Schiermonnikoog, een toneelstuk in drie bedrijven; derde bedrijf

Personen: heit Anne, de vader; mem Sjoukje, de moeder; Jelske, de oudste dochter 16 jaar; Piet, oudste zoon 15 jaar; Tjitske, jongste dochter, 13 jaar; Klaas en Folkert, de tweeling, 12 jaar; Jacob de een na jongste zoon, 6 jaar, Auke Piet ook Benjamin of de pup geheten, de jongste zoon, 1 jaar, her en der strandgasten en Duitse voetballers op het strand,

Tijd: het is hartje zomer 1968 en het gezin Van der Meulen gaat naar Schiermonnikoog. 

Plaats: het strand op Schiermonnikoog

Nota’s voor de regisseur: het is het jaar dat Martin Luther King wordt vermoord, en de start van de Fabeltjeskrant. Na een avondlang discussiëren heeft het gezin op democratische wijze besloten de kerkgang te laten schieten en de toorn van dominee Breusma te trotseren: de stemming was 5 (heit, Jelske, Piet, Tjitske en Folkert) voor en mem, Klaas, Jacob en Auke Piet tegen). Een waterige zon belooft een snikhete dag. De oudste vier jongens hebben een voetbal meegenomen en proberen overal hun kunsten te vertonen waarbij de jongste, Auke Piet, gezeten in een soort maxi-cosy avant-la-lettre meestal fungeert als cornervlag. Een volle boodschappentas met flessen licht-oranje ranja, 48 krentenbollen, zes zakjes spekjes, waarvan één aangebroken, uit de VIVO-aanbieding, een vol pakje Camel zonder filter en een zakbijbeltje gaat mee. Op het strand op Schier  praat het gezin elkaar bij over besnijden.

Improviseren: de regisseur wordt uitgenodigd de spelers aan te sporen te improviseren, mits passend binnen de geschetste kaders.

Jelske: (Jelske deelt krentenbollen uit en heit heeft op het strand zijn driedelig pak uitgetrokken en staat met een blauwe zwembroek in zijn hand poedelnaakt op het strand, mem Sjoukje komt toegesneld en schermt hem een beetje af achter een opgehouden oranje badhanddoek, met daarop te lezen: Vrouwenvereniging Irene 50 jaar! Halleluja! De kinderen, gewend aan dit onverschrokken optreden van heit, doen allemaal of hun neus bloedt, kijken wat om zich heen, neuriën psalmversjes, eten van de krentenbol of zingen zacht tralalatralala)): Is heit ook besneden?

Tjitske (met schrik in de ogen): Gesneden? Heit? Heeft heit een pleister nodig?

Piet (praat onverstoorbaar terwijl een groepje Duitse jongens toekijken en proberen de leren bal in te pikken): Ja, besneden, niet gesneden, op school heb ik bij maatschappijleer van ds. Ter Steegen¹ gehoord dat Joden en Moslims zich aan hun snikkel laten snijden omdat ze denken dan in de hemel of zo te komen. De voorhuid, zeg maar het velletje dat de eikel beschermt, gaat er rits-rats af. Bij bio van meneer Grems hoorden we dat er veel en niet onbelangrijke nadelen zijn. Soms gaat er een jongetje dood bij het besnijden omdat de volken die aan besnijden doen nog nauwelijks hygiënische regels hebben en dan, ook een nadeel is wel dat de eikel altijd tegen je onderbroek schuurt en zo goed als ongevoelig wordt. Meneer Grems zei dat besneden mensen niet meer lekker kunnen masturberen, omdat de eikel geen gevoel meer heeft.

Mem: Ja, wat een onzin, dat besnijden, is gewoon heel stom als je er goed over nadenkt, en erover nadenken doet je leraar maatschappijleer zeker, alsof het lichaam bij de geboorte niet goed genoeg is (en ze geeft alsof het een heilig ritueel is, een dikke kus op de hoofden van Klaas, Folkert en Jacob. Over Auke Piet doet ze iets langer, na de kus voelt ze, met haar haar wijsvinger in de luier of hij al gepoept heeft en de vinger met een klein bruin randje veegt ze af aan de binnenkant van haar zomerjurkje en stopt ze gewoontegetrouw snel even in haar mond) die aanstellerij met besnijden ook.

Folkert: En van meneer Grems horen we dat er ook zoiets als vrouwenbesnijdenis is, dan snijden ze de klit er gewoon af, doen ze bij de Moslims hè en waarschijnlijk ook de Joden denk ik, die weten niet beter…

Klaas: En het toompje, dat snijden ze toch niet weg?

Tjitske: Huh, toompje?

Piet: Ja, het bandje waarmee de voorhuid aan de onderkant van de piel vastzit, gevoelig onderdeeltje hoor…, meneer Grems vroeg of iemand in de klas het wilde laten zien, moest wel schoon zijn, mocht onherkenbaar vanachter een laken, doen we bij bio wel vaker, zo mocht er laatst iemand zijn…

Tjitske (met wijd geopende mond en de tong uitstekend voor de tweeling): ah, net zoiets als de tongriem dus. Er is ook een spreekwoord ‘goed van de tongriem besneden zijn’…

Jacob: Het moet zijn: ‘goed van de tongriem gesneden zijn’ zus, en er is een analogie met in toom houden, denk ik…, volksetymologie is een pracht onderdeel van de sociolinguïstiek zal ik maar zeggen, mem, wanneer krijgen we ranja?

Mem (trots tegen heit pratend): pas zes, moet je hem horen, waar haalt hij het vandaan, hè; zo mooi Anne, hoe ze elkaar onderwijzen. Ja jongen, een bekertje ranja, schenk ik zo in, is er nog iemand die een krentenbol wil…

Jacob (mems opmerking als een stimulans opvattend): Meisjes besnijden gebeurt alleen in de Islam, volgens juf Hamstra van de zondagsschool is het een heidens ritueel dat verboden gaat worden, het komt in die hele koran helemaal niet voor zelfs…

Klaas: (Niet begrijpend) Huh? Net zoals in de hele bijbel geen kerstboom voorkomt maar die wel wordt gezien als een christelijk symbool van licht en vrede?

