De riedende notoaris

Tot in de verre omtrek werd hij de riedende notoaris genoemd, Frits Bergman uit Ter Apel. Hij was ook notaris, maar nog liever was hij buschauffeur. En in zijn vrije tijd was hij buschauffeur. Samen met wat kameraden had hij achter zijn huis aan de Stationsstraat een afdak gebouwd. En daar stond hij te glimmen: een rode Scania uit 1961. De carrosserie was indertijd vanaf een frame chassis gebouwd door Jan Kiel. Op de flanken in sierlijke belettering het trade mark: De Zwaluw. Nog met een blauw nummerbord, schuiframen en een radio met bakelieten frontje. De stoelbekleding als nieuw, de bekleding geverfd op aanwijzingen van zijn opa, die zijn kennis had opgedaan van zijn vader, die ooit stoffenverver was; blauwvaarver heette dat hier. Een echte bus, een streekbus. Al zijn vrije tijd stak hij in zijn Scania. De wieldoppen glommen als manchetknopen, het mechaniek van de passagiersdeur draaide als de bierpomp op carnaval. Op hoogtijdagen stond Frits extra vroeg op en liet de diesel warm draaien. Toen hij zijn buurman vroeg of hij daar geen hinder van ondervond had die geantwoord: ‘Houlemoal nait, mien jong. Dou maor.’
Om half acht ’s morgens deed Frits de pet op, wreef de klep met een beetje spuug glanzend en hij was chauffeur. De hele dag lag voor hem, een dag met ritten naar en van het Boshuis, het klooster, langs het kanaal naar het winkelcentrum en dan verder, keren bij de R.S.G. Op deze dagen kon de successiewet hem gestolen worden, voorlopige koopaktes, huwelijkse voorwaarden, ingewikkelde testamenten, vot d’r met! De diesel snorde, geen rookpluim te bekennen. Rijden, optrekken, keren, met liefde de double clutch toepassen, wat, als het koppelingspedaal niet bleef hangen, zo’n machtig geluid maakte, als een bronstige leeuw. ‘Dubbelklutsen,’ zei Geert, zijn technische man. Geert was specialist doorsmeren. Geen nippel ontging hem. Wel even oppassen als hij met zijn vette overall binnenkwam om koffie te drinken. Geert had een smeerkuil gewild, maar daar had Frits’ vrouw gewiekst een stokje voor gestoken.
Met de Boeskoolmarkt reed Frits de hele dag. Topdagen! Westerwolde zijn gebied, met uitlopers naar Sellingen en Roswinkel. ‘Busrieder, woar gaist hin?’had een oude vrouw hem toegeroepen. Geduldig legde hij haar de route uit, en Frits neuriede’ Quo vadis, Scania Vabis.’ Hij kende zijn klassiekers. Frits keek alweer uit naar september, dan hadden ze het middeleeuwse feest bij het Klooster. Dan kon hij op twee dagen diensten rijden.
De wethouder had nog wel even raar opgekeken toen Frits hem het plan voorlegde om een busafdak achter huize Barkenkamp aan te leggen. ‘Met vloeistofdichte vloer,’had Frits er geruststellend bij gezegd, dus zonder risico van bodemvervuiling door weglekkende olie. ‘Dikke prima,’had de wethouder hem gezegd. Op Ter Apel waren ze gemoedelijk. Geen drukte om niks.
Af en toe kreeg Frits vragen voorgelegd over recht van overpad, of dat in de koopakte moest of over het onbekende artikel 67 uit de successiewet. Met veel plezier legde hij het uit. In de carnavalsperiode was het oppassen geblazen. Dan kreeg hij nog wel eens een dronken passagier. Op zich maakte hem dat niks uit, als ze maar niet op de stoelbekleding kotsten. Even stoppen naast het kanaal was gemakkelijk zat, ruimte genoeg. Tegen het eind van de ritten zwierven zijn gedachten naar vroeger, toen zijn vader het busbedrijf bestierde. De drukte in de garage, de dieselgeur en dat Frits de eerste rijlessen kreeg, hij was amper veertien. Verkoop van de zaak aan Sijpkes was een moeilijke beslissing, moar het was goud. Hij grinnikte als hij aan opa dacht. Van fietsenmaker naar fietsenfabrikant. ‘Wat Fongers kan, kan ik ook.’ Frits had de fietsemblemen nog. Kom, opletten, nait soezen, de kop d’r veur. De laatste rit. Straks de bus schoonmaken, met Geert de motor inspecteren, een rubbertje bij de motorkap vernieuwen en dan twee halve liters voordat hij met de vrouw nog even naar het feestterrein ging.