Gouden Pijl, de toertocht

Wij doen de 100 km. Om Wildlands op de kaart te zetten gaat de eerste km langs de savanne. Slaperige leeuwen verlustigen zich aan gespierde fietsersbenen. Mijn fietsmaat heeft tanige kuiten als een Spaanse huis-aan-huis-verkoopster. ‘We maken er een rustig fietsdagje van,’ liegt de een de ander voor. Dat lukt tot Weiteveen. Daar spotten we het peloton: dertigers en veertigers die gemiddelden van 35 draaien. Met de vingers in de neus. We zien fietsen van 0,85 tot 10+ K. Na de pauze jakkeren we naar Wezuperbrug via kleine wegen. Klinkers, gescheurd asfalt, grind, oude fietspaden, alles zit erbij. Ik zie een bekende kop: Gert Jakobs. In de tour heette hij de super- of meesterknecht. Een bonk spieren. Zelfs zijn imposante bilpartij gaat niet blubberen op oneffen weggedeelten. Ik hoor hem uit over hoge velgen, stuurmanskunst, carbonfietsen, isotone dorstlessers en meer. En ik blijf naast hem fietsen. ‘Hoe classificeer jij dit tempo?’ vraag ik nog snel voordat hij zich laat afzakken naar de volgauto. “Dit peloton rijdt hard.” Om een gemiddelde van 35 te halen moeten de kopmannen boven de veertig komen als ze voor een bocht tot 28 zijn gezakt. Ik zie shirtopschriften als ‘Derrrannn’, ‘Marmotte’ en ‘Klaas-Jan Terwisga fietsenherstelbedrijf’. De stoempers, sjorders en sleurders hebben geen zadeltasje dat hangt te bungelen als het scrotum van een stier maar een extra bidon met reparatiemateriaal. Ik ben de enige met een spiegeltje, bel en ligstuur. Op de kasseien voorbij Wezuperbrug ga ik eindelijk kapot. Gesloopt. Gelukkig.