Mächteld

We fietsten langs de Trekvaart naar school in Dokkum in een cocon van mist. Het was alsof niet alleen onze adem, maar ook de uitgesproken woorden veilig landden in de vochtige, grijze, wattendeken van mistflarden. Veiligheid zorgt voor uitgelatenheid, zo weet ik nu.

‘En als het onweerde moesten we een kaars aansteken en dan achter elkaar aan door de gangen lopen en hardop bidden dat het niet zou inslaan.’ Haar stem klonk vrolijk en wij lagen krom van het lachen. Onze sturen haakten bijna in elkaar van het wiebelen. ‘En dan ook nog kaarsen, we droegen bij deze nachtelijke processie grote kaarsen.’

Natuurlijk wisten we wel dat roomsen rare dingen deden, maar internaatskinderen ’s nachts wakker maken als het onweerde, dat ging wel heel ver. Wat meespeelde was dat we Mächteld maar wat graag geloofden en gelijk gaven bij heikele kwesties. Mächteld was op haar vijftiende overgestapt van een katholiek internaat in Bolsward naar het christelijk lyceum Oostergo in Dokkum. Vergeleken met de roomse school in Bolsward was Oostergo een vrije school. ‘Maar zijn er dan geen gewone kinderen in het internaat?’ vroeg ik nieuwsgierig. ‘Wat bedoel je,’ vroeg Mächteld. ‘Nou ja, zoals wij, hervormden en grefo’s.’ ‘Tuurlijk niet, joh, daar zitten alleen katholieke kinderen.’ Mijn bewondering voor Oostergo groeide, daar zaten zelfs openbaren, die te lui waren om naar Leeuwarden te reizen. Niet iedereen was zo principieel als oom Jaap, die elke dag naar de openbare HBS in Leeuwarden reisde omdat hij niet naar de christelijke hbs in Dokkum wilde. De Heegers woonden aan de Oosterdiepswal in Kollum. Mächtelds vader, Eegje, van Egidius nam ik maar aan, was winkelier in confectiekleding. Het gezin Heeger was – bij mijn weten – het enige katholieke gezin in Kollum. Tot haar vijftiende hadden wij Mächteld zelfs nog nooit in het dorp gezien. Ze zat nu bij mij in de vierde klas en de fietstochten kregen direct een heel nieuwe lading. Het viel mijn moeder op dat ik steeds vroeger vertrok ’s morgens. De eerste op de startplaats deelde altijd de fietsgroep in. De groep fietsende jongens – gingen er behalve mijn zusters Tjjitske en Jelske eigenlijk wel meisjes naar het lyceum in Dokkum? – werd uitgebreid met een meisje. Natuurlijk waren de Kollumer kameraden en Johannes Wijbenga uit Oudwoude en Anton Boersma uit Veenklooster, die onderweg naar Dokkum aanhaakten, ergens tussen de melkfabriek van Huisternoord en Triemen, leuke gasten, maar tegen Mächteld konden ze niet op. Zoals zij kon lachen en schateren. De eerste tijd hielden we haar braaf uit de wind, maar na een week of twee kreeg ze ook kopwerk. Haar bruine haren dansten dan in de tegenwind, op haar bovenlip parelde zweet, haar donkere wenkbrauwen vormden één lijn en haar mond had een verbeten trek en als haar fietstas dan wat verzakte onder de verslapte snelbinders en ze die met haar hak rechtschoof, moest ze alles geven om vaart te houden. Maar ze flikte het en zo werd ze één van ons. Rooms of niet, we gingen van haar houden. We genoten van haar ongewone internaatsverhalen. Oude nonnen met kapjes op, in witte lange schorten, op mannenschoenen, die de slaapkamers controleerden. Verplichte bidsessies. Biechten. Maar wat kon zij dan hebben gedaan? De bescheiden, overzichtelijke, mores van Calvijn verbleekte bij dit regime. Helemaal niet gek dat ze graag meeging naar Oostergo. Als we er eens goed over nadachten, had ze gelijk met de overstap.

Toen ze een paar dagen achtereen niet op kwam dagen om half acht, voor het huis van dokter Roosdorp, bedachten we dat ze ziek was. Rudie Heins zou thuis een fruitmand fixen en dan gingen we ’s middags, net voor de voetbaltraining, op ziekenbezoek. Mächtelds moeder glimlachte toen ze ons vijven zag staan. Een crucifix in de gang gaapte me aan. En toen Mächteld eraan kwam en ons zag met die stomme fruitmand, schaterde ze van het lachen. ‘Even een paar snipperdagjes, meer niet.’ We dronken een kopje thee en vertelden sterke verhalen over school. Ondertussen werden we begluurd door een nog groter crucifix boven een deur.