Vloeken in het stadion, van GVD via Knieschijf, Kutscheids naar HOMO!

Ik heb een seizoenskaart van FC Emmen. Samen met twee ouwe pikken, kameraden voor het leven, bezoek ik zoveel mogelijk thuiswedstrijden van oeze FC. Beide vrienden genoten een roomse opvoeding. De een is nog (zij het stuiptrekkend) praktizerend en de ander is los van het houtje maar dankzij een partner in het christelijk onderwijs nog wel verlijmd aan een dun geloofslijntje, een beetje als een cokesnuiver die nu zogenaamd genoeg heeft aan paddo’s. Zelf ben ik, voorbij het stadium van agnost, ietsist en ietsiepietsist avant la lettre al decennia atheïst, maar als ik weet dat gristenen meelezen voeg ik er vaak aan toe: met een C-waarde (¹) van 50. Als je in Noordoost-Friesland bent opgegroeid met Calvijn, een pragmatische grefo-vader en een doopsgezinde moeder, zondagsschool, catechisatie, bijbellezen na de warme maaltijd, één keer per week naar de kerk, christelijke scholen, dan krijg je een simpele vloek als godverdomme maar moeilijk over je lippen. De hoofdmeester vertelde dat het g-woord eigenlijk een gebed is tot zelfdestructie. Mwaaaah.

Achter ons zit een groepje Drentse mannen. Onder hen een installateur die op zondagmiddag dienst heeft (“Ja, in de meterkast linksboven de knop omdraaien, dat is de hoofdschakelaar en dan kun je XXXX bellen die straks nog even langskomt….”). Vanaf de wedstrijd tegen AZ klinkt achter ons veelvuldig GODVERDOMME, vanaf nu het G-woord, KNIESCHIJF, KUTSCHEIDS en vooral H O M O. Van deze vier stoort ons het ge-HOMO het meest. Na afloop, als we nog even de dyslexieperoblematiek van de Brigata Fanatico bespreken (ze maken in twee woorden evenveel fouten als de Hells Angels in hun naam), overleggen we wat we kunnen doen. Omdraaien en verontwaardigd “Ho ho,” brullen wordt het niet. Een principediscussie aangaan onder de wedstrijd ook niet. Kwaad worden zal hoogstens een fluim in de nek opleveren vrezen we en we hebben nog een hele competitie te gaan. Voorafgaand aan de wedstrijd tegen PEC Zwolle zegt mijn (nog) roomse kameraad: ”Ik heb het even nagezocht op de website van oeze FC: kwetsende spreekkoren zijn verboden. Als we het HOMO-geroep kwalificeren als uitlokking tot het beginnen van kwetsende spreekkoren, dan zijn we er.” De vriend met een vrouw in het christelijk MBO knikt instemmend en we praten verder over de effecten van het racefietsen op de kansen opa te worden.

Pas bij Emmen – NAC, bij Emmen – Fortuna was de installateur absent, draai ik me om en zeg, het is immers de week van de transgenderdiscussie, dat onderzoek heeft uitgewezen dat LHBT-jongeren zich hoogst onprettig en zelfs onveilig voelen bij LHBT-onvriendelijke uitroepen. En, voeg ik eraan toe, “Ik overweeg de laatste tijd zelf ook om homo te worden, enne …” Guess what? Het werkt. De volgende wedstrijden is het rustig. Als Feyenoord op bezoek is vraagt de installateur: “Mag ik nog één keer homo roepen?”

 

(¹) Tien jaar geleden presenteerde Trouw een Calvijn-test met behulp waarvan je je C-waarde distilleerde; vulde je alle gezondverstandvragen met gezond verstand in dan kwam je vanzelf op 50.

Salomon Levy (1750 – 1798)

plaggenhut (een in de buurt van Zwaagwesteinde veel voorkomende woonvorm in de 18e eeuw)

Salomon Levy  klinkt als een langharige, oudtestamentische baarddrager op versleten, rafelige sandalen die, gehuld in een witte jurk, als een transgender avant-la-lettre, op een platte steen ergens in een paradijselijke oase aan de rand van de woestijn, uitpuft na een jonge geit geslacht te hebben. De werkelijkheid is prozaïscher dan het zondagsschoolflanelbordbeeld van bijbelacteurs dat sinds mijn jeugd op mijn harde schijf is geëtst. S. Levy was een Hessische Jood die, via Paderborn, Münster, en enkele plaatsen in de provincie Groningen, in het Friese Zwaagwesteinde (nu: De Westereen) belandde en van wie de kop in 1798 werd afgehakt vanwege zijn rol bij het Kollumer Oproer. Dat ik (bijgezet onder lemma A1093d in Salomon Levy van H. de Haan) van hem afstam geeft een goed gevoel; wie wil nou niet van een ondernemende oproerleider met principes afstammen? Salomon Levy was getrouwd met Fokje Theunis uit Burum. In 1788 werd zoon Theunis geboren en het gezin verhuisde naar Zwaagwesteinde. Levy was van beroep slager en handelaar. In zijn vrije tijd stal hij eens enkele schapen. Tot een veroordeling leidde dit vergrijp niet. In 1795 werd hij veroordeeld tot een jaar tuchthuis wegens diefstal van ’51 ellen doek’.

Ondertussen zuchtten de Friezen onder het Franse juk als renpaarden onder berijders met obesitas en ‘Oranje boven’ roepen kon leiden tot een arrestatie. Dat overkwam boerenknecht Abele Reitses. Reitses werd opgesloten in het Rechthuis in Kollum.

