De kist

Wie pake Diekstra (opa Dijkstra) precies was, geen idee. Er zijn families die ineens worden uitgebreid met extra leden, vaak mannen of vrouwen op leeftijd die het predikaat oom, tante of pake krijgen, soms in de vorm van een achtervoegsel, bijvoorbeeld Sietske-muoi, Pieter- of Jan-om. Zo hadden wij een extra opa, pake Diekstra genaamd, die pas de bouwval van mijn herinneringen binnentreedt vanaf zijn dood. Dood komt hij pas tot leven, zeg maar. Bij ons thuis werd niet moeilijk gedaan over de dood. Vaak werd de dood wat uit de buurt van de opgroeiende kinderen gehouden. Toen mijn eerste ‘werkgever’, boer Jelte Benedictus overleed, werd er met mij niet over gesproken, laat staan dat ik meeging naar de begrafenis. Vond ik dat erg? In het geheel niet. Een vlot bouwen in de sloot achter Filius, voetballen op het Edema-veldje, spelen met de afgehakte kippenpoten bij Jan-piek-Visser, jaloers kijken naar de brommers van Wietse Triemstra, gingen voor de dood.

Of werd de dood weggehouden om van ons eeuwige gevraag af te zijn? Pake Diekstra stierf toen wij vijf waren en Folkert en ik mochten mee om in de kist te kijken. Een kist? Kisten waren er voor aardappels, bloembollen en marinespullen van oom Piet… Zondagse broek aan, schoenen gepoetst, en snottebelvrij met mem op naar de kist, vier huizen verderop. Opgetogen pratend, flink door de plassen stampend, vergezelden we mem, die, net zo fier en trots op ons als wij op haar, ons maande niet zo vrolijk rond te kijken, want dat paste niet bij de kist. Buurman meneer Kronemeijer onderbrak zijn geschoffel even en monsterde ons. Mems donkergele jas met een zachte, zwarte kraag stond haar goed. Het gewatergolfde haar bleef deze keer extra lang goed zitten en van moeilijke voeten had ze geen last, hoewel dat best gekund had op halfhoge hakken. Dat er ook een beppe Diekstra was, dat weet ik wel, maar daar houdt mijn geheugen op. Ze was zeker niet interessant, want ze mocht niet in de kist. Wijzelf trouwens ook niet. ‘Nog lang net,’ verzekerde mem ons. ‘En ús eigen beppe dan?’ hielden we aan. Die ook niet, hoewel dat misschien niet heel lang zou duren, want die was immers ook al oud en zij werd geshockt in Franeker. En pake Klaas, die had de kistperiode al lang achter zich, zelfs zo lang dat wij hem er nooit in hebben kunnen zien. Na Kronemeijer kwamen Nicolai, Hofstede voor al uw verzekeringen, de Opel Manta pas gewassen op de oprit, en Jelle-pingel-Van der Meulen, organist en muziekleraar en nog later gids in het gebied waar het Lauwersmeer zou komen. Jelle droeg een artistiekerige alpinopet. Dat Jelle niet stokoud zou worden, wisten we toen nog niet. Ook niet dat Jelle en de zijnen Folkert en mij zou selecteren om vooraan te lopen in het stoetje bij de heropening van de Maartenskerk na een jarenlange restauratie. We droegen samen de statenbijbel en zongen een variant op Bachs Komm Jesu, komm zu deiner Kirche en na afgifte van de zware last een tekst van ds. Dijkmeijer op de melodie van Jesu bleibet meine Freude.

