De kerktelefoon


Voor het eerst luister ik, op afstand, mee met een rouwdienst. Het betreft een derdegraads familielid. Nee, preciezer: een tante. De organist speelt gezang veertien. Corona bespaart me een rit naar de rand van het land en ontsteelt me de mogelijkheid van een hernieuwde ontmoeting met verre familie. Geconcentreerd blijven luisteren valt me niet mee. Het luisterritueel doet me denken aan een luistertoets op school. Er zijn afleidingen te over. Zo probeer ik me een voorstelling te maken van de uitvaartleider of predikant: haar stem houdt het midden tussen de zakelijk/informatieve van een belastingtelefoonmedewerkster en de invoelende van een sociaal werkster. Het geluid kon beter en ik mis de beelden heel erg en de mogelijkheid lekker mee te zingen. Al multitaskend googel ik wat tijdens de saaie stukken en zo leer ik dat de architect van de kerk Ploeg-kunstenaar Reitsma was. Zijn kerkarchitectuur geldt als een belangrijk voorbeeld van de regionale vertaling van de expressionistische architectuur van de Amsterdamse School.

De overledene is al oud en hoge ouderdom maakt mijn verdriet lichter zoals het whisky lekkerder maakt. Wat me ontroert: de verhalen van enkele kleinkinderen. Deze tante was één van mijn zes tantes. Was ze mijn favoriete? Zij was een speciale tante. Ze was groot. Ze droeg lange, strakke rokken waarvan het zijritsje altijd op springen stond en crèmekleurige schoenen met een halfhoog hakje. Haar boezem deed me denken aan de billen van Asterix. Ze trok me wel eens op haar schoot en ik herinner me dat ik de harde jarretellesclips door de dunne stof van de rok voelde. Of me dat opwond weet ik niet meer. Wel had het mijn interesse. Tante verschoof onrustig op de stoel en had mijn belangstelling feilloos geregistreerd, voelde ik. Veel later, ik was ongeveer tienenhalf en zat bij de verspugers op school in de hoogste regionen en mijn inwonende oom had me al door de neus leren boeren, feliciteerde tante me. Ze had een kunstje verzonnen. De rijksdaalder had ze ingepakt. Een strak stuk plakband hield het papier bij elkaar. Ze droeg me, blijf bij mij heer neuriënd, op het geschenk met één hand uit te pakken. Ze wilde mij bezighouden, puur om mijn moeder te ontlasten. Die had genoeg drukte aan haar hoofd op een kinderverjaardag. Tante lachte samenzweerderig naar me. Terwijl mijn rechterhand bezig was de onmogelijke klus te klaren, vlijde ze mijn linkerhand op haar bovenbeen en wreef een beetje heen en weer totdat mijn hand de ijzeren clip voelde. Ze knipoogde onzichtbaar. Mijn tweelingbroer kon al wat blokfluiten en zette welgemoed De heer is mijn herder in.