Ruim dan ook je sleutels op

Het zit hem in de woorden ‘dan ook’. De zin ‘Ruim je sleutels op’ is een gebiedende wijs die in elk huwelijk klinkt. Staat er ‘dan ook’ bij dan is sprake van een sleur, een gewoonte en je verwacht erachteraan te horen ‘hoe vaak heb ik dat niet gezegd.’

In 1994, ik was 38, schreef ik het gedicht De erfenis / Hoe je over dertig jaren bent / werd mij in ’t echt nog niet / gevraagd, godzijgedankt, al / kwelt het mij bij vlagen wreed / omdat ik het antwoord ken, / zonder spoor van twijfel: / dan ben ik mateloos dement. / Je erfenis luidt: naam, moedertaal / soms zelfs broeder God en zijn gebod, / maar ook, diep weggeborgen / in je genen huizen nare trekjes, / word je voor niks aangeslagen / door ongewenste kwalen.

Een man van begin zestig zie ik. Onrustige ogen en handen. Moeilijk te verstaan. Ik vind hem onmiddellijk sympathiek. Hij staat naast een pony in een paardenwei. Iets verderop een schuurtje, een scheef hangend hek en in de verte een passerende trein. Een minuut later loopt hij onrustig heen en weer voor zijn huis. Zijn stem luider nu maar vele malen onverstaanbaarder. Als de camera op hem inzoomt begrijp ik dat hij de huissleutel kwijt is. Hij oogt als een fabrieksarbeider die nabij zijn eigen huis wordt gefilmd. De voice-over praat me bij. De man is dementerend. Ik schrik, want ik zie mijn toekomstige zelf, tenminste als de genen mij niet bedriegen. Mijn twee beppes waren door dementie aangetast als eikenhouten planken door houtworm, hoewel, beppe Jelske kon ook gewoon een geestesziekte hebben gehad, maar de immer psalmen zingende beppe Tjitske was, zoals mensen die niks van dementie moeten hebben, vaak zeggen: zo dement als een deur.

De vrouw van de man komt in beeld. Zorgelijk kijkend en meer langs haar man in het niets pratend dan tegen hem. Zeker, ze heeft het zwaar. Zo sympa als ik de man vind, zo naar vind ik haar. Zelden zag ik zo weinig liefde en compassie. Gedurende de documentaire zie ik haar eenmaal d’r man aanraken, terwijl ‘s mans lichaamstaal schreeuwt: houd me eens vast, knuffel mij, raak me aan.

Zonder me in te spannen leef ik met de man mee en word ik verdrietiger. Ik zie zijn ongeluk, kwetsbaarheid en opgeslotenheid in de schemer van zijn gedachten. Alles wat hem plezier geeft wordt hem afgenomen. Hij heeft een eigen plekje met een pony, wat scharrelkippen; een paradijsje. Een biotoop waar elke zorgboerderijeigenaar een moord voor zou plegen. De man rookt en morst weleens wat shagrestjes, iets wat zijn vrouw woedend maakt.

Gek, maar alles wat zij doet kan op mijn hoon rekenen. Ik doe mijn best iets positiefs van haar te zien, maar het lukt me niet. Mijn medelijden met de man groeit met de minuut. Ik ontdek dat hij wordt gefilmd door zijn zoon. Ineens komt een makelaar in beeld. Makelaars betekenen doorgaans slecht nieuws. En ja hoor, de vluchtheuvel wordt verkocht. Ik schreeuw door de kamer: doe het niet, sukkels. Zijn droefheid word heviger en slaat op mij over.

De ruwste scene is voor de deur van een inrichting voor dementerenden. De man ijsbeert en weigert, gelokt door een accordeon spelende vrijwilliger, naar binnen te gaan en vloekt luid, onverstaanbaar. Met pilletjes wordt zijn gevoel gedempt en zoals zijn tegenstribbelende pony achterstevoren de trailer in werd geduwd op weg naar de paardenslager, zo wordt hij de inrichting ingedreven, ingeschoven bijna. Aan het eind van de film slaat zijn filmende zoon een arm om hem heen. Beiden worden zeer emotioneel. Binnen een jaar na opname overlijdt de man.

Fietsdagboek II flirten bij een rouwdienst

De tweede week gaat in: dagelijks 50 kms. Na veertien dagen zit ik op 701 kms. Mijn benen, de Giant en de Sensa stribbelen niet tegen. Als priesters, rabbijnen en dominees koester ik mijn rituelen, maar ik prevel er minder bij en ik ben voor religievrij onderwijs. Vooraf check ik de bandenspanning: altijd een halve bar onder de max. Na thuiskomst poets ik de fiets, smeer de ketting en vertroetel de beenspieren in bad; ik buig, rek, strek als een yoga-instucteur in een vrouwenuurtje.

Voor het eerst wordt het kouder en mistig. Mijn bril is als het zicht van Baudet: troebel. Ik doe 52, 53, 43, 52, 72, 19 en 55. Mijn bidon laat ik thuis. Voor een tweeuursrondje hoef ik niet een pond water mee te nemen. Startte ik vroeger als een Jillertanemaïst uptempo, nu bouw ik de vaart op. Ik heb er een bloedhekel aan te worden ingehaald. Na een kilometer of vijf ben ik op temperatuur en lig (op de Sensa) of hang (op de Giant) lekker in de beugels en laat mijn gedachten vieren.

