Reitemakersrijge 10

Wandelend langs de huizen aan Reitemakersrijge valt je de verscheidenheid aan stijlen op. Als een nestje uit Griekenland geïmporteerde bastaardhondjes: een allegaartje, maar een sympathiek allegaartje. Oud, nieuw, klassiek, modernistisch en post-; was de straat een kunstwerk, je zou het samengevat eclectisch noemen. Als een psycholoog die denkt dat alle antwoorden in jeugden liggen, daagt de Reitemakersrijge je uit naar het verleden te kijken. Sprekend met tot Groninger gemaakten (oorspronkelijke oer-Groningers zijn moeilijk vindbaar als truffels in de Peizer onlanden) hoor je vertwijfeling en een peilloos diepe onzekerheid over hun ware ‘zijn’. De vraag ‘Wie ben ik’, en ‘Waar kom ik vandaan’ ligt hen, onuitgesproken, dat dan weer wel, noorderlingen hè, brandend op de lippen. Ik leg het graag even uit.

Waren stadjers boekenlezers dan wisten ze het allemaal al natuurlijk. Laten we bij de naam beginnen. Wat zegt dr. Frans Westra over de straatnaamgeving in ‘Palet van Groningen’? Niet verrassend: een gebied van makers van rieten manden. De manden werden gebruikt in de lakenindustrie. Even verderop legt Westra geduldig en deskundig de oorzaak van de identiteitscrisis van Groningers uit als hij, nu zeer zeker wel verrassend, stelt dat Groningen van oorsprong een Drents dorp is (¹) en de grote Markt een soort brink. Nog erger wordt het wanneer hij verklaart dat de oudst bekende Groninger een Fries is (²). Dat de ontwikkeling van Groningen gestopt is bij de grens van een provinciestad komt omdat Groningen geen Gouden eeuw gekend heeft (³) en omdat de industriële revolutie aan Groningen is voorbij gevaren als het coronavirus aan vegetariërs of museumschuit De Emma aan de oevers van de Pottebakkersrijge omdat geparkeerde auto’s een mogelijke aanleg verhinderen.

Als Groningers toch maar gewoon Friezen zijn dan is het merkwaardig dat cultuurinstellingen als het Forum en boekenhandel Van der Velde een uiterst schamele collectie Frisiania aanbieden. Als Groningers echte Friezen zijn, kunnen we maar best even bij Flip van Doorn in (alweer de zesde druk) ‘De Friezen’ opzoeken wat de ware aard van deze volksstam is. Hij noemt ze (⁴): ‘tegendraads en tegenstrijdig, creatief en conservatief, onzeker en zelfbewust, open en gesloten – en dat allemaal tegelijk’. Zo’n geestelijke tweespalt moet haast wel leiden tot wankelmoedigheid en onzekerheid over de ware ‘ik’. Maar met Van Doorn die over de Friezen spreekt zeg ik, schrijvende over de Groningers: ‘Het is geen wonder dat ik me thuis voel in hun midden.’

(¹) p 22, (²) p 25, (³) p 54: Frans Westra ‘Palet van Groningen’, geschiedenis, kunst en cultuur van de stad (Haren, 2016); (⁴) p 13 van Flip van Doorn ‘De Friezen’ (zesde druk Amsterdam 2021)

Reitemakersrijge 9

Follies zijn interessante artistiekerige bouwsels die niet direct een praktische functie hebben. Het verschil met objecten uit de hoek van de beeldende kunst is soms klein of helemaal afwezig. In dat geval (het laatste, dus dat de folly beeldende kunst is) moet je oppassen, want follies hebben iets lichts, iets frivools en beeldende kunst is vaak zwaar en gewichtig, een beetje als het verschil tussen lectuur en literatuur, een grafschrift en een lijkrede, een lekker hebbeding en een dame.

Er zijn permanente en tijdelijke follies. Aan de achterzijde van Minerva is een supergroot fietsenhok alias stouwplaats voor vaten fixeer en ontwikkelaar (conclusie: deze kunstschool rekent de fotografie nog steeds tot de beeldende kunst). Deze met een machtig cortenstalen hek afgescheiden opslagruimte oogt als een folly maar is het, vanwege de artistieke uitstraling en de praktische bestemming, niet. Het is (deel van) een kunstwerk van Noud de Wolf.

