In Memoriam

Je zus vertelt me dat je bent overleden. Ik leg net een foto aan de kant waarop je lachende kop staat. Raar hoe familiedraden kunnen lopen. Toevalligheden zijn als lijm in fotoboeken. Nog een lijmdraad: ik zit in een Zeeuwse periode en ben de Geheime Dagboeken van Hans Warren aan het herlezen. Van Warren weet ik veel meer dan van jou. Terug naar de foto: jij zit tussen je vader en moeder in, daarnaast je zus. Wij vieren onze eerste trouwdag. Jullie allevier een lach van oor tot oor. In onze familie is dat een bijzonderheid. Ik herinner me de dag dat je werd geboren. Mijn moeder riep het door de woonkamer, ik met mijn rug tegen een lauwe radiator bezig drie kilo aardappelen te schillen. Mijn tweelingbroer hoefde ze alleen te ontpitten en te verzuipen. “Oom Auke en tante Doet hebben er een zoon bij.” Als ik jouw naam hoor vraag ik of jij naar mij bent vernoemd. Mem speelt Kurt Waldheim: “Ek nei dy jonge, fansels ek nei dy.” Onze vaders waren broers. Tussen jou en mij zitten dus vier lijmdraden spermatozoïden. Jullie woonden in de hoofdstad. Je vader had een artistieke inslag. Bouwkundig tekenaars verhuizen van woonboot naar flat naar waterkadehuis. Jou herinner ik me als een van de broers uit de Kameleon: strohaar dat alle kanten oppiekt, actie, fiere jongenspraat, een sympathieke belhamel en de wereld in willen. Voor Friezen is Zeeland als Overijssel voor Arubanen. Een andere wereld. Wat hen bindt: water, een eigen draadjestaal en geloof in een verzonnen en aanbeden held die je later laat vallen als een hijskraan een basaltblok op een zompige dijk. Daarin verschilt de bijbel van de Kameleon. Als je een jaar of twaalf, dertien bent help ik, pas verhuisd naar de hoofdstad, je met de vervoeging van Engelse werkwoorden. Detail: waarom de paragraaf Engelse meervoudsvormen zo ver moet gaan dat zelfs de uitzondering – en achter ox is opgenomen, verbaast me tot vandaag. We lachen erom en roken een sigaret. Je ogen glinsteren als je praat over opgevoerde brommers en meiden in fietsenhokken. Kijk, daarover hadden ze het niet in die Kluitmanserie. Je helpt je vader die een glazen keukencocon in de woonkamer plaatst, je bent architect of niet. Natuurlijk verliezen we elkaar uit het oog als jij de liefde zoekt in Zeeland. Voor Friezen is zo’n stap niet alledaags. Je doet waar je goed in bent. Penitentiaire inrichtingen zie ik voor me. Gevuld met gedetineerden en mannen als jij. Dat leven meer is dan werken en de familyman spelen weet jij als de beste en de burgemeester laat via marionettendraden de koning zijn kunstje doen met een terecht eerbetoon aan jou. Niet voor iedereen is Zeeland louter voorspoed en geluk, daar weten Hans Warren, jij en de jouwen alles van. Als je vader doodgaat, Friezen huilen niet, spreek ik een dochter: wijs en ondernemend. In haar herken ik jou, waarom zou je klagen? Jij ziet er monter uit. De drieletterafkorting uit je voornaam heeft je in de tang. Je leven wordt geknepen. Ik denk aan een schroefdop die koolzuur tegenhoudt. De organist van dienst doet zijn best, maar vergeet een handvol klassiekers. Ouders moeten doodgaan voor hun kinderen. Vaders doen dat. Dat niet alle moeders zich aan die wetmatigheid houden is natuurlijk meer dan mooi.

De kerktelefoon


Voor het eerst luister ik, op afstand, mee met een rouwdienst. Het betreft een derdegraads familielid. Nee, preciezer: een tante. De organist speelt gezang veertien. Corona bespaart me een rit naar de rand van het land en ontsteelt me de mogelijkheid van een hernieuwde ontmoeting met verre familie. Geconcentreerd blijven luisteren valt me niet mee. Het luisterritueel doet me denken aan een luistertoets op school. Er zijn afleidingen te over. Zo probeer ik me een voorstelling te maken van de uitvaartleider of predikant: haar stem houdt het midden tussen de zakelijk/informatieve van een belastingtelefoonmedewerkster en de invoelende van een sociaal werkster. Het geluid kon beter en ik mis de beelden heel erg en de mogelijkheid lekker mee te zingen. Al multitaskend googel ik wat tijdens de saaie stukken en zo leer ik dat de architect van de kerk Ploeg-kunstenaar Reitsma was. Zijn kerkarchitectuur geldt als een belangrijk voorbeeld van de regionale vertaling van de expressionistische architectuur van de Amsterdamse School.