Op donderdag denk ik: waarom doe ik dit. De wind maakt het zwaar en net vandaag wil ik 70-plus doen. In mijn rechterknie voel ik een pijntje, mijn onderrug kraakt als een droge scharnier en mijn beenspieren zijn strakke vislijnen. Mijn hoofd zegt: gaan. Vragen poppen up: waarom meisjesbesnijdenissen wel en die van jongens niet verboden zijn. Waarom in de gouden Ruttejaren (’15 – ’18) met stagnerende lonen, exploderende winsten met economische groei van 2 – 2,9 % meer dan de helft van de Nederlandse bedrijven in de rode cijfers zat, waarom slaapcentra in ziekenhuizen voor mensen met apneu nu ‘twijfelachtige zorg’ worden genoemd. Net geen ‘onzinnige zorg’ (dat bestaat ook, zorg die geen zin heeft), maar het scheelt niet veel. Misschien dat lichte apneu de kant van hyperventilatie opgaat. Waarom zijn er zo weinig plattelanders met een zerowastemindset?

Terwijl ik op maandag langs het Amsterdamsche Veld schicht richting Oosteindische Landen of op dinsdag via Barnflair naar Burgemeester Bensdorp, op woensdag langs Boermastreek en Kakenbroeken, op donderdag van Schimmelarij langs Sombroeken, Katshaar en Pikveld, denk ik terug aan een recent bezochte rouwdienst waarbij ik met een sexy kosteres flirtte, of meende te flirten, tot ik doorkreeg dat haar geknipoog niet voor mij maar voor de regisseur was bedoeld. Zij was van mijn leeftijd, wellicht iets jonger. Ik ben niet een man die alleen naar jonge vrouwen kijkt. Ze had roodgestifte lippen en prachtig gelakte nagels, met zo’n laagje gel dat onder een lamp wordt aangebracht en dan, naar de nagelranden uitlopend, uithardt en er een verdikt laagje op achterlaat dat wekenlang meegaat, zoals je soms de restanten van een druppel vette olie op een derailleuronderdeel ziet of een druppel koel glazuur op een warme pas gebakken cake. Deze lippen/nagel-combi wordt best gedragen door een vrouw die weet wat ze doet. Net als ik mijn fantasie de vrije loop wil laten, ik fantaseer dat zij in het schemerige kerkhalletje onder het klokluiderstouw na de rouwdienst met die nagels, vlijmscherp hoop ik, als Thaise curry, over mijn rug en staalharde bovenbenen krast en rode streepjes tekent als de scheermesjes van de zichzelf snijdende hoofdpersoon Jude St Frances (uit ‘Een klein leven’ van Hanya Yanagihara); (als deze auteur de helft van de 750 pagina’s had gedeletet zou ik zeggen: lees dit boek!), net op dat cruciale moment zie ik achter mij die verrekte regisseur, een hork, die, geheel aan mijn lust tot flirten in een godshuis voorbijgaand, de dienst opneemt en de geheime tekens van de kosteres interpreteert.

Op vrijdag freewheel ik wat op de Gazelle en bezoek een fysiotherapeut die mijn triggerpoints in de benen kalmeert met dry-needles en op zaterdag recht ik mijn rug nabij Vlieghuis en Katshaar en schud mijn armen en schouders los.

Fietsdagboek I 30 dagen 40 km

‘Het smelt’ van Lize Spit, schiet me tussen De Krim en Steenwijksmoer te binnen als ik me afvraag welk boek iets weg heeft van Marieke Lucas Rijnevelds ‘De avond is ongemak’. Schitterende boeken, allebei van vrouwen. Een fysiek experiment fietst mijn denkwereld binnen. Wat gebeurt er met je lijf en geest als je elke dag minimaal veertig kilometer in een pittig tempo fietst in plaats van de gebruikelijke 25? Als je een gemakkelijke vrouw hebt, geen bewerkelijke familie, zelfstandige kinderen, geen facebook, kleinkinderen of neuroses en je geen t.v.-verslaafde bent en je niet per se Ilja Leonard Pfeijffers Grand Hotel Europa wilt lezen dan houd je in coronatijd al snel tijd over.  Houd je het vol of niet, val je af, gaat fietsen tegenstaan of niet? Dat soort vragen en meer interesseren me. Ik begin op 1 november. De eerste week fiets ik respectievelijk 53, 50, 40, 41,4, 43,6, 77,2 en 49 per dag. Op de vijfde dag denk ik: het gaat supergoed, wind en vermoeidheid hebben net zo weinig vat op me als redelijkheid op Baudet of Trump. Dit, dat het op dag vijf supergoed gaat, leidt tot een kleine ambitiebijstelling op dag 6: ruim 77 kms. Het gemiddelde springt gelijk tot boven de 50 p/d.

