dierenouders

dankzij de partij voor de dieren worden er straks geen pasgeboren beestjes verminkt, besneden, ongevraagd gedoopt, geen pubermeiden uitgehuwelijkt aan ongewassen oude contactgestoorde genocide ontkennende snorremansen, geen miljoenen haantjes, stiertjes, bokjes geshredderd alleen maar omdat het mannetjes zijn, doen dieren niet aan sexting, behalve kleine snotaapjes die voor 17 doezoe hun piemeltje mogen laten zien, worden dieren niet op jonge leeftijd wreed gescheiden omdat hun ouders een witte school hebben uitgezocht die al vroeg begint met het oefenen van CITO-toetsen, raken ze niet verslaafd aan crystal meth, behalve fabrieksdieren aan antibiotica verstrekt door dierenartsen die de perverse prikkel van stuksvergoeding per inenting niet konden weerstaan, mogen dieren niet roken, worden meisjesdieren niet nageroepen of aangerand of overkomt hun in verlaten parken wat voor woorden, voor poëzie te erg is, als ik goed kijk naar dierouders en me in hen verplaats, hun uiterste natuurlijkheid registrerend als een seismometer voetstappen van zware noorderlingen of het KIFID ABN-fraudestrapatsen

foto: Paul Barelds

ontroeren ze me & word ik zacht als dons, week-

warm als gesmolten kaarsvet en zie de argeloosheid

van de jonge dierouders afvallen als gevelplaten

van universiteiten, als je goed kijkt en je oude hart

mee laat voelen en je terugreist naar vroege tijden

onder lagen fotoboeken, stenen, stof, herinneringen

vol hiaten, zie je je breekbare zelf, je heit, je mem,

die je leren leven en vrij laten en veel later geef je

uitgelaten ruimte aan jezelf als vader en verlang je

hevig naar argeloos geluk en mondkaploze veiligheid

uit de nestgeurtijd van toen, de kleurige warmte

van geuren, lenige kinderlijven, geluiden, verhalen vertellen,

over beren, langhors en Tom Nose, ritmisch getrommel,

een godenloze jeugd, de eerste fiets,

pinguïns

smelten als een schots in de februarizon bij het zien van een kolonie pinguïns overkomt iedereen

met een zacht hart; het zijn overlevers, superduikers met een effectieve eenkindpolitiek waar landen

met hemelse vrede punten aan kunnen zuigen, maar ik moet iets bekennen en mijn excuses aanbieden,

sorry zeggen tegen alle pinguïns; telkens kom ik, hoe ik ook kijk, keer, wend, kijk en weer kijk,

en, regieaanwijzing: vanaf hier mijn stemvolume tot de laatste zin tot schreeuwens verhef, uit bij de

zwartgerokte befjongens en meisjes: fiscaal juristen, notarissen en rechters, sommigen echt begaan

met medemensen, anderen, niet toegevoegde pro deo’s, gladjakkers met een soepele vacht en

een ondermaatse motoriek, waggelend als Franse pendules, minieme huidbijtwondjes als onuitwisbare

liefdesspelstigmata tonend, zuidassuikerspinnen met buikspek omgord, skeletten met de zware last

van adipositaslijders op de i.c., een wroetende, pikkende spitse snuit; die, wat zijn het nou: mannen,

verklede dieren, zich oppompen tot max 9 bar, druk en dik over tax-evasion en hoe geil multinationaal

genot aftrekbaar is via belastingparadijzen, taxwalhalla’s waartoe ook wij, Nederland in optima forma,

ondanks goede mensen als Kajsa, Sylvana, Carola, Epke, Marieke Lukas, Sigrid, Esther, Lilian,

schaamtevol behoren, je bent een klusser met de hoogste opleiding en je praat bedrijven en koningen bij

over hoe ze niks kunnen hoeven betalen maar wel op speedboten voor Galaxidi en Loutro cruisen

met opgestoken omgekeerde handen die wel alles willen krijgen en hebben maar niet weten wat geven is

in broeken die almaar binnenste buiten willen lijken maar vol zitten, voller dan mannen die in niets lijken op leeuwen op paarden: de ontspoorden;

maar dit gun je pinguïns toch niet, lieve, koude,  waggelende pinguïns toch niet, niet pinguïns, niet

Kijker en maker

Het CBK Emmen presenteert een expositie van Immenga en Vos. Ik ben getriggerd. Ik lees PR-taal over suggestieve kracht en kwasten die onze blikken sturen, van het (in de regel stokoude) publiek worden dan wel scherpe arendsoogblikken verwacht. Ronkende zinnen over Immenga’s fascinerende persoonlijke beeldtaal en Vos’ brede dynamiek oproepende kwaststreken. So far so good. Voor mij valt de expo samen met een nadere kennismaking met kunstenaar Coppoolse in Zwarte Schuur van Oek de Jong en een krantenartikel over Etel Adnan.