Het rechthuis (rechts, foto: Sake Beerstra)

(In mijn Kollumer periode was in dit pand aan de Trekvaart een kruidenier gevestigd). Levy voerde een groep aan die Reitses wilde ontzetten. Hij zette een juridisch diender een degen op de borst en omdat hij slager was en dus precisiesnijder, wist hij wat deze actie kon lijden: Abel Reitses werd vrijgelaten. De volgende dag dwong Salomon Levy Kollumerzwagers zich aan te sluiten bij zijn groep ‘dreigende hun anders de kop te zullen kloven’ (dixit De Haan). Vanwege deze strapatsen werd Levy veroordeeld door het Leeuwarder Hof tot ‘van het leven ter dood gebracht te worden’. Zijn vrouw Fokje, nu weduwe, hertrouwde met arbeider Jacob Tjibbes de Haan en zij werd winkelierster. Zij overleed in 1839 in huis nr. 100 te Zwaagwesteinde.

Strepen

Of je hem een strepenfetisjist kan noemen is onbekend. Wel dat hij van strepen houdt. Hij twijfelt nog over zijn hipsterbaardje, wel of geen voren. Op een camping nabij Bilbao schiet hij ’s morgens in zijn blauwe Adidas sportbroek. De broek is veel te ruim. Tot ongeveer tien jaar geleden kocht hij, vitale zestiger, alles een maat te groot. Zijn vrouw, die lang in de psychiatrie heeft gewerkt, begrijpt hem nu eindelijk. Erboven een wat verschoten Adidas hemd. De strepen van het hemd lopen bijna door in die van de broek. Zijn zoon had hem weleens de suggestie gedaan zijn benen af te plakken met afplakband dat schilders zo graag gebruiken om zo een verticale natuurlijke en van schouder tot voet doorlopende belijning te maken. Scherts natuurlijk. Op de ongemakkelijke tafel voor hem ligt een bijna twee weken oude El País. Zijn Spaans stokt. Gulzig drinkt hij twee koffie. Op weg naar het toiletgebouw draagt hij fier zijn toilettas en een schone nieuwe onderbroek in zijn linkerhand en de bandhanddoek in de rechter. De onderbroek zoals altijd onder de toilettas. Ook houdt hij met de rechter de koordjes vast die uit de broeksband bungelen. Omdat ze straks toch weer los moeten kan ik ze net zo goed even vasthouden, is zijn idee. Behendig en met twee tegelijk neemt hij de traptreden. Zijn bovenbenen doen hun werk als cilinderzuigers. Wie dat niet gelooft mag ze betasten. Net voorbij de deurloze opening van de chemische stort, wordt hij aangeroepen door een vrouw. Het is een bloedmooie plattelands Française. Hij schat haar eind vijftig. Terwijl hij die schatting maakt realiseert hij zich dat ze dan waarschijnlijk eind zestig is. Of hij de uitgang naar la plage weet. Bij de receptie had ze wel een plattegrond gekregen, maar dit soort dingen haalt ze altijd door elkaar, vooral de laatste tijd. Iets in haar maakt dat hij haar wantrouwt. Hoe stom kan je zijn? Je ziet in de verte de schuimkoppen van de oceaan die wanhopig opgewonden en doelloos de scheiding tussen vloed en eb proberen te markeren. Wat is Frans toch een gemakkelijke taal. Gewoon even prendre vervoegen, dan een strategische keus maken tussen tu en vous en de r een beetje laten rollen. En vooral niet vergeten aan het eind van de zin je stem wat omhoog te laten gaan. Bij het woord links maakt hij zijn standaardgrap ‘de plaats waar het hart zit’. Ze kijkt hem niet begrijpend aan. Zeker iemand uit het noordoosten, denkt hij, die verstaan schoolfrans slecht. Omdat zijn sluitspier ongeduldig wordt neemt hij de handdoek over van rechts naar links en wijst naar de zee. Vol begrip en mededogen kijkt ze naar beneden waar de strepen van zijn afgegleden sportbroekje zonder effect naadloos proberen samen te smelten met de kleurige horizontalen van de Effio-sokken.

Halahaixiang (vervolg van Golden Wings)


“Ik mag jullie een nadoodgesprek aanbieden,” zegt Sjaakje Oerdedam via de telefoon. Ze zit in haar Volkswagen Jetta hoor ik. Het open raampje maakt een gierend geluid als ze over de nieuwe brug over de Krûme Ie nabij Burgum rijdt. Mijn Samsung heeft daar moeite mee. Sjaakje is huisarts van mijn overleden oudste zus.
“Oudste zus had een overlijdensrisicoverzekering die was uitgebreid met een extra module. In die module zitten twee nadoodgesprekken met maximaal twee naaste familieleden.” De Jetta, aan het janken te horen een TSI hybride, heeft zijn laatste beurt gemist, de versnelling kraakt.
Ik weet alles van Jetta’s maar van nadoodgesprekken heb ik nog nooit gehoord.
“Goed, dat lijkt mij wel wat,” zeg ik. Ik zet mijn telefoon op de luidspreker en ga door met het afplakken van strakke lijnen op een vierkant klein doek.
“Omdat jij destijds uitweidde over mijn taak als huisarts, wil ik bij voorkeur jou als gesprekspartner,” zegt Sjaakje vriendelijk. Op een inpalmende toon, zal ik later denken en in mijn dagboek noteren. “Kom maar alleen. Met zijn tweeën praten is wel zo gemakkelijk.”
“Goed,” zeg ik. Wat zou ze willen? denk ik. Negenenveertig tubes acrylverf staan op de kop voor me klaar.
“Wacht, ik parkeer even op een uitwijkhaven. In de kleine letters lees ik dat de nadoodgesprekken op een locatie naar keuze van de nabestaanden mogen worden gehouden,” zegt Sjaakje. Ik hoor dat ze de knisperende polisbladen op haar knieën uitspreidt. Ik hoor nog iets in haar stem, maar kan het niet zo snel thuisbrengen.
“Dat wordt dan aan de oever van de Leijen,” zeg ik. “Daar kwam oudste zus graag.” Na even denken voeg ik eraan toe: “Zou je dan van tevoren even willen googelen op huisartsenij in Halahaixiang? Dat is in Noord-China, niet ver van Qiqihar.”
Sjaakje Oerdedam klinkt niet in het minst verbaasd als ze mijn niet alledaagse verzoek hoort.
“Goed,” antwoordt Sjaakje. “China is hot de laatste tijd. Mijn collega onderhield me laatst over taoïsme. Kennis daarvan zou in discussies belangrijk kunnen zijn. Iets over een strakke en een gebogen, mee verende arm.”

