Na corona

Dat de nertsfokkerij versneld wordt opgedoekt, dat de intensieve dierindustrie tegen het licht wordt gehouden, dat een hygiënische revolutie als prettige bijvangst het scherp verminderen van kwalen als diarree en onduidelijke buikklachten oplevert: allemaal positief nieuws na enkele maanden coronaleed. Besmettinghotspots staan vanaf nu in een kwade reuk en moeten bezoekersstromen wat gaan reguleren: vergaderzalen, callcenters, gevangenissen, koorrepetities, familieverjaardagen, slachthuizen, overdekte marktplaatsen, kerken, winkelcentra, uitvaartbedrijven en indoorcarnaval. En fitnesscentra natuurlijk. Drugsbazen hebben moeite zwartgeldstromen te kanaliseren en dat deel van de politie dat geen lijntjes met de onderwereld heeft, doet goede zaken. De lucht wordt schoner want er is minder nutteloos auto- en vliegverkeer. Nog maar kortgeleden vonden we het heel gewoon dat mensen naar Australië of de Andes reisden om daar maanden te gaan rondreizen en nu zijn het de paria’s van de toerisme-industrie. Nu nog wat meer onderzoek naar de rol van aerosolen in binnen- en buitenlucht en we zijn klaar voor een vergelijking met de griep van 2017/2018; tot nu toe staat corona nog met een paar duizend overledenen achter. Nieuwe woorden als ondersterfte poppen up. In weken 21 en 22 was er minder sterfte dan in 2019. Misschien dat de zorg nu aan een inhaalslag toekomt. De eerstelijnszorg gaat tijd overhouden als de implicaties van de stelling dat 90% van de kwalen zichzelf oplost duidelijk worden. We gaan stoppen met de geperverteerde tandartsenij dat voor een grof vermogen nutteloze kosmetische ingrepen declareert. Wat betekent het dat we het gewoon zijn gaan vinden dat kerngezonde klanten twee x per jaar hun gebit lieten checken en dan ook nog juichten als er niets te doen was voor de witte jas? Huisartsen kunnen zich eindelijk gaan bezighouden met wat ze zouden moeten doen: preventie en leefstijlverbetering. Rokende en tonronde dokters krijgen een omscholing tot verkeersregelaar. De huisartsenij gaat eindelijk serieus de strijd aan tegen overgewicht, diabetes II en roken. Ze worden vanaf nu niet meer per behandelde patiënt of verkochte medicatie beloond, maar, na een uitgebreide nulmeting, per percentage gezonde cliënten. In een populair t.v.-programma hebben we jaren kunnen zien dat verstandige mensen net zo snel en vakkundig een diagnose kunnen stellen als een huisarts en dat gaat tijd opleveren. Cliënten met w.o.- of een hbo-opleiding krijgen overbodige vragen en tijdrovende klachten niet meer vergoed. Elke kilo boven of onder het groenste BMI gaat de klant 1% zorgpremie kosten. Rokers betalen 100% extra. Elke verminderde diabetes II, elke kilogram gewichtafname per klant en elke met roken gestopte cliënt levert de huisarts bonussen op. Wekelijks publiceert de NOS-app succesregio’s en voortgangpercentages in alle regenboogkleuren en de best presterende huisdokter per gewest. Natuurlijk zijn er allerlei mitsen en maren maar met een brede inzet van AI, gemonitord door enkele handenvol biotechnerds, onder supervisie van gutmensch Bregman, gaan we de goede kant op: naar begrenzing van de zorgkosten en meer gezonde mensen.

