Halahaixiang (vervolg van Golden Wings)


“Ik mag jullie een nadoodgesprek aanbieden,” zegt Sjaakje Oerdedam via de telefoon. Ze zit in haar Volkswagen Jetta hoor ik. Het open raampje maakt een gierend geluid als ze over de nieuwe brug over de Krûme Ie nabij Burgum rijdt. Mijn Samsung heeft daar moeite mee. Sjaakje is huisarts van mijn overleden oudste zus.
“Oudste zus had een overlijdensrisicoverzekering die was uitgebreid met een extra module. In die module zitten twee nadoodgesprekken met maximaal twee naaste familieleden.” De Jetta, aan het janken te horen een TSI hybride, heeft zijn laatste beurt gemist, de versnelling kraakt.
Ik weet alles van Jetta’s maar van nadoodgesprekken heb ik nog nooit gehoord.
“Goed, dat lijkt mij wel wat,” zeg ik. Ik zet mijn telefoon op de luidspreker en ga door met het afplakken van strakke lijnen op een vierkant klein doek.
“Omdat jij destijds uitweidde over mijn taak als huisarts, wil ik bij voorkeur jou als gesprekspartner,” zegt Sjaakje vriendelijk. Op een inpalmende toon, zal ik later denken en in mijn dagboek noteren. “Kom maar alleen. Met zijn tweeën praten is wel zo gemakkelijk.”
“Goed,” zeg ik. Wat zou ze willen? denk ik. Negenenveertig tubes acrylverf staan op de kop voor me klaar.
“Wacht, ik parkeer even op een uitwijkhaven. In de kleine letters lees ik dat de nadoodgesprekken op een locatie naar keuze van de nabestaanden mogen worden gehouden,” zegt Sjaakje. Ik hoor dat ze de knisperende polisbladen op haar knieën uitspreidt. Ik hoor nog iets in haar stem, maar kan het niet zo snel thuisbrengen.
“Dat wordt dan aan de oever van de Leijen,” zeg ik. “Daar kwam oudste zus graag.” Na even denken voeg ik eraan toe: “Zou je dan van tevoren even willen googelen op huisartsenij in Halahaixiang? Dat is in Noord-China, niet ver van Qiqihar.”
Sjaakje Oerdedam klinkt niet in het minst verbaasd als ze mijn niet alledaagse verzoek hoort.
“Goed,” antwoordt Sjaakje. “China is hot de laatste tijd. Mijn collega onderhield me laatst over taoïsme. Kennis daarvan zou in discussies belangrijk kunnen zijn. Iets over een strakke en een gebogen, mee verende arm.”

Sjaakje is niet gek, denk ik. Gelukkig maar. Er zit niet een sticker met een vis achter op haar Jetta. Vissenstickers zijn een teken gods en Jetta’s worden veel gereden door gelovigen. Huisartsen met een vis kun je beter mijden. Gelovige dokters vertrouw ik niet en ziekenhuizen met grote kruisen op de daken, als magere antennes uit de vorige eeuw, evenmin. Op Sicilië in de vakantie oefen ik dagelijks zinnen waarmee ik naar een niet-gelovige dokter vraag.

Als ik mijn sandalen uitschop zie ik brede bruine strepen als afgeplakte lijnen op een nieuw doek. Ik zit in een geometrische periode. Sjaakje is tegenover mij komen zitten. Ze draagt een driekwart broek en een te vaak gewassen T-shirt. Dat ze aan thaiboksen doet had ik niet verwacht.
“Vroeger was het kaatsen en nu thaiboks ik dus. Nog niet zo lang hoor.”
Ik kijk naar haar armen en probeer mij haar voor te stellen als krabi-krabong vechter. Of liever als een verre nazaat daarvan. Had Sjinkie Knegt niet ook Chinese voorouders? Ze zweet. Haar oksels tonen ronde vlekken als kringen op een te vaak gebruikt biervilt. Toch ruikt ze niet verkeerd.