Sinds de zomer staat er een (tijdelijke) folly voor het stalen hek. Het oogt als een getraliede hal. Aan de voor- en achterzijde zit een deur, maar de door de deuren besloten ruimte is zonder praktische functie. Het is geen cel, geen kamertje geen hal. Het was een poos een soort voorportaaltje, toen het nog tegen het Minervahek stond vastgeplakt. Het functioneerde als een soort tochthal, een klompenportaal. Opvallend is de aanwezigheid van planten en gemalen boomschors op de grond.

Heb je de smaak te pakken gekregen en je verder wandelt richting station, dan zie je voorbij de Emmabrug een imponerende donkere bakstenen constructie met pijlers en bogen, half verscholen achter een foeilelijke witte stenen muur. Geen nuttige functie, zoveel is zeker. De vraag of deze constructie een folly is of beeldende kunst is net zo lastig als de vraag of de ABN een bank of een maffioos witwasbedrijf is¹. Nadere studie leert dat het door een kunstenaar, de Deen Per Kirkeby, is ontworpen. Of het dan gelijk beeldende kunst is, is niet zeker aangezien beeldend kunstenaars ook graag follies maken.

Dan maar weer richting binnenstad, die blijft aan de wandelaar trekken als belastingvlucht aan DSM en Unilever. We zien een stalen deur. Geen scharnier. Geen klink.. Geen bovenraampje. Het is een platte constructie, dus geen bouwsel, dus geen folly? Ik twijfel als een CDA-kiezer tussen David Omtzigt of Goliath Hoekstra. De culturele conciërge van de ertegenover liggende synagoge helpt me uit de droom. Het is kunst (van Gert Sennema) en het symboliseert de verdwenen en later vermoorde Joodse oorlogsslachtoffers. De gesloten deur sluit terugkeer uit. Definitief.

 

(¹Sinds het moment begin september ’21 dat de ABN te veel berekende woekerrente terugstort aan eerder uitgezogen gedupeerde cliënten, lijkt de bank weer tot de geldbedrijven in de bovenwereld te behoren)

Reitemakersrijge 8

Voor cultuurliefhebbers is de omgeving van de Reitemakersrijge als een ui, een Staphorster klederdrachtdraagster of het koetswerk van een antieke sexy DS: onder elke pas afgestroopte laag komt een volgende en een volgende en een volgende; als je bij de vijfde en laatste bent, ben je als kijker afgepeigerd als een fruitvlieg op een nectarineschaal na een warm weekend.

Voorbij het mooist denkbare pisbakhuisje met die kenmerkende geur die je ook ruikt als je stadsfoto’s bekijkt van Ed van der Elsken, valt de achterdeur van het Scheepvaartmuseum op. Een middeleeuws straatje voert naar een schip op het droge. De Alida. Van Ploeglid Alida Pott waarschijnlijk, want de oude Ploeg is in Groningen overal dichtbij en bijna voelbaar als stoppels onder een sluier.

Wat verder slenterend zie ik een fier schilderij van Alida Pott aan de gevel van het Groninger Museum. Wat een vrouw! Wat een gevel! Wat een museum! Met dank aan Haks, Mendini, De Lucchi, Starck en Himmelb(l)au werd het modernistische museumontwerp een toeristische trekpleister van jewelste. De duizelingwekkend mooie buitenkant straalt durf, verleiding en vernieuwingsdrang uit. Ook het interieur parelt en verrast bezoekers. Maar sommige huiscollecties ogen geamputeerd. Zeker, er is een schitterende collectie Ploegwerk, met een unieke portrettengalerij van Ploegschilders. Maar voor een museum dat pretendeert oog voor hedendaagse kunst te hebben ontbreekt er veel. Te veel.

De inmiddels meer dan honderdjarige kunstenaarsvereniging De Ploeg wordt getoond alsof het leven na de vijftigste verjaardag is gestopt. Afgebroken. Geëuthanaseerd. Alsof De Ploeg alleen maar bestaat uit Altink, Jordens, Werkman, Pott, Martens, en andere begravenen. Het museum gaat compleet voorbij aan de vitaliteit van de nog steeds springlevende vereniging. Het mogen nog geen gevestigde namen zijn, maar ook ontwikkelingen in de kunst horen bij educatieve instituten die musea nu eenmaal zijn. Andreas Blühm, inmiddels hoogleraar kunstgeschiedenis, waar zijn de lijnen en verwijzingen naar de Ploegleden van nu? Corsius, Benniks, Busman, (Thomas) Dijkstra en Van Holten, om maar een aantal te noemen? Van hen is niets te zien. Geen spoor. Nul. Nada, Neat. Niente. Nichts.

