It Paradyske

Zaterdags fietsten we met de hele klas naar het zwembad. De hel heette It Paradyske. Jarenlang probeerde badmeester Kalen ons te leren zwemmen. Onder de snelbinder een kokervormig zwemtasje met een koord met clipsluiting. De binnenkant van rubber, die de natheid van de zwembroek moest weerstaan. Deed je het tasje thuis open dan rook je keukenhandschoenen die te lang in het gootsteenkastje hadden gelegen. Badmeester Kalen had een harde stem, een strakke buik en kort donker haar. Brechje Bosma van de Johan Bogermanstraat zou voor hem vallen. Ze trouwden in de gereformeerde kerk terwijl iedereen wist dat badmeester Kalen een heiden was. We kleedden ons uit in halfopen kleedhokjes. Ruw beton schuurde je voeten. Ik had een rode zwembroek van geribbelde stof met een geelgroen riempje. In het water voelde die zwembroek als een loden vest dat je naar beneden trok. Als ik, voordat ik in het water ging, het riempje even opentrok en er lucht inliet en dan snel het riempje strak aantrok, dan kon ik bijna een halve minuut extra drijfvermogen opwekken. Mijn pikje zwom dan wanhopig in de zwembroek als een verdwaalde vastgebonden goudvis. Badmeester Kalen schreeuwde wat we moesten doen. De jongens moesten duiken, de meisjes met een plankje zwemmen en Goitske en ik bleven op de kant. We moesten buikelings op een bankje liggen, de armen en benen bewegend in de lucht. Was dit wat een parachutespringer voelde? Als het badmeester Kalen schikte keek hij even naar ons en blafte dat we de schoolslag moesten oefenen. Raar woord: schoolslag. Was er ook een kerkslag? Vanaf de overkant van het zwembad zag hij wat we niet goed deden. Goitske droeg een gebreid zwempakje, geel met bruine schouderbandjes. Als dat nat was trok de zwaartekracht ongenadig hard aan de stof. Soms kwam Oene langs, badmeester Kalens hulp, een stagiair van een sportopleiding. Hij bewoog mijn knieën naar buiten door hard tegen mijn voetzolen te duwen. Oene was sterk. Mijn handen moesten anders. Hij wilde van bovenaf mijn knokkels zien. Tegen Goitske deed hij nog wreder. Haar dijen en heupen deden pijn, zei ze als we na afloop terugliepen naar de kleedhokjes. Er waren zwemlessen dat we alleen droog mochten oefenen. Goitskes wangen rilden en waren dan blauwachtig. Na afloop van een droogzwemles moest ik altijd plassen. Mochten we wel te water dan probeerde ik een gele lijn achter mij te voorkomen. Dat had ik gehoord, dat als je in het water plaste, iedereen een gele lijn achter jou kon zien. Wat voelde dat lekker. Je ging even staan, opende de bovenkant van het zwembroekje en dan voelde je een warme traktatie je pikje omarmen. Op de terugweg door It Paradyske had ik weer praatjes voor tien.

(Illustraties: Jacco Olivier (1972) ‘Momentum’ (2019) in Voorlinden (juni 2020))