Reitemakersrijge; twee

Hoe Minerva, vroeger het Groninger Museum, ooit een vergunning kreeg voor een cortenstalen hekwerk aan de achterzijde, vraagt iedereen zich af die met de gemeente in conflict is vanwege een niet verleende bouwvergunning. Het is een schitterende constructie. Perforaties in de stalen wand tonen silhouetten van bomen die reflecterend terugkomen in de zwarte bovenkant van het gebouw.

Een bouwvakker parkeert zijn plofkraakauto, een hitsige zwarte Audi met kekke velgen en geile chromen dubbele uitlaat voor ons huis. Het is tegen zevenen. Hij bestudeert zijn kin in de achteruitkijkspiegel als een gesluierde vrouw stekelige neusharen in een blikkerende Samsung. Hij woelt met zijn rechterhand in zijn kruis, onder het rafelende Bjorn Borg elastiek door in zijn onderbroek en legt zijn plakkerige, geschoren ballen goed. Dan ruikt hij aan zijn vingers als een reu aan een poedelkont. Mannendingetje. Maar dan. Hij neemt uitgebreid de tijd om een joint te rollen. Steigerbouwers die blowen, dat lijkt me een slecht combinatie. Kon ik mijn geweten maar even uitschakelen. Als vanmiddag een Poolse kameraad die door des blowers nalatigheid acht verdiepingen naar beneden flikkert en in delen in een ambulance wordt geschoven, dan voel ik me medeschuldig.

Groningen moet nog wat aan me wennen, zoals mijn eerste school toen ik kwam uitleggen hoe alles beter kon. Bijvoorbeeld dat je denkt dat door alle huisafval op een hoop te gooien, jongeren kennis krijgen van het belang van afvalscheiding. Op straat zie je dat terug. Plastic flesjes, glas, peuken, papier, appelschillen, alu blikjes, hondendrollen, alles door elkaar. Zelfs crystal meth-producenten zetten hun blauwe vaten afval vaak keurig in gelid aan het eind van een staatsbospad en mengen het zelden met hun huishoudelijk afval.

Als ik een facebookende politieagente te paard iets vragend toeroep straalt ze. Enthousiast roept ze: ‘Wat zegt u?’ Weer een toerist die wil weten waar het Forum staat, denkt ze blij. Waarom zij geen hoefschoenen gebruikt maar wel middeleeuwse hoefijzers, vervolg ik. Iemand te paard iets uitleggen is niet eenvoudig. Dat er weinig hulpmiddelen zijn die in acht eeuwen niet zijn doorontwikkeld, doet haar fronsen. ‘Wist ik niet,’ antwoordt ze uiterlijk vriendelijk, ‘tja, nu u het zegt,’ maar mij ondertussen vervloekend waarom ik niets over het Forum wil weten. Stadsmensen zouden zich meer dingen moeten afvragen.

Reitemakersrijge; één

Zondagmorgen, the morning after the night before. We slapen uit tot 06.30. Twee uur langer dan gisteren. Gisteravond schrokken we op door sirenes. Twee politieauto’s, een motor en een ambulance schuin tegenover ons. Twee op het oog keurige jongemannen worden aangehouden. Op straat naast het terras ligt een aan het hoofd gewonde vrouw. De agenten nemen de situatie efficiënt op.

Zittende jongeling – F. E. Jeltsema

‘De zittende jongeling’ van Jeltsema. Zoals met bijna alle beeldende kunst zoek ik er iets van mezelf in. Deze keer is het gemakkelijk. Een smal lijf, peinzende, serieuze blik, gespierde bovenbenen, echt een dorpsjongen. Een Groninger, wed ik. Eén die goed en vlot Gronings sprak, misschien nog spreekt. Het beeld is van 1960. Gemaakt door F. E. Jeltsema (1879 – 1971). Lopend over het hondenpaadje aan de singel verbaas ik me over de beelden. Een en al brons.

In een etalage zien we twee hoerenhondjes. De gezichten staan van elkaar afgewend. Ik fantaseer over de betekenis. Jammer dat de ramen niet schoon zijn. Blauwe CDA-zomerpakken afgeprijsd in weer een andere etalage. Een stadspak heeft wel iets.