Er waren nog twee volwassenen in de voorkamer, achter de twee schuifdeuren met rechthoekige glas-in-lood-raampjes. Tevredenheid had de plaats van verdriet overgenomen. En daar stond hij. Een lichtbruine, dichte kist met een geborduurd kleedje erbovenop. Heel anders dan de aardappelkisten. Een kaars brandde, de druppels kaarsvet die zo’n tintelend gevoel op je nagels konden geven, of waar je zo lekker met een lucifershoutje in kon prikken, roken net zo lekker als thuis. Een bosje dahlia’s, die heit gisteren had gebracht, op een tafeltje. Een mevrouw die een vlekvrij schort droeg, was klaar voor ons, ze had een stoof naast de kist gezet. Ik mocht eerst, dat hadden we afgesproken, dan mocht Folkert de appelmoespan uitlikken. Terwijl mem zo luchtig mogelijk fluisterde met een man die in een hoek op een stoel bleef zitten, klom ik op de stoof. Mijn handen op een ruitvormig raampje. Allereerst zag ik gerimpelde witte stof, de bekleding in de kist. Dan een driedelig pak, het bovenste deel van een stropdas en een stoppelkin. Wilde ik verder kijken moest ik me wat ophijsen, maar daarvoor boden mijn vlakke handen op het geruite raampje me te weinig grip. Ze gleden weg. Mijn tenen deden pijn. Mem zag me worstelen en tilde me op zodat pake Diekstra in volle glorie zichtbaar werd. Op zijn hoofd donkere aders. Hij had zijn bril nog op, maar zijn gebit niet in, dat had ik in een doosje naast de dahlia’s zien liggen. Maar zijn ogen, zijn ogen waren dicht. Mooi vond ik het. De kist viel niet tegen. Mijn ogen gingen van zijn kalende hoofd tot zo diep mogelijk naar rechts in de duistere ruimte in de kist. Verder dan de broeksriem kwam ik niet. Ik voelde mems handen verslappen en nu mocht Folkert.

W(-a²)=v

‘Als we de kerkdienst laten schieten, kunnen we nog wel even over het dijkje naar de molen in Tochmalân lopen,’ zei heit tegen mem. ‘Er is avondmaal en dat gaat lang duren.’Met dit soort aantrekkelijke keuzes kregen mijn ouders ons kinderen wel mee. Jelske, Piet, Tjitske en Folkert en ik deden laarzen aan en stonden al klaar. Mem stak een rolletje pepermunt bij zich. Heit likte nog een enveloppe dicht. ‘Voor Benedictus,’ legde hij uit, ‘die krijgt binnenkort belastinginspecteur Valkema op bezoek.’ Via de Van Scheltingalaan naar de Voorstraat en dan langs een paadje naast loodgieter Huizinga, naar de weilanden. Het was aan het eind van de zomer. Piet, Folkert en ik gingen slootje springen. Oppassen voor een nat pak, natte laarzen waren een ramp. Heit deed voor hoe je van rietbladeren een scheepje maakte. We hoorden heit en mem over beppe Jelske praten en ‘dat het zo eigenlijk niet meer ging’. Mem leerde ons dat ‘bûnte liuw’ en strânljip’ beide scholekster betekenen. Later legde Jelske aan Piet uit wie Golda Meir was en dat het koninklijk huis van Friezen afstamde. Voorbij het grote hek, waar we over klommen, was een weiland waarin een stier stond. Een grote, zwartbonte, fokstier, met een ring door de neus. Deze keer stond hij vast aan een ketting. Gek genoeg had niemand angst voor de stier. Tjitske en Jelske liepen wat harder, meer niet. Heit en mem droegen hun zondagse schoenen. Heit was door een koeienvlaai gelopen. Soms kon je de versheid van de poep niet inschatten. Het droge, donkere, vel over de vlaai was bedrieglijk. Folkert leende heit zijn zakdoek even. Mem mopperde, maar bleef glimlachen, haar grijze gewatergolfde krullen werden door de wind in model gehouden. ‘Wie het eerst bij de molen is krijgt een pepermunt,’zei mem en weg waren we. Wij begrepen heel goed dat heit en mem ook weleens rustig samen wilden praten. Beppe Jelske moest misschien in Franeker worden opgenomen. Piet won de hardloopwedstrijd vaak, maar deze keer zat Folkert hem op de hielen. Als Tjitske rietkragen zag, begon ze over eendenkorven. Jelske moest plassen. ‘Even pisje,’zei ze. Tjitske ging mee. Ondertussen deden we allemaal moeite om zo lang mogelijk op het pepermuntje te zuigen. De winnaar kon op een tweede rekenen. Folkert speelde soms vals en bewaarde het snoepje in zijn zakdoek. Ik vond dat niet altijd eerlijk. Was je ergens toevallig goed in, kreeg je iets extra. ‘Je moet je talenten voor je laten werken,’ zei mem dan. Bij de molen staken we de Dwarsryd over en liepen over een dijkje naar de boerderij van Benedictus. Boer Jelte en boerin Wietske Benedictus woonden vlakbij een brug over de Sylster Ryd, die Tilhouten werd genoemd. Hun boerderij heette heel deftig Phaesmazathe. Op hun vijfentwintigjarig huwelijksjubileum was Jelte tot burgemeester van Tilhouten benoemd, compleet met burgemeesterketting. Boer Benedictus hield niet van wandelen. Wandelen was weliswaar twee keer zo actief als vissen en zonnebaden, zoals Jan met een formule toelichtte, maar verder, ledigheid. In de bijbel wordt ook niet gewandeld. Jan wilde later scheikundeleraar worden en oefende veel met formules: W(-a²)=v.