Piet (die even wat te lang naar de Duitse voetballers heeft gekeken en het voorgaande nauwelijks heeft gehoord, begint gewoon overnieuw): ja bij jongens en mannen heet het circumcisie, bij vrouwen heet in het Engels female genital mutilation, Kees Wielenga wilde er bij Van de Streppel een opstel over schrijven maar dat werd afgekeurd, mocht niet, Oostergo weer hè, rector Breukels kende het helemaal niet, meisjesbesnijdenis… en die kerstboom, ja die is meer heidens hoor, niks christelijks aan. Weten jullie trouwens wat een Spaanse kraag is?

Heit: (onverstoorbaar nog reagerend op Jelskes vraag of hij is besneden) Nee hoor, gelukkig niet, ik ben nog helemaal compleet, willen jullie hem even zien? (En hij friemelt al ongeduldig aan de zwembroekranden en wil net zijn apparaat naar buiten halen om het in de volle zon aan de kinderen te tonen..)

Mem: Anne, ho! Genoeg.

Mem: Jongens, omkleden! (enthousiast doen de jongens hun kleren uit en de zwembroekjes aan; de beide meisjes zijn omslachtiger en kijken wat om zich heen. Klaas en Folkert trekken aan hun pielemuisje en kijken, de rug gekromd, buik naar voren als een gespannen boog, met twee vingers aan het uiterste velletje trekkend, wie de langste heeft.

Folkert (pakt het tuitje dat zijn eikel verbergt): Gaat dit er dan helemaal af? Besnijden, ben je gek! (Hij trekt de voorhuid wat terug en ruikt aan zijn vingers).

Klaas: Hé mem, haartjes! (Mem, Jelske en Tjitske komen eraan en bestuderen Klaas’ pielemuisje van dichtbij om te kijken of er echt haartjes te zien zijn).

Tjitske: mem, daar is een telefooncel, mag ik even bellen?

Piet: Hahaha, Harry zeker… vraag gelijk even of hij besneden is.

Mem: Aantreden en insmeren graag (Een voor een komen de kinderen naar mem toe die een flesje Tschamba Fi² in de handen heeft. Daarna waaieren de kinderen alle kanten op. Het kinderzitje met erin Auke Piet staat naast een hoop kleren. Na een kwartier komen de jongens samen en overleggen hoe ze de Duitsers verderop kunnen aanspreken. Piet neemt het voortouw.

Jacob (jongleert met de bal als een Amsterdamse straatvoetballer): Kijk, zag ik Cruyff doen…

Piet: Heey Jungs, Fußballen? (vier jongens komen aanrennen. Auke Piet wordt meegegrist in zijn zitje, vlaggetje weer op zijn hoofd en na wat gesteggel waarbij de woorden Kaiser, Ausputzer, Nein, verdammt noch mal, Scheisse, keep cool, carry on, Weltmeister im Doppe, Überspielen Mann, Ein-Tor-Spiel, luid opklinken terwijl heit geduldig mems benen insmeert met Tschamba Fi, daarbij extra voorzichtig doend met de aan de oppervlakte liggende spataderen en proberend mems rok steeds wat op te schuiven hetgeen tot een vermanend ‘Niet doen, Anne’ leidt).

(de kinderen spelen en voetballen dat het een aard heeft).

Heit: (Na uren strandplezier) We gaan terug, straks een spekje en dan een ijsje halen in het dorp. Deze keer kiezen we uit een Friese Vlag waterijsje of een chocodip, ik heb vanmorgen de benzine contant kunnen verrekenen. Maak je geen zorgen om zand in je onderbroek, thuis wacht de waterslang.³

Piet: (met moeite tegen de zon in turend) Wat een felle zon zeg, kunnen we de zwarte lamp straks niet even aan zetten (hij kijkt rond alsof hij op een klaterende lach wacht)?

¹ Op Chr. Lyceum Oostergo te Dokkum was het gewoon dat maatschappijleer werd gegeven door dominees. Op deze wijze meende rector Breukels, gesteund door een overbezorgd schoolbestuur, dat moeite had de onstuimige jaren 60 buiten de schoolhekken te houden, invloed te kunnen uitoefenen op de meningsvorming over maatschappelijke kwesties onder pubers

² Een sterk ruikend zonnebrandmiddel dat eenmaal aangebracht het gevoel gaf alsof de huid kromp en werd samengetrokken, in geel plastic flacon met een zwart dopje, met een aanbiedingssticker van Drogisterij Polij, Voorstraat Kollum;

³ Een vast gebruik na een stranddag: bij thuiskomt stellen de kinderen, alle Van der Meulen-kinderen hebben een lichte en voor de zon gevoelige huid die na een dagje Schier niet zelden vuurrood is geworden, zich bloot naast elkaar op onder de steenperenboom, gadegeslagen door mensen die in het bushokje op de bus wachten en de buren (dames Beinstra, één is een oud-lerares Frans en de ander een muzieklerares, beiden kerken in de gereformeerde -rechtzinnige- kerk) en dan pakt heit de tuinslang en spuit de kinderen met koud water schoon, waarbij er luid wordt gejoeld, èn van plezier èn omdat de koude waterstraal te hard en te koud is voor de gevoelige huidjes, waarna mem klaarstaat met zachte badhanddoeken om de zoons en dochters zachtkens af te drogen; dan nog een knakworstje en naar bed.

Schiermonnikoog, een toneelstuk in drie bedrijven, tweede bedrijf

Personen: heit Anne, de vader; mem Sjoukje, de moeder; Jelske, de oudste dochter 16 jaar; Piet, oudste zoon 15 jaar; Tjitske, jongste dochter, 13 jaar; Klaas en Folkert, de tweeling, 12 jaar; Jacob de een na jongste zoon, 6 jaar, Auke Piet ook Benjamin of de pup geheten, de jongste zoon, 1 jaar, serveerster aan boord van veerboot Hoop en Trouw, groepje luidruchtige en uitgelaten Duitsers,

Tijd: het is hartje zomer 1968 en het gezin Van der Meulen gaat naar Schiermonnikoog.

Plaats: Haven van Oostmahorn, veerboot naar Schiermonnikoog.