Een voorbijfietsende man ziet me de straat aanvegen en stopt. Een heel verhaal over een dakloos  bestaan in Eelde en de complexiteit van bijstand aanvragen zonder vast adres. Sympathieke man. Hoge ambtenaar geweest. Lijkt op de jongeling van de singel. Of ik, hij zou het ook liever niet vragen hoor, echt niet, of ik misschien…. Dat hij niet vraagt om een overnachtingsadres verbaast me zo dat ik hem graag een tientje geef. Een bed, bedbank dan, had hij ook gekregen. Stralend fietst hij verder. Halfzachte banden zoals alle stadjers. ‘Die staat er morgen weer,’ zegt vrouw I. ‘Wedden van niet?’ is mijn zekere antwoord. Ik voel me goed. De stad past me wel.

MARIAVESPERS

MARIAVESPERS
Coevorden
10 oktober 2021

 

‘Oude muziek voor nu’, dat is de slogan van het Margaretha Consort, het ensemble dat op 10 oktober Monteverdi’s Maria Vespers zal uitvoeren, in de NH kerk te Coevorden.

Marit Broekroelofs

De Mariavespers is de naam van een verzameling muziekstukken voor zangstemmen en instrumenten. Het is meerstemmige kerkmuziek en wordt Monteverdi’s visitekaartje met eeuwigheidswaarde genoemd. Er wordt wel gezegd dat wat de Matthäus Passion van Bach is voor de protestanten, is de Maria Vespers van Monteverdi voor de katholieken. Hoe het ook zij, liefhebbers van oude klassieke muziek hebben interesse in beide. Na optredens in Zutphen en Zwolle komt het Margaretha Consort in oktober goed opgewarmd en ingespeeld naar Coevorden in de fraaie NH-kerk. Deze kerk wordt gekenmerkt door zijn sobere interieur en superieure akoestiek en is elk jaar thuisbasis voor vijf zomerse orgelconcerten.

Een kleine twintig jaar nadat de Spanjaarden Coevorden hadden belegerd, werd in 1610 het muziekstuk de Mariavespers in Venetië uitgegeven. Hoe passend is het niet dat dit prachtige muziekwerk wordt uitgevoerd in de periode dat Coevorden Culturele Gemeente van Drenthe is. Dankzij de Stichting Culturele Dorpen Zuidenveld kan het woord Musiceren worden toegevoegd aan de pijlers Verbinden, Verhalen, Versterken en Vieren.

Nicolas Fink

Een indrukwekkende groep musici met twaalf puike solisten en zeventien instrumentalisten die allen de oude, barokke muziek tot in de haarvaten beheersen, worden gedirigeerd door maestro Nicolas Fink, een jonge Zwitser die internationaal al flink aan de weg heeft getimmerd. De artistieke leiding is in handen van Marit Broekroelofs. Het spreekt vanzelf dat we niet meer kaarten verkopen dan met het oog op de coronamaatregelen verantwoord is. Meer info en kaartverkoop via www.margarethaconsort.nl of zuidenveldcultureel@gmail.com.

  • Mariavespers van Monteverdi o.l.v. Nicolas Fink;
  • NH-kerk Coevorden;
  • 10 oktober 2021, 15.30 uur;
  • Entree € 25,-, eerste rang € 35,-; CJP/student € 15,-.

 

 

 

Stedelijk Museum Breda (juni 2021)

Qua inwoneraantal zit Breda tussen Nijmegen en Almere in. Het Stedelijk Museum van Breda kent in beide zustersteden zijn gelijke niet. Het is wat je van een algemeen museum verwacht: zeer veel variatie, oud naast modern, binnen en buiten, amper toeschouwers en een prachtig, klein, architectonisch interessant gebouw, als factcheckers tussen antivaxxers en viruswappies ingeklemd, maar dan in een winkelstraat. Op de eerste dag na de strenge lockdown zou je een run verwachten. Echter, bezoekersstromen volgen de trend van katholieke kerken  en orgelconcerten: misschien nogal wat sympathisanten die braaf een jaarlijkse bijdrage doneren maar actieve bezoekers niet of nauwelijks; de verhouding personeel – bezoekers loopt ongeveer één op één. Het is een overzichtelijk, klein, gezellig, duidelijk ingericht museum, een beetje als Breda’s centrum.

foto van Sacha van Dorssen

We zien stalen objecten van Helen Vergouwen in een prachtige patio. Mooi hoor, maar de hoekige, bruine, abstracte cortenstaalconstructies, staan er, als aanvallers van NAC als het erop aankomt, wat verbandloos bij. Enigszins zielloos leggen ze het af tegen een verticale, zachte, groene tuinwand met hosta’s, cotoneasters en een noodlijdende exoot. Nestelende merels zorgen voor extra vertier.