Reitemakersrijge 7

Gedachteloos fiets ik door de Museumstraat die op de Reitemakersrijge uitkomt. De derde keer door deze historische straat fietsend lees ik de naam Klaas en nog wat, in een onduidelijk handschrift. Mooi zo, denk je, deze klassieke voornaam is het waard overal genoemd te worden. De vierde keer langsfietsend, schiet me de beroemde graffito in Amsterdam te binnen, Klaas Komt. Deze in zwartwit gespoten hoofdzin staat inmiddels in alle kunstacademielesboeken voor aankomende graffitispuiters. Niks om als Klaas trots op te zijn. Maar de zesde keer, in sommige dingen ben ik niet de snelste, besteed ik er meer aandacht aan en lees, met extra zin kijkend, de verrassende inhoud: Klaas je bent de mooiste. Wow, ik ben even sprakeloos. Zonder me om de feitelijke inhoud te bekommeren is mijn onmiddellijk volgende gedachte natuurlijk: WIE? Wie schreef dit op de rode bakstenen muur? Wist zij dat ik hier kwam wonen? Dat het een vrouw moet zijn zie ik aan de smachtende letters. Mannen zouden de kwast steviger, duidelijker, netter hebben aangezet. Hoekiger, minder zwierig.

Ik fotografeer de tekst. Voor de archieven, de eeuwigheid. Even overweeg ik nog in een nacht langs te gaan om de letters aan te dikken. Vrouw I was het niet, zegt ze met een lach die maakt dat ik haar ‘Mijn grote liefde’ zal blijven noemen. Het kan natuurlijk over een andere Klaas gaan, maar dat geloof ik niet. Ooit schreef ik het gedicht ‘Zesentwintig’, dat in 1994 gepubliceerd werd in het Drents Letterkundig Tiedschrift ROET. Ik was ingegaan op de uitnodiging een ‘zelfportret’ te schrijven. Mijn zelfportret bestond uit de namen van 26 meisjes/vrouwen die ik in mijn jeugd in stilte had aanbeden. Hadden er gemakkelijk 52 kunnen zijn, dat ook nog.

Ik fantaseer dat één van die 26 op een veiling de inmiddels ‘stief utverkochte’ Roet-special (IK & ROET zölfportretten) van Narcissus aanbiddende schrijvers in Drenthe heeft kunnen verwerven. Vervolgens nam zij de kwast en een pot witte verf ter hand met het nu in brokkelige letters Klaas, je bent de mooiste tot gevolg. Dagelijks stop ik voor de tekst en vraag een passerende vrouw hardop voor te lezen wat daar staat. Hier gedachteloos langsfietsen gaat vanaf nu tot de onmogelijkheden behoren…

Breath of freedom, Margaretha Consort, in De Fabriek Coevorden 20 augustus 2021

Drie keer slaagt het Margaretha Consort erin mij zodanig mee te zuigen in de muziek dat ik onwillekeurig wil mee neuriën en dat mijn knieën, heupen en alle nog niet door artrose aangetaste botten rammelend tegen de weefselwanden en spierbundels bonken en beuken en ik almaar denk: ga door, stop niet, verdomme, zet aan, haal uit, betover me, pak me in…. Drie keer voor € 20,- een geluksgevoel, en hoop dat de leider van de bent opstaat en de nog wat lauwe zaal opzweept, wild met zijn armen gaat zwaaien en ‘Allemaal!’ gilt, maar hoho, we zitten niet bij de Snollebollekes, hè.

Supermooie stemmen van Elea, Helena, Véronika, Margreet en twee in het programmaboekje vergeten jongens, het waren: Kevin Skelton en Günther Vandeven, die in Andromedae (muziek Channe Visscher, tekst Elea Bekkers) langzaamaan samensmelten als zes kleuren exquise hoogglans Sigmaverf voordat je de trap gaat schilderen. Soms een klontertje alt-, bas- of diskantgamba erbij van Maaike, Ricardo, Marit en Frank, voor de binding een tintje orgel van Jörn en dan weer mengen en mixen en afstemmen, wow, knap, krachtig en prachtig.