De overledene is al oud en hoge ouderdom maakt mijn verdriet lichter zoals het whisky lekkerder maakt. Wat me ontroert: de verhalen van enkele kleinkinderen. Deze tante was één van mijn zes tantes. Was ze mijn favoriete? Zij was een speciale tante. Ze was groot. Ze droeg lange, strakke rokken waarvan het zijritsje altijd op springen stond en crèmekleurige schoenen met een halfhoog hakje. Haar boezem deed me denken aan de billen van Asterix. Ze trok me wel eens op haar schoot en ik herinner me dat ik de harde jarretellesclips door de dunne stof van de rok voelde. Of me dat opwond weet ik niet meer. Wel had het mijn interesse. Tante verschoof onrustig op de stoel en had mijn belangstelling feilloos geregistreerd, voelde ik. Veel later, ik was ongeveer tienenhalf en zat bij de verspugers op school in de hoogste regionen en mijn inwonende oom had me al door de neus leren boeren, feliciteerde tante me. Ze had een kunstje verzonnen. De rijksdaalder had ze ingepakt. Een strak stuk plakband hield het papier bij elkaar. Ze droeg me, blijf bij mij heer neuriënd, op het geschenk met één hand uit te pakken. Ze wilde mij bezighouden, puur om mijn moeder te ontlasten. Die had genoeg drukte aan haar hoofd op een kinderverjaardag. Tante lachte samenzweerderig naar me. Terwijl mijn rechterhand bezig was de onmogelijke klus te klaren, vlijde ze mijn linkerhand op haar bovenbeen en wreef een beetje heen en weer totdat mijn hand de ijzeren clip voelde. Ze knipoogde onzichtbaar. Mijn tweelingbroer kon al wat blokfluiten en zette welgemoed De heer is mijn herder in.

Gouden Pijl – de voorbereiding

Ineke Stevens (Rensenpark Emmen)

Aschenputtel en Meeresluft

Het is Gouden-Pijl-tijd. In de voorbereiding op dit fietsevenement houdt onze fietsgroep zich gedeisd. We leven rustig als sluiswachters in Drenthe. We gaan vroeg naar bed. We herlezen 43 Wielerverhalen van Tim Krabbé en rusten tussen de middag als Grieken bij het belastingloket. We wandelen wat en houden de spieren soepel. We eten uitsluitend vis, kip en couscous en drinken niets dan rodebietensap, Radler en water. Elke dag vetten we de ketting in en checken we de derailleur en de stuurlinten. De poetslappendoos is als een make-upplank van Lindalezeressen: voor elk onderdeel een ander lapje. Sinds buik- en schaamhaar oncontroleerbaar door de fietskleding naar buiten steken zijn we maar gestopt met het scheren van de benen. Een week voor de GP jachten we nog even oostwaarts: de routecommissaris wil naar Meppen en Haren. Voor ons doen rijden we vlot. In Meppen pakken we de rijweg en tarten Audi’s met sjoemelsoftware door ons bij stoplichten voor hen op te stellen. Naast de Ems gaan we los. 28,5 wordt het. Hier geen Heiltjes 27 of Vertrouwen uit Urk of Grouw, maar binnenvaarttankers met in kleine letters BASF en namen als Aschenputtel en Meeresluft. Wanneer ik riet, bamboe en mais niet meer kan onderscheiden, kalmeren we en verlagen het tempo. De zonnebril maakt graslanden dorder dan in het echt. Maar toch nog groener dan in het voorjaar toen boeren met Round-up Koningsdag opleukten met meer oranje dan de feestelijkheden verdroegen. Wij blijven ons voorbereiden, als roomsen op het hiernamaals.

Vloeken in het stadion, van GVD via Knieschijf, Kutscheids naar HOMO!

Ik heb een seizoenskaart van FC Emmen. Samen met twee ouwe pikken, kameraden voor het leven, bezoek ik zoveel mogelijk thuiswedstrijden van oeze FC. Beide vrienden genoten een roomse opvoeding. De een is nog (zij het stuiptrekkend) praktizerend en de ander is los van het houtje maar dankzij een partner in het christelijk onderwijs nog wel verlijmd aan een dun geloofslijntje, een beetje als een cokesnuiver die nu zogenaamd genoeg heeft aan paddo’s. Zelf ben ik, voorbij het stadium van agnost, ietsist en ietsiepietsist avant la lettre al decennia atheïst, maar als ik weet dat gristenen meelezen voeg ik er vaak aan toe: met een C-waarde (¹) van 50. Als je in Noordoost-Friesland bent opgegroeid met Calvijn, een pragmatische grefo-vader en een doopsgezinde moeder, zondagsschool, catechisatie, bijbellezen na de warme maaltijd, één keer per week naar de kerk, christelijke scholen, dan krijg je een simpele vloek als godverdomme maar moeilijk over je lippen. De hoofdmeester vertelde dat het g-woord eigenlijk een gebed is tot zelfdestructie. Mwaaaah.

