Dagboekaantekeningen Gouden Pijl 2015, over Kuiper, Zoetemelk en meer

Dit wordt mijn eerste, volledige, Gouden Pijl. In voorgaande jaren kom ik, als alles meezit, naar de wedstrijd van de profs, maar vaak genoeg zijn we op vakantie of heb ik andere, nog dringender, dingen te doen. Op maandagmorgen 10 augustus 2015 ga ik alvast kijken bij de voorbereidingen. Ik ga even zitten bij het Insulinde Plantsoen met achter mij de begraafplaats. Ik kijk rond en denk na over de dood en organisatorische zaken als: afzettingen, banieren, cateringbedrijven, doorlooproutes, dranghekken, draaiboeken, evenementsbierpompen, fietsenrekken, genodigdenpasjes, hangjongeren, illuminaties, kilometers kabels, langeafstandslopers, motoragenten, neo-profs, ontheffingen inzake de drank- en horecawet, oranje jassen met reflectorstrepen, podia, quads, rondemissen, statafels, spandoeken, schriklinten, tv-schermen, tribunes, toiletwagens, urineafvoer, VIPs & vrijwilligers, werkplannen, en zweetplekken.
Ik zie en hoor een geoliede organisatie; alles grijpt in elkaar als de ketting op de tandwielen van een gesmeerde derailleur. Een soort kermisopbouw maar dan vele malen groter. Praktische zaken dienen zich aan: waar laat je de urine die je verzamelt in een toiletwagen? Weg laten lopen in een rioolput is geen optie. Direct laten verdampen en de zouten opvangen kost te veel tijd. De oplossing: pompen naar een groot vat. Wat gebeurt er als het regent? Bij een wolkbreuk? De plantsoenmedewerker op de begraafplaats vraag ik of zijn werkzaamheden met de Pijl te maken hebben. Zijn ‘Nee,’ verbaast me enigszins.
De route van het parcours volg ik. De bochten in de buurt van de markt maken het voor toeschouwers interessant. Sommige terrassen bieden een eersterangs zicht. Ik stel me dilemma’s voor. Wel of niet rijden over de oude markt? Wel of niet de bierprijzen verhogen? Wel of niet over het nieuwe plein? Kunnen de nieuwe, ijzeren sierroosters rond de bomen een grote publiekstoeloop aan? Is de koepel niet een ideale plaats voor de speaker? Voor de huldiging? Hoe worden verkeersdrempels getackeld? Blijven de winkels open? Wordt dat met vergunningen geregeld? Wie controleert het kanon waarmee het startschot wordt gegeven? De pagina’s ‘Veiligheid’ in het draaiboek stellen me gerust. Ik lees dat zelfs rijbewijzen van karavaanrijders worden gecheckt en de mededeling ‘Geen gevaarlijke auto’s in de karavaan’ stelt me gerust. Niemand zit te wachten op monstertrucks die het publiek inrijden.
Op dinsdag, D-day, mag ik Joop Zoetemelk en Hennie Kuiper oppikken, ze zijn vandaag eregasten. Beiden zien er goed uit, bijna afgetrainde lijven. De gezichten en de stemmen herinner ik me goed. Wat een sympathieke, vriendelijke mannen. Hennie Kuiper is er als Rabo-medewerker, gastheer, lees ik ergens. Hij vertelt over zijn eerste ervaringen met de Gouden Pijl. En dat hij klanten van de bank begeleidde bij bezoeken aan wedstrijden. “De GP is altijd een heel goede ronde en dat komt vanwege het rennersveld. Vaak bepalen de financiën het rennersveld, anders komen ze gewoon niet. Renners verdienen hun geld op drie manieren: hun jaarcontract bij de ploeg, wedstrijdpremies en presentiegelden bij criteriums.” Later krijgt Kuiper een adviserende rol tussen organisatoren en renners. Kuiper kent de fietswereld van haver tot gort. En nu? Kuiper: “Ik leef gezond en ik fiets. Ik doe niet aan andere sporten. Fietsen is mijn lust en mijn leven. Jaarlijks fiets ik tussen de 5.000 en 7.000 km. Ik kom elk jaar in Emmen. Ik zet me in voor groene energie, windmolens en dergelijke. Als fietser weet je wat wind voor je kan betekenen: pure power, eerlijke energie en dat zo gezond als goud, zonder bijwerkingen.” Ik vergeet helemaal te vragen wat hij van e-bikes en ligfietsen vindt en of hij zijn benen nog scheert. Ik realiseer me dat ik met een Olympische Kampioen praat en winnaar van de wereldtitel bij de profs in 1975. Twaalf keer heeft hij meegedaan in de Tour de France, hij was ploegleider in Duitsland en de Verenigde Staten, hij was ooit ploegleider van Lance Armstrong, now we’re talking!
