Matthäus Passion

De adem van de Matthäus Passion fluistert door mijn hoofd als een herinnering aan een bloedmooie jeugdvriendin. Het is het seizoen van winterstormen, voorjaarsbloemen en de MP. Hoe een verstokte atheïst, ver voorbij het agnosticisme, ietsisme, ietsiepietsisme, waar reguliere geloofverlaters zich aan vast klampen als slakken aan een slablad, toch een verwoed Matthäus Passion-fan is, wordt of blijft, verbaast mezelf ook. Even graven. Opgegroeid in een christelijk nest met een grefovader en een doopsgezinde moeder wordt je het geloof met een gesuikerde paplepel zonder nadenken ingegoten. Ik deed vrolijk mee. Een christelijke basisschool, zondagsschool, een niet rigide kerkgang in combi met een redelijk vrije opvoeding deden de rest. Ik had altijd een sterke belangstelling voor het majestueuze orgel.

Godver, wat werd er bij ons aan de eettafel gediscussieerd en wat waren we volgzaam. Mijn vader was zo vol van cijfertjes en grote getallen dat al mijn broers dachten dat ze dat voorbeeld moesten volgen en zonder nadenken econoom werden. Mijn moeder, voorzitter van de vrouwenvereniging, maakte dat mijn zussen en ik het zochten in psychologie, pedagogiek en talen. Thuis was een l.p. van Feike Asma, die Bach bij ons naar binnen bracht als de arbeiders van boer Benedictus de zakken aardappelen. Bachs Jesu bleibet meine Freude zit in mijn hoofd gekleefd en gebeiteld als bijbelteksten op grafstenen.

Bij de heropening van de Maartenskerk werden de jongens van de lagere school gerecruteerd en zongen al lopend een speciale tekst op de melodie van Jesu bleibt enz.; mijn tweelingbroeder en ik met gewassen snoet en in korte broek voorop met de statenbijbel op onze vooruitgestoken ijzeren knuisten. Op zondag naast mijn moeder zittend zongen we als lijsters voor en na de preek. Met mijn vader bezocht ik concerten van het Frysk Orkest dat subsidiërende gemeenten bezocht en daar voor minder bezoekers dan orkestleden hun verplichte programma’s, met ik geloof altijd een flinter Bach, speelden. Gevraagd door mijn voetbaltrainer Jan Boer, deed ik mee met de zondagsschool en gevraagd door schoolmeester Meindertsma werd ik lid van de jeugddienstcommissie. Dit was de basis.

Op mijn 17e, 18e ging ik de wereld om me heen wat beter bekijken en werd de kiem voor de latere atheïst in mij in het ontwikkelbad gestopt als foto’s in donkere kamers van blanco papier tot de mooiste platen werden. Ik zag dat religies de wereld er niet bepaald beter op maakten, realiseerde me dat het inhoudelijk de grootst mogelijke verzonnen kul is en alleen geschikt voor geboren twijfelaars, gelukszoekers, strohalmklampers en retrodenkers en ik hield het zonder wrok voor gezien. Wat mij betreft houden verstokte gelovers de religie binnenshuis, tot de voordeur. Geen religies op straat, in wachtkamers, ziekenhuizen, rechtszalen, laat staan in het onderwijs. Laten we jongeren tot hun 18e de indoctrinatie van het geloof besparen en laat ze daarna kiezen wat ze willen. Onderzoek wijst uit dat negen van de tien gelovigen de religie van hun ouders erven.

Ergens midden 40 werd ik weer gevangen door de betoverende muziek van Bach en groeide de belangstelling voor de MP. Zo dus.