In Memoriam

Je zus vertelt me dat je bent overleden. Ik leg net een foto aan de kant waarop je lachende kop staat. Raar hoe familiedraden kunnen lopen. Toevalligheden zijn als lijm in fotoboeken. Nog een lijmdraad: ik zit in een Zeeuwse periode en ben de Geheime Dagboeken van Hans Warren aan het herlezen. Van Warren weet ik veel meer dan van jou. Terug naar de foto: jij zit tussen je vader en moeder in, daarnaast je zus. Wij vieren onze eerste trouwdag. Jullie allevier een lach van oor tot oor. In onze familie is dat een bijzonderheid. Ik herinner me de dag dat je werd geboren. Mijn moeder riep het door de woonkamer, ik met mijn rug tegen een lauwe radiator bezig drie kilo aardappelen te schillen. Mijn tweelingbroer hoefde ze alleen te ontpitten en te verzuipen. “Oom Auke en tante Doet hebben er een zoon bij.” Als ik jouw naam hoor vraag ik of jij naar mij bent vernoemd. Mem speelt Kurt Waldheim: “Ek nei dy jonge, fansels ek nei dy.” Onze vaders waren broers. Tussen jou en mij zitten dus vier lijmdraden spermatozoïden. Jullie woonden in de hoofdstad. Je vader had een artistieke inslag. Bouwkundig tekenaars verhuizen van woonboot naar flat naar waterkadehuis. Jou herinner ik me als een van de broers uit de Kameleon: strohaar dat alle kanten oppiekt, actie, fiere jongenspraat, een sympathieke belhamel en de wereld in willen. Voor Friezen is Zeeland als Overijssel voor Arubanen. Een andere wereld. Wat hen bindt: water, een eigen draadjestaal en geloof in een verzonnen en aanbeden held die je later laat vallen als een hijskraan een basaltblok op een zompige dijk. Daarin verschilt de bijbel van de Kameleon. Als je een jaar of twaalf, dertien bent help ik, pas verhuisd naar de hoofdstad, je met de vervoeging van Engelse werkwoorden. Detail: waarom de paragraaf Engelse meervoudsvormen zo ver moet gaan dat zelfs de uitzondering – en achter ox is opgenomen, verbaast me tot vandaag. We lachen erom en roken een sigaret. Je ogen glinsteren als je praat over opgevoerde brommers en meiden in fietsenhokken. Kijk, daarover hadden ze het niet in die Kluitmanserie. Je helpt je vader die een glazen keukencocon in de woonkamer plaatst, je bent architect of niet. Natuurlijk verliezen we elkaar uit het oog als jij de liefde zoekt in Zeeland. Voor Friezen is zo’n stap niet alledaags. Je doet waar je goed in bent. Penitentiaire inrichtingen zie ik voor me. Gevuld met gedetineerden en mannen als jij. Dat leven meer is dan werken en de familyman spelen weet jij als de beste en de burgemeester laat via marionettendraden de koning zijn kunstje doen met een terecht eerbetoon aan jou. Niet voor iedereen is Zeeland louter voorspoed en geluk, daar weten Hans Warren, jij en de jouwen alles van. Als je vader doodgaat, Friezen huilen niet, spreek ik een dochter: wijs en ondernemend. In haar herken ik jou, waarom zou je klagen? Jij ziet er monter uit. De drieletterafkorting uit je voornaam heeft je in de tang. Je leven wordt geknepen. Ik denk aan een schroefdop die koolzuur tegenhoudt. De organist van dienst doet zijn best, maar vergeet een handvol klassiekers. Ouders moeten doodgaan voor hun kinderen. Vaders doen dat. Dat niet alle moeders zich aan die wetmatigheid houden is natuurlijk meer dan mooi.

37 jaren afrodisiacum

Jij hebt het zeer met mij getroffen,

zo peins ik elke dag drie maal.

Ik ben niet dik, niet dom, niet kaal

en ga niet naar de hoeren in de stad.

 

Heel af en toe neem ik een tuiltje

blommen voor je mee. Ik doe de tuin,

ik rook mijn vingers niet geelbruin

en noem je regelmatig lieve schat.

 

Ik draag geen instapschoenen, buideltas

of witte das; ik boks of tennis niet,

ik help je altoos in of uit je jas;

 

waarom breng jij mij dan in diskrediet

als ik, mijn lief, al sinds ons trouwen

des nachts mijn sokken aan wil houden?

Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling


Als ik Lubbers’ Zuidenveldkroniek lees voel ik me als een kind dat door een caleidoscoop kijkt: steeds zie ik wat nieuws. Een foto op pagina 275 symboliseert het Zuidenveldgevoel treffend: vijf mannen zorgen ervoor dat een vastgelopen aanhanger weer vlot komt: met vereende krachten iets tot een goed einde brengen, dat typeert dit feest. Roelie Lubbers-Hilbrands beschrijft in Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling 1920 – 2020 de zuidenveldtentoonstellingen in al zijn facetten. Het zou mij niet verbazen als bij de eerstvolgende Zuidenveldtentoonstelling een platte kar aan haar is gewijd: haar lach en blonde lokken met duizenden maiskorrels, graanstengels en een keur aan bloemen op een plateau uitgelicht. Het boek is opgedragen aan enkele familieleden en, hier zien we Lubbers de diplomaat, aan alle deelnemers, medewerkers en bezoekers: het volk van het Zuidenveld.