Nota’s voor de regisseur: het is het jaar dat de Apollo 7 in Florida wordt gelanceerd en 163 keer rond de aarde vliegt en het jaar van een centrum-rechts kabinet De Jong met ARP, CHU, KVP en VVD en het is zondagochtend. Na een avondlang discussiëren heeft de familie op democratische wijze besloten de kerkgang te laten schieten en de toorn van dominee Breusma te trotseren: de stemming was 5 (heit, Jelske, Piet, Tjitske en Folkert) voor en mem, Klaas, Jacob en Auke Piet, die in zijn halfslaap knikkebollend zijn hoofd van links naar rechts schudde, tegen). Een waterige zon belooft een snikhete dag. De oudste vier jongens hebben een voetbal meegenomen en proberen overal hun kunsten te vertonen waarbij de jongste, Auke Piet, gezeten in een soort maxi-cosy avant-la-lettre meestal fungeert als cornervlag. Een volle boodschappentas met flessen licht-oranje ranja, 48 krentenbollen, zes zakjes spekjes, waarvan één aangebroken, uit de VIVO-aanbieding, een vol pakje Camel zonder filter en een zakbijbeltje gaat mee. 

Improviseren: de regisseur wordt uitgenodigd de spelers aan te sporen te improviseren, mits passend binnen de geschetste kaders.

Heit (terwijl hij een Camel zonder filter-peuk uitdrukt in de overvolle asbak): Daar zijn we dan. Oostmahorn, als de meisjes nog willen plassen, pak je kans.

Mem (die na het uitstappen haar bh met voorsluiting en blouse omslachtig dichtknoopt en een speldje met een gebroken geweertje recht buigt terwijl ze Auke Piet aan Tjitske geeft): Ah, kijk de boot ligt er al. Anne, als jij kaartjes koopt, deel ik een pepermunt uit, het is per slot van rekening zondag.

Jelske: zal ik nog een stukje uit  de bijbel voorlezen, we missen de preek en de jongsten kunnen niet naar de zondagsschool. Even denken, het wordt Handelingen 27, over de zeereis van Paulus. Lukas kan dat toch zo mooi beschrijven man. De Wadden mag dan geen zee zijn,…

Tjitske (terwijl de zuigeling met zijn hoofdje op haar schouder ligt en wazig rondkijkt, waarbij zij hem liefdevol zachte tikjes op zijn rug geeft, zodat er een flinke golf vlokkerige moedermelk boerend over haar zomerjurkje golft): Jakkes!

Piet: Mem, mag ik deze keer de schriftlezing doen? Jelske deed het de vorige keer niet foutloos. Toe…?

De zeven kinderen vormen met mem een soort cirkel op het parkeerterrein bij de veerboot Hoop en Trouw; talloze Duitse vakantiegangers wandelen uitgelaten en luid roepend naar de kaartverkoop en  Jelske leest op fraaie toon een passage voor uit mems zakbijbeltje. De jongens luisteren met tegenzin  en gooien elkaar ongeduldig de bal toe. Mem veegt met haar vinger melkrestanten van Tjitskes schouder en likt haar vingers omstandig af.

Piet: Sufferd, het is niet diskipel maar dis-sie-pel als het Friese woord siepel¹. Van mij krijg je deze keer een zeven. Je maakte maar twee keer een foutje en je toon was goed hoor. Mem, mag ik de volgende keer weer?

Jacob: Als iedereen even het cijfer voor Jelskes leesbeurt geeft, krijgen jullie van mij later op de dag het gemiddelde.

Heit (die met een nieuwe Camel-zonder-filter in de mondhoek komt aangewandeld): Of ik ook gelijk buskaartjes wilde kopen naar Hotel Van der Werf, vroegen ze. Nee hoor, dat doen we niet, we steken straks binnendoor naar het strand. Ik weet nog een heel mooi paadje. En bewegen is goed voor de buitenmens.

Piet: Maar goed dat ik de nieuwe voetbal heb meegenomen, kunnen we straks een potje ballen tegen die Duitsers, dan ben ik (overdreven mooi articulerend) Kaiser Franz. Franz Beckenbauer.

Jelske: Wilpssnaar zegt steeds dat je die finale r niet moet uitspreken Piet, (overdreven articulerend) het is meer Beckenbaue. Ik moet even plassen hoor. Tjitske ga je mee?

Als de beide meisjes terug zijn gaat het hele gezin aan boord. Heit gaat voor en neemt een trap naar het bovendek, voorbij uitnodigende buffetten met ijsjes en versnaperingen.

Heit: mem, zie je, dat lijken Kruisinga en Roolvink wel. Schaterend: Straks zien we Luns²  ook nog.

Jelske (met een vies gezicht): Maar die Luns is toch katholiek, is het niet? (Op wijsneuzige toon) Meester Van der Heide heeft ons in klas zes al geleerd dat de roomsen niet altijd een voorname rol hebben gespeeld in de vaderlandse, laat staan de Friese geschiedenis en meneer Bangman bevestigde dat vorig jaar in G-4.

Mem: ja, zou mijnheer Luns eens komen kerken bij dominee Breusma, hij zou direct Hervormd worden, vrijzinnig dan hè, de rechtzinnigen en de gereformeerden waar heit eerst bij hoorde, tel ik even niet mee, maar ja een kerkdienst duurt voor die roomsen veel te lang, zij gaan even te biecht en fladderen weer verder. Ze lezen ook niet in de bijbel, een beetje Maria vereren, een kruisje slaan en hupsakee, dat is het dan. Op vakantie in Frankrijk zijn we eens in een katholieke kerk geweest: verschrikkelijk. En dan die beelden…

Heit: Het zou mijn niet verbazen dat als onze Lou de Jong nog eens in Luns’ verleden pluist, hij rare dingen zou tegenkomen.³

Jacob (wijzend naar de met de boot meevliegende meeuwen): Kijk een kokmeeuw, en daar vliegt een reuzenstern en een kleine mantelmeeuw. Als je de gemiddelde darmlengte van die jongens vermenigvuldigt met de omtrek van de maag nadat ze hebben gegeten, …

Folkert: Moet mem de pup niet nog eens de borst geven? Kan hier wel in de luwte, waait hij straks als we hem weer als cornervlag gebruiken ook niet weg. Ik heb nu al zin die Duisters straks een lesje te geven, ik heb het hakballetje van Müller ingestudeerd; Klaas kan dan wel even Seppen.

Heit (naar een slapende Auke Piet op de arm van Tjitske wijzend, pratend tegen Duitsers die taart etend en koffie drinkend geboeid naar hem luisteren): Siebenundeinhalbe kilo war er bei Geburt, ja es war ein Wunder nicht, und Sjoukje war nur zwei Wochen im Hospital, das Diakonessenhaus natürlich, nicht das Katholische…

Jelske: Heit, macrosomie is niet altijd even prettig voor de moeder, dat weet je hè.