Fietsen biedt gelegenheid tot denken en jezelf vragen stellen. Waarom mis ik mijn al drie weken verdwenen doffers meer dan de vorige week overleden oom? Zou Hanya Yanagihara’s boek ‘Een klein leven’ met 750 pagina’s beter zijn geworden met een strakke redacteur? Wat houdt een studie theologie eigenlijk in, kun je als bijvak klankschaalleer doen en studeren imams ook theologie? Waarom wordt er nog maar zo weinig gehyperventileerd en waarom zou een projectontwikkelaar een kleine dorpskern naar de Filistijnen willen helpen door 12 villa’s te bouwen terwijl tien villa’s naast acht tiny houses of een knarrenhofje op dezelfde oppervlakte een even groot financieel voordeel zou kunnen opleveren en daarnaast lof en eer van de denkende mens?

Mijn racefiets, een zwarte Giant TCR Advanced 2, met een composiet frame, instapmodel 2021 met een Shimanogroep is mijn eerste racefiets die ik op mijn lijf heb laten aanmeten, als Pistorius indertijd zijn blades. Hij kost het equivalent van een half jaar een pakje Marlboro per dag roken. Fiets en lichaam smelten tot één als Amerika en Afrika ooit één continent Pangea vormden. De Giant en ik voelen elkaar aan als een symbiotisch echtpaar dat elkaars haar knipt en één e-mailadres deelt; we zitten vaak op gemiddeld 26,6 (doorsnee) tot 29,8 (topspeed).

Naast een racefiets heb ik een Gazelle bredebandenfiets, een Orange C8 H65 Black T8 met een supermooie voorlamp die als extra twee laterale strepen licht biedt en een atb Sensa Sella evo LTD. Dit is een zware jongen, met ligstuur 17,5 kg. De gemiddelde fietspadsnelheid is ongeveer 26 km/u en dat is gek genoeg maar net onder het Giantgemiddelde.

Op de eerste dag ben ik 1.87 cm en 76,7 kg. Ik slaap per nacht 8,5 à 9 uur en overdag nog een half uur.  Mijn alcoholgebruik is matig, in het weekend dagelijks 1 blikje Radler en 1 blikje Oettinger. Daarnaast eet ik dagelijks zeker 5 stuks fruit, begin ik de dag met drie koffie en muesli met Turkse yoghurt, lunch met melk en brood, en dineer met veel groente, weinig vlees, pasta/rijst/patatten en als snacks doppinda’s en kaas.

Na één week: huh? ik ben een kg zwaarder, de fietszin lijdt niet onder de extra inspanning, mijn onderrug is gevoelig en m’n bovenbenen, zo hard dat ik er met gemak schroeven mee in gipsplaten kan duwen <ik oefen nog met spaanplaten en halfuitgehard beton>, zijn wat gespannen; schrijf-, lees-, werk-, eetlust en libido, een woord dat fietsverkopers nooit gebruiken als ze mannencomfortzadels verkopen, zijn onverminderd. Op naar de tweede week en een sportmasseur of trilplaat?

Rust Zacht Jacob, Jappie, Japje, Jaap, Jasjin

Oom Jaap is overleden. Het bericht stond nog niet op de familie-app, Van der Meulens zijn meer appers dan bellers, of de berichtjes stroomden over. We zijn verdrietig. Maar de herinneringen aan jou stemmen me vrolijk. Ik dacht liefdevol aan vroeger, aan de tijd dat jij met beppe Jelske bij ons kwam wonen en krijg vrolijke gedachten, terwijl de situatie vroeger eerder complex dan eenvoudig was. We hadden een groot gezin, heit, mem en hulp Annie toen mem besloot 24/7 voor haar moeder, beppe Jelske, te willen mantelzorgen. We kregen jou er als bonus bij. In mijn ogen was je een veelzijdig mens: sportief, hard werkend, humoristisch, wijs, met een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Maar goed dat mijn ouders een groot huis en een groot hart hadden en dat jij, mem Sjoukje en heit Anne een goed team vormden.

In een belangrijk deel van mijn jeugd was jij er. Je kwam binnen als Jappie en je moeder noemde je Japje, een soort koosnaam. In ruil voor een ijstaart vroeg je ons oom Jaap te zeggen. Je doopnaam is Jacob. Maar voor ons jongens was en bleef je Jasjin, naar de beroemde Russische keeper Lev Ivanovitsj Jasjin, met als bijnaam de Zwarte Spin of de Zwarte Panter, volgens alle Van der Meulens, VI van die tijd en Wikipedia van nu de beste doelman aller tijden. Een foto herinner ik me waarbij je een meter boven de doellijn, horizontaal zwevend een bal uit het doel ranselde. Jij had in die tijd ook zwart haar, meen ik, zoals Danny Vera nu, ja echt! Eerst wat voorover gekamd en daarna met een soort golfslag achterover. Nog zie ik je aan de huiskamertafel met een soort plastic borstel en wat spuug die kuif modelleren.

