Emslandkampen en kunst

Het blijft bijna niet te geloven: net over de grens met Duitsland waren in de Tweede Wereldoorlog vijftien concentratiekampen. Tussen ruwweg Papenburg en Lingen v i j f t i e n en er is zowat niets van overgebleven. Heel weinig mensen hebben weet van deze kampen, misschien nog minder dan er katholieken zijn met bijbelkennis. Maar dankzij de inspanningen van Pieter Albers is deze historie ontsloten.

Op zaterdag 20 juli fietsen kameraad en ik mee met de route Emslandkampen en Kunst, georganiseerd door de bijna splinternieuwe vereniging (sinds 2010) van amateurhistorici in Nieuw Schoonebeek. Kosten: € 12,- Er is veel belangstelling voor de regionale historie. Elke excursie, t/m 2020, is volgetekend.  Kameraad is historiegemotiveerd; ik ben fietsgemotiveerd: was het onderwerp baltsrituelen van bedreigde kolibrisoorten in het hoogveen dan was ik ook meegegaan. Pieter Albers is ingehuurd als deskundige. Met de dictie van een scheikundeleraar in rust spreekt hij de groep toe. Deskundig en duidelijk. Hij wordt ondersteund door een ploegje amateurhistorici uit Nieuw Schoonebeek.

Albers werd in 1987 getriggerd door een artikel in de Emmer Courant over de Kriegsgräbestätte met duizenden doden in de massagraven in en bij de Emslandkampen. Vooral de zinsnede: ‘Over veertig jaar zie je hier niets meer van,’ daagde hem uit. In 1933 kwam Hitler in Duitsland aan de macht en werd met de bouw van de concentratiekampen gestart. De bouw van deze kampen duurde tot 1938. Tijdens de oorlog werden de nu nog bekende concentratiekampen gebouwd. In de Emslandkampen kwamen in eerste opzet politieke tegenstanders die in het hoogveen als dwangarbeider werden ingezet. De op het stationnetje in Ringe aangevoerde Russen werden in rijen doorgestuurd naar het kamp in Neugnadenfeld. Russen die de barre reis niet hadden overleefd werden op platte boerenkarren naar massagraven vervoerd. Ab Masselink uit Nieuw-Schoonebeek was hiervan ooggetuige. Albers schreef het boek Gevangen in het veen.

We fietsen langs het Alte Picardi Kanaal en bezoeken een kunstwerk dat Draaikolk heet. In draadstaal gevatte Bentheimer bouwstenen verbeelden een draaikolk. Als de Drentse geschiedenis (Spier 2019) zich herhaalt zal dit werk binnen enkele jaren instorten als gevolg van gebroken staaldraden door een gebrekkig fundament of vandalisme. We fietsen verder naar het stationnetje in Ringe waar Albers ons toespreekt. Na de lunch waarbij we naar een film kijken over de kampen, fietsen we door, geteisterd door onweer en slagregens, naar Neugnadenfeld. Het fietserslint blijft ternauwernood intact. Het scheelt weinig of er ontstaat in plaats van een historische een speurtocht met een veelkoppig monster. We bezoeken een massagraf van Russische krijgsgevangenen. Sobere stenen zonder namen.

Onderweg val ik van de ene in de andere verbazing. Waarom zijn er in Duitsland bijna geen infoborden over de kampen? Waarom kregen Franse krijgsgevangenen een betere behandeling dan de Russische? Waarom is van deze kampen bijna niets overgebleven? Waarom vertelden drie geschiedenisleraren op het Christelijk Lyceum Oostergo te Dokkum in de jaren zestig van de vorige eeuw mij hier niet over? Waarom vertonen peperdure en immense kunstwerken die alleen met infoborden te doorgronden zouden zijn en die voor de eeuwigheid bedoeld zouden moeten zijn, binnen een decennium al ingrijpende tekenen van verval? Waarom werd er zo weinig aandacht besteed aan de geluidskwaliteit van een instructieve amateurfilm die liefdevol wordt vertoond?