Folkert: Macro-economie, wat heeft dat met vrouwen te maken?

Tjitske: Duh, macrosomie betekent een extreem hoog geboortegewicht broer, nogal lastig bij de geboorte, hè, zal ik je even uitleggen, heit geef me eens een papiertje (begint met tekenen van het geboortekanaal terwijl Folkert met grote ogen toekijkt).

Jacob (houdt de bal tien keer hoog met links en dan nog vijf keer met rechts, terwijl Klaas zwierige keepende bewegingen maakt alsof hij een bal uit de bovenhoek pakt en daarbij atletisch zweefduikend op het dienblad van een passerende serveerster valt): Seppen zei je, Folkert?

Serveerster (krabbelt op en kijkt het gezelschap vernietigend aan en bijt Klaas in het Fries toe): Sjoch út dyn eagen kloathommel!⁴

Folkert (de ravage en de serveerster negerend): Ja jongen, Seppen, van Sepp Maier, de Duitse übergoalie, die is bijna zo goed als de Rus Yashin die weer bijna zo goed was als oom Jaap.

Klaas (wijzend op mems borsten en Auke Piet die als een jonge Berner Senner met zijn ogen draait en zijn tongetje trillend meebeweegt): Ja, mem, geef hem nog maar eens de borst.

¹ Siepel (Fries) = ui

² Kruisinga (CHU) was staatssecretaris en Roolvink (ARP) minister, beiden van sociale zaken; Luns (KVP) was minister van Buitenlandse Zaken.

³ Heit had een goed voorgevoel op dit punt: In 1979 zal De Jong aantonen dat Luns lid is geweest van de NSB. Luns ontkende aanvankelijk en beweerde dat het zijn broer Huib was geweest. Huibs weduwe Adèle Luns – Van der Made bevestigde de zienswijze van prof. De Jong in 2000 in een interview met Elsevier.

Kijk uit je doppen, sufkop!

w o r d t   v e r v o l g d

Pictura, Corona én de verkoop, 14 maart – 11 april 2021

Ine Hoejenbos – Portret jonge man (€ 2.300,-)

Spreek met beeldend kunstenaars en je hoort dat ze verhalen willen vertellen. Dat komt goed uit, ik houd van luisteren, lezen, kijken, interpreteren. En er iets van vinden natuurlijk. Ze zitten vaak in een tergend schizofreen dualisme: vakmanschap, techniekbeheersing, uitdrukkingskunst en artisticiteit moeten geëtaleerd en geëxploreerd worden en er moet worden verkocht. Zoals je in Blokkers en Hema’s decoraties voor boven de bank koopt, zo verkopen Pictura’s en CBK’s ook kunst voor huiskamers.

Op nummer I: een intrigerend houten beeld van Ine Hoejenbos. Een serieuze, bijna angstige, lege blik. Een kop die je bijblijft.

Maar verkopen is dat iets voor kunstenaars? Ik neem de proef op de som en Google elke 18e deelnemer in Pictura. Wel ateliers, persoonlijke info, nieuwsbrieven, een contactformulier, een vaak niet helemaal bijgewerkt overzicht van deelname aan exposities maar gewoon een aanbod van te koop staand werk en prijzen: Neenjetnonon. Kandidaat-kopers wanen zich op een markt in Istanboel: veel variatie, groot aanbod, maar nergens prijzen. Funest voor zuinige Hollanders. Ateliers hebben de geur van te duur.  Hoe, denken kunstenaars, kunnen geïnteresseerden dan iets bestellen? Zouden ze nooit op Bol.com, Zalando kijken hoe commercie werkt? Een enkele wil zelfs de wereld veroveren zonder eigen website.

Piet Gutter – Brieven + fotokaart Eelde (€ 2.200,-)

Op nummer II: Rasverhalenverteller Piet Gutter. Zelfs verstokte verhalenhaters beginnen spontaan een verhaal te vertellen over wat ze zien.

Er heerst een coronapandemie en de agenda van Kunstlievend Genootschap Pictura vertoont een gat. Wat doe je dan? Je veegt Villa Kakelbont leeg, zet een advertentie in de krant en vraagt kunstenaars te komen exposeren. Gratis en dat terwijl de vereniging verlies lijdt. Bezoekers betalen slechts € 3,-. Dat duidt op een optimistische geest. De kunstenmakers leveren foto’s aan en de keuringsdienst met Boersma, Elferink en Hage keuren de inzendingen en komen op 193 werken van 169 kunstenaars (interessant detail: de website rept van 186/171). Voor het merendeel komen ze uit Noord-Nederland.

San van Thiel – Landscape (€ 950,-)

Op nummer III: San van Thiel met Landscape 1. Het multimediale werk vertelt zoveel verhalen als er vakjes zijn: bijna ontelbaar.

Er zijn, met nog enkele dagen te gaan, 14 werken verkocht, ruim 7%. De deurbewaarders geven aan dat de publieke belangstelling positief is, ‘het loopt redelijk door’. Nog even naar de website: alle disciplines zijn aanwezig, klinkt het veelbelovend en er volgt een opsomming: ‘olieverfschilderijen en andere schildertechnieken, diverse druktechnieken, fotografie, keramiek, beelden in brons en steen en andere 3 dimensionale werken’. We missen toch nog wel wat: video- en filminstallaties, body art, performance kunst, digitale en nieuwemediakunst bijvoorbeeld. En ook de tuin moet het zonder objecten voor de openbare ruimte doen.

Op nummer IV: Jolanda de Ridder met Summertime Rhapsody. Met minimale vormen en strakke kleuren optimaal verhaalgenot.

Jolanda de Ridder – Summertime Rhapsody (€ 600,-)

Maar wat een schitterende omgeving: prachtige zaaltjes, een grote zaal, een luie trap en een meer dan mooie (maar ongebruikte) vestiaire met een waterkraan waar iets van Fountain-art niet had misstaan. Kortom een prachtig gebouw dat zo lang mogelijk uit de handen van doortastende gemeentebestuurders en moderne architecten gehouden moet worden. Mondkapjes op en naar binnen. In zes ruimtes, waaronder, excusex le mot dames, Witte Doos, wandelen we rond. Bezoekers krijgen 40 minuten toebedeeld, ruim 10 seconden per werk dus. Daar blijven we nog wat onder. De prijzen lopen uiteen van € 50,- tot € 6.890,-. Het gemiddelde zal iets boven de € 600,- liggen.