Omdat heit het erg druk had met zijn klanten en de belastingen en mem, jouw zuster Sjoukje, genoeg te doen had met een ingewikkelde huishouding, leerde jij ons van alles. Bijvoorbeeld de elementaire bokstechnieken. Je hielp ons bij het opzetten van de spoorrails met een Fleischertrein en het maken van een tunnel. Van jou kregen we de eerste afgetrapte voetbalschoenen. Je kwam voor ons op toen de lagereschoolmeester iets te vaak het woord ‘kluns’ gebruikte als hij leerlingen op hun nummer wilde zetten. Je voorzag onze buren van passend commentaar als we weer eens een bal kwijtraakten die toevallig over de lage heg was geschoten. Op vakantie of een dagje uit naar Veenklooster of Bakkeveen toonde jij ons de keeperstechnieken. Piet, Folkert en ik mochten van dichtbij zo hard als we konden op het doel schieten. Je legde ons de verwantschap tussen de beide Friese dialecten ‘Kollumers’ en ‘Liwadders’ uit, wat bij mij tot een permanent gevoel van trots over mijn Fries-zijn leidde. Dat werd natuurlijk versterkt toen je veel later, in je stamboomonderzoekperiode, een lijn tussen Theun de Vries en mij aantoonde.

In Kollum rees je ster. Je werd doelman van Kollum I en wij moedigden je aan op sportpark Oostenstein. In die tijd zal je Nancy hebben leren kennen. Minimaal twee van haar broers voetbalden ook in het eerste. Of je meer scharrels in het dorp had, weet ik niet. Het moet haast wel. En ik kan alleen maar gissen wat de meiden op de kermis die achter je aan zaten voor lekkere koosnaampjes voor jou hadden. Nancy en jij gingen je verloven. Folkert en ik, al een beetje aangetast door de handelsgeest, stelden je bloedserieus voor om onze oudste zuster Jelske als een soort inruil in te brengen bij de familie Germs met het doel haar te koppelen aan één van je nieuwe zwagers.

Nancy en jij trouwden in Buitenpost. Een leuk feestje was dat. Je schoonvader hield een toespraak en ik weet nog dat hij beschreef hoe hij jouw antecedenten had onderzocht, hoe de Wijbenga’s in Zwaagwesteinde bekend stonden: je nieuwe zwagers keken wat gegeneerd om zich heen en maanden hun vader tot wat meer spoed. Je zus Sjoukje kon er vanwege de geboorte van Jacob niet bij zijn.

Na jullie huwelijk vestigden tante Nancy en jij je in Cornjum. Folkert en ik kwamen logeren en gingen overdag het militaire vliegveld en een kasteel in Jelsum bespioneren. Jij nam ons op een avond mee naar een voetbalwedstrijd van Cambuur tegen Wageningen. Wow, wat een ervaring, fanfaremuziek op de grasmat en een patatje in de pauze. Of het daar was of op een verjaardag weet ik niet, maar ik herinner me de sterke verhalen die je vertelde. ‘De Westerein’ was nou niet bepaald een braaf doorsnee Fries dorp. Je vertelde van caféruzies die soms met een mes werden beslecht. Ik herinner me een verhaal van een medevoetballer van jou die zo’n lange ‘jongeheer’ had, dat zijn eikel in zittoestand over de vloer sleepte. Na bedtijd toverden Folkert en ik hagelwit behang om in een roodgespikkeld decor nadat we vijftig neefjes, die zich allen aan ons bloed hadden gelaafd, op de muur hadden doodgemept. Geen kwaad woord kregen we, Nancy en jij waren vol begrip.

De Wijbenga’s in Zwaagwesteinde waren doopsgezind. Mijn pacifistische inslag heb ik aan jullie te danken. Niemand van mijn broers, we waren met vijf man, is in dienst geweest. In verkiezingstijd leverde jij een affiche van De FNP aan die samen met die van heit, de ARP, en mem, de CHU, een bont palet aan politieke overtuigingen opleverde. Daar kon geen van heits klanten zich aan ergeren.

Oom Jaap dood. We moeten er erg aan wennen. We leven met tante Nancy, Klaas Gjelt en Frits, jullie partners en kinderen mee en we gedenken Ria. We hopen dat jullie het gemis van je man, je (schoon)vader en pake een mooie plaats in jullie herinneringen kunnen geven. Dat proberen wij ook.

Omke Jaap, rêst sêft!