Wat een immense klus moet het zijn geweest om de 100 jaren Zuidenveld te boekstaven, elk jaar op twee pagina’s, met er tussendoor beschrijvingen van het volgende decennium. In 304 pagina’s, zo’n 1.800 gram papier, boordevol tekst in gevarieerde lettertypes en foto’s, vanaf 1973 ook in kleur, sommige zelfs met watermerken, vertelt zij de historie. Overzichtelijk gerubriceerd en uiterst volledig: tot en met de jaarlijkse cateraar aan toe. Prijswinnaars, advertenties, bezoekersaantallen, financiële overzichten, bestuurssamenstellingen en meer.

Bij de decenniabeschrijvingen typeert Lubbers de historica de tijdgeest bondig en to-the-point. Van democratisering in de jaren zestig tot het homohuwelijk in 2002, velerlei maatschappelijke veranderingen komen voorbij die de landbouwtentoonstellingen inbedden. Al lezende voltrekt zich de geschiedenis van het boerenbedrijf met daarin een prominente rol voor de dieren en de boeren. Ertussendoor lezen we over de economische ontwikkelingen in de agrarische sector, de rol van de vrouwen, de oorlogsperiode, belangstellende hoogwaardigheidsbekleders, de regionaal-geografische ontwikkelingen en heel veel faits-divers die het boek leesbaar maken en houden. Van de vele foto’s is verreweg de mooiste die op p 61 met gelooide koppen van het prototype van Zuidenveldgangers: stoere mannen met petten.

Een speciaal onderdeel van het Zuidenveld zijn de versierdewagenoptochten en de versierde straten met de erebogen als hoogtepunten. Ik zie nog mijn oude buurman maanden voor het feest in Sleen in zijn schuur honderden vlinderfiguren voor de straatversiering lassen. Met veel gemeenschapszin en het inleveren van sloten vrije tijd, werd met man en macht gewerkt aan de gezamenlijke presentaties.

Missen we dan niets? Zeker, het boek was nog leuker en vollediger geworden als Roelie Lubbers anderhalve bladzijde had ingeruimd voor de keerzijde van de medaille, de achterkant van het gelijk. De ontwikkelingen in het boerenbedrijf gaan snel en het wordt allengs duidelijk dat die ook nodig zijn. Iedereen heeft in zijn familie wel een neefje dat een werkstuk over mest- of kalverfraude, Round-up en de miljardenclaims tegen Monsanto moet schrijven of een in Wageningen studerend nichtje dat op elke verjaardag van oom Annechienus de discussie aanjaagt met irritante vragen over biologisch boeren, het zielige van afgesneden staarten bij Belgische paarden, de circulaire landbouw van Carola Schouten en de ontwikkelingen in het dierenbevrijdingsfront, waarvan zij aspirant-lid is geworden. Het is jammer dat Lubbers de kritische geesten die binnen elke politieke partij te vinden zijn op p 7 zuurpruimen noemt. Niet zelden betreft het mensen met een agrarische achtergrond die het beste voor hebben met de boeren. Veel meer dan gratuite sympathie verdienen boeren het kritisch en met respect gevolgd te worden. Op p 253 volgt een licht herstel en komen dierenwelzijn, boerenprotesten en ecologische duurzame landbouw aan bod. Iets uitgebreider was aardig geweest en had meer recht gedaan aan de veranderingen die het boerenbedrijf te wachten staat.

Maar voor de rest: Roelie, chapeau! Ik ben nu al nieuwsgierig naar de eerstvolgende coronavrije versierdewagenoptocht in 2021 in Schoonebeek.

Kijk verder dan vandaag en weet . . .