Pet af voor het CBK. In een tijd dat bezoekersstromen krimpen en verpieteren als herseninhouden van klimaatontkenners of antivaxxers toch een expo organiseren. In een filmpje vertelt Immenga (Vos moet nog even wachten) over eenvoudige vormen: geen mensen, emoties, landschappen en steden, maar een rijtje bomen en trompetten. Het filmpje heeft de functie van een gebruiksaanwijzing bij een nieuwe boormachine met meer functies dan je denkt en levert tien keer een aha-erlebnis op. Intuïtief nadenken over kleine dingen en voorwerpen intrigeert Immenga. Hij legt uit hoe we naar een vlak met vier zorgvuldig opgebouwde kleuren kunnen kijken. De kleuren verwijzen naar andere kunstenaars: het groen naar James Ensor, de lichtere kleuren naar Mesdag en Jozef Israels. Twee kleine groene vlakjes geven de begrenzing aan van het werk en een stippellijntje wil een lichtstraal zijn. Dit werk moet het helaas doen zonder oranje, Immenga’s favoriete kleur.

Inderdaad. Ik herinner me Immenga’s nieuwjaarswens (godzijdank hoort hij nog tot de uitstervende mensensoort die kerstkaarten stuurt) met oranje en vaalrood. Iets als een in kleuren uitgevoerde, gekantelde ponskaart. Of toch zwevende bakstenen in een denkbeeldige muur en een schuin aflopend dak? Van een herdershut, stal, schuurtje? Of keek ik naar de mankerende beschutting van Palestijnen die in de vuurlinies van Israëlische expansionistische schurkenbroeders liggen? Dat eindejaarskunstwerkje viel op tussen de kaarsen, kerstbomen en skifoto’s. Niet alleen vanwege de vormen en kleuren. Het beeld intrigeerde en verwarde me. Het dwong me tot opnieuw en opnieuw kijken en nadenken, als na de onverwachte uitkomst van de kieswijzer. Wat wilde de kunstenaar/leraar uitdrukken? Omdat een toelichtend begeleidend filmpje bij de kerstkaart ontbrak, heb ik me het hoofd er dagenlang heerlijk over kunnen breken.¹

Wat zien we als we naar Immenga’s werk kijken? Nauwgezet geschilderde abstracte, weerbarstige, schurende vormen die met een bijsluitertekst van de kunstenaar worden gepolijst en ineens een speciale betekenis of lading krijgen, symbolistisch en daarmee toegankelijk worden. Allesbehalve ‘what you see is what you get’ dus. Ik probeer iets langer te kijken. Onderzoeken wijzen uit dat museumbezoekers een seconde of 6, 7 besteden aan een kunstwerk. Overschrijding van die korte tijdsspanne levert iets op. Zoals je iets langer doet over het lezen van hermetische poëzie, ga je bij Immenga vanzelf beelden, fantasieën, verhalen zelfs en poëtisch/filosofische hersenspinsels ontwikkelen, als je er iets langer bij blijft hangen. Probeer dan vooral ideeën over ‘de dynamiek van de leegte’, het weggelatene, de rol en functie van (het gemis aan) decoratieve aspecten van beeldende kunst, verdienmodellen na wekenlang in ateliers werken, en de hoop gescout te worden door behangfabrikanten zoekend naar nieuwe designs, te vermijden. Zet cynische Vormeinungen over abstracte kunst opzij, stap over de drempel van irritante PR-speak en durf je onder te dompelen. Ook zonder arendsogen aanbevelenswaardig. Een goede ervaring.

¹ Navraag bij Immenga leert me dat de nieuwjaarskaartafbeelding een soort souvenirtje betrof, kleine krabbeltjes die in het atelier bleven liggen, meer aardigheidjes voor vrienden en bekenden dan serieus; zie ook www.pieterimmenga.nl. 