Sjaakje is niet gek, denk ik. Gelukkig maar. Er zit niet een sticker met een vis achter op haar Jetta. Vissenstickers zijn een teken gods en Jetta’s worden veel gereden door gelovigen. Huisartsen met een vis kun je beter mijden. Gelovige dokters vertrouw ik niet en ziekenhuizen met grote kruisen op de daken, als magere antennes uit de vorige eeuw, evenmin. Op Sicilië in de vakantie oefen ik dagelijks zinnen waarmee ik naar een niet-gelovige dokter vraag.

Als ik mijn sandalen uitschop zie ik brede bruine strepen als afgeplakte lijnen op een nieuw doek. Ik zit in een geometrische periode. Sjaakje is tegenover mij komen zitten. Ze draagt een driekwart broek en een te vaak gewassen T-shirt. Dat ze aan thaiboksen doet had ik niet verwacht.
“Vroeger was het kaatsen en nu thaiboks ik dus. Nog niet zo lang hoor.”
Ik kijk naar haar armen en probeer mij haar voor te stellen als krabi-krabong vechter. Of liever als een verre nazaat daarvan. Had Sjinkie Knegt niet ook Chinese voorouders? Ze zweet. Haar oksels tonen ronde vlekken als kringen op een te vaak gebruikt biervilt. Toch ruikt ze niet verkeerd.

“Waar wil je het over hebben?” vraagt Sjaakje geroutineerd. Zij heeft duidelijk vaker een nadoodgesprek gevoerd.
“De huisartsenij en hoe die in Nederland is georganiseerd,” antwoord ik. “De perversie van de stuksmethode.” Ik hoor dat ik plechtig klink. Ik heb nagedacht. Ik wil het gesprek ten volle benutten. Niet weer dat onbevredigende gevoel achteraf dat ik meer en anders had willen zeggen.
Ik zie dat Sjaakje mij bestuderend aankijkt. Haar rechterwenkbrauw wat opgetrokken als een jonge Weimaraner die in onbekend gebied komt. Ze leunt voorover in mijn richting. De strandparasol geeft haar een lichtoranje kleur als ranja dat met te veel water is aangelengd.
“Dus niet over de dood van oudste zus?” constateert zij vragend. Van een jonge Weimaraner verandert ze in een oude.
Ik ga door zonder te reageren.
“Ik zou willen dat huisartsen zich aan de eed van Hippocrates houden. Of aan de artseneed van het NAV of de KNMG. Dat zij zich preventief meer bekommeren om de gezondheid van patiënten,” zeg ik. “Dat ze niet alleen in actie komen als er patiënten naar hen toekomen. Dat ze niet per handeling betaald worden.” Mijn stem klinkt gejaagd, hoor ik.
“In Noord-China schijnt een gebied te zijn waar dokters worden afgerekend op het aantal gezonde namen in hun kaartenbak. In de buurt van Halahaixiang, om meer precies te zijn.”
“Maar ik heb een drukke praktijk,” antwoordt Sjaakje stoïcijns.
“Ja, klopt,” zeg ik. “Maar dat komt omdat jij alle patiënten zomaar toelaat op je spreekuur.”
“Moet ik ze dan voorselecteren?” vraagt Sjaakje enigszins ongerust. Ik zie haar denken. Ze kijkt naar een surfer in de verte die met moeite blijft staan.
Sjaakje bestelt een Leffe Blond. Ik zie kleine barstjes in haar lippen. Pier brengt de glazen. Als Sjaakje zich ongegeneerd uitrekt komt haar navel vrij. Pluisjesvrij, zie ik.
“Jazeker,” antwoord ik. ”Hoogopgeleide patiënten die langskomen met kwaaltjes van niks zou je moeten weren. Zou jouw beroepsgroep moeten weren,” voeg ik er formeel aan toe.
“Wat noem jij kwaaltjes van niks?”
“Nou, gekneusde ribben, kalknagels, hoofdpijn, wratjes, verstuikte enkel, griep. De tijd die je daarmee overhoudt besteed je aan echt zieke patiënten.”

Sjaakje kijkt bedachtzaam voorbij een groepje zwemmers verderop in de Leijen. Een schuimrubberen drijfstaaf steekt omhoog als de Labellostick naast de bierglazen. Ik voel dat Sjaakje welwillend wil zijn. Ze vindt het nochtans moeilijk. Ze kijkt op haar horloge. In gezelschap op je horloge kijken is als smakken aan tafel. Zou naast misofonie iets als misoscopie bestaan, vraag ik me snel af. Zou precies passen in de trend van de hedendaagse klusjespsychologie, overweeg ik. Ik concentreer me weer op Sjaakje als een puber op de Franse juf.
“En dan die anderhalf duizend overbodige medische handelingen,” vervolg ik. “Die nalaten levert veel tijdwinst op.”
“Dat was een onderzoek onder specialisten en niet onder huisartsen,” zegt Sjaakje.
Sjaakje kijkt naar de oude verfvlekken op mijn elleboog.
“Zullen we de volgende keer over oudste zus’ dood praten?” vraagt ze niet onvriendelijk, “als jij het goed vindt.”