Microfoonloos wordt de uitvoering toegelicht in een schitterend industrieel zaaltje waar pareltjes van gehoorapparaatjes in en achter luisterende oren schitteren in fraai, kleurig, podiumlicht als sexy tongpiercings in een vlammende disco in De Krim-centrum. Artistiek leider Marit Broekroelofs kijkt goedkeurend toe.

Als je publiek definieert als: in muziek geïnteresseerden die via algemene media werden getriggerd, dan tel ik evenveel als bij het concert betrokken familieleden, scharrels, oppasoma’s, stille aanbidders, caterende theatervrijwilligers en technici. Is dat belangrijk?

Even denk ik bij de finale repetitie te zitten. Een onvolledig en niet foutloos programmaboekje. Een 15 minuten uitgestelde aanvangstijd. Daardoor horen we dan weer wel sfeerverhogende huiselijke geluiden van boven: doorgetrokken wc’s en gezellig getrippel van hooggehakte voeten op de trap en een couleur locale versterkende krakende zoldervloer voorafgaand aan het startschot.

Het is prachtig. Anderhalf uur in een bijzondere muzikale bubbel met deftig geklede jongeren (mannen, let nog even op mouw- en broekspijplengte zou modegoeroe Arno Kantelberg zeggen)  die klassieke instrumenten bespelen met dezelfde inzet, passie en vaardigheid als veelbelovende voetballers ballen in een beloftenteam. De antiek ogende instrumenten worden gestemd, geliefkoosd en voor de zekerheid nog een keer gestemd. Begeesterde muziekmakers die geïnspireerd raakten door het heelal, buiken, billen, borsten en navel van vrouwen en daar poëtische, soms wat wereldvreemde teksten en muziek bij maken. Sommige teksten worden expres zo goed als onverstaanbaar gemaakt want vertaald in de dode rebustaal Latijn. Mijn kop vult zich met vragen: waarom zou je dat willen doen? Sfeer? Subsidie-eis? Bubbelversterking? Het publiek leest mee over Hoofse liefde, de berg Carmel, een vergelijkende ziel (sic!) en dat er nog een wereld aan verbondenheid te winnen is. Open deur of niet, het vierregelige door Johannes Kepler en Hannie van der Wielen geschreven Ubi sensus harmoniae klinkt harmonieus als, maar minder bombastisch dan een fanfare op de Internationale Taptoe in Breda.

De oud-calvinist in mij herkent in de teksten de bijbelse contouren van een door sprinkhanen aangeknaagde verdroogde woestijncactus. Het Hooglied, waar blijkbaar toch nog een markt voor is, dat door de sleetse dominee in ieders jeugd altijd werd overgeslagen. Hier uitvergroot en meerstemmig bezongen door hogeschoolzangers en muziekmakers. Op weg naar huis relativeer ik de teksten. For your voice can sing to change the world. The breath of freedom, en wil me niet afvragen of, als je de wereld wilt veranderen, antivaxxers eens duidelijk aanspreken of het ICCP-rapport indringend lezen en ernaar proberen te handelen niet meer zoden aan de dijk zet dan zingen over Markus 14: 3 – 9 of het Hooglied.

Nog twee keer in het theater, in Assen en Driebergen.

Reitemakersrijge 6

Verhuizen heeft aparte bijeffecten. Mensen in je omgeving gaan je ongevraagd raadgeven alsof je hebt aangekondigd van de ABN naar een bank in de bovenwereld te willen overstappen. Bezorgde vrienden waarschuwen: met al die studenten naast je, gaan de bloembakken in no time naar de gallemiezen. Wij zijn rasoptimisten van aard en plaatsen, de raadgevers dankend, drie bloembakken. Dagelijks bestuderen we de groei en en passant de superieure metselstijl aan de achterzijde van Minerva. Als schoonzoon van een bouwer vallen me vooral de laagjes net onder de dakgoot op, die verraden kunstenaarschap Dat het vroeger een museum was, zie je zo. Ook de tegenover ons liggende huizen hebben schitterend gemetselde gevels, wat een contrast met het modernistische en toch subliemmooie pisbakhuisje van Koolhaas/Olaf naast het Pomphuisterras.

Een handvol studenten beproeft na sluitingstijd geregeld de wankele balkonconstructie. Liever dan hun aandacht op onze plantenbakken te richten bespreken ze luidruchtig de nadelen van het leenstelsel, dat ze nog nooit van Nicolien Mizee hebben gehoord en dat rum van de billen van een sloopkogel of kapstokhertje likken tot uitgestelde dronkenschap leidt. Gaaf!