Vervolgens komt Zoetemelk erbij, fris na een douche. In zijn kielzog handtekeningenjagers. Zoetemelk volgt de Tour op de voet, maar de andere wedstrijden niet zo erg. Nieuws over criteriums sijpelt niet door tot in Frankrijk. Nog even theedrinken met de heren en dan naar het middagprogramma in een groot restaurant. Gerben Karstens en Gert Jakobs zijn wel aangekondigd, maar ontbreken. Ondertussen leer ik iets over de woorden zoetemelk en zoetemelks. Dagvoorzitter Herbert Dijkstra ondervraagt iedereen op milde wijze. Aan het woord komen wethouder Bouke Arends, Roelie Lubbers van de GP, Ron Klitsie van de Rabo, Joop Zoetemelk, Renate Groenewold en anderen.
Een van de gespreksonderwerpen is sponsorgelden. Ik pak een bierviltje en reken even een beetje mee. We horen dat de gemeente € 20.000,- doneert (ongeveer 18 cent per inwoner van de gemeente) en de provincie € 10.000,- (twee cent per Drent). Hoeveel zou de Rabobank doneren? Ineens herinner ik me een passage uit het Gouden Pijlarchief, ergens uit 1999, opgeslagen in het gemeentelijk archief. Daarin zegt de toenmalige bankdirecteur een sponsorbijdrage toe van ƒ 22.500,- met de toezegging dat bedrag in 2000 en 2001 met ƒ 2.500,- te verhogen. Ik reken snel uit dat als dat bedrag jaarlijks (en, geheel tegen de bancaire modus in, niet geïndexeerd) wordt toegevoegd, je in 2015 zit op ƒ 62.500,- : 2,2 = € 28.409,-. Ik neem me voor de Rabodirecteur daar eens naar te vragen.
Renate Groenewold beschrijft de verschillen en overeenkomsten in het fysiek van schaatsers en wielrenners; ik had, kijkend naar imposante bovenbenen, ook al iets gezien op dit vlak. Ze heeft een aantrekkelijk plan over de begeleiding van profrenners na hun actieve wielercarrière. Niet dat ze allemaal in een zwart gat duvelen maar hier zijn kansen en hoor ik niet ergens het toverwoord winwinsituatie? Ik bekijk Wout Poels en Bauke Mollema. Poeh, wat zouden die schoon aan de haak wegen? Aardige kerels, stuk voor stuk. Naar Bauke is al een wielertoertocht genoemd, waarvan een deel van de opbrengst naar een goed doel gaat. Na een wandeling langs de uitgebreide buffetten lopen we naar het Gouden Pijldorp. Daar wordt me duidelijk dat netwerken meer een werkwoord dan een zelfstandig naamwoord is.