Golden Wings

“Hebben jullie nog vragen?” Huisarts Sjaakje Oerdedam zegt het op een toon als wil zij een compliment ontvangen. Soms heb je dat. Na een ingewikkelde klus moet er worden nabesproken, het liefst met een positieve twist. De gedachten zijn al bij een glas fris.
Oudste zus zegt niets. Ze ligt al een half uur in de kist. Sjaakje Oerdedam had de dood vastgesteld, nadat wij oudste zus de dood hadden zien inglijden. Nu is uitvaartverzorgster Sjoerdsje Praam bezig oudste zus wat op te knappen. Vier broers en jongste zus voelen zich eendrachtig rot en opgelucht. Dood is nooit mooi. Maar nu het achter de rug is, is het goed. Ja toch?
Sjaakje kijkt ons aan. Als een organist trekt ze ‘luchtig register’ open.
“Als er geen vragen meer zijn, dan ga ik maar eens,” concludeert ze voorbarig. Ze verlangt hevig naar de stoel van haar Volkswagen Jetta. Raampje open en…

“Waarom,” zo begin ik aarzelend, terwijl ik Sjoerdsje Praam negeer en de zijkant van Sjaakjes streepjesonderboek bestudeer, streepjes die duidelijker en kleurrijker worden naarmate Sjaakje schever op de stoel gaat zitten en haar billen dus meer onder spanning komen te staan, “waarom heb jij oudste zus nooit op de gevaren van roken gewezen?” Streepjes overdwars maken breed, denk ik tussen de bedrijven door. Ze had beter verticale streepjes kunnen kiezen. Of een minder doorschijnende rok, dat leidt ook minder af.
Tweelingbroer schrikt. Ik zie dat hij denkt: ‘godver, waar gaat hij nu weer heen?’ Oudste broer kijkt vertrouwend toe. Jongste zus en twee jongere broers kijken vol rust naar buiten, ze denken aan zwemmen, vliegeren en hardlopen. Overbuurvrouw Geartsje Schoenema loopt voorbij. Geartsje twijfelt zichtbaar. Een knikje of de hand opsteken? Als compromis kijkt Geartsje naar de nu bijna onfatsoenlijk uitbundige hortensia’s.

Sjaakje laat de hengsels van de dokterstas los en kijkt mij aan. “Alle mensen hebben een eigen verantwoordelijkheid. Oudste zus kende de gevaren. Ik heb een drukke praktijk.” Ze verschuift ten teken dat de eindevaluatie voorbij is. Ze moet nog een rapport schrijven. Haar rok trekt een beetje op. Kniekousen dwingen mij te blijven kijken. De ene is wat afgezakt en laat een diep spoor na, net onder de knie. Ik zie een oud, geribbeld, bleek litteken op d’r knieschijf. Sjaakje heeft vroeger gekaatst, weet ik.
Ik denk aan school. Tegen vijven lonkt de buitenlucht. De belangrijkste vragen worden aan het eind van de vergadering gelost. Iedereen wil naar zijn fiets.
Ik had het oudste zus een keer gevraagd. “Is je huisarts wel eens bij je langs geweest? Heeft Sjaakje Oerdedam je gewaarschuwd voor longkanker?”

In Ureterp is een huisarts die het dorp rookvrij wil maken. Ook een vrouw natuurlijk. Sommige dokters hebben goede initiatieven. Op de televisie komen twee felle kankerspecialisten voorbij die sigarettenfabrikanten de maat nemen. ‘Verdomme, ze gaan ze aanklagen,’ hoop ik hardop als ik zit te kijken. Sportverenigingen willen rookvrije kantines. Ziekenhuizen bepleiten asbakloze ingangen. Scholen combineren de strijd tegen de krimp met die tegen de sigaret.
Huisartsen hebben het druk. Dat weet ik wel. Mijn eigen huisarts had mij acht vrijdagochtenden laten terugkomen om mijn bloeddruk te laten meten door een physician’s assistant. “Het ziet er nu goed uit, maar kom toch nog maar een keer terug. Het is een momentopname.”

“Oudste zus heeft gymnasium gedaan. Daarna nog twee masters. Zij kende de gevaren van roken.”
Sjaakje staat nu naast haar stoel. De oude caféstoel heeft een scheur in de zitting. De stroeve metalen veer kan je behoorlijk raken, weet ik. Als de punt van de veer tussen je billen komt, ben je zuur. Vertel mij wat.
Als Sjaakje haar tas pakt, zie ik een streep blote rug. Een verschoten hemd kruipt naar boven als een schaduwstreep in de middagzon. De stoelleuning tekent lichte contouren op haar vel als een tatoeëerder hulplijntjes voor golden wings.

Mijn vroegste herinnering

Er broedde een merel in de oksel van de steenperenboom in de voortuin. De grote letters TOLLENAAR bladderden af van de betonnen dakrand van het bushokje. De vuilniswagen kwam de hoek van de Van Eysingalaan om en twee gemeentemannen sprongen van de treeplank om de vuilnisemmer leeg te gooien. In de woonkamer werd de verjaardag van beppe gevierd met ranja, vruchten op sap en voor de mannen een berenburg. Beppe was als altijd in het zwart gekleed en staarde naar buiten. Om haar hals feestelijke bloedkoralen. Wie wist waar haar gedachten waren gebleven nadat ze in Leeuwarden geshockt was? Het was half twaalf in de ochtend. Heit had de radio uitgedaan en stak een sigaar op. Niemand kon mooier een baan blauwe sigarenrook naar de symmetrische plafondvlakken zenden dan hij. Stemmen klonken, gelach. Maar ik zag niks. Ik hield mijn hoofd stijf geklemd tegen de hals van mem, mijn handen speelden achter haar nek met de sluiting van een kettinkje net onder de watergolven in mems haren. Ik rook mem. Een vleugje Nivea en een beetje eau de cologne.’Klonje,’ zeiden ze bij ons thuis. Ik speelde dat ik op mijn duim zoog. Lippen op elkaar en geconcentreerd mijn mond vacuüm zuigen, dat maakte zo’n apart geluid, vooral als je veel speeksel had. Mem speelde het spel mee, kietelde me en zei: ‘Tomme út de mûle.’ We gierden beiden van de lach als ze doorkreeg dat ik haar fopte. Bij mem op schoot zitten was het leukste wat er bestond. Het was niet een alledaagse traktatie, want ik moest haar schoot delen met Folkert, mijn tweelingbroer. Vaag herinnerde ik me dat we samen op mems schoot zaten, altijd met het hoofd naar mems borsten gekeerd en de ruggen naar de buitenwereld. Hoe oud ik was? Drieëneenhalf of zo? Vier?