Achter ons zit een groepje Drentse mannen. Onder hen een installateur die op zondagmiddag dienst heeft (“Ja, in de meterkast linksboven de knop omdraaien, dat is de hoofdschakelaar en dan kun je XXXX bellen die straks nog even langskomt….”). Vanaf de wedstrijd tegen AZ klinkt achter ons veelvuldig GODVERDOMME, vanaf nu het G-woord, KNIESCHIJF, KUTSCHEIDS en vooral H O M O. Van deze vier stoort ons het ge-HOMO het meest. Na afloop, als we nog even de dyslexieperoblematiek van de Brigata Fanatico bespreken (ze maken in twee woorden evenveel fouten als de Hells Angels in hun naam), overleggen we wat we kunnen doen. Omdraaien en verontwaardigd “Ho ho,” brullen wordt het niet. Een principediscussie aangaan onder de wedstrijd ook niet. Kwaad worden zal hoogstens een fluim in de nek opleveren vrezen we en we hebben nog een hele competitie te gaan. Voorafgaand aan de wedstrijd tegen PEC Zwolle zegt mijn (nog) roomse kameraad: ”Ik heb het even nagezocht op de website van oeze FC: kwetsende spreekkoren zijn verboden. Als we het HOMO-geroep kwalificeren als uitlokking tot het beginnen van kwetsende spreekkoren, dan zijn we er.” De vriend met een vrouw in het christelijk MBO knikt instemmend en we praten verder over de effecten van het racefietsen op de kansen opa te worden.

Pas bij Emmen – NAC, bij Emmen – Fortuna was de installateur absent, draai ik me om en zeg, het is immers de week van de transgenderdiscussie, dat onderzoek heeft uitgewezen dat LHBT-jongeren zich hoogst onprettig en zelfs onveilig voelen bij LHBT-onvriendelijke uitroepen. En, voeg ik eraan toe, “Ik overweeg de laatste tijd zelf ook om homo te worden, enne …” Guess what? Het werkt. De volgende wedstrijden is het rustig. Als Feyenoord op bezoek is vraagt de installateur: “Mag ik nog één keer homo roepen?”

 

(¹) Tien jaar geleden presenteerde Trouw een Calvijn-test met behulp waarvan je je C-waarde distilleerde; vulde je alle gezondverstandvragen met gezond verstand in dan kwam je vanzelf op 50.

Salomon Levy (1750 – 1798)

plaggenhut (een in de buurt van Zwaagwesteinde veel voorkomende woonvorm in de 18e eeuw)

Salomon Levy  klinkt als een langharige, oudtestamentische baarddrager op versleten, rafelige sandalen die, gehuld in een witte jurk, als een transgender avant-la-lettre, op een platte steen ergens in een paradijselijke oase aan de rand van de woestijn, uitpuft na een jonge geit geslacht te hebben. De werkelijkheid is prozaïscher dan het zondagsschoolflanelbordbeeld van bijbelacteurs dat sinds mijn jeugd op mijn harde schijf is geëtst. S. Levy was een Hessische Jood die, via Paderborn, Münster, en enkele plaatsen in de provincie Groningen, in het Friese Zwaagwesteinde (nu: De Westereen) belandde en van wie de kop in 1798 werd afgehakt vanwege zijn rol bij het Kollumer Oproer. Dat ik (bijgezet onder lemma A1093d in Salomon Levy van H. de Haan) van hem afstam geeft een goed gevoel; wie wil nou niet van een ondernemende oproerleider met principes afstammen? Salomon Levy was getrouwd met Fokje Theunis uit Burum. In 1788 werd zoon Theunis geboren en het gezin verhuisde naar Zwaagwesteinde. Levy was van beroep slager en handelaar. In zijn vrije tijd stal hij eens enkele schapen. Tot een veroordeling leidde dit vergrijp niet. In 1795 werd hij veroordeeld tot een jaar tuchthuis wegens diefstal van ’51 ellen doek’.

Ondertussen zuchtten de Friezen onder het Franse juk als renpaarden onder berijders met obesitas en ‘Oranje boven’ roepen kon leiden tot een arrestatie. Dat overkwam boerenknecht Abele Reitses. Reitses werd opgesloten in het Rechthuis in Kollum.

Het rechthuis (rechts, foto: Sake Beerstra)

(In mijn Kollumer periode was in dit pand aan de Trekvaart een kruidenier gevestigd). Levy voerde een groep aan die Reitses wilde ontzetten. Hij zette een juridisch diender een degen op de borst en omdat hij slager was en dus precisiesnijder, wist hij wat deze actie kon lijden: Abel Reitses werd vrijgelaten. De volgende dag dwong Salomon Levy Kollumerzwagers zich aan te sluiten bij zijn groep ‘dreigende hun anders de kop te zullen kloven’ (dixit De Haan). Vanwege deze strapatsen werd Levy veroordeeld door het Leeuwarder Hof tot ‘van het leven ter dood gebracht te worden’. Zijn vrouw Fokje, nu weduwe, hertrouwde met arbeider Jacob Tjibbes de Haan en zij werd winkelierster. Zij overleed in 1839 in huis nr. 100 te Zwaagwesteinde.