Strenge doch duidelijke pijlen voeren de toeschouwers langs een zaaltje oude kunst met regionale grootheden als Petrus van Schendel. Godzijdank ontbreekt een verwijzing naar De Drie van Breda niet.

Moeder van Petrus van Schendel

Industrieel werk uit de regio met herkenbare ovens en kachels. In een grote, tot het plafond volgestouwde zaal een historisch overzicht ‘Razende stilstand – Kunst in Breda van 1970 tot nu’. Je kijkt je ogen uit. Hier gebeurt waar musea voor zijn: je verwonderen, je verheugen en verbazen, je twee of drie keer laten kijken, drentelend je achter de oren krabben, terugkomen, medekijkers met in elke zin een superlatief aanspreken.

Arjan Janssen (zt)

En in een benedenzaal interessante fotografie, waar verrassend mooie foto’s van Sacha van Dorssen te zien zijn, maar ook de  usual suspects (een soort onomatopeeën in de beeldende kunst: afbeeldingen van de als winkelketens overal verschijnende Carla Bruni, een verveeld kijkende obligate Dalai Lama, lelijke producten van Vuitton, standaard coverfoto’s van retro modetijdschriften) elkaar afwisselen. Maar toch legt de meuk het af tegen heel mooie, soms grote, altijd super uitgelichte prenten.

Aan de straatzijde een soort smalle etalage met objecten, die helaas door een vervelend bedillerig hekje voor de geïnteresseerde kijker worden afgeschermd. Een nooddeur voorkomt dat de toeschouwer even naar buiten rent en van buitenaf een kijkje kan nemen, dat moet dan maar na afloop van het bezoek. Een meer dan interessante zaal is ingeruimd voor en door scholieren. Bijgestaan door de profi’s van het museum mochten ze werk maken en tonen. Het SM in Breda toont op dit vlak ambitie, al was het maar om toekomstige toeschouwersstromen veilig te stellen. O, had elke stad maar zo’n museum!

Beste Pieter Omtzigt

Als je door verwilderde,

Valse, schoot- trek-

Of straathonden,

Ik sla het woord christenhond

Opzettelijk, met moeite over,

Van die asielblijvers

Die iedereen voorbij loopt

Vanwege ontspoord,

Agressief bijtgedrag,

Schurft, luizen in hun kale pelzen,

Stinkende bekken,

Rottend tandvlees,

Verwaarloosde aarsmaden,

Ontstoken anaalklieren,

Je kent ze wel, opstaand tegen

Beprikkeldrade hekken;

Uit dezelfde gore bakken vretend

En daarmee hun christelijke

Waarden beschermend,

Wordt besnuffeld, gekend

En uit zogenaamde

Partijliefde teringhond

genoemd,

terwijl je je stinkende

maatschappelijke best

doet voor in de steek gelatenen,

gewone medemensen,

reken dan gerust op

mijn stem.

IN MEMORIAM REMCO EKKERS

Het bericht van Remco Ekkers’ overlijden verraste en ontroerde me. Ook zorgde het voor een vloed aan fijne herinneringen. Hij voorzag mij in een belangrijke periode in mijn leven van kennis, wijsheid, en iets wat je savoir-vivre kan noemen. Ik was zeventien en Remco 32. Hij docent, ik student. Net van een grijze, sombere, beschaduwde, christelijke middelbare school in Dokkum ging ik naar een open, vrij, zonnig instituut dat mij ging voorbereiden op de mooiste baan die er bestaat. Van lyceum Oostergo naar lerarenopleiding Ubbo Emmius. Van Dokkum met het eerste zogenaamde ‘brommeroproer’ naar Leeuwarden met straatprotesten waar we, wij wisten wel hoe de wereld in elkaar zat, lekker ‘Weg met Pa Pa Do Pou Los’ konden scanderen.

Door ziekte van de lerares Nederlands in Dokkum was het blok ‘Poëzie na 1880’ in het slop geraakt. Door Remco Ekkers kwam ik voor het eerst in aanraking met moderne poëzie. Er ging een wereld voor me open; alle ismen kwamen voorbij als bomen in een langzaam rijdende trein. Remco maakte naam als dichter. En speciaal door het publiceren van een bundel voor kinderen: Haringen in sneeuw, later bekroond met een Zilveren Griffel.

Op de lerarenopleiding gaf Ekkers moderne letterkunde, moderne poëzie en jeugdliteratuur. In de colleges jeugdliteratuur lazen, bespraken, analyseerden en bediscussieerden we proza en poëzie voor jongeren. Literatuur was serious business, de mondelinge en schriftelijke tentamens van Ekkers waren nooit mals. Door toedoen van Remco Ekkers toog ik voor mijn eerste schoolpracticum naar een school voor LHNO met in mijn tas een lesformulier ‘poëzie schrijven’. De leerlingen, meiden van 15, 16, mijn stagebegeleider en ik vonden het prachtig. Een vleug idealisme was ons niet vreemd.