“Waar wil je het over hebben?” vraagt Sjaakje geroutineerd. Zij heeft duidelijk vaker een nadoodgesprek gevoerd.
“De huisartsenij en hoe die in Nederland is georganiseerd,” antwoord ik. “De perversie van de stuksmethode.” Ik hoor dat ik plechtig klink. Ik heb nagedacht. Ik wil het gesprek ten volle benutten. Niet weer dat onbevredigende gevoel achteraf dat ik meer en anders had willen zeggen.
Ik zie dat Sjaakje mij bestuderend aankijkt. Haar rechterwenkbrauw wat opgetrokken als een jonge Weimaraner die in onbekend gebied komt. Ze leunt voorover in mijn richting. De strandparasol geeft haar een lichtoranje kleur als ranja dat met te veel water is aangelengd.
“Dus niet over de dood van oudste zus?” constateert zij vragend. Van een jonge Weimaraner verandert ze in een oude.
Ik ga door zonder te reageren.
“Ik zou willen dat huisartsen zich aan de eed van Hippocrates houden. Of aan de artseneed van het NAV of de KNMG. Dat zij zich preventief meer bekommeren om de gezondheid van patiënten,” zeg ik. “Dat ze niet alleen in actie komen als er patiënten naar hen toekomen. Dat ze niet per handeling betaald worden.” Mijn stem klinkt gejaagd, hoor ik.
“In Noord-China schijnt een gebied te zijn waar dokters worden afgerekend op het aantal gezonde namen in hun kaartenbak. In de buurt van Halahaixiang, om meer precies te zijn.”
“Maar ik heb een drukke praktijk,” antwoordt Sjaakje stoïcijns.
“Ja, klopt,” zeg ik. “Maar dat komt omdat jij alle patiënten zomaar toelaat op je spreekuur.”
“Moet ik ze dan voorselecteren?” vraagt Sjaakje enigszins ongerust. Ik zie haar denken. Ze kijkt naar een surfer in de verte die met moeite blijft staan.
Sjaakje bestelt een Leffe Blond. Ik zie kleine barstjes in haar lippen. Pier brengt de glazen. Als Sjaakje zich ongegeneerd uitrekt komt haar navel vrij. Pluisjesvrij, zie ik.
“Jazeker,” antwoord ik. ”Hoogopgeleide patiënten die langskomen met kwaaltjes van niks zou je moeten weren. Zou jouw beroepsgroep moeten weren,” voeg ik er formeel aan toe.
“Wat noem jij kwaaltjes van niks?”
“Nou, gekneusde ribben, kalknagels, hoofdpijn, wratjes, verstuikte enkel, griep. De tijd die je daarmee overhoudt besteed je aan echt zieke patiënten.”

Sjaakje kijkt bedachtzaam voorbij een groepje zwemmers verderop in de Leijen. Een schuimrubberen drijfstaaf steekt omhoog als de Labellostick naast de bierglazen. Ik voel dat Sjaakje welwillend wil zijn. Ze vindt het nochtans moeilijk. Ze kijkt op haar horloge. In gezelschap op je horloge kijken is als smakken aan tafel. Zou naast misofonie iets als misoscopie bestaan, vraag ik me snel af. Zou precies passen in de trend van de hedendaagse klusjespsychologie, overweeg ik. Ik concentreer me weer op Sjaakje als een puber op de Franse juf.
“En dan die anderhalf duizend overbodige medische handelingen,” vervolg ik. “Die nalaten levert veel tijdwinst op.”
“Dat was een onderzoek onder specialisten en niet onder huisartsen,” zegt Sjaakje.
Sjaakje kijkt naar de oude verfvlekken op mijn elleboog.
“Zullen we de volgende keer over oudste zus’ dood praten?” vraagt ze niet onvriendelijk, “als jij het goed vindt.”