Liesbeth meerding – Bobbie en de kussens (€ 1.250,-)

Op nummer V: Liesbeth Meerding, Bobbie en de kussens: pas op afstand zie je Bobbie. Die afstand maakt een spannend verhaal.

Als er ergens verhalen worden verteld in beelden, dan is het hier in Pictura. We zien sprookjes, natuur-,  fantasie- en realistische verhalen, slaapliedjes, grefo-vertelsels, stadsstories, kinderboeken, streekromans en meer. En heel veel persoonlijke dagboeken. Expliciete Wolkeriaans seks, Kooimansiaans academisme en Güliaanse bekentenisliteratuur weer niet, en voor provocerende, kwetsende satire is het allemaal te braaf. Samenvattend: veel proza & poëzie; weinig theater. Opvallend is de afwezigheid in de verkooplijst van exoten. Op het eerste gezicht geen Turk, Marokkaan, Chinees te zien. Dat geeft te denken. Misschien zou Pictura actiever moeten zoeken. In de gauwigheid tel ik vier Ploegleden.

Op nummer VI een gedeelde plaats voor Lucius Bloemen: nr 220 De Vlieger en Anne-Will Lufting met verf op zeildoek.

Lucius Bloemen – Nr 220: ‘De Vlieger'( € 1.980,-)

Anne – Will Lufting – Bluie + Cadmium Yellow (€575,-) en Deep black + Marble (€ 575,-)

Schiermonnikoog, een toneelstuk in drie bedrijven, eerste bedrijf

Personen: heit Anne, de vader; mem Sjoukje, de moeder; beppe Jelske, de oma; dominee Breusma; Jelske, de oudste dochter 16 jaar; Pieter Boonstra, vriend van Jelske 19 jaar; Piet, oudste zoon 15 jaar; Tjitske, jongste dochter, 13 jaar; Klaas en Folkert, de tweeling, 12 jaar; Jacob de een na jongste zoon, 6 jaar, Auke Piet ook Benjamin of de pup geheten, de jongste zoon, 1 jaar, Trixie de hond, reu, circa acht jaar.

Tijd: het is hartje zomer 1968 en het gezin Van der Meulen bereidt zich voor op een zondagje Schier.

Plaats: bij de auto op de oprit aan de Van Eysingalaan te Kollum

Nota’s voor de regisseur: het is het jaar dat Amerika in My Lai (Vietnam) een bloedbad heeft aangericht, leraar Engels Van de Streppel van het Chr. Lyceum Oostergo, dat door vijf van de zeven Van der Meulen kinderen wordt bezocht heeft gezegd dat leerlingen die Johnson Moordenaar scanderen van school worden verwijderd, een week voor de historische overwinning van Jan Jansen in de tour de France,  en het is zondagochtend om 08.00 uur. Na een avondlang discussiëren heeft de familie op democratische wijze besloten de kerkgang te laten schieten en de toorn van dominee Breusma te trotseren: de stemming was 5 (heit, Jelske, Piet, Tjitske en Folkert) voor en 4 (mem, Klaas, Jacob en Auke Piet tegen). De sfeer is gehaast en jachtig, de boot vertrekt om 08.55 van Oostmahorn en heit heeft vergeten te tanken en mem heeft in een vlaag van eerlijkheid dominee Breusma verwittigd van de kerkdienstmijding. Een waterige zon belooft een snikhete dag. De oudste vier jongens spelen nog even voetbal op straat (Piet en Jacob tegen Folkert en Klaas) waarbij het bushokje met daarop de leus ‘Balkema Tollenaar’ gekalkt als doel fungeert. Auke Piet, gezeten in een soort maxi-cosy avant-la-lettre fungeert als cornervlag, op zijn hoofd hebben zijn broers een oranje vaantje met de tekst “Vrouwenvereniging Irene bestaat 50 jaar, halleluja” geplakt met afplaktape van schildersbedrijf Draaisma. Hond Trixie komt van het erf van politie Haan en zit vastgeklonken en kwijlend hijgend op een jonge loopse bouvier van Brakmeijer die achter politie Haan woont. In de verte is te horen hoe Piet zijn broers uitlegt dat zo’n koppeling na de geslachtsdaad wel drie kwartier kan duren. Luide uittroepen (Aargh, Oehh, Oh, Ieuw) van Klaas, Folkert en Jacob, die snel even heeft uitgerekend dat de ejaculatie met uitloop dan maar liefst 2700 seconden heeft geduurd, weerkaatsen tegen het bushokje. Uit het zicht van iedereen, onder de steenperenboom, staat een volle boodschappentas met flessen licht-oranje ranja, 48 krentenbollen, zes zakjes spekjes uit de VIVO-aanbieding, een vol pakje Camel zonder filter en een zakbijbeltje.

Improviseren: de regisseur wordt uitgenodigd de spelers aan te sporen te improviseren, mits passend binnen de geschetste kaders.

Mem: Anne, schiet een beetje op man, kunnen we nog tanken bij Woudas aan de Voorstraat? Heb je je gebit al schoongeborsteld?

Heit: Ja hoor, schoon, die worstenvelletjes zijn soms taai en nee, die heeft zijn nota’s al betaald, we gaan langs Oudwoude, Van der Went is me nog een paar honderdjes schuldig en die wil ik vereffenen, je weet wat mijn heit altijd zei: Een lyk man is een ryk man¹. (Terwijl heit naar de parende honden wijst) O ja en morgen niet vergeten even vijf gulden dekgeld bij Brakmeijer op te halen, kan Folkert wel even doen.

Mem: Maar Anne, Oudwoude, dat is een heel stuk verder, dat gaat niet lukken, toch?

Anne, mems ongeruste blikken ontwijkend: Taeke Postmaar uit Oudega en Sijmen Venema van de garage aan de Trekvaart hebben me verzekerd dat de snoek snel is en niet van de weg te krijgen, die traction avant doet ’t hem, we gaan het halen mem. (Luid roepend) Jongens, aantreden we gaan nu weg. Jelske en Tjitske naar de w.c. even plassen en opschieten.

Jelske (met allerliefste stemmetje: Maar heit ik zou toch thuisblijven om op beppe te passen? Asjeblieft….