Remco was een bevlogen leermeester. Enthousiast. Deskundig. Wijs. Erudiet. Een ware docent, denker, dichter. Een lichtvoetige, vrolijke maar niet onbekommerde man. Pijproker. De sectie Nederlands van Ubbo Emmius had een gevarieerde bent eigenwijze, recalcitrante, behoudende, ruimdenkende, geleerde, gevoelige, vooruitstrevende, bedaagde, docenten met Joop Sprock, Cees Dubbelaar, Aad Lohman, Henk Bakker, John Tolsma, Gosse van der Woude, Anne Wadman en Remco Ekkers. In sectieraadsvergaderingen werd uitgebreid gesproken over de rol van (jeugd)literatuur in het onderwijs. Natuurlijk stond hij in het instituut in de schaduw van Anne Wadman, toen al de Vestdijk van Friesland genoemd. Maar Remco Ekkers kwam uit de schaduw en ontwikkelde zich tot een vrije dichter van naam, met een grote productiviteit.

Door Ekkers ben ik poëzie gaan lezen, waarderen en, hoe gaat dat, als je dat maar lang genoeg doet, ook schrijven. Begin jaren negentig hadden we contact over mijn schrijverij. Als aartstwijfelaar zocht ik zijn advies. Ik herlees zijn zorgvuldig bewaarde, uitgebreide, aansporende brief. Zijn woorden ‘doorgaan met schrijven is het parool,’ heb ik met graagte ter harte genomen. Remco, dank je.

Sectionaaldeur

Maandag

Zijn knie rust op een huishoudtrapje en met onvaste hand schuift hij een rolmaat tegen het plafond van de garage. Een ingewikkelde exercitie voor een dermatoloog in ruste. Met zijn vrije hand klopt hij een neerdwarrelende dode spin van zijn colbert. En passant herschikt hij zijn stropdas met dinkeytoysafbeeldingen van Audi’s door twee eeuwen heen.

‘Pier, wat doe je?’ De scherpe stem van Lisa schalt door de tuin. Pier heet eigenlijk Pierke, maar dat lijkt teveel op een verkleiningsvorm en dat zou bij Pier niet gepast zijn. Mijn aandacht is daarmee getrokken.  Lisa, schort over een zijden blouse, bovenste drie knoopjes los, fuchsia-bh-bandjes goed zichtbaar, halfhoge hakken, komt naar Pier gelopen. Voor even laat ik mijn drie tuimelaars, een doffer en twee duivinnen, voor wat ze zijn en kijk naar de tuin van de buren. Hedera’s en een uitgeschoten bonte hulst bieden me een vrije uitkijk. Ik gluur niet, ik kijk.

‘Ik meet de hoogte van de garage,’ klinkt het amechtig. ‘Ik heb een nieuwe elektrische deur besteld en check de hoogte nog een keer. Een dubbelwandige sectionaaldeur wordt het.’ Of Lisa deze laatste woorden hoorde kun je je afvragen natuurlijk. Pier klinkt moe. Vreugdeloos, liefdeloos. Hoor ik iets van weerzin, afkeer in zijn stem? Wanneer, zo vraag ik mij af, wanneer glijdt onverschilligheid via gebrek aan belangstelling, afkeer, weerzin af naar haat als onverzorgd via doodsaai, smakeloos, naar foeilelijk ?

Of je zijn interesse, zeg maar fascinatie voor Aziatische volumineuze vrouwen een passie kunt noemen? Sinds jaar en dag werken er uitsluitend Chinese vrouwen in de maatschap van Fokkert en Pier. Altijd dikke. Wat wel een passie is: zijn belangstelling voor Bach. Vraag hem waar Buxtehudes invloed afnam en Bachs eigenheid begon, Bachs getallensymboliek, zijn veronderstelde psoriasis, niet geheel onomstreden, dat geef ik toe, de 2200 koornoten in het openingskoor van de Johannespassie, en hij praat en praat. Het liefst staand naast zijn zilvergrijze Audi 25 uit 1982, een voet quasi-onverschillig op een band rustend en met zijn vlakke hand liefkozend over het dak vegend als een foute dermatologie-aio over de cellulitisbillen van een nieuwe patiënt die nog niet op de hoogte is met gedragsprotocollen in de huidziektebusiness.