Oom Piet vertelde het verhaal dat Folkert en ik, we waren twee, met een riem vastgebonden aan de tafelpoot op de pot zaten, hard werkend zindelijk te worden. Folkerts plas kwam altijd iets eerder en genereus schonk hij de helft in mijn potje. ‘Klear mem, klear,’ riepen we en dan waren we weer vrij. Aan het geklak hoorde ik dat heit mijn aandacht vroeg. Hij stak dan altijd beide delen van zijn kunstgebit naar buiten en maakte klakkende geluiden. Hij stak het sigarenbandje omhoog, een grote deze keer. De bandjes van bokjes stelden niets voor. Af en toe rinkelde de telefoon. Ietsje had de beurt vanochtend. Geroutineerd stond ze klanten te woord. Af en toe liep ze even naar het kantoor om iets op te zoeken. Pake en beppe uit Nes zouden pas ’s middags komen. Met een gulden. Boven het buffet zaten twee schuifdeurtjes naar de keuken. Ik hoorde Annie zingen en ik rook versgekookte appelmoes. Een heerlijke, zure geur. Borden en bestek werden achter het luik klaar gezet. Folkert hielp haar. Vanuit een ooghoek zag ik mijn dinky toy op het buffet staan. Een groene vrachtwagen op een zwart chassis met gele hekken. Een echt stuur achter de raampjes. Achter de hekken twee koeien. Swart-wyte, natuurlijk. De auto had, samen met een handvol pepernoten en een suikermuis verpakt gezeten in een afdroogdoek. De handdoek was natuurlijk voor mem. We vonden de schat op 6 december 1959, ’s morgens vroeg om half zes. Folkert en ik hadden amper een oog dicht gedaan. Folkert kreeg een raceauto. De hele morgen hadden we met de auto’s gespeeld op een wirwar van wegen die we van ingedroogde kastanjes hadden gemaakt. Onze knieën waren ruw van de kokosvloerbedekking. Als Annie om zeven uur benedenkwam, ruimden we de kastanjes weer op. Annie was op zes januari 1956 bij ons komen wonen, de dag na de geboorte van Folkert en mij. Ze had een eigen slaapkamer en werkte zes dagen in de week als hulp in de huishouding. Toen we een keer met haar naar de kleuterschool waren gelopen om zus Tjitske op te halen, dachten schoolkinderen dat zij onze mem was. We liepen langs fietsenmaker Van der Ploeg, die speciaal voor mem een verlengd bagagerek had gelast zodat Folkert en ik beiden achterop de fiets mee konden. Om de beurt mochten we de armen om mem slaan. Een vleugje Nivea, wat Sunlight.

Catechisatie

‘Doordat je de voorhuid over de eikel trekt en het dan weer snel terug schuift, ontstaat een prettig gevoel. Als je dat lang en snel genoeg volhoudt, ontstaat een ontlading, ook wel orgasme of klaarkomen genoemd. Maar als je besneden bent, is er wat van de voorhuid, zie plaatje 6c in § 4, weggesneden en als dat rafelig is afgewerkt, wordt aftrekken lastig, maar het kan nog wel hoor. De chirurg of vroeger de medicijnman, neemt de penis in zijn linkerhand, de zuster of dorpsoudste schuift de voorhuid iets op en knip, met de schaar of een scherpe steen wordt een stukje van de voorhuid weggesneden.’ Klas 1g van het Oostergo Lyceum in Dokkum luistert ademloos naar hun biologieleraar, meneer Germs, voor de Kollumers Harley-Frits. Meneer Germs vervolgt zijn route over lastig masturberen na de besnijdenis met informatie over de heilzame werking van vaseline of uierzalf die, mits niet te uitbundig aangewend, uitkomst biedt. De meisjes in de klas kijken met bewondering naar de jongens, die, zonder uitzondering, hun friemelende handen heel ver in de diepe broekzakken hebben verstopt. Meisjesbesnijdenissen werden nog niet genoemd in het biologieboek. En hup, daar gaat meneer Germs al weer verder met ejaculatio praecox en geslachtsziekten van a tot z in § 5.