Na de eerste obstakels <het boekje is niet te koop in Emmens grootste boekenzaak, de omslag vertoont een röntgenfoto boven een niet schoongemaakte vloer in een operatiekamer en de inleiding is mager als mais aan akkerranden> openbaart een alleraardigst gelegenheidsboekje zich en leer je hoe een select gezelschap schrijvers in Drenthe 75 jaar vrijheid beleeft. Met veel plezier lees ik de teksten: gedichten, waarvan een minimaal aantal rijmende, enkele korte verhalen en zkv’s. De wat potsierlijke aanduiding op de omslag dat het om een meertalige uitgave gaat, houdt in dat er in het Nederlands (70 %) en in (enkele varianten van) het Drents (30 %) is geschreven. Waar zijn toch de wereldtalen Arabisch, Gronings, Frans en Fries gebleven?

Ik leg het boek even weg. Een week denk ik na over wat ik heb gelezen. Wat herinner ik me na 168 uren het best? Dat niet alle werk nieuw is. Een inleiding die tekortschiet en dit boek een steen noemt. De éminences grises Kool en Omvlee die beiden een thema aanraken dat me al enkele jaren interesseert: wegkijkers en collaborateurs. Het mooiste woord uit de collectie: ‘slungellid’ uit een zkv van Veen. Dat het viertal light-Verse-dichters er al zo lang in slaagt zo kunstig gedichten te wrochten, vier individuen die samen een eenheid smeden in verzen die retestrak rijmen maar toch overeind blijven staan in mijn geheugen, is een prestatie van formaat. Mij bevalt het dichte en franjeloze van Gramsma, het mooie Drents van Boerema en meer. De schrijvers zijn op excursie geweest naar landschappelijke ingrepen in de buurt van Peest. Ik wist van landingsbanen in de buurt van Havelte, maar dit is nieuw voor me. Een hakenkruis in een vijver? Foutloos schrijven blijft nog een dingetje. Gestuntel met leestekens, verbaast waar verbaasd werd bedoeld; hen en niet hun, nazie i.p.v. nazi, enz.

De inleider heeft moeite met het onderscheid tussen een ; en een :. Hij schrijft niets over de mysterieuze locaties nabij Peest. Verderop lees ik dat de onwetende auteurs eerst even op excursie moesten, maar dan wil de lezer weten waarnaartoe en waarom? En waarom 26 en niet 126 auteurs? Waarom geen informatie over de financiering van dit boek? Waarom werd er bezuinigd op tekstcorrectie? Het boek kent nogal wat haren in de soep, dunne donshaartjes maar ook dikke schaamharen. Zelfs vlekkerige inkt. Fouten in teksten van een fysiotherapeut, makelaar of sekswerker, mwaah. Maar missers en inconsistenties bij taalliefhebbers en profi’s, je zou meer mogen verwachten. Niet wegkijken maar even de verantwoordelijkheid nemen en elkaar aanspreken.