Ik was gek op de boerderij, op de geuren, de werktuigen, de koeien, het licht, de paarden, het hooi, de poepspetters op de witgekalkte muren, kortom op alles. Ik mocht wel eens komen helpen bij het melken. Ik kreeg dan een vochtige doek waarmee ik de spenen en de onderkant van de uiers moest schoonmaken. Janke was de jongste dochter van Benedictus, zo’n drie jaren ouder dan ik. Als Janke me zo met de koeienuiers bezig zag, moest ze altijd geheimzinnig lachen. Bij dit werk moest ik knecht Jochem en boer Benedictus zien voor te blijven. Knecht Taeke deed andere dingen. Hij kruide de mest naar buiten en schoof de drijfmest met een houten duwstok door de grup naar de gierkelder. Maar eerst met een vork het stro uit de grup vissen en in de kruiwagen scheppen. Zwaar werk. Zware shag hield Jochem en Taeke op de been.

Vrouw Benedictus had voor ons ranja ingeschonken. Heit en de boer rookten een sigaar en mem hielp de boerin. Net nadat Tjitske had verteld dat heit en mem het avondmaal in de kerk oversloegen, keek iedereen stil naar buiten, naar een koe die op het punt stond te gaan kalven. De familie Benedictus was gereformeerd en zij sloegen nooit een kerkdienst over. Hun kinderen: Aagje, Jan, Jeltje en Janke, waren er ook. De kinderen van Benedictus waren veel ouder dan wij. Ze spraken al over dominee Kuitert, die een vakantiehuis achter de boerderij had. Dominee Harry Kuitert was in Friesland net zo bekend als Abe Lenstra. Misschien nog wel bekender. Woorden als vrijzinnig, samen op weg, en mensvormigheid klonken. Toen Aagje vertelde dat in een V.P.R.O.-programma was gezegd dat Maarten Luther misschien een antisemiet was, keek iedereen zorgelijk. Gelukkig waren wij er te jong voor en heit en mem hoorden we daar niet over. Folkert en ik schopten elkaar onder de tafel tegen de schenen. Tweelingbroerstaal voor ‘opschieten een beetje, wij willen verder’. Net voordat we vertrokken zei heit: ‘Ik heb de rekening alvast meegenomen, dat scheelt weer een postzegel.’

Nu kwam het mooiste stuk van de wandeling, voor de wind, door de bermen van de Willem Loréweg. Toen heit vertelde dat er richting Aldsyl een gebied was dat Sjoukjemuoisgat (*) heette, kwamen we niet meer bij van het lachen. We liepen langs boer Feitsma die in de oorlog ‘de andere kant had opgekeken’, de betonnen bunker in de verte, en, nog verder, de toren van onze kerk, die veel hoger was dan die van de gereformeerden, en langs een boer over wie het ver haal ging dat hij eigenlijk niet in zijn eentje vertrouwd was met grote geiten en pony’s. In de Voorstraat snel voorbij de snoepautomaat van Van Eck en dan op huis aan. Tjitske probeerde weer mem uit te horen over de huishoudelijke hulp van Bosgraaf die dood in de regenwaterbak was gevonden. En straks voor iedereen een half flesje Exota!