Strepen

Of je hem een strepenfetisjist kan noemen is onbekend. Wel dat hij van strepen houdt. Hij twijfelt nog over zijn hipsterbaardje, wel of geen voren. Op een camping nabij Bilbao schiet hij ’s morgens in zijn blauwe Adidas sportbroek. De broek is veel te ruim. Tot ongeveer tien jaar geleden kocht hij, vitale zestiger, alles een maat te groot. Zijn vrouw, die lang in de psychiatrie heeft gewerkt, begrijpt hem nu eindelijk. Erboven een wat verschoten Adidas hemd. De strepen van het hemd lopen bijna door in die van de broek. Zijn zoon had hem weleens de suggestie gedaan zijn benen af te plakken met afplakband dat schilders zo graag gebruiken om zo een verticale natuurlijke en van schouder tot voet doorlopende belijning te maken. Scherts natuurlijk. Op de ongemakkelijke tafel voor hem ligt een bijna twee weken oude El País. Zijn Spaans stokt. Gulzig drinkt hij twee koffie. Op weg naar het toiletgebouw draagt hij fier zijn toilettas en een schone nieuwe onderbroek in zijn linkerhand en de bandhanddoek in de rechter. De onderbroek zoals altijd onder de toilettas. Ook houdt hij met de rechter de koordjes vast die uit de broeksband bungelen. Omdat ze straks toch weer los moeten kan ik ze net zo goed even vasthouden, is zijn idee. Behendig en met twee tegelijk neemt hij de traptreden. Zijn bovenbenen doen hun werk als cilinderzuigers. Wie dat niet gelooft mag ze betasten. Net voorbij de deurloze opening van de chemische stort, wordt hij aangeroepen door een vrouw. Het is een bloedmooie plattelands Française. Hij schat haar eind vijftig. Terwijl hij die schatting maakt realiseert hij zich dat ze dan waarschijnlijk eind zestig is. Of hij de uitgang naar la plage weet. Bij de receptie had ze wel een plattegrond gekregen, maar dit soort dingen haalt ze altijd door elkaar, vooral de laatste tijd. Iets in haar maakt dat hij haar wantrouwt. Hoe stom kan je zijn? Je ziet in de verte de schuimkoppen van de oceaan die wanhopig opgewonden en doelloos de scheiding tussen vloed en eb proberen te markeren. Wat is Frans toch een gemakkelijke taal. Gewoon even prendre vervoegen, dan een strategische keus maken tussen tu en vous en de r een beetje laten rollen. En vooral niet vergeten aan het eind van de zin je stem wat omhoog te laten gaan. Bij het woord links maakt hij zijn standaardgrap ‘de plaats waar het hart zit’. Ze kijkt hem niet begrijpend aan. Zeker iemand uit het noordoosten, denkt hij, die verstaan schoolfrans slecht. Omdat zijn sluitspier ongeduldig wordt neemt hij de handdoek over van rechts naar links en wijst naar de zee. Vol begrip en mededogen kijkt ze naar beneden waar de strepen van zijn afgegleden sportbroekje zonder effect naadloos proberen samen te smelten met de kleurige horizontalen van de Effio-sokken.

Halahaixiang (vervolg van Golden Wings)


“Ik mag jullie een nadoodgesprek aanbieden,” zegt Sjaakje Oerdedam via de telefoon. Ze zit in haar Volkswagen Jetta hoor ik. Het open raampje maakt een gierend geluid als ze over de nieuwe brug over de Krûme Ie nabij Burgum rijdt. Mijn Samsung heeft daar moeite mee. Sjaakje is huisarts van mijn overleden oudste zus.
“Oudste zus had een overlijdensrisicoverzekering die was uitgebreid met een extra module. In die module zitten twee nadoodgesprekken met maximaal twee naaste familieleden.” De Jetta, aan het janken te horen een TSI hybride, heeft zijn laatste beurt gemist, de versnelling kraakt.
Ik weet alles van Jetta’s maar van nadoodgesprekken heb ik nog nooit gehoord.
“Goed, dat lijkt mij wel wat,” zeg ik. Ik zet mijn telefoon op de luidspreker en ga door met het afplakken van strakke lijnen op een vierkant klein doek.
“Omdat jij destijds uitweidde over mijn taak als huisarts, wil ik bij voorkeur jou als gesprekspartner,” zegt Sjaakje vriendelijk. Op een inpalmende toon, zal ik later denken en in mijn dagboek noteren. “Kom maar alleen. Met zijn tweeën praten is wel zo gemakkelijk.”
“Goed,” zeg ik. Wat zou ze willen? denk ik. Negenenveertig tubes acrylverf staan op de kop voor me klaar.
“Wacht, ik parkeer even op een uitwijkhaven. In de kleine letters lees ik dat de nadoodgesprekken op een locatie naar keuze van de nabestaanden mogen worden gehouden,” zegt Sjaakje. Ik hoor dat ze de knisperende polisbladen op haar knieën uitspreidt. Ik hoor nog iets in haar stem, maar kan het niet zo snel thuisbrengen.
“Dat wordt dan aan de oever van de Leijen,” zeg ik. “Daar kwam oudste zus graag.” Na even denken voeg ik eraan toe: “Zou je dan van tevoren even willen googelen op huisartsenij in Halahaixiang? Dat is in Noord-China, niet ver van Qiqihar.”
Sjaakje Oerdedam klinkt niet in het minst verbaasd als ze mijn niet alledaagse verzoek hoort.
“Goed,” antwoordt Sjaakje. “China is hot de laatste tijd. Mijn collega onderhield me laatst over taoïsme. Kennis daarvan zou in discussies belangrijk kunnen zijn. Iets over een strakke en een gebogen, mee verende arm.”

