Grootkoor Drenthe en Karin Bloemen (Assen, 13 december De Nieuwe Kolk)

Deelname aan het concert van het Grootkoor, na vijf lange repetities en bijna dagelijks oefenen, betekent voor mij zingen vanuit mijn tenen. Ik tel 8 rijen van 28 stoelen, misschien hier en daar wat open plaatsen, dus meer dan 200 zangers. De vrouwenbrigade links en rechts, zeg maar 85 sopranen en 85 alten bieden zoveel stevigheid dat van de mannen een max wordt gevraagd. En die kunnen ze krijgen. Ted en ik doen ons best. We hebben wekelijks samen gerepeteerd en kennen de muziek door en door. Toch is de generale een ramp. In de eetpauze, we worden even opgehokt in het voorportaal van een parkeergarage, zien we vertwijfelde koppen boven de eenvormige stropdassen en saaie sjaaltjes. Nou ja, eenvormige, one of the boys tenor Anneke steekt ons de loef af met een dubbele Windsor. Op afstand zijn we een Oekraïens koor uit de Stalinistische periode, of een CDA-congres uit de Brinkman-era, waarbij de standaardblauwe mannenbroederspakken zijn ingeruild voor crematoriumzwart. Ik mis kleuraccenten. Zo sterk is dus de kracht van samen zingen, dat individualisten zich voegen naar de gelijkvormigheid en stalen stramienen die het Grootkoormodel voorschrijven. De organisatie kruipt vanavond door het oog van de naald.

Het concert begint en het zwarte gat voor ons dat zaal heet, daagt ons uit tot het uiterste te gaan. Onzekerheid wordt betonnen enthousiasme. Zorgeloosheid verslaat aarzeling. De wil te genieten vermorzelt terughoudendheid. We zingen op volle kracht en geluksgevoel doorstroomt me als belastingvrije kerosine een KLM-straalmotor. Godver, waar zijn we, zonder iets van andere tenoren te horen klampen Ted en ik ons aan elkaar vast als apenjongen aan hun moeders, als teken aan boswachtersliezen. We realiseren ons dat we elke steun kunnen gebruiken. De dirigenten doen hun best als Wiegman of Sloetsky bij uitwedstrijden. De beloofde felle lipstick van de dirigente ontbreekt helaas, we moeten het doen met haar expressieve, moederlijke mimiek. Ik houd me in en ga niet als een marinier stampen als we Transeamus zingen. Fum, fum, fum gaat klinken als een rubberbal op ingenieus bewerkt eikenhout waarbij de mmmmm zalig navibreert. De eerste regels van Born in a stable klinken als graniet en de eerste noten van For unto us vergeten we maar even en ruilen we graag in voor een supergoedgelukt Glory glory christ has come of de met een vette f aangeduide Christ is the lord uit O holy night. En dan de allermooiste passages: wanneer 225 stemmen zacht klinken als fijnbesnaarde zielen.

v.l.n.r. Ted, Mike, Frans, Klaas

De leraar Engels in mij blijft aanhikken tegen de uitspraak van de Engelse u die meer moet klinken als een a in pas dan een u in pus, maar ik ruil ergernis in voor flow. Karin Bloemen valt mee. Geen musicalstem met vlijmscherpe uithalen maar een ingetogen jazzy en sexy, zekerzeker, stem. Ze koketteert met haar ijzeren knieën als een James-Bond-schurk met zijn metalen gebit en met haar lijf als nieuwslezeressen van de commerciëlen maar god, wat kan dat mens zingen. Zij moet een kinderlijke fascinatie voor de verkleedkledingkist hebben gehad, maar het past, de vormen en de kleuren maken het mooooi. We eindigen met Joy to the world en In dulce jubilo en horen van onze groupies dat het goed was. Concertgebouw here we come . . .