De reclamekaravaan trekt voorbij. Ik heb net ergens geleerd dat reclame is afgeleid van reclamare, Latijn voor herhaaldelijk roepen. De reclame makende bedrijven vormen de basis van de Gouden Pijl. Mooie old- en newtimers roepen hun boodschappen het publiek in. Dranghekken zijn inmiddels zo vormgegeven dat toeschouwers wat worden weggehouden van wat er op het parcours gebeurt. De speakers, de jongste praat als een veilingmeester op de bloemenveiling bij afslag, wisselen elkaar af en spieken op lijsten met sponsornamen. Beeldschermen brengen de koers achter de horizon dichtbij. Enkele meerijdende auto’s demonstreren in één moeite door de vroemfactor van de uitlaatsystemen, per slot van rekening staan hier merendeels mannen, potentiële autokopers. Hier worden, voel je, deals gesloten, afspraken gemaakt, plannen gesmeed, herinneringen opgehaald, terugblikken gememoreerd, toekomstvisies ontvouwd, onenigheden gladgestreken, concurrenten een loer gedraaid, vakanties in toptienen afgezet, mkb- en vakbondsacties verguisd of opgehemeld en natuurlijk glazen geledigd en hapjes genuttigd. Heel af en toe kijken de mannen op, als stokstaartjes bij naderende reuring, bijvoorbeeld als vier hooggehakte meisjes, gehuld in vuurrode, ultrakorte, engelpakjes, compleet met scharlakenrood geverfde vleugeltjes van veren, het netwerkdorp betreden.
Hennie Kuiper en Joop Zoetemelk doen hier waar ze goed in zijn: praten met volwassen fans en met hen op de foto gaan, als profvoetballers op een open dag. Ik leer dat selfies maken niet aan pubers is voorbehouden. Joop Zoetemelk vertelt met graagte over zijn tijd in de Tour de France en hoe belangrijk criteriums voor renners zijn en omgekeerd.
Dan de wedstrijd. Opvallend is dat de rangorde in het peloton per ronde flink kan verschillen, behalve in de staart. Daar zien we vrolijk koutende renners, alsof ze hun vakanties doornemen, maar wel doorrijdend met een dikke 40 km gemiddeld per uur. Dat betekent dat ze met topspeed bij het begin van de tunnel gemakkelijk de zestig halen. Het systeem van premies is van de kant af moeilijk te doorgronden. We zien in de jurybus enkele ervaren, serieuze mevrouwen met kunstige knotten, die spelersnamen proberen in te prenten als leerlingen onregelmatige Franse werkwoorden en die de standen in de gaten houden als onderwijzeressen de laatkomers op maandagmorgen. Nauwkeurig wordt er geschreven en gestreept en gevinkt en gepotlood opdat de renners krijgen wat hun toekomt: premies, gladiolen, of…
Bij de gehaalde snelheden valt me ook iets op. In een stapel Strava-uitdraaien, ontdek ik iets opmerkelijks. De profwedstrijd noteert een gemiddelde van ruim 40 km per uur bij een parcourslengte van ruim 90 km. Even ter vergelijking: toen Van Poppel in de Eneco Toer 2015 sprintte voor de eindstreep kwam hij op een topspeed van 73 km en hij reed gemiddeld 44,6, over een parcours van 183 km. Meer dan 90 km fietsen op een warme zomeravond op een parcours met de nodige bochten, en dan 40 gemiddeld aanhouden is natuurlijk een prestatie. Die prestatie wordt opvallend genoeg geëvenaard door de vrouwen/amateurs; het gemiddelde van Marijn de Vries (24e bij de vrouwen) is bijna 40 km/u. Maar, en dit is natuurlijk opvallend, verbazingwekkend, om niet te zeggen verbluffend: de beloftes draaien bijna 44 km/u, dus ruim drie km sneller dan de profs. Er zijn speculatieve verklaringen mogelijk voor dit fenomeen. In tal van takken van sport zie je dat de reserves zich meer inspannen dan de selectie, het A-team. Nu is de afstand ook iets korter (profs: 91 km en de beloften/amateurs 79,8 km) en dus kunnen ze meer power overhouden om sneller te koersen. Ter vergelijking: ons mannenfietsgroepje op zondagochtend met een gemiddelde leeftijd van 62,5 jaar, rijdt gemiddeld 28,8. De snelste hardloper komt op 18,1 km/u.
En wist ik dat de Gouden Pijl altijd op de derde dinsdag na de Tour de France wordt verreden en dat de Pijl (met Boxmeer) het enige criterium is dat geen entree vraagt? Nee.