Sjaakje is niet gek, denk ik. Gelukkig maar. Er zit niet een sticker met een vis achter op haar Jetta. Vissenstickers zijn een teken gods en Jetta’s worden veel gereden door gelovigen. Huisartsen met een vis kun je beter mijden. Gelovige dokters vertrouw ik niet en ziekenhuizen met grote kruisen op de daken, als magere antennes uit de vorige eeuw, evenmin. Op Sicilië in de vakantie oefen ik dagelijks zinnen waarmee ik naar een niet-gelovige dokter vraag.

Als ik mijn sandalen uitschop zie ik brede bruine strepen als afgeplakte lijnen op een nieuw doek. Ik zit in een geometrische periode. Sjaakje is tegenover mij komen zitten. Ze draagt een driekwart broek en een te vaak gewassen T-shirt. Dat ze aan thaiboksen doet had ik niet verwacht.
“Vroeger was het kaatsen en nu thaiboks ik dus. Nog niet zo lang hoor.”
Ik kijk naar haar armen en probeer mij haar voor te stellen als krabi-krabong vechter. Of liever als een verre nazaat daarvan. Had Sjinkie Knegt niet ook Chinese voorouders? Ze zweet. Haar oksels tonen ronde vlekken als kringen op een te vaak gebruikt biervilt. Toch ruikt ze niet verkeerd.

“Waar wil je het over hebben?” vraagt Sjaakje geroutineerd. Zij heeft duidelijk vaker een nadoodgesprek gevoerd.
“De huisartsenij en hoe die in Nederland is georganiseerd,” antwoord ik. “De perversie van de stuksmethode.” Ik hoor dat ik plechtig klink. Ik heb nagedacht. Ik wil het gesprek ten volle benutten. Niet weer dat onbevredigende gevoel achteraf dat ik meer en anders had willen zeggen.
Ik zie dat Sjaakje mij bestuderend aankijkt. Haar rechterwenkbrauw wat opgetrokken als een jonge Weimaraner die in onbekend gebied komt. Ze leunt voorover in mijn richting. De strandparasol geeft haar een lichtoranje kleur als ranja dat met te veel water is aangelengd.
“Dus niet over de dood van oudste zus?” constateert zij vragend. Van een jonge Weimaraner verandert ze in een oude.
Ik ga door zonder te reageren.
“Ik zou willen dat huisartsen zich aan de eed van Hippocrates houden. Of aan de artseneed van het NAV of de KNMG. Dat zij zich preventief meer bekommeren om de gezondheid van patiënten,” zeg ik. “Dat ze niet alleen in actie komen als er patiënten naar hen toekomen. Dat ze niet per handeling betaald worden.” Mijn stem klinkt gejaagd, hoor ik.
“In Noord-China schijnt een gebied te zijn waar dokters worden afgerekend op het aantal gezonde namen in hun kaartenbak. In de buurt van Halahaixiang, om meer precies te zijn.”
“Maar ik heb een drukke praktijk,” antwoordt Sjaakje stoïcijns.
“Ja, klopt,” zeg ik. “Maar dat komt omdat jij alle patiënten zomaar toelaat op je spreekuur.”
“Moet ik ze dan voorselecteren?” vraagt Sjaakje enigszins ongerust. Ik zie haar denken. Ze kijkt naar een surfer in de verte die met moeite blijft staan.
Sjaakje bestelt een Leffe Blond. Ik zie kleine barstjes in haar lippen. Pier brengt de glazen. Als Sjaakje zich ongegeneerd uitrekt komt haar navel vrij. Pluisjesvrij, zie ik.
“Jazeker,” antwoord ik. ”Hoogopgeleide patiënten die langskomen met kwaaltjes van niks zou je moeten weren. Zou jouw beroepsgroep moeten weren,” voeg ik er formeel aan toe.
“Wat noem jij kwaaltjes van niks?”
“Nou, gekneusde ribben, kalknagels, hoofdpijn, wratjes, verstuikte enkel, griep. De tijd die je daarmee overhoudt besteed je aan echt zieke patiënten.”

Sjaakje kijkt bedachtzaam voorbij een groepje zwemmers verderop in de Leijen. Een schuimrubberen drijfstaaf steekt omhoog als de Labellostick naast de bierglazen. Ik voel dat Sjaakje welwillend wil zijn. Ze vindt het nochtans moeilijk. Ze kijkt op haar horloge. In gezelschap op je horloge kijken is als smakken aan tafel. Zou naast misofonie iets als misoscopie bestaan, vraag ik me snel af. Zou precies passen in de trend van de hedendaagse klusjespsychologie, overweeg ik. Ik concentreer me weer op Sjaakje als een puber op de Franse juf.
“En dan die anderhalf duizend overbodige medische handelingen,” vervolg ik. “Die nalaten levert veel tijdwinst op.”
“Dat was een onderzoek onder specialisten en niet onder huisartsen,” zegt Sjaakje.
Sjaakje kijkt naar de oude verfvlekken op mijn elleboog.
“Zullen we de volgende keer over oudste zus’ dood praten?” vraagt ze niet onvriendelijk, “als jij het goed vindt.”