De meesten van ons gingen vanaf hun twaalfde, net na de lagere school en na de laatste keer zondagsschool naar catechisatie. Op dinsdagavond zeven uur tot net voor achten in de consistoriekamer, achter de hervormde Maartenskerk aan de Voorstraat. Waar het precies goed voor was, wisten we niet. Onze ouders stelden er prijs op en het duurde maar zes maanden per jaar. Uiteindelijk, als je niet oppaste, leidde het tot belijdeniscathechisatie, maar zover is het niet gekomen. Dominee Dijkmeijer en zijn opvolger dominee Breeuwsma hadden de taak ons bij te praten over de Heidelbergse catechismus en gewoon over bijbelse en kerkelijke aangelegenheden. In feite was catechisatie een vervolg van de jongelingenvereniging. Dat was een club, vroeg in de avond, waar je, begeleid door vlotte vaders die ook voetbalden, kon knutselen, waar je uitbundig sinterklaas vierde en bij je kameraden een muis als cadeau bestelde en waar je leerde roken. Eenmaal per jaar gingen we met de jongelingenvereniging op kamp naar Ameland of Sellingen om kennis te maken met seksboekjes als Candy en Chick. De leiders van de jongelingenvereniging, naast voetballende vaders, vaak meesters van de lagere school, hadden, in samenspraak met enkele ouders, aangedrongen op een meer moderne aanpak van de catechisatie. Dat leidde ertoe dat we altijd vragen mochten stellen over dingen die ons bezig hielden. Vooral veel discussiëren over levensvragen was de bedoeling, dat zou de geesten scherpen. Vol vuur spraken we over Israel en kibboetsen; waarom god het beloofde land in zo’n dorre streek had gepland en niet in noordoost-Friesland; wat het verschil was tussen gereformeerd en christelijk gereformeerd; of je zwemmend in de Dode Zee niet op onsportieve manier aan je zwemdiploma kwam; waarom wel een gebod: eert uw vader en uw moeder, maar niet: eert uw kinderen; waarom in de bijbel, het boek van liefde, toch zoveel wordt gemoord, afgeslacht, gespietst, verbrijzeld, met de pest geslagen; of tongzoenen ook onkuis was; of het niet jaren zou duren als de ark van Noach echt met van alle dieren een tweetal gevuld werd; of Johnson een oorlogsmoordenaar genoemd mocht worden, rector Heukels en leraar Engels, meneer Van de Peppel van het Christelijk Lyceum in Dokkum hadden er immers schande van gesproken; of twee keer masturberen per dag was toegestaan; of er voor die arme katholieken een speciaal kamertje was aan de rand van de hemel omdat zij immers de brede weg bewandelden met die on-Bijbelse Mariaverering, een paus als opvolger van Petrus, en, het moest niet gekker worden, plaatsvervanger van JC, en dan ook nog allerlei gesneden beelden aanbaden; en hoe het toch kwam dat er, volgens de leraar maatschappijleer, geen grote Nederlandse schrijvers waren die zich christelijk noemden, tenminste volgens een radioreportage van de V.P.R.O.?

Op de fiets terug van Dokkum naar Kollum hadden we het besproken. Wietse, Andries, Anton uit Veenklooster, Johannes uit Westergeest, Rudi, Folkert en ik waren het erover eens. We zouden die suffe catechisatielessen wel eens opschudden en dominees kennis van besnijdenis testen. De meiden, inclusief Atsje, over wie ik later nog een gedicht zou schrijven, lieten we buiten het complot.

‘Dominee, in de bijbel staat dat jongens en mannen werden besneden, maar wat is dat eigenlijk? Bent u ook besneden? Waarom worden wij niet besneden? Worden vrouwen ook besneden? Is de bijslaap na besnijdenis nog wel lekker? Als je besneden bent en een kapotje gebruikt, voel je dan nog wel wat? De dominee begroef zijn handen diep in zijn broekzakken.

De riedende notoaris

Tot in de verre omtrek werd hij de riedende notoaris genoemd, Frits Bergman uit Ter Apel. Hij was ook notaris, maar nog liever was hij buschauffeur. En in zijn vrije tijd was hij buschauffeur. Samen met wat kameraden had hij achter zijn huis aan de Stationsstraat een afdak gebouwd. En daar stond hij te glimmen: een rode Scania uit 1961. De carrosserie was indertijd vanaf een frame chassis gebouwd door Jan Kiel. Op de flanken in sierlijke belettering het trade mark: De Zwaluw. Nog met een blauw nummerbord, schuiframen en een radio met bakelieten frontje. De stoelbekleding als nieuw, de bekleding geverfd op aanwijzingen van zijn opa, die zijn kennis had opgedaan van zijn vader, die ooit stoffenverver was; blauwvaarver heette dat hier. Een echte bus, een streekbus. Al zijn vrije tijd stak hij in zijn Scania. De wieldoppen glommen als manchetknopen, het mechaniek van de passagiersdeur draaide als de bierpomp op carnaval. Op hoogtijdagen stond Frits extra vroeg op en liet de diesel warm draaien. Toen hij zijn buurman vroeg of hij daar geen hinder van ondervond had die geantwoord: ‘Houlemoal nait, mien jong. Dou maor.’
Om half acht ’s morgens deed Frits de pet op, wreef de klep met een beetje spuug glanzend en hij was chauffeur. De hele dag lag voor hem, een dag met ritten naar en van het Boshuis, het klooster, langs het kanaal naar het winkelcentrum en dan verder, keren bij de R.S.G. Op deze dagen kon de successiewet hem gestolen worden, voorlopige koopaktes, huwelijkse voorwaarden, ingewikkelde testamenten, vot d’r met! De diesel snorde, geen rookpluim te bekennen. Rijden, optrekken, keren, met liefde de double clutch toepassen, wat, als het koppelingspedaal niet bleef hangen, zo’n machtig geluid maakte, als een bronstige leeuw. ‘Dubbelklutsen,’ zei Geert, zijn technische man. Geert was specialist doorsmeren. Geen nippel ontging hem. Wel even oppassen als hij met zijn vette overall binnenkwam om koffie te drinken. Geert had een smeerkuil gewild, maar daar had Frits’ vrouw gewiekst een stokje voor gestoken.
Met de Boeskoolmarkt reed Frits de hele dag. Topdagen! Westerwolde zijn gebied, met uitlopers naar Sellingen en Roswinkel. ‘Busrieder, woar gaist hin?’had een oude vrouw hem toegeroepen. Geduldig legde hij haar de route uit, en Frits neuriede’ Quo vadis, Scania Vabis.’ Hij kende zijn klassiekers. Frits keek alweer uit naar september, dan hadden ze het middeleeuwse feest bij het Klooster. Dan kon hij op twee dagen diensten rijden.
De wethouder had nog wel even raar opgekeken toen Frits hem het plan voorlegde om een busafdak achter huize Barkenkamp aan te leggen. ‘Met vloeistofdichte vloer,’had Frits er geruststellend bij gezegd, dus zonder risico van bodemvervuiling door weglekkende olie. ‘Dikke prima,’had de wethouder hem gezegd. Op Ter Apel waren ze gemoedelijk. Geen drukte om niks.
Af en toe kreeg Frits vragen voorgelegd over recht van overpad, of dat in de koopakte moest of over het onbekende artikel 67 uit de successiewet. Met veel plezier legde hij het uit. In de carnavalsperiode was het oppassen geblazen. Dan kreeg hij nog wel eens een dronken passagier. Op zich maakte hem dat niks uit, als ze maar niet op de stoelbekleding kotsten. Even stoppen naast het kanaal was gemakkelijk zat, ruimte genoeg. Tegen het eind van de ritten zwierven zijn gedachten naar vroeger, toen zijn vader het busbedrijf bestierde. De drukte in de garage, de dieselgeur en dat Frits de eerste rijlessen kreeg, hij was amper veertien. Verkoop van de zaak aan Sijpkes was een moeilijke beslissing, moar het was goud. Hij grinnikte als hij aan opa dacht. Van fietsenmaker naar fietsenfabrikant. ‘Wat Fongers kan, kan ik ook.’ Frits had de fietsemblemen nog. Kom, opletten, nait soezen, de kop d’r veur. De laatste rit. Straks de bus schoonmaken, met Geert de motor inspecteren, een rubbertje bij de motorkap vernieuwen en dan twee halve liters voordat hij met de vrouw nog even naar het feestterrein ging.