Kom, ik pak de bloemlezing er weer bij. Boerema intrigeert met het openingsvers: ik noteer vraagtekens <als poëzie mij dwingt vragen te stellen dan omarm ik die> en plussen in de kantlijn. Wat goed geschreven, bijvoorbeeld ‘atlas van het onbegrepen woord’ en ‘hij deserteert van pien en mij’. Er schijnt iets interessants te zijn tussen Norg en Vries, iets met een Hitlerring en een hakenkruis. Dan Brans met ook zeer rake vondsten: de beginzin en de laatste twee van Spaarbankbosch. Brans’ opa inspireerde haar tot het schrijven van mooie zinnen, originele taal en, tja, een cliché aan het eind van Vurt van de Grebbebarg. Bremer, bedankt, onthult wat er bij Peest in het landschap gebeurde. Ze wil me doen geloven dat arbeiders een hakenkruisvormige vijver met fantasie groeven. Gramsma schrijft een prachtig gedicht Fantoompijn dat vanwege het buiten- en binnenverhaal en de brieven complex is omdat de waarheid wordt bezworen en een anti-waarheidsserum wordt gebrouwen…. Van der Koois Vrijheid op straat levert de boektitel en stof tot nadenken. De helden van de kapschuur van Kool is een verhalend gedicht dat in elke schoolbloemlezing thuishoort, over hoe wegkijkende vaders wegkijkende kinderen krijgen. Koops raakt in Alles giet veurbij aan de klassieke vraag wat eeuwig is en wat niet. Niets dus. Landkroon verduidelijkt (eindelijk, hèhè) wat het reisdoel was van het teleurstellende schoolreisje waarbij een historische sensatie uitbleef, voorafgaand aan het jaarlijkse diner. Nijenhuis legt in Bennie Valk uit waarom hij grote woorden wantrouwt en waarom waakzaamheid blijvend is. Leenstra weet knap maar liefst vijf levensfasen in een gedicht toe te lichten en neemt wraak op de bezetters door wel Papa en Jood maar duitsers en kotälla geen kapitaal te gunnen. En dan een kwartet door Omvlee, Hoogland, Peters en Boudestein gebeeldhouwde sonnetten over vader, Fries, toneelspeler, onderwijzer, dienstweigeraar, redacteur, Trotskist, linkse oproerkraaier Auke Kootstra: een monument! Omvlee gaat even door met een raak daderprofiel van B. Veen verrast met een prachtig zkv (of ukv?) Kuil en betoont zich een mooiewoordenliefhebber met aanminnig en de allermooiste vondst in deze bloemlezing slungellid. De irritante contaminatie meeheulen strepen we hier dan maar tegen weg. En dan Veenstra, met Barak kampioen op drie vlakken: mooiste openingszin, langste bijdrage en nogal wat taalfouten. Alle auteurs zijn in alfabetische volgorde opgenomen in dit boek, behalve Aagje Blink: weer niet erg natuurlijk, maar onelegant.

(Kijk verder dan vandaag en weet … Schrijvers uit Drenthe over 75 jaar vrijheid verscheen bij uitgeverij Koninklijke Van Gorcum; € 12,95)

Hoe word je Ploegvriend?

Veel liefdes en voorkeuren ontstaan in je jeugd. Ik was 24, zat van onder tot boven vol testosteron en had net de leukste vrouw van Groningen en ver daarbuiten, laat ik haar V noemen, gescoord. Na een maand of vier ging V’s opa dood: Jan Boer, een in Groningen vermaarde dichter. Bij de crematie, waar ik een verschrikkelijke, want verknipte, Grunninger Bouk-representant trof die het bestond V te verwijten dat zij d’r opa had verwaarloosd toen ze tien was, leerde ik over de relatie die de vers overledene onderhield met Ploegschilders. Even dacht ik dat het landbouwmachinespuiters waren maar allengs kreeg ik visioenen van kunstenmakers. Jan Boer kende Ploegleden van het eerste uur. Hoe gaat dat met kunstenmakers in de provincie, ze prijzen elkaars vrouw, vlam of verovering, drinken een glas wijn te veel en wisselen werk uit. Boer schreef een kwatrijn of een sonnet en Altink illustreerde de geboortekaart van zijn dochter en schilderde later haar portret. V’s oma, de eerste partner van Jan Boer, woonde in een appartement in Haren en later in Zuidhorn. Haar woonkamer hing bomvol schilderijen van Ploegleden. Ik zag een schilderij van Werkman waarop een sneeuwschepper voor een blinde muur weinig stond uit te voeren. Veel grijzen, zwarten en witten. Intrigerend, noemde ik het, spannend ook wel, maar niet een werk dat mijn hart sneller deed kloppen. Dat deden de ogen, mond en lippen van V wel. Iets verderop hing een Altink, een schitterend, vrolijk, licht voorjaarsbeeld van een vervallen boerderij. “Blauwborgje,” lichtte oma mij in, toen ze mijn grote ogen het schilderij zag bewonderen. Steeds als oma mij een derde glas thee wilde inschenken zei V gewiekst: “Misschien heeft Klaas liever een flesje bier?” Omdat oma mij een goede partij voor V leek weigerde ze mij, ook al was de vraag ogenschijnlijk buiten mij om gesteld, nooit iets. “Pak zölf maar een flesje mien jong,” zei ze lief. In de gangkast vond ik twee lauwe pijpjes verschaald bier en onder een wit, gescheurd laken stonden schilderijen als enveloppen in een brievenstaander. In de gangkast!! Allemaal Ploegwerk…. Zo dus.