Woensdag

Ik hoor hem zacht ‘Komm du süße Todesstunde’ zingen in de tuin. Zelfs in zijn eentje is hij maatvast. Met plezier denk ik terug aan een buurtdinertje bij opleidingsrestaurant Flanagaris. Organisatie: Pier en ik. Samen hadden we een canon voorbereid, de Gealtsje-kanon met tekst van Fedde Schurer en muziek van Mozart. Toen al zag ik zijn doffe blikken als hij naar Lisa keek en pretogen voor n’importe welke andere vrouw, zelfs Gretha Kuinre kon op zijn warme blik rekenen. Ik had met hem te doen. Hij liet stiekem Jans Stromer foto’s zien van Jing-Li Zhang, een nieuwe maatschapmedewerkster uit Ziyang, iets ten zuidoosten van Chengdou. Tonnetjerond. Fel gestifte lippen. Jachtige oogopslag. Bloedmooi. Oud-specialisten zouden gerust zeggen: bloedgeilmooi.

Pier pent gehaast notities in een boekje als een Slochterense ambtenaar die aardbevingsschade opneemt. Dan loopt hij de garage uit, de oprit op en na zo’n meter of zeven stopt hij, draait zich om naar de garage, kijkt geconcentreerd, steekt zijn hand uit en maakt een zoemgeluid alsof hij op de remote control van de televisie drukt. Nooit gedacht dat hij het snelle dwarrelende ‘ße’ zo lang kon aanhouden, zo goed is zijn ademsteun nu ook weer niet. Na het inschuiven van de rolmaat bespelen zijn vingers Bachs klavecimbel. Zijn buik beweegt mee. Bij het heffen van zijn handen, ook luchtdirigeren zit in zijn genenpakket, schuift zijn overhemd wat open. Een bloot driehoekje ontstaat boven zijn broeksriem. Zijn navel een maankratertje, een omgekeerde zuignap met een minimonnikenkapsel van gedroogde doucheputhaartjes.

‘Kom je zo eten?’ In Lisa’s stem hoor ik iets dwingends. Bij het buurtdiner had ze vanaf het begin aansluiting bij de jongere buurvrouwen gezocht, die nog over make-up, versiertrucs en cocktails praten. Lisa, Pier noemt haar Liessie, ik hoorde eens ‘Liessie mijn pliessie’, ziet er nog goed uit voor haar leeftijd. Ik schat eind zestig. Gladde, gebruinde benen, gouden glimmertjes in de oren en gekrulde blonde lokken. Gespierde kuiten, strakke billen. Zonder moeite schraapt ze onkruid uit de naden van de stoeptegels zonder daarbij door de knieën te gaan. Met de wenkbrauwen is iets misgegaan. Alsof ze zich steeds iets afvraagt. Mijn aanvaring met Piers maatschap heeft ze ons nooit vergeven. Dat we zijn confrère, Fokkert Diederik Dwarsstram, die een receptuurfout had gemaakt die leidde tot een depakinetoxicatie en geen ongelijk wilde, misschien zelfs durfde bekennen, zeker niet tegenover Jing-Li, want die kan mannen die op het oog kleine vergissingen maken wel doodkijken, op de knieën kregen al helemaal niet. Ook Fokkert zelf had na die stommiteit niet met zichzelf in het reine kunnen komen en was bij een psycholoog terecht gekomen, hoorden we later viavia.

‘De deur is toch nog niet versleten, wel? Elektrisch, zeg je? Zo-een als Jans en Riekeltje-Roosmarijn Stromer hebben? Van Hoebersma uit Erica?’ Zonder antwoorden af te wachten stevent ze op de keukendeur af, als een duivenhouder op zijn klok na een Belgische vlucht. Pier kijkt haar hoofd- en buikschuddend na.

‘De laatste tijd draag je je haar zo vlak en plat. Die hoog opgestoken coupe vond ik mooier. Ben je deze week al bij HairZo geweest?’

Vrijdag

Een kleine vrachtwagen rijdt de oprit op bij Pierke en Lisa zie ik door het raam in mijn werkkamer. Een werkbroek boven werkschoenen stapt uit. Het haar een lange vlecht. Pier komt aanlopen en gebaart tot hoever de vrouw kan achteruit rijden. Ze stapt weer in.