Heit: Nee, geen sprake van, dat gaat Piet Boonstra doen, kijk daar komt hij net aanrijden. (Met daverend geraas, de uitlaat is ietsje ingekort, komt Piet Boonstra op zijn oude Puch de Van Eysingalaan inscheuren, helm achterstevoren, wijde opgewaaide broekspijpen tot boven de kuiten en een Weduwe Van Nelle in de mondhoek).

Piet Boonstra: Folkert, hier is zeseneenhalve gulden, ga even tanken bij Ekmi.

Folkert (met spijt in zijn stem): Nee Piet, vanavond graag, we moeten naar Schier. Wat ruikt die shag lekker man, heb je er weer wat door gemengd?

Er ontstaat een lastige situatie. Mem wil vanwege heits rijstijl met Auke Piet de Benjamin op schoot achterin zitten, kan ze hem gelijk nog een keer de borst geven, iets wat zuigelingenwagenziekte zou verhinderen, geflankeerd door de vier grote zoons. De jongens hebben veel belangstelling, zeg maar gerust een heilig ontzag, voor mems borsten. Jelske en Tjitske mogen voorin, samen op één fauteuil van de Citroen DS. Alle vier jongens mopperen, die willen ook naast heit zitten. De auto scheurt weg en stopt na 100 meter.

Mem: Wie heeft de tas met krentenbollen meegenomen? Stond onder de steenperenboom.

Tjitske (na een tergend lange stilte waarbij de kinderen elkaar aankijken): Haal ik nog wel even. (Snel knoopt ze de veters van d’r nieuwe gympen vast en rent terug. Heit stapt uit en steekt een Camel op. Dominee Breusma komt op de fiets aanrijden).

Ds. Breusma: Ah, Van der Meulen, ik zie dat jullie de dienst des heren niet zullen bijwonen, waarheen gaat de reis? In Leviticus 37 vers 13 lezen we dat de aangetrouwde oom van Jezus onze verlosser zei dat Ledigheid des duivels oorkussen is en Van der Meulen, het boek des heeren is heilig, ook voor boekhouders die..

Heit (de dominee onderbrekend): Dominee, wat ik nog wilde zeggen: ik zag in de belastingaangifte van vorig jaar dat als we wat gaan schuiven met de buitengewone lasten en de giften, en we de kruisposten wat herschikken, dat er voor dominee dan een aardige teruggave mogelijk is, moet het natuurlijk nog wel even met Balkema en zijn superieuren opnemen natuurlijk, maar ik zie kansen.

Dominee Breusma: Ah, als de heere der heerscharen het mij gunt, wie ben ik dan om het te weigeren. Staat er niet in Kolossenzen 13 vers 6 of was het toch Cisterciënzers 24 vers 2: Geef de koning wat des konings is en de heer wat des heeren is? En Van der Meulen heeft Van der Meulen al nagedacht over de vacature van diaken die de kerkenraad u heeft aangeboden?

Heit (licht geschrokken zonder dat te laten merken): Wis en zeker dominee, maar ik dacht, als ik nu mijn jaarlijkse bijdrage eens wat ga aanpassen, we hebben vorig jaar goed gedraaid op het kantoor, Piet begint de aangiftes in de vingers te krijgen en de tweeling bezorgt de post beter dan de PTT en Jacob rekent sneller dan de oude Olivetti 34 met automatische terugslagfunctie en semi-automatische papierrolinvoer. De famkes helpen Sjoukje al heel aardig in de mantelzorg voor beppe. Als Piet na zijn huiswerk ’s avonds even een aantal jaargangen loonstaten overschrijft in mijn handschrift, hij heeft al wat ervaring opgedaan, zal een paar daagjes kosten natuurlijk, dan kunnen we nog behoorlijk wat extra terugploegen. We moeten allemaal woekeren met de talenten die ons zijn toebedeeld door de heere der heerscharen natuurlijk. En dan, mijn taak als beginnend accountant is ook om de fiscus scherp te houden natuurlijk. Maar kom, dominee moet verder natuurlijk, ik zal dominee niet langer ophouden.

Tjitske (hard rennend en twee spekjes achter de kiezen proppend): ik ben er weer! Zo lief, ik zag Piet Boonstra met beppe onder de appelboom zitten, hij liet Trixie aan zijn tenen sabbelen. Hij rookte wat sterk spul en luisterde met beppe naar Let it be van de Beatles. Dat Pompsters van hem klonk toch zo leuk, weer heel anders dan het Kollumerlands².

¹ Je kunt je pas rijk voelen als je je schulden hebt betaald

² Naast het Stellingwerfs dat in zuid-oost Friesland wordt gesproken zijn het Kollumerpomps (het Pomsters) en het Kollumerlands (of Kollumers) Nedersaksische streektaalvarianten.

W  o  r  d  t    v  e  r  v  o  l  g  d

Lale Gül ‘Ik ga leven’

Als in een debuutroman de tirannieke moederfiguur stelselmatig Karbonkel (de Kakkerlak) wordt genoemd en daarna zure zeverzak, takkewijf, belligerente bloedhond, zieke psychopaat, controlfreak, Droogstoppel, onnozele, achterlijke, bekrompen en simpelzielige vuige ezel uit het boerengat van Turkije, minderwaardig mens, analfabete verwekker, zeloot, hofmaarschalk, belichaming van het kwaad, lotgenoot in het mutsenparadijs, secreet, dan weet je het wel. Desondanks blijft ze de woorden Oma, Vader, Moeder consequent met een hoofdletter schrijven en volgt na de woorden ‘Allah en zijn profeet’ dociel ‘vrede zij met hem’.

Güls autobiografische debuut heeft ontegenzeglijk sterke overeenkomsten met Özcan Akyols debuut ‘Eus’. Beiden hebben Turkse roots en beiden studeren/studeerden Nederlands. ‘Ik ga leven’ en ‘Eus’ rekenen allebei af met het despotische religieuze en culturele gedachtegoed uit het Turkse nest. Beiden kunnen goed schrijven. Soms voel je dat Gül moeite heeft bepaalde fragmenten klein te houden. De schoolreis naar Rome en de seksuele strapatsen met vriend Freek krijgen heel veel ruimte. In filosofische reflecties over leven, liefde, relaties, geloof, angst en waarheid betoont de 24-jarige Gül zich een wijs mens. Religie, mits beperkt tot je privéleven is okee. Maar buiten de persoonlijke levenssfeer verwordt het tot een potentieel existentiële bedreiging voor de vrije open samenleving. Dixit Gül.