(* Mijn moeder heet Sjoukje. Sjoukjemuoi = tante Sjoukje)

Afdraaien

Met haar neus tegen het cabineraam van de verhuisauto zat ze. Vastgeplakt leek het. Haar vader en moeder tussen haar en de chauffeur in. Op elkaar gedrukt als flikken in een Drosteblik. Nadat ze even gewacht hadden voor een Gado-bus, draaiden ze de oprit van hun nieuwe huis op. Aukina had meer belangstelling voor het kanaal. Het ‘daip’ zoals ze hier zeiden. ‘Daor is ’t daip, pas maor op want d’r zit een boesjeude in, die je in ’t wotter trekt.’ Woorden van de nieuwe buurman. Hij bedoelde het niet verkeerd. Een boesjeude was een boeman, leerde ze later.
In het kanaal lagen oude roeibootjes, een nette sloep en een enkele vlet. Voorbij de bocht naar Heiko die het met Aaltje hield, lag een platbodem, de Heiltje 23. De midscheepse mast geknakt als een topzware gele lis, de giek bungelend in het kanaal. Voor elk huis een steiger. Gele plompen hadden het moeilijk in het donkere water. Gek genoeg pijlpunten en krabbescheer niet. Aukina, Geesje, Abeltje en Alie waren hartsvriendinnen. Op woensdagmorgen renden ze het schoolplein af naar het kanaal. Vaak wonnen ze de race van de jongens. Hiepko, Mans, Homme, grote Geert en Gezienus waren net iets later, zij moesten de meester helpen met opruimen. Aan het eind van de woensdagmorgen hadden de jongens spreekwoorden terwijl de meisjes handwerkten. De vrije woensdagmiddag lonkte. ‘Waarom heet ik Aukina?’ had ze haar moeder gevraagd. ‘Aukina lijkt op Auke, een jongensnaam.’ ‘Je va komt uit Annerveenschekanaal en die vond de combinatie van een A en een K zo leuk,’antwoordde haar moeder geduldig.
Het mooiste van het kanaal waren de bruggetjes. Badde of draaigie heetten die hier. Smalle oversteken verbonden beide walkanten. Sommige met, sommige zonder leuning. De draaigies konden worden opengedraaid door te draaien aan een ingenieuze hendel die de brug open duwde. Iedereen wilde natuurlijk wel draaien.
De meiden renden naar het dichtstbijzijnde stadsdraaigie en begonnen de roestige hendel los te draaien. De eerste minuut gebeurde er niks. De spanning nam toe want ze hoorden het geklepper van de jongensklompen al. De jongens kwamen snel dichterbij. Net toen Abeltje het ijzer van Alie overnam, week de brede loopplank van de ijzeren drempel en werd het water breder. Belletjes en lichte schuimsporen ontstonden. Futen maakten dat ze wegkwamen. De waterscheiding te breed voor de jongens. Homme deed alsof hij ging springen. Klompen uit, een aanloop. Hiepko trok hem aan zijn arm. Woeste blikken vanonder de kleppen van de verschoten petten. ‘Aander maol kriegen wie joe…’ Opgetogen dansten de meiden op de smalle badde. Weer gewonnen.
Niet alleen hadden ze de jongens verslagen, ook Roelf Roetert, de brugafdraaier, waren ze te snel af. Roelf was brugafdraaier voor drie bruggen en als hij bij de verste was, ergens tegenover boer Wolters, kon hij nooit op tijd terug zijn om de meiden tegen te houden. Ook Roelf droeg klompen, klompen met leertjes in plaats van kapklompen. Maar hij was niet de snelste. Het leek alsof hij constant hinkelde. Waar hij wel goed in was, was verspugen. Als hij op de boerenbadde stond kon hij, bij windstil weer, het moest er natuurlijk wel eerlijk aan toe gaan, wel drieëneenhalve meter ver spugen. Hij bolde zijn wangen, maakte eerst losse maar allengs strakke kauw- en knaagbewegingen, zodat zijn speeksel een krachtig mengsel met de pruimtabak vormde. Als het dun en waterachtig was, nam hij de spuughouding aan. Zijn bovenlichaam kromde zich en dan kwam de ontlading, die gepaard ging met een fluitend geluid dat eindigde in een klots. De straal spuug maakte een fraaie boog en eindigde in het kalme water een beetje als een suikerklont in een mok chocolademelk. Cirkels rond daar waar de klodder het water raakte. Trots keek Roelf in het rond en incasseerde bewonderende blikken. Hij stond net zo trots als wanneer een passerende kapitein twee centen in zijn klompje stopte dat Roelf slingerend boven het scheepje hield. Dat Roelf later door een vrouw zou worden opgevolgd, ach, daarvan had niemand nog een idee.