Tussen de Museumbrug en de Reitemakersrijge ligt ‘Een oase in de stad’ van Noud de Wolf. Het is het mooiste, intiemste, meest onbekende parkje van heel Groningen. Water, een fontein, voorbij varende schepen, een stalen sculptuur dat als entree dient, een monumentale museummuur, bomen, een slingerpad en meer. Op zijn smalst vijf meter breed en in totaal, wat zal het zijn, 50 meter lang?

Wat in Dokkum, Easterlittens, of Hindeloopen tot het gewone verkeersbeeld behoort, zorgt in Groningen voor opwinding. Een gestreken zeil van de bruine vloot vaart voorbij: een tjalk, Hasselter aak of skûtsje. Een roer als een buitenmodel schoepenrad. Een kapitein met een BMI van 25, op sokken. Lange lokken onder de pet. In plaats van spetterend buiswater of een frisse Friese wimpel de sleetse driekleur. De Museumbrug is voor boten dicht als podiumgordijnen in coronatijd. Brugwachters, op zondag driedubbel betaald, pauzeren langdurig, liggen oostwaarts biddend op een mat of bellen met moederdevrouw dat het wat later wordt. De sfeer langs de A is die van een Christenunievergadering waar Carola met lipstick binnentreedt. Opgewonden mannen. Men stoot elkaar aan, wijst, knipoogt roept. Koffiekopjes trillen op terrastafels. Knieën beuken tegen tafelbladen. Excitement alom. De Pieternella vaart rustig voort.

Matthias Havinga op het Hinsz orgel te Leens (7 augustus 2021)

Wow, goed man, Havinga spot met alle in de orgelsport heersende wetten en begint met het lekkerste: Sweelincks ‘Est-ce mars’. Het klinkt prachtig. Superieur op het superieure Hinsz orgel in de voor dit orgel wel erg kleine kerk in Leens. Havinga benadert tot op de millimeter de versie van The Royal Wind Music op blokfluiten (op de cd The Flute-Heaven of the Gods). De kerk is inderdaad niet groot, zittend in het koor zie je de bovenkant van het orgel zelfs niet. Een deel van de bezoekers, de echte liefhebbers dan, zitten met de rug naar het orgel toe. Die luisteren wel zonder naar de trompetterende engeltjes te kijken.  Maar de meeste luisteraars willen de orgelpijpen tellen en wat te zien hebben, die zitten in het koor.

Voor orgelfetisjisten is deze ongewone opstelling gewoon, maar voor neo’s natuurlijk niet. Orgelmuziekliefhebbers vinden weinig vreemd. Zoals ook bijna niemand het raar vindt dat je voor € 12,50 entree (en € 2,50 voor een programmaboekje met de allerkleinste lettertjes) geen koffie krijgt maar wel een door de nagalm zo goed als onverstaanbaar prevelement van de voorzitter en van de organist himself. L a n g z a a m spreken zou helpen.

Goddank vergoedt de muziek veel. Kristusziele, wat klinkt dit orgel mooi. Vooral als het bespeeld wordt door Havinga die geen last van stijve vingers heeft. Kou, onweer en bliksemflitsen dragen bij aan de sfeer en dus het genot. Havinga’s registrant houdt de lange jas maar aan terwijl hij toch beweging genoeg krijgt door regelmatig van links naar rechts te moeten rennen achter het orgel langs over houten vloeren die voor een extra krakende, gezellige, authentiek-Groningse roffel zorgen. Heerlijk.

Ik zit naast een big brother-jongeman die als een spijbelende gamer achteroverhangend sexy joysticks manipuleert en joekels van witte camera’s in de kerk laat bewegen. You-Tube-filmpjes in productie. Groene nerveus knipperende lampjes verraden de camerarichting, zodat je weet wanneer je niet lonkend moet knipogen naar een tegenover je zittende bezoeker of een gaap, vinger in kriebelende natte neus of frons moet onderdrukken.

We luisteren naar een mooi klassiek programma met als jongste uitschieter Henk Badings (ook al weer een halve eeuw dood hoor), veel Bach en een vleug Sweelinck in dit speciale Sweelinckjaar met ‘Est-ce mars’ als uitschieter. Om je heen kijkend slaat toch de schrik je om het hart. Het programmaboekje doorbladerend zie je meer subsidieverstrekkers dan bezoekers om je heen. Tevredenheid en verontrusting strijden om voorrang. Mooi hoor dat al die ex-calvinisten hun zieleheil afkopen met een fikse stroom euro’s voor het örgel, maar waarom doen orgelorganisaties geen moeite om een nieuw publiek aan te trekken? Ik zou zeggen: kijk eens rond in de evenementenindustrie. Rondkijkend verwacht ik dat de laatste orgelmuziekliefhebbers over tien jaar zullen zijn bijgezet in de Hogelaander graftombes. Maar dan zijn de filmpjes er nog, hopelijk.