Diergoden

Hebben dieren ook bedachte goden soms

Religies als afgeknaagde diervoederbakken waaruit

Van tussen de vuile etensrestenrandjes gegeten wordt,

Moet worden

Goden die aanwijzen wat

Wat wel en vooral ook wat anders

Wat niet en hoe heilige harten worden gedragen

Diergoden die leefregels voorschrijven die werken als vuilniszakkoorden,

Tiewraps,  als wielrennershelmsluitingen,

Geboden met woorden die omtrekken beschrijven

Opdat dieroppassers ritueel diergeluiden

Luid lokkend ten gehore brengen

En dan hopen dat

Er wonderen gebeuren

Op punten staan te gebeuren

Dat dieren geloven dat na

De dood er weer leven is

In andere verre dierentuinen, misschien de Queens Zoo in New York,

Wat een zoo man,

Mooier en met de schitterendste

Muziek van luiten, lieren en cimbalen, wie weet zelfs harpen

En dat alle dieren uiteindelijk

Verlangen dood te gaan

Op weg naar diergoden met harige huiden

En dat hun god

Een oogje dichtknijpt

Zoals alle goden maar wat graag

Wensen te doen

Hebben dieren zulke goden

Rüppels gier

dat niemand mij kent en weet

dat ik in een kooi op een schip

dat ik over de oceaan ben gereisd

om hier mijn fakking kunstje

ondanks zoönose risico’s te doen

dat niemand zag dat ik helemaal

vanuit diergodenloos New York

kwam, uit de Queens Zoo, wow,

wat een zoo, echt zo’n zoo man,

dat ik alleen naar hier ben gekomen

voor een anoniem en bevroren

gewenst en betaald vaderschap

dat niemand zoiets verwerpt –

enkel vanwege een gesubsidieerd

fokprogramma om de kuifhertgenen

veilig te stellen, genenvervuiling

van Rüppels gieren tegen te gaan,

dat niemand dat weet, dat niemand

geïnstitutionaliseerd voortplanten

op grote schaal

dat niemand

niemand

dat

Martin Gert Koster Ik trap hum an

(noot vooraf: deze tekst verscheen in het winternummer 2020/2021 van Roet, Drents letterkundig tiedschrift. Vanwege ruimtegebrek in Roet zijn in overleg met de redactie de vijf noten in dit artikel, weggelaten. Hier dus de complete tekst)

Als een onzichtbare besmetting sijpelt corona langzaam Roet binnen bij Kool en Oostenbrink in het herfstnummer (¹) van 2020, zonder dat het c-woord wordt uitgesproken. Het redactionele intro noemt wel man en paard. Vanwege een artikel van Omvlee over een oud-inwoner uit mijn voormalige woonplaats Sleen neem ik weer eens een abonnement op Roet. Van het een komt het ander. Mij bereikt een verzoek een recensie te schrijven, het gaat om een boek van Martin Koster. Ha, leuk, denk ik. Vervolgens hoor ik dat het om korte verhalen en columns gaat. Okee. Drentse. Prachtig, ik houd van streektalen en ik bewonder vooraf schrijvers die in streektalen pennen. Wat mijn deadline is en hoeveel woorden ik krijg? Het antwoord doet mijn ogen wat knipperen, maar ik geef geen krimp. ‘Eind december en gebruik gerust 3.000 woorden als je wilt, je hebt in ruime mate de vrije hand’. De beperking ‘in ruime mate’ verontrust me een beetje, dat, zo fantaseer ik, zal ook Hugo de Jonge ooit gehoord hebben. Met zoveel ruimte kan ik over elk verhaal iets opmerken, denk ik inhalig. Ik meld de redactie dat ik ook zijpaden wil bewandelen, die ik in noten zal laten voorafgaan door de code zp. Een recensie wordt een onderzoekje. Ik besluit in Koster te duiken als een journalist in Assense hereboeren. Wie is Martin Koster? Hebben zijn columns en verhalen de power hem (ik ken hem niet persoonlijk) voor mij, relatieve buitenstaander, tot leven te wekken? Ik converteer het PDF’je naar een Worddocument en zie dat het boekje een dikke 11.000 woorden bevat. ‘Interesting’, denk ik, als oud-docent Engels val ik nog wel eens terug op onze toekomstige Europese streektaal, in de Nederlandse betekenis van ‘het wekt mijn belangstelling’ en dus niet in de Engelse van ‘kristusziele, krijg nou wat’!

Even snel wat raakvlakken zoeken met Koster is niet moeilijk, we hebben nogal wat gemeen: op de omslag zie ik een fietser, met de uitstraling van een oudere jongere, Nederlands gestudeerd, Jacob Jensen- en Crocs-drager, geen kralen en armbandjes, Bach-liefhebber, ex-Nederlands Hervormd, Duitse voorouders, ah, dat gaat goedkomen.

Wil je een beeld van een bepaalde regio in een bepaalde tijd vangen, dan kun je alle regionale dagbladen gaan lezen en analyseren. Efficiënter en leuker is je te beperken tot korte verhalen en vooral columns van schrijvers uit die regio en dan speciaal van auteurs die wat in hun mars hebben.