Corona en herdenken

Het wordt bijna straattheater, met bijrollen voor Maxima in piratenkledij met vleermuisdetails, Mark met een dikke bos haar, Femke die niet in de gaten heeft dat camera’s op afstand feilloos registreren dat haar ogen steeds naar rechts flitsen omdat ze ziet dat Willem A’s broek in zijn bilnaad kruipt en een uit het stratego-spel weggelopen schout-bij-nacht die Willems tekstboekje moet torsen. De sprekers staan bij de 4-meiherdenking voor 6 miljoen televisiekijkers op een multiplexspreekgestoelte. Theater: er is immers geen live publiek dat men het zicht op zijn facie wil vergemakkelijken. Het is dus overbodiger dan overbodig. Grunberg houdt een uitstekende toespraak. Hij zegt terecht dat het bij herdenken aankomt op details. Kennis bestaat uit details. Detail: op De Dam is geen zigeunermuziek te horen. Wel christelijke liederen. Dat moet een klap in het gezicht zijn geweest voor familieleden van vermoorde Sinti en Roma, naast Joden slachtoffers van de nazi’s. Wegkijken en zwijgen was immers de houding van kerken in oorlogstijd. En om dan de meest christelijke tekst, het Onzevader te laten zingen voor een steeds a-religieuzer publiek is niet bepaald hoffelijk. De NPO wordt hier gelijk aan de EO. Of moeten we dit als een bewuste provocatie van onze Moslimbroeders opvatten, ook een groep die voor het gemak bij de herdenking wordt overgeslagen? Kerkleiders (protestants, katholiek of orthodox) kwamen nazi-Duitsland eerder tegemoet dan dat ze zich verzetten. Individueel of op mesoniveau werd er wel verzet gepleegd. Het overwegend protestantse Drentse dorp Nieuwlande bijvoorbeeld bood onderdak aan meer dan driehonderd Joodse onderduikers. Hopelijk dat de achterkleinkinderen van Gerdi Verbeet, voorzitter van het ‘nationaal comité 4 en 5 mei’ ooit hun overgrootmoeder over de ontbrekende zigeunermuziek zullen kapittelen en een postume oorvijg verkopen. Het aanspreken van familieleden op ongepast gedrag is een precaire actie, dat weet iedereen die familie heeft. Willem A durft na drie generaties zijn overgrootmoeder een veeg uit de pan te geven, maar relativeert het onmiddellijk weer door iets positiefs te noemen. En twee bovenstebraafste Drentse scouts als kranssjouwers inhuren is leuk bedoeld, maar was het niet vele malen avontuurlijker om hiervoor twee straatschoffies met gebontkraagde hoodie te vragen die net hun taakstraf erop hebben zitten en berouw hebben getoond voor scooterroof, het belagen van homoseksuelen of het scanderen van antisemitische leuzen in Amsterdam-centrum? Een paar aanpassingen in de detaillering en de nationale dodenherdenking wordt voor heel Nederland dragelijk.

