat een schrijver schrijft autobiografisch is?
Akyol creëert in zijn boek een agressieve sfeer jegens spelleiders, toezichthouders, regelhandhavers. En het was in zo’n sfeer dat scheidsrechter Richard van Nieuwenhuizen in december 2012 werd doodgeschopt door vandalen. Tijdens een voetbalwedstrijd.

In uitzendingen van DWDD (29 oktober 2012) en Pauw & Witteman (18 februari 2013) werd de schrijver een kritiekloos podium geboden. Uitgebreid kon hij zijn boek promoten. Via e-mail heb ik geprobeerd te achterhalen of Van Nieuwkerk en Pauw & Witteman het boek van Akyol (helemaal) zelf hebben gelezen, of het aan hun redacties hebben overgelaten. Ik ontving geen antwoord.