De titel voert me terug naar de tijd dat ik een Puch aantrapte. Ik trap hum an. Columns en korte verhalen van Martin Koster dus. Verkoopprijs € 10,-. Uitgegeven door Stichting Het Drentse Boek. Gesubsidieerd door de provincie Drenthe. Het boekje is ongeschikt voor de uitleen in bibliotheken. Na tien keer openvouwen vliegen de pagina’s je om de oren als bankbiljetten in de wind op straat na een gelukte bankoverval in Rio de Janiero. Het eerste exemplaar werd in ontvangst genomen door Cdk (door Koster verderop drost, burggravinne, ridder, markiezinne, enz. genoemd) Jetta Klijnsma (²). De oplage en de hoogte van het subsidiebedrag blijven, helaas, onbekend. Sommige van de verhalen moet ik als trouwe Dagbladlezer hebben gelezen in de periode 2015 – 2020. Kosters teksten verschenen onder het kopje Sjarlefrans in het Dagblad van het Noorden, een Drentstalige rubriek waar ik ook Anne Doornbos tegenkwam. De kans dat ik me Kosters columns zal herinneren acht ik niet groot. Mijn geheugen werkt als een gootsteenzeef waarin weleens iets blijft steken en columns en korte verhalen hebben een zekere vluchtigheid.

 

Wat verwacht ik?

Waarin verschilt een korteverhalenschrijver van een columnist? De Volkskrant biedt wekelijks zo’n 50 columnisten en Max Pam, ongeveer de primus inter pares, definieert op 25 november 2020 een columnist als volgt: “Een columnist is iemand zonder geduld, die nog dezelfde dag wil zeggen waar het op staat. Hij (of zij, enz.) kan schrijven wat hij denkt, omdat hij alleen voor zichzelf verantwoordelijkheid draagt. De columnist kan unverfroren bekritiseren en anderen uitlachen. Hij spreekt in hyperbolen …” Vooraf vraag ik me af wat ik verwacht tegen te komen en wat juist niet. Hopelijk geen voorspelbaarheid, in de pas lopen, opgestapelde braafheid en het iedereen naar de zin maken. Wel: het onverwachte, een uitvergrote werkelijkheid, een brutale, eigenzinnige aanpak. Soms is de scheidslijn tussen columns en korte verhalen ondefinieerbaar klein. Ik ga me niet branden aan het definiëren van verschillen, behalve dat columns scherp, actueel en becommentariërend zijn en k.v.’s verhalend, beschrijvend.

Op 72 pagina’s, waar netto 42 van overblijven (en als je van 500 woorden op een pagina uitgaat: krap 23), hiermee lijkt Ik trap hum an op een gebit van een oude verslaafde of de uitgedunde Drentse bossen bij Oring, maken we kennis met (korte verhalen en columns van) Martin Koster. Het zouden Kosters beste zijn volgens selecteurs Leenstra en Peters.

Ik trap hum an kent de afdelingen: Veur de leesder, Pedn Olva, Tussen Spier en Wiester en Ik trap hum an met In totaal 35 teksten. Het aan Goethe ontleende motto, Über allen Gipfeln ist Ruh, is wat afgezaagd en blijft, ook na herlezing, een vreemde eend in de bijt.

Dat het tekstblok Veur de leesder helemaal geschreven werd door Koster (het werd ondertekend met De Schriever) lijkt me sterk; het lijkt me meer een kwestie van copy-pasten door wie weet de auteur en anderen. Het is deels geschreven in de derde persoon, hetgeen een ouderwetse indruk maakt: als een auteur in de derde persoon over zichzelf schrijft en de lezer alvast waarschuwt voor zijn gelaagde taal en Kosteriaanse humor denk je als lezer al snel: okee man, dat bepaal ik zelf wel. Koster had wel een spellingcoach nodig; niet vaak zag ik in colofons de naam van een spellingchecker. Misschien is Koster dyslectisch, denk ik, of is Drents een zo gecompliceerde taal dat hbo-geschoolden het al lastig vinden. Krijgen we straks ook een grammaticagoeroe of een semantieksteun? Aan de andere kant: het is beter de spelling te (laten) checken dan op overmoed en kennislacunes te drijven. Met het noemen van de naam Klari Arp krijgt de juiste persoon de credits. Daar komt natuurlijk bij dat het Drents, anders dan het Fries, veel toleranter is tegenover verschillen in de spelling. Elke windstreek kent immers zijn eigen woorden en zijn eigen spellingregels. Koster bedient zich van het Zuid-Drents (het allerzudelijkste Drèents), het Noordenvelds en het West-Drents. Alleen jammer dat Klari Arp niet ook de drukproeven heeft kunnen corrigeren, dat had een merkwaardig gedrochtje op p 28 kunnen besparen.

 

Pedn Olva

De lezer leest over ongecompliceerde belevenissen en tegelijkertijd roepen de alledaagse wederwaardigheden vragen op, bijvoorbeeld over wat ontbreekt. Ogenschijnlijk voor de hand liggende gebeurtenissen liggen vlak naast wat meer, eeh, onconventionele.