Mächteld

We fietsten langs de Trekvaart naar school in Dokkum in een cocon van mist. Het was alsof niet alleen onze adem, maar ook de uitgesproken woorden veilig landden in de vochtige, grijze, wattendeken van mistflarden. Veiligheid zorgt voor uitgelatenheid, zo weet ik nu.

‘En als het onweerde moesten we een kaars aansteken en dan achter elkaar aan door de gangen lopen en hardop bidden dat het niet zou inslaan.’ Haar stem klonk vrolijk en wij lagen krom van het lachen. Onze sturen haakten bijna in elkaar van het wiebelen. ‘En dan ook nog kaarsen, we droegen bij deze nachtelijke processie grote kaarsen.’

Natuurlijk wisten we wel dat roomsen rare dingen deden, maar internaatskinderen ’s nachts wakker maken als het onweerde, dat ging wel heel ver. Wat meespeelde was dat we Mächteld maar wat graag geloofden en gelijk gaven bij heikele kwesties. Mächteld was op haar vijftiende overgestapt van een katholiek internaat in Bolsward naar het christelijk lyceum Oostergo in Dokkum. Vergeleken met de roomse school in Bolsward was Oostergo een vrije school. ‘Maar zijn er dan geen gewone kinderen in het internaat?’ vroeg ik nieuwsgierig. ‘Wat bedoel je,’ vroeg Mächteld. ‘Nou ja, zoals wij, hervormden en grefo’s.’ ‘Tuurlijk niet, joh, daar zitten alleen katholieke kinderen.’ Mijn bewondering voor Oostergo groeide, daar zaten zelfs openbaren, die te lui waren om naar Leeuwarden te reizen. Niet iedereen was zo principieel als oom Jaap, die elke dag naar de openbare HBS in Leeuwarden reisde omdat hij niet naar de christelijke hbs in Dokkum wilde. De Heegers woonden aan de Oosterdiepswal in Kollum. Mächtelds vader, Eegje, van Egidius nam ik maar aan, was winkelier in confectiekleding. Het gezin Heeger was – bij mijn weten – het enige katholieke gezin in Kollum. Tot haar vijftiende hadden wij Mächteld zelfs nog nooit in het dorp gezien. Ze zat nu bij mij in de vierde klas en de fietstochten kregen direct een heel nieuwe lading. Het viel mijn moeder op dat ik steeds vroeger vertrok ’s morgens. De eerste op de startplaats deelde altijd de fietsgroep in. De groep fietsende jongens – gingen er behalve mijn zusters Tjjitske en Jelske eigenlijk wel meisjes naar het lyceum in Dokkum? – werd uitgebreid met een meisje. Natuurlijk waren de Kollumer kameraden en Johannes Wijbenga uit Oudwoude en Anton Boersma uit Veenklooster, die onderweg naar Dokkum aanhaakten, ergens tussen de melkfabriek van Huisternoord en Triemen, leuke gasten, maar tegen Mächteld konden ze niet op. Zoals zij kon lachen en schateren. De eerste tijd hielden we haar braaf uit de wind, maar na een week of twee kreeg ze ook kopwerk. Haar bruine haren dansten dan in de tegenwind, op haar bovenlip parelde zweet, haar donkere wenkbrauwen vormden één lijn en haar mond had een verbeten trek en als haar fietstas dan wat verzakte onder de verslapte snelbinders en ze die met haar hak rechtschoof, moest ze alles geven om vaart te houden. Maar ze flikte het en zo werd ze één van ons. Rooms of niet, we gingen van haar houden. We genoten van haar ongewone internaatsverhalen. Oude nonnen met kapjes op, in witte lange schorten, op mannenschoenen, die de slaapkamers controleerden. Verplichte bidsessies. Biechten. Maar wat kon zij dan hebben gedaan? De bescheiden, overzichtelijke, mores van Calvijn verbleekte bij dit regime. Helemaal niet gek dat ze graag meeging naar Oostergo. Als we er eens goed over nadachten, had ze gelijk met de overstap.