Gül beschrijft het leven van Büsra in een niet-begrijpend gezin met gevoelloze ouders en oma die zich meer gelegen laten liggen aan de groepsopvattingen van de bijna analfabete sociale clan en de bloed en zuurstof afknellende koran dan aan het geluk van de kinderen. In dit boek staan ‘zelfrespect ontberende kechs’ lijnrecht tegenover alle mogelijke vrijheden consumerende ‘snikkeldragers’. Gül strooit met tegeltjeswijsheden die je niet op veel tegeltjes zal tegenkomen, bijvoorbeeld: Talent is weigeren te zwijgen, Beschaving is je beter gedragen dan je bent en Hoe dikker de wilg hoe holler.

In commentaren wordt Gül verweten een formalistisch, archaïsch taalgebruik te hanteren dat niet zou passen bij de jonge gebruikers. Gül toont hiermee aan dat ze gestudeerd heeft en belezen is. ‘Vrouwhumiliërend, cronyïsme, pieus, indulgent, oblomovistisch, occuperen, repugnant, promiscue, nihilistisch, oriëntalisme en belligerent zijn inderdaad geen woorden die je in driestuiverromans tegenkomt. ‘Ik ga leven’ is dan ook geen driestuiverroman.

Dat haar familie en de sociale groep waaraan ze is ontsproten haar heeft verstoten vanwege de openhartige schrijfstijl zal niemand verbazen en de ophef erover zal de verkoop (terecht) bevorderen. Gül is slachtoffer van de vrouwonterende, islamitische, despotische cultuur waarin de wetten van de koran, aan kinderen opgedrongen op koranscholen, centraal staan. LHBTI-discriminerende grefo Gomarusscholen met hun reli-wappies zijn hiermee vergeleken verlichte onderwijsinstituten. Waar Akyol met Eus blijft steken in de categorie van oppervlakkige schelmenroman plaatst Gül met Ik ga leven zich bij vlagen in de buitencategorie van filosofische ontwikkelingsroman. Het is te hopen dat Gül blijft schrijven en niet wordt ingelijfd door het op de loer liggende team van Wilders.

dierenouders

dankzij de partij voor de dieren worden er straks geen pasgeboren beestjes verminkt, besneden, ongevraagd gedoopt, geen pubermeiden uitgehuwelijkt aan ongewassen oude contactgestoorde genocide ontkennende snorremansen, geen miljoenen haantjes, stiertjes, bokjes geshredderd alleen maar omdat het mannetjes zijn, doen dieren niet aan sexting, behalve kleine snotaapjes die voor 17 doezoe hun piemeltje mogen laten zien, worden dieren niet op jonge leeftijd wreed gescheiden omdat hun ouders een witte school hebben uitgezocht die al vroeg begint met het oefenen van CITO-toetsen, raken ze niet verslaafd aan crystal meth, behalve fabrieksdieren aan antibiotica verstrekt door dierenartsen die de perverse prikkel van stuksvergoeding per inenting niet konden weerstaan, mogen dieren niet roken, worden meisjesdieren niet nageroepen of aangerand of overkomt hun in verlaten parken wat voor woorden, voor poëzie te erg is, als ik goed kijk naar dierouders en me in hen verplaats, hun uiterste natuurlijkheid registrerend als een seismometer voetstappen van zware noorderlingen of het KIFID ABN-fraudestrapatsen

foto: Paul Barelds

ontroeren ze me & word ik zacht als dons, week-

warm als gesmolten kaarsvet en zie de argeloosheid

van de jonge dierouders afvallen als gevelplaten

van universiteiten, als je goed kijkt en je oude hart

mee laat voelen en je terugreist naar vroege tijden

onder lagen fotoboeken, stenen, stof, herinneringen

vol hiaten, zie je je breekbare zelf, je heit, je mem,

die je leren leven en vrij laten en veel later geef je

uitgelaten ruimte aan jezelf als vader en verlang je

hevig naar argeloos geluk en mondkaploze veiligheid

uit de nestgeurtijd van toen, de kleurige warmte

van geuren, lenige kinderlijven, geluiden, verhalen vertellen,

over beren, langhors en Tom Nose, ritmisch getrommel,

een godenloze jeugd, de eerste fiets,

pinguïns

smelten als een schots in de februarizon bij het zien van een kolonie pinguïns overkomt iedereen

met een zacht hart; het zijn overlevers, superduikers met een effectieve eenkindpolitiek waar landen

met hemelse vrede punten aan kunnen zuigen, maar ik moet iets bekennen en mijn excuses aanbieden,

sorry zeggen tegen alle pinguïns; telkens kom ik, hoe ik ook kijk, keer, wend, kijk en weer kijk,

en, regieaanwijzing: vanaf hier mijn stemvolume tot de laatste zin tot schreeuwens verhef, uit bij de

zwartgerokte befjongens en meisjes: fiscaal juristen, notarissen en rechters, sommigen echt begaan

met medemensen, anderen, niet toegevoegde pro deo’s, gladjakkers met een soepele vacht en

een ondermaatse motoriek, waggelend als Franse pendules, minieme huidbijtwondjes als onuitwisbare

liefdesspelstigmata tonend, zuidassuikerspinnen met buikspek omgord, skeletten met de zware last

van adipositaslijders op de i.c., een wroetende, pikkende spitse snuit; die, wat zijn het nou: mannen,

verklede dieren, zich oppompen tot max 9 bar, druk en dik over tax-evasion en hoe geil multinationaal

genot aftrekbaar is via belastingparadijzen, taxwalhalla’s waartoe ook wij, Nederland in optima forma,

ondanks goede mensen als Kajsa, Sylvana, Carola, Epke, Marieke Lukas, Sigrid, Esther, Lilian,

schaamtevol behoren, je bent een klusser met de hoogste opleiding en je praat bedrijven en koningen bij

over hoe ze niks kunnen hoeven betalen maar wel op speedboten voor Galaxidi en Loutro cruisen

met opgestoken omgekeerde handen die wel alles willen krijgen en hebben maar niet weten wat geven is

in broeken die almaar binnenste buiten willen lijken maar vol zitten, voller dan mannen die in niets lijken op leeuwen op paarden: de ontspoorden;

maar dit gun je pinguïns toch niet, lieve, koude,  waggelende pinguïns toch niet, niet pinguïns, niet

Kijker en maker

Het CBK Emmen presenteert een expositie van Immenga en Vos. Ik ben getriggerd. Ik lees PR-taal over suggestieve kracht en kwasten die onze blikken sturen, van het (in de regel stokoude) publiek worden dan wel scherpe arendsoogblikken verwacht. Ronkende zinnen over Immenga’s fascinerende persoonlijke beeldtaal en Vos’ brede dynamiek oproepende kwaststreken. So far so good. Voor mij valt de expo samen met een nadere kennismaking met kunstenaar Coppoolse in Zwarte Schuur van Oek de Jong en een krantenartikel over Etel Adnan.