Coronodagboek in elf vragen

April 2020. Vrouw I en ik kennen elkaar veertig jaar. Ik was 24, zij al wat ouder. Ik stelde op koninginnedag 1980 voor naar Amsterdam te gaan. Niet dat ik een reljongen was, maar ik wilde zijn waar geschiedenis werd gemaakt en pronken met haar naast mij in mijn tweedehands vlekkerig rode Saab. Misschien op de terugweg nog even bier drinken in Maastricht. Ik kende daar een hotelletje waar je geen paspoort hoefde in te leveren. Zij voelde meer voor eten bij Emmens eerste pizzeria en als toetje mij lekker lang langzaam (“Klaas, rustig aan,” is wel bijna een mantra geworden in ons huwelijk) leren zoenen in de portiek van mijn flatje in Emmerhout. Gisteren zag ze eindelijk het door mij gebonsaide hart in het buxusblok voor ons huis. Aah, romantiek is voor een Friese jongen als Engels voor Fransen: moeilijk, maar met veel oefenen kom je een heel eind. Als ik de tuin eens niet had. Massale sterfte onder (pimpel)mezen verklaart dat in onze tuin de mussen de boventoon voeren als Denk-talkshowgasten bij Jinek. Een Vlaamse gaai en een ekster spelen Peter R. de Vries en Jort Kelder. Niets mooier dan drie al wat oudere doffers, duikelaars zelfs, die ’s middags wat rondvliegen. Fretten kunnen C overdragen lees ik. Ik besef hoeveel er nog onduidelijk is. Welke rol speelt onze dierenindustrie? Gaan de verdieners aan C, de online-shops en bezorgbedrijven, supermarkten, computerwinkels, drogisterijen, verf- en doehetzelfverkopers, fietsenwinkels, plexiglasmakers, stoepkrijt- en legpuzzelfabrikanten en farmaceuten straks coronabelasting betalen? Zijn er al besmette katten bij zorgmedewerkers? Hoe zat het alweer met Q-koorts? Er worden nieuw oplaaiende C-uitbraken voorspeld. Wil ik volgend jaar weer een seizoenkaart bij FC Emmen? Waarom willen mensen die zich nu vrijwillig onthouden van sociale interactie toch een riskante stadionplek kopen? Clubliefde? Russische roulette? Valse sentimenten haat ik, maar het ontgaat me niet dat vrouw I voor het eerst in ons huwelijk ossenstaartstoof kookt terwijl ik de ramen lap en de was opvouw. Het was afgelopen week mooi weer en languit zonnebadend lees ik het schitterende boekenweekgeschenk van Van der Zijl, Lichter dan ik van Michielsen en herlees de Geheime dagboeken van Hans Warren, schrijf, fiets, wandel, tuinier en denk na. Als ik zie dat de zon zijn best gaat doen doe ik snel mijn sportbroekje uit en laat de zon bij een gevoelig plekje op mijn linker bil. Zouden die verrekte antivaxxers ook het C-vaccin weigeren? Wat te doen als we zelf besmet raken? Vrouw I en ik bespreken het na de avondmaaltijd voordat Boer zoekt Vrouw begint: wie besmet is verkast twee weken naar boven. Boeken mee, de wifi checken en hopen dat het niet tot een ic-opname komt; rot natuurlijk, maar twee weken onbelemmerd je eigen muziek beluisteren compenseert iets van het leed. Op mijn buik op de tuinstretcher liggend val ik in slaap. Van onze Noorse overbuurvrouw leren we dat we ook rustig met ziekte en dood om kunnen gaan; ziektes & dood horen bij het leven als wachtrijen bij de belastingtelefoon of ruzies bij 50Plus. Waarom zou iedereen ouder dan tachtig moeten worden?

Wopke, Mark, Hugo, Wouter en Klaas

Dankzij Wopke, Hugo en Mark, Wouter en Klaas, gecontroleerd door Jesse, Esther en vooruit Fleur en Laura en Kathalijne, Pia, Stieneke, Attje, Renske, Lilian, Sadet en Khadija, word ik niet onrustig van 92 miljard in de min en een staatsschuld van 65% van het bbp. Maar god, wat mis ik hier de vrouwen aan de teugels. Carola zit tot d’r nek in de PAS en de PFAS en Monica wordt door de grefomannen overruled en onder de duim gehouden. Gek, maar terwijl in Nederland de zorg voor 85% in de handen van vrouwen en een oprukkende e-health is, komt de regie als vanouds van mannenborden: Mark, Hugo en Jaap. Ze doen het goed, is alom de door links en rechts gedeelde opvatting. Toch presteren internationaal vrouwen beter, kijk maar naar Taiwan, Finland, Noorwegen, Denemarken, Duitsland. Je zou hopen dat ook KLM wordt geregeerd door vrouwen. Het masculiene gejank om staatssteun van zetbazen Elbers en Air France’ Smith en tegelijk schaamteloos naar bonussen graaien (en geen belasting op kerosine en geen btw op tickets en 10% van de piloten die met buitenlandse adresjes de belasting omzeilen als Noord-Italiaanse grootverdieners) schreeuwt om vrouwelijke relativering. Misschien dat we nu, met aan het roer Urgenda’s Marjan Minnesma, de klimaatdoelen gaan halen.

De laatste tijd denk ik dagelijks aan Wanda de Kanter en Pauline Dekker, twee door het KWF uitgekotste longartsen van TabakNee die zouden willen dat kanker de coronasterfte zou benaderen. CBS: Kanker is (als ziektegroep) de belangrijkste doodsoorzaak in Nederland. In 2018 stierven in Nederland 44.739 personen (24.344 mannen en 20.395 vrouwen) met kanker als onderliggende doodsoorzaak. 23 % hiervan (10.289) betrof longkanker.’