Het eerste, gelijknamige, verhaal bestaat uit drie wat losse onderdelen die wat lijm lijken te missen. Als je als lezer wilt weten wat er ’s nachts in het kleine treinslaapkamertje gebeurt, vis je achter het net. De met klein slaopkamertien en wastaofeltie opgeroepen spanning ebt langzaam weg. Met wie is de ik-persoon daar? Hoe verloopt de nacht? Dat Pedn Olva wenakker betekent zal wel, maar daar zit de op groots en meeslepend reizen beluste lezer niet op te wachten. De start van Brief uut Berlien begint weer hoopgevend. Koster bouwt hier de spanning op met veranderende reisdoelen van een man in een grote stad die naar voorbij lopende vrouwen lonkt. Alle lezers weten dat mannen die boordevol adrenaline en testosteron zitten graag naar vrouwen lonken en zwaaien, en enkel voor de sier naar musea gaan. De woorden ‘vissig krokodillenvleis’ bieden hoop op een spannende wending, maar het eindigt politiek-correct met een brave politieke slogan. Waar is die vrouw uit de eerste alinea verdomme gebleven? Op eerde levert een dwars kerstverhaal op met een interessant point of view en een eigentijdse versie van Nu sijt wellekome 2.0. In An de wandel komt voor de eerste keer Kosters partner om de hoek kijken. Met wie was hij in Berlijn en in Cornwall? Naast ronkende reclame voor wandelen, hotel Wanders en het Pieterpad, wordt er een anekdote beschreven met streektaalvarianten als het Duitse Zuid-Nedersaksisch, en het Nederlandse Zuid-Nedersaksisch. Hen de Mommeriete is een combi van een vriendelijk oudemensenbezoekje aan ‘de dichter’ en een vileine aanklacht tegen een (niet alleen in Kosters ogen) wanstaltig monument en gelijk een warm pleidooi aan CdK Jetta Klijnsma om de stienenbult die De slag bij Ane vers in het geheugen moet houden, te vervangen door een fraaier exemplaar. Wedevrouw beschrijft een ik-persoon die zichzelf kwalijk neemt dat hij in ‘het hoge’ tegen een nicotineverslaafde begint te praten en niet in de meest zuidelijke Drentse variant. Het is geen toeval dat in het tot nu toe sterkste en superkorte verhaal Ziet op Uzelf de woorden ‘Hollaandstalig’ en ‘anstellerig’ dicht bij elkaar staan, aan het eind nog versterkt door ‘alpaca’s’ en ‘een koppel auto’s’. Reizen en (even later ook) vrijen is een kwestie van wachten, is de filosofische les en een door alle oudere mannen gedeelde frustratie in Wachten, later wat afgezwakt door de tegeltjeswijsheid dat iedereen in de wachtkamer van de dood zit. In Gao mar rustig sloapen is een Fries zinnetje uit het niets een grote verrassing. Wie het (‘De efterkant sa te sizzen.’) zegt? Waarom hier ineens Fries? De titel suggereert onheil na een geruststellend advies. Wat een mooie gedachtesprong van ‘De muur’ naar windmolens. In Vrend is Koster selectief kritisch over de voordelen die een vriendendonatie aan het Drents museum oplevert.

 

Tussen Spier en Wiester

Het titelverhaal, met daarin een oproep Drentse poëzie vaker te laten horen op verrassende plaatsen, zou voor een literair tijdschrift in Drenthe een inkoppertje moeten zijn(³). We komen hier de onderwijzer Koster tegen die graag uitlegt wat ‘goorn’ betekent en dat Roon Roden is. Geven en nemen borduurt verder op de Drentse spelling en uitspraak en dit verhaal eindigt met een erbij gezochte alinea, inderdaad: aans wat. In Kanaaleilaands en Ieslaands lezen we over Kosters reiservaringen. Een scala aan gespreksonderwerpen komt voorbij die alle taal, op een paar bladzijden tel ik een stuk of tien taalvarianten, als centraal thema hebben. Land, land! gaat over de Hongaarse auteur Sándor Márai en beschrijft de filosofische vraag of een taal eenzaam kan zijn en Max eert schrijver/dammer Max Douwes die ‘een hiele toggel volk’ aangezet zou hebben tot schrijven in het Drents. Mooi hoor.