Pet af voor het CBK. In een tijd dat bezoekersstromen krimpen en verpieteren als herseninhouden van klimaatontkenners of antivaxxers toch een expo organiseren. In een filmpje vertelt Immenga (Vos moet nog even wachten) over eenvoudige vormen: geen mensen, emoties, landschappen en steden, maar een rijtje bomen en trompetten. Het filmpje heeft de functie van een gebruiksaanwijzing bij een nieuwe boormachine met meer functies dan je denkt en levert tien keer een aha-erlebnis op. Intuïtief nadenken over kleine dingen en voorwerpen intrigeert Immenga. Hij legt uit hoe we naar een vlak met vier zorgvuldig opgebouwde kleuren kunnen kijken. De kleuren verwijzen naar andere kunstenaars: het groen naar James Ensor, de lichtere kleuren naar Mesdag en Jozef Israels. Twee kleine groene vlakjes geven de begrenzing aan van het werk en een stippellijntje wil een lichtstraal zijn. Dit werk moet het helaas doen zonder oranje, Immenga’s favoriete kleur.

Inderdaad. Ik herinner me Immenga’s nieuwjaarswens (godzijdank hoort hij nog tot de uitstervende mensensoort die kerstkaarten stuurt) met oranje en vaalrood. Iets als een in kleuren uitgevoerde, gekantelde ponskaart. Of toch zwevende bakstenen in een denkbeeldige muur en een schuin aflopend dak? Van een herdershut, stal, schuurtje? Of keek ik naar de mankerende beschutting van Palestijnen die in de vuurlinies van Israëlische expansionistische schurkenbroeders liggen? Dat eindejaarskunstwerkje viel op tussen de kaarsen, kerstbomen en skifoto’s. Niet alleen vanwege de vormen en kleuren. Het beeld intrigeerde en verwarde me. Het dwong me tot opnieuw en opnieuw kijken en nadenken, als na de onverwachte uitkomst van de kieswijzer. Wat wilde de kunstenaar/leraar uitdrukken? Omdat een toelichtend begeleidend filmpje bij de kerstkaart ontbrak, heb ik me het hoofd er dagenlang heerlijk over kunnen breken.¹

Wat zien we als we naar Immenga’s werk kijken? Nauwgezet geschilderde abstracte, weerbarstige, schurende vormen die met een bijsluitertekst van de kunstenaar worden gepolijst en ineens een speciale betekenis of lading krijgen, symbolistisch en daarmee toegankelijk worden. Allesbehalve ‘what you see is what you get’ dus. Ik probeer iets langer te kijken. Onderzoeken wijzen uit dat museumbezoekers een seconde of 6, 7 besteden aan een kunstwerk. Overschrijding van die korte tijdsspanne levert iets op. Zoals je iets langer doet over het lezen van hermetische poëzie, ga je bij Immenga vanzelf beelden, fantasieën, verhalen zelfs en poëtisch/filosofische hersenspinsels ontwikkelen, als je er iets langer bij blijft hangen. Probeer dan vooral ideeën over ‘de dynamiek van de leegte’, het weggelatene, de rol en functie van (het gemis aan) decoratieve aspecten van beeldende kunst, verdienmodellen na wekenlang in ateliers werken, en de hoop gescout te worden door behangfabrikanten zoekend naar nieuwe designs, te vermijden. Zet cynische Vormeinungen over abstracte kunst opzij, stap over de drempel van irritante PR-speak en durf je onder te dompelen. Ook zonder arendsogen aanbevelenswaardig. Een goede ervaring.

¹ Navraag bij Immenga leert me dat de nieuwjaarskaartafbeelding een soort souvenirtje betrof, kleine krabbeltjes die in het atelier bleven liggen, meer aardigheidjes voor vrienden en bekenden dan serieus; zie ook www.pieterimmenga.nl. 

Diergoden

Hebben dieren ook bedachte goden soms

Religies als afgeknaagde diervoederbakken waaruit

Van tussen de vuile etensrestenrandjes gegeten wordt,

Moet worden

Goden die aanwijzen wat

Wat wel en vooral ook wat anders

Wat niet en hoe heilige harten worden gedragen

Diergoden die leefregels voorschrijven die werken als vuilniszakkoorden,

Tiewraps,  als wielrennershelmsluitingen,

Geboden met woorden die omtrekken beschrijven

Opdat dieroppassers ritueel diergeluiden

Luid lokkend ten gehore brengen

En dan hopen dat

Er wonderen gebeuren

Op punten staan te gebeuren

Dat dieren geloven dat na

De dood er weer leven is

In andere verre dierentuinen, misschien de Queens Zoo in New York,

Wat een zoo man,

Mooier en met de schitterendste

Muziek van luiten, lieren en cimbalen, wie weet zelfs harpen

En dat alle dieren uiteindelijk

Verlangen dood te gaan

Op weg naar diergoden met harige huiden

En dat hun god

Een oogje dichtknijpt

Zoals alle goden maar wat graag

Wensen te doen

Hebben dieren zulke goden

Rüppels gier

dat niemand mij kent en weet

dat ik in een kooi op een schip

dat ik over de oceaan ben gereisd

om hier mijn fakking kunstje

ondanks zoönose risico’s te doen

dat niemand zag dat ik helemaal

vanuit diergodenloos New York

kwam, uit de Queens Zoo, wow,

wat een zoo, echt zo’n zoo man,

dat ik alleen naar hier ben gekomen

voor een anoniem en bevroren

gewenst en betaald vaderschap

dat niemand zoiets verwerpt –

enkel vanwege een gesubsidieerd

fokprogramma om de kuifhertgenen

veilig te stellen, genenvervuiling

van Rüppels gieren tegen te gaan,

dat niemand dat weet, dat niemand

geïnstitutionaliseerd voortplanten

op grote schaal

dat niemand

niemand

dat