Twee wandelaars

Mijn met het katholieke geloof worstelende vrolijke vriend en ik liepen langs het Schoonebekerdiep met in de verte voor ons Coevorden en achter ons Schoonebeek; bij het sluisje wilden we noordwaarts afbuigen. Mijn vriend liep leeg als het sluisje tweehonderd meter voor ons wanneer de deuren open stonden. Dan weer kreeg een bisschop een stomp en dan was het de geloofsleer zelf die deuken opliep als Badr Hari tegen Rico Verhoeven, maagd Maria werd met fluweel behandeld. Hij zat in een proces van ontwikkeling, nog even en hij was er. Hem hierbij helpen en vooral afleiden probeerde ik, ervaringsdeskundige, uit alle macht; was dat immers niet waar vrienden voor zijn en ik richtte mijn en zijn aandacht op een waterschapmedewerker die bezig was zuurstofplanten onder het wateroppervlak weg te snijden als leliekwekers die overbodig lelieloof met een te hoge concentratie landbouwgif dat hier gewasbeschermingsmiddel wordt genoemd afsnijden. De waaromvraag verraste de werkman, zag ik tevreden. Voordat hij uit zijn met ouderwetse Chickprentjes volgeplakte cabine vanaf een luchtgeveerde stoel stapte en me toebeet me met mijn eigen zaakjes te bemoeien (ja, ‘zaakjes’ zei hij alsof hij sprak over de balzakken van mannen met een groeistoornis), hervond hij zich en gaf met verve de Duitsers aan de overkant van het water de schuld, voor zover je iemand met verve kan beschuldigen, alsof hij nog iets moest vereffenen. Iets wat evengoed in het verleden zou hebben kunnen plaatsgevonden, wat nog op mijn begrip had kunnen rekenen, als in het heden, waar ik meer moeite mee zou hebben gehad. Hierbij zou hij compleet voorbij zijn gegaan aan de kwaliteiten van haar die ik bewonderend Mutti Merkel heb leren noemen, een staatsvrouw die zoveel innerlijke power heeft dat ze zelfs na haar scheiding de naam van haar ex is blijven dragen, zo’n vrouw dus, iemand die wel wat anders te doen heeft dan uiterlijke power te cultiveren en de pijlkruidwildgroei, fonteinkruiduitwassen en de verstikkende krabbescheer in een ondiep water tussen twee economische grootmachten te monitoren en weg te snijden als Giethoornse rietsnijders de wateren naar Zwartsluis vrij houden. ‘Bemoei je met je eigen zaakjes,’ hoorde ik, wat ik onmiddellijk vertaalde in het Drentse regiolect dat waterplantsnijders van hier binnensmonds bezigen: ‘Bemui joe mit joen eigen zoakies’. ‘Dat is het beste wat je kunt doen, Nederlandstalige zinnen direct in het Drents omzetten,’ had mijn Sleense taalcoach me altijd voorgehouden in de periode dat ik bezig was me in te vechten in de Drentse plattelandscultuur, toen ik nog de illusie had dat dat zou kunnen werken in Sleen. Tegengas geven of meeveren, tweestrijd hield me in de tang als een walnoot die op het punt staat gekraakt te worden. Een ogenblik wiebelde ik even met mijn bovenbenen omdat mijn onbesneden penis en scrotum vanwege de nieuwe, nog iets te strakke spijkerbroek wat in de verdrukking waren gekomen en ik zwaaide mijn kont wat van links naar rechts zodat alles op zijn plaats kon vallen, als ministeriële argumenten in een non-discussie over ten onrechte toegekende subsidies aan bijna verlopen huisartspraktijkmedewerkers die vergeten waren zoom- en skypelessen te nemen. En omdat deze beweging, je zou het bijna een voorloper van een tango-intro kunnen noemen, me een plezierig, zeg maar gerust vrij en tegelijk lekker gevoel gaf, herhaalde ik het nog een paar keer waarbij de waterschapmedewerker mij meewarig aankeek, waarschijnlijk herkende hij het gevoel van opkruipend knellend katoen in de liesstreek. Ik liet de man voor wat hij was en we vervolgden ons pad. Zuidoost-Drenthe was mijn lievelingsgebied geworden waarvoor ik Noordoost-Friesland, zij het met moeite, had ingeruild. Als museumbezoekers die soms moeite hadden het verschil te onderkennen tussen moderne kunst en provocaties zo had ik lang moeite gehad mijn voorkeuren voor beide gebieden te onderscheiden, ik noemde mezelf Noorderling, maar Drenthe stond nu op nummer één. De mildheid waarbij regionale taalvarianten werden getolereerd om diepgravende discussies over wat goed en wat semantisch en grammaticaal fout was maar te voorkomen, het oorverdovend gakken van opvliegende ganzen in de Meerstalblokken zuidelijk van Zwartemeer, het maar niet uit de verledenbubbel willen opstijgen van ‘oeze’ bekende muzikant/columnist  die zaterdag op zaterdag zijn 500 woorden vulde met terugblikken op hoe mooi zijn moestuintje er in de vorige eeuw, het einde daarvan natuurlijk hè, bijstond en hoe de kwaliteit van dahliabollen achteruit rende, het onvermogen van de Drent om nee te zeggen of gewoon het met iemand oneens te zijn dat hier van hobby tot kunst was verheven en bijkans de Japanse diep ingeslepen gewoonte het woordje nee te willen vermijden evenaarde of zelfs de loef afstak, dat allemaal had ik in mijn hart gesloten als predikanten en imams ooit verzonnen verhalen in hun hoofden hadden gekapseld. En dan had ik de pracht van de vrouwen tussen het Schoonebekerdiep en de zuidelijke randen van Den Hool nog buiten beschouwing gelaten, want hun schoonheid, vooral de innerlijke variant daarvan, loog ik, raakte me keer op keer zo hevig als pijlpunten pompoenen op kinderfeestjes. Achterom kijkend zagen we de waterschapmedewerker in de verte alsof hij iets tegen zijn oor hield, waarbij de tractor, een John Deere 300 pk met zowel een aan de achterzijde geplaatste aftakas als een lateraal naderhand ingebouwde om de zaagmachine aan de zijkant van de tractor van energie te kunnen voorzien, licht van zijn rechte lijn afweek, iets wat mij m’n hart deed vasthouden en mijn vriend deed denken aan het proces van ontkerkelijking dat tevens een afwijken van de kerkelijke leer inhield of moest inhouden en waar hij middenin zat. Zijn vrolijkheid was wat weggezakt als de dubbelluchtbanden van de John Deere in de zachte berm. Zo erg hadden mijn woorden de tractorchauffeur van het Waterschap Velt en Vecht toch niet van zijn stuk gebracht hoopte ik vurig, tenminste dat was verre van mijn bedoeling geweest en zonder er verder acht op te slaan vervolgden we onze weg, waarbij ik de somberte in mijn vriends ogen zag wegvloeien als afval na de verwerking van suikerbieten op naast de fabrieksterreinen gelegen vloeivelden en wij ons konden richten op baken Emmen in de verte in het noorden waarbij we de veengronden van het Hebelermeer achter Schoonebeek en Nieuw-Schoonebeek aan ons voorbij konden laten gaan als toetjes aan obese boeren op een Zuidenveldvriendenvergadering in het Wapen van Drenthe in Oosterhesselen.