‘Dit is een echte Grander, volautomaat type ZII met een kunststof aandrijfriem. Kan niet meer losschieten van het tandwiel. Op afstand met uw smartphone te bedienen.’ Haar stem klinkt opgewekt als van een cursusleider voor slechtnieuwsgesprekken. ‘De deur is geluiddicht. Dubbelwandig hè, that’s it. Als u me even helpt met sjouwen dan zit hij er in anderhalf uur in. Gek, maar u heeft geen extra loopdeur in de garage. Lastig soms. U wilde ook nog een stopcontact aan de buitenmuur? Ga ik voor zorgen.’

‘Graag,’ antwoordt Pier, dan kan ik mijn foon buiten opladen en de garageradio bij het tuinzitje plaatsen. Bach klinkt buiten nog beter dan binnen, dat komt vanwege de geïnternaliseerde tonen die, …’ De Stihl-boor met automatische afslag en diamantboor overstemt alle geluid als een beiaardier marktgeruis op zaterdag.

De werkvrouw monteert een geleidestang aan het dak van de garage. ‘Kijk, hier komt de elektromotor, 1500 Watt maar liefst, die kan zomaar 200 kilogram extra naar binnen lieren, het gewicht van twee man. Of vrouw natuurlijk en ze lacht wat onhandig naar Pier. Moet je echt niet met je handen of haar tussen aandrijfriem en geleidestang in komen.’ Pier staat erbij. Ik zie dat hij zijn hand boven zijn hoofd houdt, pink op zijn kuif, als meet hij iets in gedachten. Ik zie hem prevelen en in zijn aantekeningenboekje kijken.

Als de monteur weg is zie ik Pier naar de garage lopen. Bestuderend bekijkt hij het draaimechanisme dat de gekantelde deur naar binnen trekt. Ik zie hem een rood koordje over een stangetje gooien. Googelend bij Grander Type ZII zie ik dat het een veiligheidskoord is waarmee in geval van nood de deur gestopt kan worden. Moet altijd binnen handbereik zijn, staat er nog bij. Dan verhoogt hij de garagevloer met een drie centimeter dikke mdf-plaat. Weer zie ik hem de binnenhoogte opmeten. Hij is wat van plan, dat voel ik.

Zondagmorgen

De omhooggestoken coupe maakt Lisa jaren jonger. Als zij in de cabrio vertrekt naar Nieuw-Amsterdam waar haar stokoude vader heideschapen fokt, zet Pier zich neer in de schaduw naast de garage. De muziekinstallatie plaatst hij op de tuintafel. Ik hoor ‘Man singet mit Freuden vom Sieg.’ Het plopgeluid van een kurk die uit de fles wordt getrokken is onhoorbaar. Soms drinkt Pier een fles wijn zonder dat je iets aan hem merkt. Ik stap op hem af.

‘Dag Pier.’ Pier blijft zitten op een Frans tuinstoeltje, zo een dat voor heel even ruitvormige moeten in zijn billen achterlaat als hij opstaat. Als mij een dag later wordt gevraagd of Pier een onrustige nerveuze indruk maakte zal ik de vraag negatief beantwoorden. Pier is Pier. Geen enkel huwelijk is zonder problemen. Buren moeten elkaar de ruimte laten.

‘Ik ben een paar dagen de hort op,’ zegt Pier. ‘Naar Aken. Een congres voor oud-dermatologen. Iets over plaveiselcarcinomen, meen ik. Lies blijft thuis. Ik hoop dat ze de nieuwe garagedeur kan bedienen.’

In Memoriam Sjoukje Wijbenga

De wc-kalender is de hippocampus van mijn frontale kwab. Dertig jaar gelden stierf mijn moeder, voor Friezen mem. Sjoukje Wijbenga, 68 jaar, dochter van Klaas Wijbenga en Jelske Postma. Ik was 35, onze zoon Maarten vier maand, Mees nog op wensenlijst. In mijn boekenkast een foto. Ik zie een achttienjarige, serieus kijkende, mooie jonge vrouw die een vingerafdruk maakt op een persoonsbewijs en mijn ziel. Ernaast een rapportboekje  met 21 fiere handtekeningen van pake Klaas. Trotse ouders. Sjoukje scoorde in de zevende klas tienen, negens en achten. Het was, zie ik nu, een openbare school. Ik wist het maar ik wist het ook niet. Doopsgezind gezin in Zwaagwesteinde, Fries voor opvliegende mensen. Dopersen doopten volwassen gelovigen. En ze hadden een hang naar pacifisme.