Dus: terwijl Nederland, aangevoerd door Mark, Hugo, Jaap en Wopke al anderhalve maand in de ban is van Covid-19 verdient de Staat der Nederlanden door accijns en btw op tabaksproducten aan de sterfte door longkanker, nee, gekker, stimuleert het hyperverslavende tabaksproducten door de verkoop schaamteloos te stimuleren.

En dan, onder het mom van ‘never waste a good crisis’ hoopvolle ontwikkelingen in de gezondheidszorg: veel zorg kan en gaat digitaal. Patiënten die voorafgaand aan een huisartsbezoek op een formulier mogen aankruisen komen er vanzelf achter dat lage rugpijn, vergeetachtigheid of hoofdpijn pas na vier weken een bezoekje aan de wachtkamer waard zijn. Er zijn nu al huisartsen die klagen over het 90%-fenomeen, het verschijnsel dat patiënten doorkrijgen dat 90 % van de gezondheidsklachten vanzelf verdwijnt. En er wordt efficiënter gewerkt in de zorg. Het RadboudUMC heeft zelfs een ‘beterlatenlijst’ opgesteld van geld, tijd en leed besparende overbodige en soms zelfs schadelijke ‘verpleegkundige’ handelingen.

Cataclysmisch, adipositas, triage, capibara

Op 130420 om 07.43 uur lees ik in een column van Sylvia Witteman het woord cataclysmisch. Ik denk veel woorden te kennen, maar dit? Van sommige woorden kan ik me precies herinneren wanneer ik het voor het eerst hoorde. Het woord adipositas kende ik tot 270320 niet. Dat leerde ik van Diederik Gommers die meedeelde dat de meeste ic-patiënten daaraan lijden: zwaarlijvigheid. Nog een woord dat je nu geregeld hoort en waarvan ik het leermoment nog precies weet: triage en triëren. Ik ken het sinds mijn 60,47e jaar. Ik voelde al een week een pijntje in de onderbuik. Als mannen spreken van de onderbuik, bedoelen ze de omgeving van de pielemuis. Daar waar de onderbuik overgaat in het scrotum zat een gevoelige verdikking; zacht als dikke pap, dik als een gekneusde duim en pijnlijk als een ontstoken oor. Was het vocht, een bultje, een opgezette spier? Na een week negeren werd het vrijdags erger. In een wielrenboek had ik net gelezen over een derde bal. Wijs geworden door familieontwikkelingen werden vlekjes vlekken bobbeltjes verdikkingen bulten tumoren. De telefoniste startte het triëren. Zij wilde precies weten wat ik voelde voordat ik mijn broek voor haar jonge collega, een aio van 26 met bladderende lipstick, donshaar op d’r kaken in het zonlicht, paardenstaart, een aandoenlijke door een hockeystick afgebroken voortand, dichtgegroeide neuspiercinggaatjes, op de knie gescheurde skinny jeans en een krokodiltattoo die zijn staart onder de mouw uitstak als een pissebed zijn kontje onder een slecht afgekitte voeg in een toiletruimte, mocht laten zakken. Ik was getrieerd: gewogen en zwaar genoeg bevonden en mocht komen. Onmiddellijk verhevigden mijn klachten zich want ze werden al op afstand erkend. De aio gaapte even na de begroeting, bleef zitten als de moeder van een jengelend kind dat een gescheurde nagel laat zien, verschoof haar rijdende bureaustoel mijn kant op en richtte een felle lamp op een wegschietend zilvervisje en vervolgens op mijn apparaat als een detective een zaklamp op bloedsporen op een plaats delict. Met blauw gehandschoende vingers betastte, bekneep en bevoelde ze mijn, eh, onderbuik- en scrotumvel, aarzelde bij een oud en verweerd litteken, schoof achteruit, trok geroutineerd de handschoenen uit, waste d’r handen, beet een gescheurde nagel af, schreef een nota en checkte d’r facebook. Als 90% van de kwalen: gaat vanzelf over. Laatste woordnieuws: vanmorgen wil de OnzeTaal-rebus als oplossing capibara zien.