Ganzenreizen

Ganzenlijven zitten ingewikkeld in elkaar met die knokige, grof scharnierende vleugels, die, uitgeslagen en klaar voor een vlucht lawaai maken als oude duiven met hernia. Ingeklapt vormen de vleugels een gestroomlijnd, bijna kierloos, geheel met het ganzenlijf. Jaarlijks bivakkeren meer dan 100.000 kol- riet- en toendraganzen in de blokvormige plassen zuidelijk van Zwartemeer en parallel aan de Nederlands-Duitse grens. Dit is altijd al een gastvrije regio geweest. Vanuit de Baltische staten en Siberië strijken ze in Zuid-Drenthe neer. Bij het krieken slaan ze de vleugels uit en gaan met een indrukwekkend lawaai van het geklapwiek dat vergeleken met het gakken nog stilletjes is, zuidwaarts. Bij al onze wandelingen zag ik nooit een wandelaar die bij dit natuurtheater doorliep.

Terwijl je komt aanlopen tussen zeven en acht voel je de spanning als bij een B-film met Huub Stapel: je kent de sleetse acteur, je weet wat gaat komen, maar wanneer precies? Je hoort het gegak dat aanzwelt als tromgeroffel voor een circusact. In de achtergrond knipperende rode lichten bovenin windmolens, niet bedoeld om mensen aan te trekken maar om piloten, zwanen en ganzen te waarschuwen: kom niet te dichtbij! In gedachten hoor je de hese stem van David Attenborough die fluisterend commentaar geeft als Betty Stöve bij tenniswedstrijden. Dan de ontlading. Honderden ganzen stijgen op en zoeken, lawaai makend als republikeinen bij verkiezingsbijeenkomsten in swingstates, in een formatie de zuidroute. Eerst wat onwennig maar allengs vlotter zie je ze, cirkelend op thermiek, ontspannen wegzeilen. In-druk-wek-kend. Mag-ni-fiek.

(afgebeeld: vliegend toendragans; en kolgans; film van Ted Schilder)

Ach ja, die dag des heren

Mijn liefde voor zingen, gluren naar Matsje met het veel te korte gebreide truitje en mijn compulsief-obsessieve  neiging orgelpijpen te willen tellen heb ik overgehouden aan kerkbezoek in mijn jeugd. En sjaa, dat geneuzel over het paradijs, water in wijn veranderen en dat constante afgeven op concurrerende godsdiensten met in Italiaanse superpaleizen met vloerverwarming wonende halve zolen in soepjurken die denken de opvolger van god te zijn, nam ik voor lief. Wij dorpskinderen hoorden op school al elke dag dat de roomsen lak hadden aan de bijbel en dat de kerken aardig waren opgeknapt toen de ordinaire kermis- en woonwageninterieurs met goddeloze afbeeldingen van hen die geen afbeelding nodig hadden, werden ingeruild voor strak wit stucwerk van stucadoorsbedrijf Prins & zns uit Rinsumageest. Wij kregen speciale zondagse kleren die we gedurende een jaar of twee mochten dragen en daarna, toen ze veel te kort waren voor onze snel groeiende lijven tot doordeweekse kledij werden opgewaardeerd. Godver, wat zat ik ’s zondags graag naast mem en heit en hen die met mij heit een supergrote fiscale kinderaftrek bezorgden. Heit had een stem die verrekte goed uitkwam bij de lijzige psalmen en gezangen en mem had een sopraan die nooit wiebelde. Het begeleidende orgel was als een fenomenaal orkest. En tussen het zingen door zag je iedereen wat knikkebollend wegdutten. Dat was voor mij de tijd om Matsje te bekijken, die schuin tegenover ons zat en soms tergend lang bezig was om met haar roze tong een niet bestaand vleesdraadje tussen haar voortanden weg te peuteren, terwijl ze als een zwoele Dolly Dot avant la lettre mij fixeerde door de rose bh-bandjes te herschikken. Aan mijn glunderende kop te zien, zullen heit en mem lang hebben gedacht dat ik het in de kerk reuze naar de zin had en dat ik dominee Breeuwsma’s woorden opzoog als kleenextissues spermasporen, terwijl ik in gedachten met niets anders bezig was dan dat lastige elastiek in Matsjes slipje, dat toen nog onderbroek heette. Op schemeravonden aan het Kerkhoflaantje na de catechisatie werd ik ingewijd. Ik luisterde naar de verzonnen woordjes die ze in mijn oren fluisterde. Heerlijk die dag des heren, moesten ze weer uitvinden…