Reitemakersrijge 5

Tegenover ons staat kunstacademie Minerva. Een instituut dat etaleurs, leraren tekenen, textiele werkvormen (bestaat dat nog?) en handvaardigheid opleidt. En een enkele kunstenaar misschien, maar welke kunstenaar heeft nou een opleiding nodig? Of gaan we fotografie ineens ook tot de beeldende kunst rekenen? Onthoud: op technische knopjes drukken in de kunsten is net zo nep als opgevoerde formule-I-auto’s tot sport rekenen. Ooit van een topschrijver gehoord die naar de schrijversavondschool ging en van een geüpdatet Word-programma bestsellers ging produceren? Uitzondering: Nicolien Mizee.

Op het Pomphuisterras kijken we onze ogen uit. Vrolijke jongens en meisjes komen drankjes  brengen maar weten niet dat het bier letterlijk in het Pomphuis wordt gepompt met een uit een vrachtauto bungelende slang die niet onderdoet voor blusinstallaties van Sicilianen en Zuid-Grieken. In het water varen buikige, gezonnebrilde mannetjes voorbij. Armkettinkjes, veel te korte zwembroekjes en halskralen als bosjesmannen. De kapiteins-Iglo zijn bedekt met  tattoos en kielhalen nog liever hun altijd bloedmooie partner dan dat ze het stuurwiel voor een seconde uit handen geven. Ik maak het gebaar van voetbaltrainers die spelers willen wisselen. Smachtende vrouwenogen werpen me dankbaar en begripvol onzichtbare, liefdevolle kushandjes toe maar durven geen protest aan te tekenen tegen hun sturende bewindvoerder.

Aan de overkant van de A stopt een scooter met twee bijna twaalfjarigen. De pas gejatte paarse Vespa Primavera RST met camelkleurige buddyseat, hebben ze nog niet echt in de macht. Het theorie-examen voor bromfietsen is, zonder hulp van de koranschool, voor hen even onbereikbaar als een foutloos ingevuld belastingbiljet voor hun grote, drillrappende broers. Ze kijken verschrikt om zich heen en trekken de klep naar beneden als Danny Buys na een verloren wedstrijd tegen FC Emmen. De achteropzitter, een beduimelde enveloppe in de zwetende knuistjes, vloekt binnensmonds, krijgt een por en dumpt een zending prefab joints in de brievenbus en hoopt dat de 109 ademloos fotograferende terrastijgers, van wie ook bijna niemand de koranschool heeft afgemaakt, hem niet herkennen. Drugsrunners zijn als geldezels. Zodra ze vrouwen kunnen beledigen gaan ze van school en verschansen zich bij de zoveelste aanhouding achter het argument van kansenongelijkheid als Limburgers die altijd hebben vertrouwd op en geloofd in de door henzelf verzonnen Mutti Maria en het hebben verdomd de dijken op tijd te verhogen. Hoe wreed klinkt soms het Gronings: “Wel nait wol diek’n mout wiek’n.”

De mensen van Molenhuis, portretten van Peter Siebesma

De 25 geportretteerde koppen die Siebesma schilderde na bestudering van zwart-witte foto’s voelen zich in de kerk van Onderdendam thuis als fluitenkruid naast akkers. De kleuren zijn ingetogen als het sleetse vaalgele en olijfgroene kerkinterieur. Indringende kleuren zouden niet bij de hoofden hebben gepast. We zien serieuze gelaatsuitdrukkingen van mannen en vrouwen uit de tijd dat mensen niet oud werden. Ongepolijst, alledaags, op het norse af. Groningers zijn geen lachebekjes.