Golden Wings

“Hebben jullie nog vragen?” Huisarts Sjaakje Oerdedam zegt het op een toon als wil zij een compliment ontvangen. Soms heb je dat. Na een ingewikkelde klus moet er worden nabesproken, het liefst met een positieve twist. De gedachten zijn al bij een glas fris.
Oudste zus zegt niets. Ze ligt al een half uur in de kist. Sjaakje Oerdedam had de dood vastgesteld, nadat wij oudste zus de dood hadden zien inglijden. Nu is uitvaartverzorgster Sjoerdsje Praam bezig oudste zus wat op te knappen. Vier broers en jongste zus voelen zich eendrachtig rot en opgelucht. Dood is nooit mooi. Maar nu het achter de rug is, is het goed. Ja toch?
Sjaakje kijkt ons aan. Als een organist trekt ze ‘luchtig register’ open.
“Als er geen vragen meer zijn, dan ga ik maar eens,” concludeert ze voorbarig. Ze verlangt hevig naar de stoel van haar Volkswagen Jetta. Raampje open en…

“Waarom,” zo begin ik aarzelend, terwijl ik Sjoerdsje Praam negeer en de zijkant van Sjaakjes streepjesonderboek bestudeer, streepjes die duidelijker en kleurrijker worden naarmate Sjaakje schever op de stoel gaat zitten en haar billen dus meer onder spanning komen te staan, “waarom heb jij oudste zus nooit op de gevaren van roken gewezen?” Streepjes overdwars maken breed, denk ik tussen de bedrijven door. Ze had beter verticale streepjes kunnen kiezen. Of een minder doorschijnende rok, dat leidt ook minder af.
Tweelingbroer schrikt. Ik zie dat hij denkt: ‘godver, waar gaat hij nu weer heen?’ Oudste broer kijkt vertrouwend toe. Jongste zus en twee jongere broers kijken vol rust naar buiten, ze denken aan zwemmen, vliegeren en hardlopen. Overbuurvrouw Geartsje Schoenema loopt voorbij. Geartsje twijfelt zichtbaar. Een knikje of de hand opsteken? Als compromis kijkt Geartsje naar de nu bijna onfatsoenlijk uitbundige hortensia’s.

Sjaakje laat de hengsels van de dokterstas los en kijkt mij aan. “Alle mensen hebben een eigen verantwoordelijkheid. Oudste zus kende de gevaren. Ik heb een drukke praktijk.” Ze verschuift ten teken dat de eindevaluatie voorbij is. Ze moet nog een rapport schrijven. Haar rok trekt een beetje op. Kniekousen dwingen mij te blijven kijken. De ene is wat afgezakt en laat een diep spoor na, net onder de knie. Ik zie een oud, geribbeld, bleek litteken op d’r knieschijf. Sjaakje heeft vroeger gekaatst, weet ik.
Ik denk aan school. Tegen vijven lonkt de buitenlucht. De belangrijkste vragen worden aan het eind van de vergadering gelost. Iedereen wil naar zijn fiets.
Ik had het oudste zus een keer gevraagd. “Is je huisarts wel eens bij je langs geweest? Heeft Sjaakje Oerdedam je gewaarschuwd voor longkanker?”

In Ureterp is een huisarts die het dorp rookvrij wil maken. Ook een vrouw natuurlijk. Sommige dokters hebben goede initiatieven. Op de televisie komen twee felle kankerspecialisten voorbij die sigarettenfabrikanten de maat nemen. ‘Verdomme, ze gaan ze aanklagen,’ hoop ik hardop als ik zit te kijken. Sportverenigingen willen rookvrije kantines. Ziekenhuizen bepleiten asbakloze ingangen. Scholen combineren de strijd tegen de krimp met die tegen de sigaret.
Huisartsen hebben het druk. Dat weet ik wel. Mijn eigen huisarts had mij acht vrijdagochtenden laten terugkomen om mijn bloeddruk te laten meten door een physician’s assistant. “Het ziet er nu goed uit, maar kom toch nog maar een keer terug. Het is een momentopname.”

“Oudste zus heeft gymnasium gedaan. Daarna nog twee masters. Zij kende de gevaren van roken.”
Sjaakje staat nu naast haar stoel. De oude caféstoel heeft een scheur in de zitting. De stroeve metalen veer kan je behoorlijk raken, weet ik. Als de punt van de veer tussen je billen komt, ben je zuur. Vertel mij wat.
Als Sjaakje haar tas pakt, zie ik een streep blote rug. Een verschoten hemd kruipt naar boven als een schaduwstreep in de middagzon. De stoelleuning tekent lichte contouren op haar vel als een tatoeëerder hulplijntjes voor golden wings.