Dagblad van het Noorden – De Volkskrant 1 – 0

Het is geen tennis of taekwondo maar een uitslag is er wel. In de weekendbijlage van ‘Het Dagblad’ staan op 031020 meer dan lezenswaardige stukken over Helmantel en Wiegel. Helmantel is voorman van de figuratieven in de kunsten en Wiegel was een figurativist in de politiek. Pieter Sijpersma schreef Hans Wiegel – De biografie. In het artikel van Saskia van Westhreenen wordt duidelijk dat Sijpersma, die veel zin had in de Wiegelkluif, Jan Tromp, hier ‘vermaarde journalist van De Volkskrant’ genoemd, aftroefde. Interessant detail: Sijpersma is oud-hoofdredacteur van Het Dagblad.

En nu De Volkskrant. Deze krant ligt al een poosje onder vuur van de literatuurwatchers. Recensent Peters schond de vertrouwensrelatie met de krant door jonge vrouwelijke auteurs voorafgaand aan zijn bespreking oneerbare voorstellen te doen in ruil voor vijf sterren. Peters is een recidivist: eind vorige eeuw kreeg hij enkele maanden een recenseerverbod van de krant omdat hij in de krant negatief schreef over auteurs die hij (tegen betaling) elders positief recenseerde.

Je zou denken dat De Volkskrant, Trouwlezers spreken consequent van de linksekerkkrant, zijn lesje heeft geleerd en oplet bij de verdeling van schrijftaken die kunnen schuren. Zonder na te denken krijgt Jan Tromp de gelegenheid Sijpersma’s boek over Wiegel te recenseren. En wat gebeurt? Tromp is zuur. ‘Sijpersma is het best op dreef in het nawoord. Hij wil te veel vertellen. Hij zit zichzelf in de weg. Het is een braaf verslag en niet van binnenuit. Het is oponthoud, ballast.’

Tuurlijk, Tromp zegt ook positieve dingen over dit boek. Maar toch. De Volkskrant had er beter aan gedaan een recensent te selecteren met iets meer distantie tot het onderwerp.

EDE STAAL ANDERS

G   E   A   N   N   U   L   E   E   R   D

PERSBERICHT

Première  EDE   STAAL   ANDERS

MUZIEK EDE STAAL IN MIX VAN ORGELIMPROVISATIE, ZANG EN TEKST

Grote Kerk Emmen, Zondag 25 oktober 16.00 uur

Stichting Culturele Dorpen Zuidenveld is erin geslaagd de muziek van Ede Staal naar Emmen te halen en wel op Zondag 25 oktober om 16.00 uur in de Grote Kerk van Emmen. Het programma bevat orgelimprovisaties, vocale kwartetten en teksten.

Organist Peter Siebesma licht het werk van Ede Staal toe en improviseert op het orgel Ede’s muziek. Daarnaast zingen vier vocalisten liedjes van Staal, begeleid op piano en worden teksten van Staal gelezen. Het vocaal kwartet bestaat uit: Hanneke van den Berg, sopraan; Marjanca Koetsier, alt; Taco van den Berg, tenor; Reinder van de Molen, bas.  De laatste tekent voor de extra teksten.

Bekend tot in Japan

De te vroeg gestorven Groninger streektaalzanger Ede Staal (1941 – 1986) is in Noord-Nederland een begrip. Wie kent niet zijn fameuze liedjes, als Mien Toentje, ’t Zel weer veujoar worden, of ’t Het nog noeit zo donker west. Zijn liedjes werden vertaald in het Limburgs, Japans en Fries. Tien jaar na zijn dood stond een dubbel-CD As ’t boeten störmt veertigste in de landelijke top-honderd. In 2004 verscheen de biografie ‘Geef mie de Nacht, Ede Staal’. Er zullen in Noord-Nederland weinig (amateur)koren zijn die geen werk van Staal op het repertoire hebben.

Peter Siebesma

Geen introductie nodig. Hij is een bekend en hoogwaardig musicus, componist en organist. Hij heeft in 2018 improvisaties van elf liedjes van Ede Staal op negen verschillende Noord-Groningse kerkorgels gespeeld en ook op cd uitgebracht. Hij laat daarmee zien dat een orgel ook ánders is in te zetten dan alleen als instrument voor religieuze of klassieke muziek. Een bijzonder puntje: Siebesma en Ede groeiden vlak bij elkaar op in Kruisweg en Leens. Siebesma heeft ook een boek over Leens geschreven met de titel De weg van Lains noar Klooster, een verhalenbundel over het Groningse dorpsleven van de jaren 1950/60.

Coronaproof en kaarten bestellen

Vanwege corona staan de stoelen op anderhalve meter. Een beperkt aantal liefhebbers zal deze eerste uitvoering kunnen bijwonen. Grote Kerk Emmen, (Noorderplein 101) Aanvang: 16.00 uur. Entree: € 14,50. Kaartverkoop start vandaag via zuidenveldcultureel@gmail.com

__Einde persbericht_________________________________

14 september 2020, Info bij: Stichting Culturele Dorpen Zuidenveld;

Open brief aan Peter van Dijk: Keer om alstublieft!