Toen ze een paar dagen achtereen niet op kwam dagen om half acht, voor het huis van dokter Roosdorp, bedachten we dat ze ziek was. Rudie Heins zou thuis een fruitmand fixen en dan gingen we ’s middags, net voor de voetbaltraining, op ziekenbezoek. Mächtelds moeder glimlachte toen ze ons vijven zag staan. Een crucifix in de gang gaapte me aan. En toen Mächteld eraan kwam en ons zag met die stomme fruitmand, schaterde ze van het lachen. ‘Even een paar snipperdagjes, meer niet.’ We dronken een kopje thee en vertelden sterke verhalen over school. Ondertussen werden we begluurd door een nog groter crucifix boven een deur.

Sjoerdsje Beintema

2003. Bredevoort was een rustplaats op onze tocht van Eijsden naar Sleen. Toen Maarten en ik door het centrum fietsten, herkende ik een auto uit mijn jeugd, een VW kever. Ik zag onmiddellijk dat het een 1100 was met ovale achterruit, daardoor ook wel ‘ovaaltje’ genoemd. Een gerestaureerd exemplaar, geen roest aan de voor mij zichtbare treeplank. Ook zag ik dat er iets met de chauffeur aan de hand was. De witte Volkswagen stond slordig geparkeerd op de stoep. Alsof kermismannen, die verderop bezig waren, hem hadden geduwd en hem daar hadden laten staan. Uit mijn ooghoeken zag ik dat de bestuurder morsdood was. Althans ik hoopte vurig dat hij dood was. Een lange, dikke, sliert glinsterend snot hing naar beneden als een gerafeld stuk elastiek. Ondanks dat hij dood was, zat de man rechtop. Dit type VW stond bekend om de goede bestuurderszit, herinnerde ik me. Bij mij thuis, vroeger, reed mem in de kever. Hij schakelde gemakkelijk en je zat altijd goed. Heit voelde meer voor de wat wegglijdende zit op de rode bank in de Zephyr.

Het voorhoofd van de dode man rustte op de bovenste rand van het stuur. Een grote, natte, vlek in zijn kruis. Ik besefte dat als ik maar een gering levensteken zag, ik in actie moest komen. Op de b.h.v.-cursus had ik niet voor niets alles over een stabiele zijligging geleerd en over hoe te reanimeren. Je mocht, als de situatie erom vroeg, eerst de mond schoonmaken voordat je met mond-op-mond-beademing begon. De b.h.v.-instructrice, Sjoerdsje Beintema, kon beeldend vertellen over braaksel op de lippen van mensen die onwel waren geworden en beademd dienden te worden. In die tijd waren er nog niet van die kunststof kapjes. ‘Maarten, fiets maar even alleen door, ik kom zo bij je, hier is iets aan de hand,’zei ik tegen Maarten. Hij begreep me en vroeg niet waarom. Ik smeet mijn fiets tegen een boom en rende naar de VW. Het hoofd was al iets verder weggezakt, de neus raakte de chromen beugel van de claxon die in dit type kevers diagonaal, als ware het een bliksemschicht, op het stuur was gemonteerd. De aanraking was echter zo licht dat de toeter niet klonk. In de kattenbak een grote pluchen hond met droeve ogen. Dat er een mevrouw uit het tehuis was komen lopen, merkte ik nu pas op. ‘Laat mij maar,’ zei ze monter en ze opende de autodeur. Wist zij al van de dode man? Had zij zijn dood voorzien? Hij zal zich niet goed hebben gevoeld en op weg zijn geweest naar de medische zorg van het tehuis, concludeerde ik snel. Misschien had hij zich telefonisch aangekondigd? ‘Bedankt,’ zei ze vriendelijk, ‘gaat u maar gerust verder.’ Ze glimlachte als iemand die dagelijks dode mannen uit VW-kevers verwijderde en handelde professioneel. Verderop zag ik Maarten naar me kijken. ‘Kom je nog?’ riep hij, ongeduldig, we zouden gaan zwemmen, weet je wel?’

Het was bloedheet. Zo warm dat de Nijmeegse wandelvierdaags de routes had ingekort. ‘Echte bikkels geven niet snel op,’ hield ik Maarten voor, ‘fietsen kan altijd, kijk maar naar de Tour de France, daar korten ze etappes ook niet in als de zon schijnt.’ Vooral veel drinken en goed eten. Toen al wist ik dat wilskracht een spier was die je kon trainen. Met gemak fietsten we de 380 kilometers van Eijsden naar Sleen in vier dagen. Op dikke-banden-fietsen.

Vooral die lange taaie, speekselsliert, bleef lang in mijn gedachten hangen. En als ik die verwijderd had, waarmee trouwens, had ik de oude man dan wel durven beademen? Als het Sjoerdsje Beintema was geweest wel. Dan had ik met een doordacht gebaar het beetje snot weggeveegd met mijn zakdoek, had ik haar neergevlijd onder de boom, naast mijn fiets en dan had ik haar weer tot leven gewekt. Ze zou hebben gelachen om de korreltjes van haar lipstick in mijn mondhoeken en verdwaasd hebben rondgekeken.
Maarten kon zwemmen als de beste. Met zijn drie of vier zwemdiploma’s hoefde ik hem niet steeds in de gaten te houden, dat deden een stuk of vier vakantie vierende meiden wel. Langzaam dutte ik wat weg op mijn handdoek op de zonneweide. De eigenaresse van het Vrienden-van-de-fiets-logeeradres, probeerde mij op mijn gemak te stellen. Natuurlijk was ik weer over de dode man begonnen. De dode man plakte aan mij als kauwgum onder een schoen.