Sjoukje, vrijzinnig, trouwde met Anne van der Meulen, rechtzinnig, zoon van een gereformeerde kleine boer uit Nes, West-Dongeradeel. Ze trouwden in 1950 en werden Nederlands Hervormd. De rechter geloofsflank ontmoette de linker. Huwelijken zijn altijd compromissen. Heit was een cijfer- en mem een gevoelsmens. Van beiden heb ik geërfd. Ik kan geen begroting zien of ik kijk rekenend of het klopt, of er geen onderliggende benadeelde partij is en of de bank deugt. Ik koop net zo gemakkelijk 7 aandeeltjes ASML als dat ik probeer mee te leven met Jaap, Hug en Mark, de beschotenen in Jeruzalem, mannen met alles verzengend liefdesverdriet of vrouwen die intimiteit verwarren met praten.

Terug naar mem Sjoukje. Mijn mooiste herinnering: na schooltijd rende tiener-ik naar boven en kroop naast haar in het grote bed. We kletsten wat. Ze rook supervertrouwd, geen geurtje of zo, gewoon natuurlijk. Ik onderzocht of het wratje nog wel in haar nek zat. Ze droeg altijd een soort onderjurk. Haar haar gewatergolfd. Eens per jaar een permanentje? Op het nachtkastje aan heits kant een beduimelde NVSH-enveloppe met het herfstnummer van de Sextant. Of heit veel deed met ‘oefeningen in seksuele acrobatiek’ betwijfel ik. Wij kinderen kenden de tekst van A tot Z. Aangeraden door dominee Breeuwsma of huisarts Van Akkeren. Op de sprei een schrijfblok en een vlekkende pen, een buikige Ballograf. Ze schreef haar toespraakjes voor vrouwenvereniging Irene altijd op bed. Vaak een bijbeltekst bovenaan. Mijn op één na mooiste en oudste herinnering: mijn tweelingbroer en ik zitten op haar schoot. Na de maaltijd is daar tijd voor. Heit of een broer of zus leest uit de kinderbijbel: steeds maar weer het Hooglied. Ik kriebel aan mems kralen, sabbel aan d’r oor en snuif in haar hals.

Haar dood schokte me, hoewel we het zagen aankomen. Nooit was ik verdrietiger. Hartverscheurend heb ik gehuild, ik geloof slechts één keer, dat is voor mannen wel genoeg. Mijn jongste broer troostte me. Lief. Net vader geworden lagen mijn emoties aan de oppervlakte als pluisjes in een stuk opgeruwd katoen. Het huilen deed me goed, het bevrijdde me. Mijn werk reageerde als een technologiegroothandel in mechanische afdekpanelen tegen warmteoverslag professioneel: gecondoleerd jongen en of ik de gemiste ouderbezoeken eind van de week op mijn vrije middag wilde inhalen.

Jeroen Brouwers en lijstjes

Jeroen Brouwers heeft met Cliënt E. Busken de Libris Literatuur Prijs 2021 gewonnen. Hèhè, die miste onze grootmeester nog. Even kijken, wie waren de andere genomineerden? Bekono, Blees, De Boer, Mortier en Rijneveld. Van dit vijftal gaat zeker jonkie Rijneveld in de toekomst met deze prijs aan de haal. Brouwers heeft sinds ik een verwoed lezer en compulsief obsessief lijstjesmaker werd altijd bovenaan in mijn top tien gestaan. Of het nou kerkorgels in Noord-Nederland (aangevoerd door de Martinikerk in Groningen), vrouwen in Sleen (houd ik nog even voor me), verderfelijke gebruiken in religieland (Joodse vrouwen die kaalgeschoren en gepruikt door het leven moeten), meerstemmige koormuziek (Hallelujah van Leonard Cohen of toch, ik kan niet kiezen: Sebben, crudele van Antonio Caldera?), dichters (Vasalis), prozaïsten (Brouwers), frauduleuze financiële instellingen (ABN), overbodige medische ingrepen (dotteren bij etalagebenen), onderbelichte groenprojecten (geveltuinen in steden), ongepaste plattelandsgebruiken (zuipketen voor volwassenen), racefietsen (Giant), zijn, ik weeg, rubriceer, wik, selecteer en rangschik. In mijn auteurs-top-tien moeten minimaal twee vrouwen zitten, een Fries, een veelbelovende jongere, een Belg en een korteverhalenschrijver. In mijn geval voldoet Lize Spit aan drie van deze eisen. Brouwers voert mijn lijst aan vanwege zijn veelzijdigheid in zowel vorm, sfeer, gevoel als inhoud. Hij is romancier, brievenschrijver, zelfmoordonderzoeker, pamflettist, necrologieënschrijver, journalist, anekdotist, essayist, vertaler, toneelschrijver, bloemlezer, feuilletonist, polemist, redacteur en ga maar door. Brouwers is een superieur stilist. Een veelschrijver. Oeuvrebouwer. Taalpurist. Prijzenpakker. Veel indruk op mij maakten: ’t Hout, Winterlicht, Kroniek van een karakter, De laatste deur, Bezonken rood. Themata in zijn werk: de nasleep van de oorlog met de jappenkampen, de destructieve effecten van het katholicisme, zelfmoord, eenzaamheid, dood, de zin van het leven.