 

Ik trap hum an

Ik trap hum an begint met een lief Snijdersiaans ultrakortverhaal waaruit we leren dat er in Heerde gelukkig ook een Nedersaksische variant wordt gesproken. In Koffie kom ik het mooiste Drentse woord tegen: reelketeringmaagien. In dit verhaal leidt koffie tot herinneringen en heimwee naar wat ooit was, zoals in Analfabeet herinneringen aan analfabete voorouders leiden tot een impliciet pleidooi voor een Drentse Scrabble-versie. En wat een even mooie als aanvechtbare constatering als zou woordkennis erfelijk zijn.

Vergankelijkheid, de notie tijd, vriendschap en dood, zijn centrale themata in Het is tied en Zwier. Gelok en Verval zijn mooie verhalen die vanuit verschillende gezichtshoeken (natuur, liefde, muziek, literatuur, vriendschap, gezondheid) proberen de kern van geluk bloot te leggen en dat lukt Koster goed. Of een Duitse zin in Gelok het verhaal beter maakt, vraag ik me af. Zes katten, Collecteren, Meziek (je zou iedereen zo’n kennismaking met Bachs koralen wensen): prima verhalen. Des te verder je komt in Ik Trap hum an, des te wezenlijker de onderwerpen: De 102.000 namen en Ik wus het ja niet reflecteren op het herdenken van de verschrikkingen in W.O. II en deportaties. Daankdag 2.0, Dankjewel, Route 66, bieden een inkijkje in een door heimwee gevoede, sentimentele Koster. Alfa en bèta is pijnlijk eerlijk over de Drentse literatuur zoals Wa’k nog wete dat is over het geheugen en herinneringen. Dit verhaal was zonder de laatste twee zinnen nog sterker geweest. De Drentse duinen komen er, zonder Prins Brille Bernhard van Vollenhoven, in Herhaling is de kracht van de reclame goed af.

 

Mooiste zin/mooiste woorden

Kosters mooiste zin is de laatste in Zes katten: ‘Ik heb zo’n pien an ’t bein,’zee ze. Het verhaal heeft een raadselachtig einde. De zin impliceert dat een wraakzuchtige buurvrouw Kosters katten dermate hard geschopt heeft dat ze er een zeer been aan heeft overgehouden. Dat de naïeve kattenhouder denkt dat beide katten door een auto invalide zijn geworden, iets wat in het eerste tekstblokje wordt gesuggereerd, maakt het verhaal voor de lezer, die het altijd beter denkt te weten dan de auteur, tot een geslaagd en gelaagd want puzzelachtig verhaal.

En dan de mooiste woorden, wow, wat zijn er mooie Drentse woorden, even oppassen dat ik niet alle voor mij onbekende woorden uit deze ‘mini- of ‘nano-taal’ (dixit Koster) opnoem: een flinke fosse dollars, ofgemieterd mooi (11) of lillijk (20), betuun (17), maggeln (21), mosterkonte (24), agil (34), onderdoems (35), een hiele toggel (39), tonterig (52) en fraanterig (54).

Dat Koster een talenman is blijkt uit het etaleren van wat handenvol Duits (das ist furchtbar (8), Jawohl (17), genau (18), kann man wohl sagen (49), göttliche Nußtorte (51), Das versteht sich von selbst (55), bitte (57), Ich habe es nicht gewußt (58), vernichten, leider, herzlich (59), rücksichtslos (62), niemals (65)), Engels (breakfast (11), these days (17), neighbours (37), alien (38), the Kidney Foundation (54), crowded (65)), IJslands (einn-tveir, einn volkorn braud, nàgrannar (37)), Indonesisch (tuan (28)), Frans (chapeau (18), maîtresse (58)), Fries (De efterkant sa te sizzen (26)) en Deens (tak (61)).

 