Jacob Molenhuis maakte de foto’s tussen 1920 en 1960. Hij werd beroemd doordat enkele foto’s werden opgenomen in het Amerikaanse Photography Book of Phaidon (2000), met werk van 500 internationaal bekende fotografen, waaronder dus Molenhuis.

originele foto uit Phaidon

Na je pensionering een opleiding aan een kunstacademie voltooien is één ding. De ambitie om 25 gefotografeerde Groningers in kleur te schilderen volvoeren een tweede. Dat het een ingewikkelde klus was kunnen we zien. Bezoekers wordt de gelegenheid geboden de werken van nabij te bekijken. Je ziet de neushaartjes, je ruikt bijna de adem van het pre-elektrische tandenborstel tijdperk. Sommige geportretteerden ogen wat statisch en hebben een glimmende huid. Maar de belijning is prachtig, Siebesma’s toets doordacht en consistent. De 25 vormen een hechte eenheid.

Van veel koppen is een naam of een beroep bekend. Van een (inmiddels) kleiner  aantal niet. De anoniemen zijn de best gelukte werken. Als je ze aankijkt, kijken ze terug. Ze willen je iets vertellen, maar aarzelen nog wat. Emoties als opwinding, euforie, blijdschap zijn ver te zoeken. Dat geeft de koppen iets vlaks, misschien iets nors. Maar om dat nu trots te noemen zoals Groningers graag doen… Misschien ongenaakbaar, bescheiden, achterdochtig, stug. Maar ook krachtig en zelfbewust. Een psycholoog zou er wel raad mee weten.

DE KERK in Onderdendam is een Amsterdamseschoolgebouw. Mooi glas-in-lood, kleinschalig, ritmisch, Gronings. Kenmerkende details in de houten kerkbanken zijn nog wel zichtbaar maar in de jaren 70 vakkundig weggeschilderd. Tegelijk met Siebesma’s portretten (nog te zien tot eind augustus) zijn er hoeden, persglas en klokken tentoongesteld. In de consistorie is een fijne collectie memorabilia, van Meccanodozen tot werktekeningen van de aan de kerk vastgekleefde pastorie. Van een piano in Amsterdamseschoolstijl tot blokpuzzels.

Reitemakersrijge; vier

Je bent nieuw in Groningen en dan ontdek je dat een paar huizen verderop een café annex terras annex restaurant is. Het Pomphuis. Een broodje paling heet hier ‘flatbread smoked eel’. Patat wordt ‘fries’. Voor een Engels sprekende Fries is ‘fries’, zeg maar Gronings voor Fries een  interessant woord. Na een fietstocht met Emmense vrienden strijken we neer in het café. Een batterij over elkaar heen buitelende vrolijke jongens bedienen ons en als boeren die grondwater over dorre akkers sproeien, pompen ze onophoudelijk Leffe blond in glazen. We laten ons door de muziek niet klein krijgen. Buiten regent het, binnen is het Carmiggeltiaans gezellig.

Aan de wanden beroemde Groningers, de meesten nors en mors, met bevroren, verstilde koppen. Ze kijken in zwart/wit op ons neer als grefo predikanten op wankelmoedige gelovigen die maar blijven hopen op een verlossend einde der tijden. Ben Feringa is in kleur afgebeeld, maar die leeft dan ook nog en is geen Groninger maar een Drent. We zien Petrus Campers. Na enig zoeken Willem Frederik Hermans, sssttt, ook geen Groninger, maar dat weten ze in Groningen niet, stadjers zijn geen lezers. En hé, is dat niet good old Ulrumer Sicco -theeplanter, verzetsman, boer, minister, socialist, spijtoptant-boterbergbouwer, elfstedentochtrijder – Mansholt die ervoor zorgde dat boeren voor eeuwig verslaafd raakten aan het subsidie-infuus als hersenarme drillrappers aan crystal meth? Ja.

Vrouw I wordt wat onrustig. ‘Dat lijkt mijn opa wel. Jan Boer. Die daar met die grote oren, hij houdt zijn hoofd wat scheef alsof hij moeite doet ons te verstaan.’ De tafelgenoten ginnegappen wat. Ja hoor, woont net in stad en denkt dat het Pomphuis haar als innemende buurvrouw wil paaien door haar opa aan de wand te exhibitioneren. ‘Leraar aan de kweekschool, later directeur, inspecteur, streektaalpromotor en womanizer avant-la-lettre. Liet mijn oma zitten voor een veel jonger hebbeding. Rottumer. Veelschrijver ook. Schreef poëzie in het Gronings. Ik heb nog zowat een halve meter gedichten van hem staan, half uitgepakt in een Dorenbosdoos.’ We praten de eigenaar en zijn crew bij. Die Jan Boer.