Terug naar mijn top tien van auteurs in Nederland en België: 1: J E R O E N  B R O U W E R S; 2: Rijneveld, Marieke Lukas; 3: Wieringa, Tommy; 4: Roosenboom, Thomas; 5 ’t Hart, Maarten; 6: Spit, Lize; 7: Hermans/Wolkers/Reve¹; 8: Biesheuvel, Maarten; 9: Elsschot; 10: Wadman, Anne. In de wachtrij: Koch, Komrij, Siebelink en anderen.

¹Of ze het alle drie verdienen weet ik niet, maar ze horen in de canon van de literatuur nu eenmaal bij elkaar als horen-, zien- en zwijgen-aapjes of Molière, Racine en Corneille, K3, of Bach/Beet/Brah.

Godsdienstvrijheid? 

Ex-aleviet Akyol interviewt in het t.v.-programma ‘Vrijdenkers’ jongeren die totalitaire geloofsgenootschappen de rug hebben toegekeerd. Blijmoedige jongeren. Je ziet een brede lach, twinkelende ogen, ze voelen zich eindelijk vrij. Maar of ze vrijdenkers genoemd kunnen worden? En wat houdt de bejubelde Nederlandse godsdienstvrijheid in?

We zien een handvol exen uit de felste en minst tolerante religieuze groepen van Jehovah’s Getuigen, Zevendedagsadventisten, Moslims, Vrijgemaakte gereformeerden, Orthodoxe Joden, Hindoestanen. Als bij bier en xtc heb je gradaties in zwaarte.

Het is een interessant programma geworden met een keur aan ingrediënten die jonge gelovigen hebben willen ketenen, kneden en knevelen; kortom de mogelijkheid om vrij te kunnen denken onthouden. Een ratjetoe aan zinloze rituelen, maffe, (soms passief) agressieve gewoontes jegens andersdenkenden, gebedsgenezers, geloofsexport, curieuze plichten (kinderen die zeggen het leuk te hebben gevonden met het geloof langs de deuren te gaan), extreem kinderrijke gezinnen, lichaamsverminking, kinderdoop, exclusiviteitsdenken, Koranscholen, dogmatisme, hel en verdoemenis, monopolistisch éénwaarheidsdenken, slechte buitenwerelden, eindeloze rijen broeders en zusters die geen familie zijn, goden als witte mannen, witte mannen als plaatsbekleders van goden in peperdure kathedralen in landen die zelf amper hun broek op kunnen houden, een apengod, het verlangen naar een paradijs, het verlangen naar zeven maagden, huistempels, angsten, schuldgevoelens komt voorbij.

Het programma toont aan dat het begrip godsdienstvrijheid illusoir is zolang wordt doorgegaan met jeugdige indoctrinatie. Onderzoeken hebben aangetoond dat religie bepaald niet vrij is, maar dat het als genendefecten kinderen van jongs af aan wordt meegegeven door ouders, op straffe van loyaliteitsverlies. 98 % van gelovigen zegt het geloof te hebben geërfd. Kinderen willen hun ouders niet teleurstellen en volgen hen. Bij een ‘reproductiegetal’ van 0,02 zou religie in no time tot het verleden behoren. En met religie lichamelijke verminking als besnijdenis, extreme onderdrukking van vrouwen, (semi)permanente oorlogssituaties, discriminatie van LHBT’ers, overbevolking, bomgordels en aanslagen.

Echte vrijheid betekent vrije keuze. En dat is wat anders dan kinderen indoctrineren met de godsdienstkeus van de ouders, welke light-versie theïsme ouders dan ook op het oog hebben. Zoals het jongeren tot hun achttiende verboden is alcohol en tabakswaren te kopen zou een verbod op geestelijke verslaving aan religie niet misstaan. Dus stoppen met kinderen dopen, christelijk onderwijs en uiterlijk religieus vertoon. Op naar een toekomst met echte vrijdenkers, met echte godsdienstvrijheid. Vanaf 18 jaar.