Koster in de Drentse literatuur

Zeg je Koster zeg je Roet. In Drèentse Schrieverij van Boerma/Broersma wordt hij Mister ROET genoemd. Martin Koster en Ton Kolkman richtten in 1979 het Drents letterkundig tijdschrift Roet op. Doctor Nijkeuter plaatst hem bij de prozavernieuwers als Nijenhuis, Kool, Koops, Veenstra, Stout, Harteveld en meer. Koster als dichter boeit me zeer. Ik lees als zijpad Hotel an ’t spoor, met hecht geboetseerde, verrassende, ik zeg met opzet niet hermetische, vrije poëzie. Als schrijver en als redacteur heeft Koster veel bijgedragen aan Roet. Ik ga op zoek naar meer. In Museum Collectie Brands in Nieuw Dordrecht staat een behoorlijke collectie jaargangen van Roet. Ik tel zeker vijf verschillende bladformaten en kleuren; Roet verandert vaker van omslag dan sommige Drentse vrouwen van winterjas. Roet en Martin Koster lijken bij elkaar te horen als Harm bij Roelof of Bartje bij Assen. Koster verschijnt veelvuldig als auteur en als redactielid in wisselende redacties met andere bekende namen uit de Drentse literatuur zoals Marga Kool, Albertien Klunder, Gerard Stout, Rouke Broersma, Jan Veenstra, Ton Peters, en meer. In veurzomer 1994 is er zelfs sprake van een 33-koppige gelegenheidsredactie als de redactie wordt omschreven als ‘de schrievers zölf’. Als een amateurarcheoloog ploeg ik door de tijdschriftenstapel. Mijn zoekwerk wordt beloond met een vondst. In een oude Roet vind ik een interessante brief. Het is een in 1999 gedateerde brief van redacteur Koster, gericht aan een schrijver die zijn werk ongezien weerumme kreeg(⁴). Op zoek naar Koster valt op dat streektaalauteurs beter lijken te gedijen op papier dan in de wondere wereld van internet. Wijdde Nijkeuter in ‘Geschiedenis van de Drentse literatuur 1945 – 2015’ bijna vijftig paginaverwijzingen aan Koster, in Wikipedia zijn het er nog geen vijf regels met uiterst summiere info over Kosters beroemdste versje ‘Requiem veur een hunebed of Petrae in de vrömde’ en over ‘Zölfportret mit sparzegelties’. Meest opvallende wapenfeit van Koster in Nijkeuters literatuurbijbel zijn de meer dan dertig pseudoniemen. Dertig! ? Zou Koster ook een Hugo Brandt Corstius-adept zijn? Maarre, waarom vermeldt Nijkeuter in zijn inmiddels standaardwerk Koster niet in het hoofdstuk Columnisten/Publicisten?

 

Wie is Martin Koster?

Koster leer ik door Trap hum an goed kennen. Door het lezen van zijn teksten en via twee omslagfoto’s. Ik zie een sympa senior die blijkens zijn t-shirt liever uitdraagt bij de groep rockmuziekliefhebbers te horen dan bij die van Claudio Monteverdi’s Maria Vespers. De voorzijde van het boek toont de auteur in een negatief en, mooie symboliek, na het lezen van het boek zien we hem aan de achterzijde op een oude Gazelle (nee, Union lees ik in het laatste verhaal), fietstas achterop, uit een schuurtje komen fietsen, fietsers doen soms rare dingen.

In het YouTube-filmpje over de presentatie van het eerste boek zien we hem en zijn partner als een ANWB-tweeling aan komen lopen en in de verhalen leren we Martin Gert Koster kennen als schrijver, wandelaar, vader, fietser, Veendrent, Drenthefiel (⁵), talenmens, eeuwige koffierecensent,  geschiedenisliefhebber, meer katten- dan hondenmens, anti-roker, een zuinige Calvinist, Bach-liefhebber, scherp observator, veelzijdig mens, Vasalis- en Vestdijk-kenner in een combi van rasverteller en -schrijver. Hij schrijft vol vaart en humor (fraaiste staaltje van humor, wanneer Koster de intensiteit van een oceaanwaterkleur aanduidt met Ral 5009 (11), de Bordewijkiaanse namen van gemeenteraadsleen in Raod en, nou vooruit, voor de balans dan ook een minder gelukte staal humor: de omschrijving van een BMW als BoerenMestWagen (54)) en houdt zich verre van stoplappen en stereotyperingen (op dat panterjasje na dan dat bij het woonwagenkamp uit de bus stapt (25)).

De vraag of Koster door zijn korte verhalen en columns voor mij is gaan leven kan ik gerust met een volmondig ja beantwoorden. In Scheupers van de taol van Broersma lees ik in zeven puike pagina’s meer over het fenomeen Koster. De kennismaking smaakt naar meer en van Ton Peters leen ik Zölfportret mit sparzegelties met een collectie uiterst autobiografische verhalen. Ik lees het, een prachtig geschreven zelfportret, humoristisch en vol vaart, in één ruk uit. Ook Kosters bijdrage in Stoelendaans als Meine Roswinkel en de heel goede verhalen in het schitterend vormgegeven (en degelijk geproduceerde) Oostwaartsch, volgen en consumeer ik met smaak.

Koster, bedankt.

 

Noten:

(zp¹) Mocht de lezer in coronatijd dubbeldikke nummers verwachten, dan wordt hij/zij teleurgesteld. Verrek, op de website wordt een Roet-abonnement van vier nummers per jaar aangekondigd, maar er worden in 2020 maar drie geleverd.

(zp²) Mevrouw Jetta Klijnsma, eens kijken met welke gevatte, doordachte zin, zij heeft zich immers kunnen inlezen en voorbereiden, bijgestaan door een legertje communicatieadviseurs, waar heb je anders voorlichters en secretarissen voor, denk je, neemt zij nu het eerste exemplaar in ontvangst? Dankzij YouTube kunnen we getuige zijn van de parallel met een kinderbijbel. Klijnsma: “Volgens mij is dit gewoon een heel mooi boekje om, eeh, … eh, iedere dag een stukje in te lezen.”