Mijn vroegste herinnering

Er broedde een merel in de oksel van de steenperenboom in de voortuin. De grote letters TOLLENAAR bladderden af van de betonnen dakrand van het bushokje. De vuilniswagen kwam de hoek van de Van Eysingalaan om en twee gemeentemannen sprongen van de treeplank om de vuilnisemmer leeg te gooien. In de woonkamer werd de verjaardag van beppe gevierd met ranja, vruchten op sap en voor de mannen een berenburg. Beppe was als altijd in het zwart gekleed en staarde naar buiten. Om haar hals feestelijke bloedkoralen. Wie wist waar haar gedachten waren gebleven nadat ze in Leeuwarden geshockt was? Het was half twaalf in de ochtend. Heit had de radio uitgedaan en stak een sigaar op. Niemand kon mooier een baan blauwe sigarenrook naar de symmetrische plafondvlakken zenden dan hij. Stemmen klonken, gelach. Maar ik zag niks. Ik hield mijn hoofd stijf geklemd tegen de hals van mem, mijn handen speelden achter haar nek met de sluiting van een kettinkje net onder de watergolven in mems haren. Ik rook mem. Een vleugje Nivea en een beetje eau de cologne.’Klonje,’ zeiden ze bij ons thuis. Ik speelde dat ik op mijn duim zoog. Lippen op elkaar en geconcentreerd mijn mond vacuüm zuigen, dat maakte zo’n apart geluid, vooral als je veel speeksel had. Mem speelde het spel mee, kietelde me en zei: ‘Tomme út de mûle.’ We gierden beiden van de lach als ze doorkreeg dat ik haar fopte. Bij mem op schoot zitten was het leukste wat er bestond. Het was niet een alledaagse traktatie, want ik moest haar schoot delen met Folkert, mijn tweelingbroer. Vaag herinnerde ik me dat we samen op mems schoot zaten, altijd met het hoofd naar mems borsten gekeerd en de ruggen naar de buitenwereld. Hoe oud ik was? Drieëneenhalf of zo? Vier?

Oom Piet vertelde het verhaal dat Folkert en ik, we waren twee, met een riem vastgebonden aan de tafelpoot op de pot zaten, hard werkend zindelijk te worden. Folkerts plas kwam altijd iets eerder en genereus schonk hij de helft in mijn potje. ‘Klear mem, klear,’ riepen we en dan waren we weer vrij. Aan het geklak hoorde ik dat heit mijn aandacht vroeg. Hij stak dan altijd beide delen van zijn kunstgebit naar buiten en maakte klakkende geluiden. Hij stak het sigarenbandje omhoog, een grote deze keer. De bandjes van bokjes stelden niets voor. Af en toe rinkelde de telefoon. Ietsje had de beurt vanochtend. Geroutineerd stond ze klanten te woord. Af en toe liep ze even naar het kantoor om iets op te zoeken. Pake en beppe uit Nes zouden pas ’s middags komen. Met een gulden. Boven het buffet zaten twee schuifdeurtjes naar de keuken. Ik hoorde Annie zingen en ik rook versgekookte appelmoes. Een heerlijke, zure geur. Borden en bestek werden achter het luik klaar gezet. Folkert hielp haar. Vanuit een ooghoek zag ik mijn dinky toy op het buffet staan. Een groene vrachtwagen op een zwart chassis met gele hekken. Een echt stuur achter de raampjes. Achter de hekken twee koeien. Swart-wyte, natuurlijk. De auto had, samen met een handvol pepernoten en een suikermuis verpakt gezeten in een afdroogdoek. De handdoek was natuurlijk voor mem. We vonden de schat op 6 december 1959, ’s morgens vroeg om half zes. Folkert en ik hadden amper een oog dicht gedaan. Folkert kreeg een raceauto. De hele morgen hadden we met de auto’s gespeeld op een wirwar van wegen die we van ingedroogde kastanjes hadden gemaakt. Onze knieën waren ruw van de kokosvloerbedekking. Als Annie om zeven uur benedenkwam, ruimden we de kastanjes weer op. Annie was op zes januari 1956 bij ons komen wonen, de dag na de geboorte van Folkert en mij. Ze had een eigen slaapkamer en werkte zes dagen in de week als hulp in de huishouding. Toen we een keer met haar naar de kleuterschool waren gelopen om zus Tjitske op te halen, dachten schoolkinderen dat zij onze mem was. We liepen langs fietsenmaker Van der Ploeg, die speciaal voor mem een verlengd bagagerek had gelast zodat Folkert en ik beiden achterop de fiets mee konden. Om de beurt mochten we de armen om mem slaan. Een vleugje Nivea, wat Sunlight.