Geachte heer Van Dijk, beste Peter,

Bij het woord projectontwikkelaar werd in mijn jeugd meesmuilend geschamperd bij het koffieapparaat in de pauzes. Ik beken: ik deed mee. Mooi oud werd lelijk nieuw en massaliteit verpulverde het individuele. Bij de naam Peter van Dijk zag je de slopershamer al en vlak daarna de archiefladekastarchitectuur. Mijn beeld van het begrip Peter van Dijk kantelde enkele jaren geleden. Ik bezocht een nieuwjaars- alias Emmenpromobijeenkomst in het Atlas. Gelikte filmpjes van bekende Emmenaren kwamen voorbij. Ik maakte kennis met een sympathieke, lachgrage kop uit ik meen Klazienaveen die vertelde dat hij veel aan deze streek te danken had gehad en graag iets wilde terugdoen. Ik geloofde hem en liet mijn cynische Vormeinung varen. Een nadere kennismaking met Van Dijk volgde op reclameborden bij oeze FC en in artikelen over een heuse skyscraper, de verbouw van een foeilelijk geel gebouw dat Drukkerij heet waar geen supermarkt naartoe wilde en successtory’s over ultrasnelle verhuur van appartementen aan de Flintstraat. Sindsdien heette hij voor mij en mijn voetbalkameraden De Dijk.

In mijn hometown Noordbarge werd een schoolterrein verkocht aan De Dijk in samenwerking met Bemog uit Zwolle. Een religieuze groep die onder de loupe van het O.M. ligt viste achter het net, terwijl, zo wil het stamtafelverhaal, de kerk veel meer bood dan De Dijk. De Dijk kwam met plannen, ruwe schetsen waarop vijf boerderettes en zeven schuurhuizen te zien zijn tussen bomenrijen die ogen als plastic Legostukken die te lang in de zon hebben gelegen. Een stuk of twaalf behuizingen met glazen serres als etalages van zitmaaierverkopers, we gaan hier niet twisten over smaak, moeten ‘import’ naar Noordbarge trekken als eikenprocessierupsen naar eikenstammen.

De bestuursleden van het parlement van Noordbarge, Plaatselijk Belang, waren in hun nopjes. Metoo, al schuurde ergens iets. En zoals meningen en opvattingen kunnen groeien en veranderen als hersenen in puberhoofden, kantelde bij mij het beeld en doemde het vroegere beeld van de projectontwikkelaar weer op met meer dollartekens dan maatschappelijk gevoel op zijn harde schijf.

Als Van Dijk echt iets voor Emmen wil betekenen, herziet hij de plannen stante pede en neemt hij een voorbeeld aan Oosterhesselen waar een collegaprojectontwikkelaar in een even rurale omgeving (op advies van Hesselers) betaalbare rijtjeswoningen projecteert naast vrijstaande huizen.

We zien in Noordbarge al meer naar binnen gekeerde eilandjes voorzien van stalen, elektronisch bediende hekwerken om huizen dan ons lief is. Kom op Peter van Dijk, bouw geen gated community waar uitstallen van prijzige eenvormigheid (het plan kent slechts twee smaken) doorgaat voor vooruitgang. In Nederland is een schreeuwend tekort aan betaalbare koop- en huurwoningen. Noordbarge is een fijne woonstee omdat er diversiteit is. Groot staat gebroederlijk naast klein, foeilelijk naast te pruimen of zelfs ronduit mooi en goedkoop naast onbetaalbaar. Waarom die eenheid uit zijn verband rukken en kiezen voor gelijkvormige onbetaalbaarheid met alle sociale misvorming van dien?

Veel mensen in Noordbarge denken, uitgaande van een misplaatst verlangen naar gelijkheid, dat de wijk gebaat is bij puntdaken, het liefst nog met riet gedekt. En dat terwijl de vier mooiste, d.w.z meest markante en architectonisch interessantste bouwsels geen puntdak hebben: hotel ten Cate, de Lidl, de Vrije School en de witte bungalow aan het begin van de Oude Zuidbargerstraat.

Veel Noordbargers koesteren een landelijke, Orveltiaanse retro-uitstraling, maar zodra die landelijkheid dichtbij komt groeit de NIMBY-reflex, het mag overal maar niet naast mij (een speelterreintje naast je huis, een haan bij de buren, een asfaltweg die wordt omgetoverd in een dorpse klinkerstraat) en komen de protesten bovendrijven als vetogen op grootmoeders groentesoep.

Geachte heer Van Dijk, beste Peter: laat zien dat u de naam De Dijk waard bent, keer het tij, het is nog niet te laat. Laat één van de boerderettepercelen vervallen en ontwikkel daar vijf tiny houses, of, nog beter: skip drie schuurwoningen en creëer daar een knarrenhofje voor 15 belangstellenden. Financieel meer dan haalbaar wanneer de villa’s een kleine prijsverhoging krijgen.

Noordbarge, de geschiedenis in ontwikkeling en woningzoekers zullen u dankbaar zijn.