Catechisatie

‘Doordat je de voorhuid over de eikel trekt en het dan weer snel terug schuift, ontstaat een prettig gevoel. Als je dat lang en snel genoeg volhoudt, ontstaat een ontlading, ook wel orgasme of klaarkomen genoemd. Maar als je besneden bent, is er wat van de voorhuid, zie plaatje 6c in § 4, weggesneden en als dat rafelig is afgewerkt, wordt aftrekken lastig, maar het kan nog wel hoor. De chirurg of vroeger de medicijnman, neemt de penis in zijn linkerhand, de zuster of dorpsoudste schuift de voorhuid iets op en knip, met de schaar of een scherpe steen wordt een stukje van de voorhuid weggesneden.’ Klas 1g van het Oostergo Lyceum in Dokkum luistert ademloos naar hun biologieleraar, meneer Germs, voor de Kollumers Harley-Frits. Meneer Germs vervolgt zijn route over lastig masturberen na de besnijdenis met informatie over de heilzame werking van vaseline of uierzalf die, mits niet te uitbundig aangewend, uitkomst biedt. De meisjes in de klas kijken met bewondering naar de jongens, die, zonder uitzondering, hun friemelende handen heel ver in de diepe broekzakken hebben verstopt. Meisjesbesnijdenissen werden nog niet genoemd in het biologieboek. En hup, daar gaat meneer Germs al weer verder met ejaculatio praecox en geslachtsziekten van a tot z in § 5.

De meesten van ons gingen vanaf hun twaalfde, net na de lagere school en na de laatste keer zondagsschool naar catechisatie. Op dinsdagavond zeven uur tot net voor achten in de consistoriekamer, achter de hervormde Maartenskerk aan de Voorstraat. Waar het precies goed voor was, wisten we niet. Onze ouders stelden er prijs op en het duurde maar zes maanden per jaar. Uiteindelijk, als je niet oppaste, leidde het tot belijdeniscathechisatie, maar zover is het niet gekomen. Dominee Dijkmeijer en zijn opvolger dominee Breeuwsma hadden de taak ons bij te praten over de Heidelbergse catechismus en gewoon over bijbelse en kerkelijke aangelegenheden. In feite was catechisatie een vervolg van de jongelingenvereniging. Dat was een club, vroeg in de avond, waar je, begeleid door vlotte vaders die ook voetbalden, kon knutselen, waar je uitbundig sinterklaas vierde en bij je kameraden een muis als cadeau bestelde en waar je leerde roken. Eenmaal per jaar gingen we met de jongelingenvereniging op kamp naar Ameland of Sellingen om kennis te maken met seksboekjes als Candy en Chick. De leiders van de jongelingenvereniging, naast voetballende vaders, vaak meesters van de lagere school, hadden, in samenspraak met enkele ouders, aangedrongen op een meer moderne aanpak van de catechisatie. Dat leidde ertoe dat we altijd vragen mochten stellen over dingen die ons bezig hielden. Vooral veel discussiëren over levensvragen was de bedoeling, dat zou de geesten scherpen. Vol vuur spraken we over Israel en kibboetsen; waarom god het beloofde land in zo’n dorre streek had gepland en niet in noordoost-Friesland; wat het verschil was tussen gereformeerd en christelijk gereformeerd; of je zwemmend in de Dode Zee niet op onsportieve manier aan je zwemdiploma kwam; waarom wel een gebod: eert uw vader en uw moeder, maar niet: eert uw kinderen; waarom in de bijbel, het boek van liefde, toch zoveel wordt gemoord, afgeslacht, gespietst, verbrijzeld, met de pest geslagen; of tongzoenen ook onkuis was; of het niet jaren zou duren als de ark van Noach echt met van alle dieren een tweetal gevuld werd; of Johnson een oorlogsmoordenaar genoemd mocht worden, rector Heukels en leraar Engels, meneer Van de Peppel van het Christelijk Lyceum in Dokkum hadden er immers schande van gesproken; of twee keer masturberen per dag was toegestaan; of er voor die arme katholieken een speciaal kamertje was aan de rand van de hemel omdat zij immers de brede weg bewandelden met die on-Bijbelse Mariaverering, een paus als opvolger van Petrus, en, het moest niet gekker worden, plaatsvervanger van JC, en dan ook nog allerlei gesneden beelden aanbaden; en hoe het toch kwam dat er, volgens de leraar maatschappijleer, geen grote Nederlandse schrijvers waren die zich christelijk noemden, tenminste volgens een radioreportage van de V.P.R.O.?

Op de fiets terug van Dokkum naar Kollum hadden we het besproken. Wietse, Andries, Anton uit Veenklooster, Johannes uit Westergeest, Rudi, Folkert en ik waren het erover eens. We zouden die suffe catechisatielessen wel eens opschudden en dominees kennis van besnijdenis testen. De meiden, inclusief Atsje, over wie ik later nog een gedicht zou schrijven, lieten we buiten het complot.

‘Dominee, in de bijbel staat dat jongens en mannen werden besneden, maar wat is dat eigenlijk? Bent u ook besneden? Waarom worden wij niet besneden? Worden vrouwen ook besneden? Is de bijslaap na besnijdenis nog wel lekker? Als je besneden bent en een kapotje gebruikt, voel je dan nog wel wat? De dominee begroef zijn handen diep in zijn broekzakken.