(zp³) De door Koster genoemde literatoren wier werk voorgelezen zou mogen worden zijn deels overleden, deels (stok)oud, ik kom op een gemiddeld geboortejaar van 1936. Waar blijft de belangstelling voor de nieuwe generatie dichters? Emmen bijvoorbeeld heeft twee vrouwelijke stadsdichters van nog geen dertig. Ik zie kansen voor Roet.

(zp⁴) Een literaire periodiek die ingezonden kopij ongelezen retour zendt? Jazeker, maar met een speciale reden: de brief meldt: ‘Roet komp van ’t jaor namelijk allent nog met aparte nummers uut, daor wij oen kopij – vanzölf- niet veur bruken kunt.’ Daarnaast stond er een nieuwe redactie (met een nieuw redactieadres) op stapel.

(zp⁵) Het valt me op dat het in Kosters verhalen geregeld gaat over het Drents en het Nedersaksisch met allerlei aan de streektalen opgehangen informatie. Ik schat dat zeker vijf procent van de Ik trap hum an-tekst over het Drents gaat. Bij Friese korteverhalenschrijvers kom ik dit fenomeen niet tegen. Door Koster ben ik me even gaan verdiepen in het Nedersaksisch en zie, ik leer. Dat het Stellingwerfs er deel van uitmaakt, wist ik wel, maar dat ook het Pompsters of Kollumerpomps en zelfs het Kollumerlands gerekend worden tot het Nedersaksisch was me, Ich bin ein Kollumer, gans onbekend.

 

 

In Memoriam Hans Kamminga

Bij het doorploegen van een oude archiefkast zie ik schoolfoto’s van toen. Een foto van Hans: kekke zonnebril en een geheimzinnige glimlach. Een personeelsdag in 2003. Van Ton hoor ik dat het slecht met Hans gaat. Het ontroert me. Mijn tranen bedwing ik door wat harder te zingen bij mijn onlinezanglessen. Ik zet de verdrietknop om en denk terug aan de tijd dat Hans bij ons op school kwam.

Een langharige blonde jongen op een crossmotor komt het plein oprijden. Smedingeslag 1 Angelslo. Halverwege de jaren 80 in de vorige eeuw. Personeelsvergaderingen worden nog in een gemarmerd boek genotuleerd. Net voordat hij zijn Honda uitzet geeft hij nog even lekker gas. De meiden in mijn mentorklas, we zitten in het noodgebouw, draaien nieuwsgierig hun hoofd naar het plein als boerenzonen die de winnares van de Miss Boerin Verkiezing op de jaarmarkt zien. De terlenkabroekenbrigade in de personeelskamer kijkt verstoord op. Vrouwelijke collega’s moeten ineens heel nodig hun lippen bijstiften. In verwarring pakken ze een Prittstift in plaats van lipgloss. Met een halfzware Weduwe Van Nelle in zijn mondhoek zwaait de nieuwkomer de deur van de leraarskamer open als een skileraar in een commercial. Onze school zit in een stroomversnelling. We groeien als een gek. Allee wordt De Dissel.

Hans heeft een tijdje in Zuid-Afrika gewoond. Als ik even uit de running ben, komt hij me opzoeken. Dat tekent Hans. Vriendschappelijke collegialiteit. We discussiëren over racisme in Zuid-Afrika, de Outspanacties, Mandela, het ANC en de waaiboomhouding van het CDA. En of het nu wel of niet gek is dat Afrikaners witte tijdelijke immigranten automatisch boss noemen.

Ted en ik bezoeken Hans en Angeliens huwelijk, ergens in Twente, Oldenzaal meen ik. We staan nog op de groepsfoto. Op school noemen sommige meisjes Hans een macho, iets wat hij betwist. Hans is een vlotte gast. Zijn sectiegenoten, Sieny, Anna, John en Anneke, worden naast hem grijze naar de VUT snakkende senioren. Hoewel roedelleider Esdert Gozewienus het afkeurt wordt te/ha/tex een vak achter de streep genoemd, pure kinnesinne natuurlijk.

Later aan de Boermarkeweg heeft Hans een lokaal tegenover mij. De leerlingen weten niet hoe snel ze de gang moeten oversteken. Hij doet graag mee aan de grote avond, een feest waar leerlingen èn leraren graag uitblinken. Hans hoort bij het clubje mannen dat maar wat graag kousen en rokjes draagt als Rob Stoker dat vraagt voor een of ander maf optreden. Wat hebben we gelachen.

Hans gaat graag mee op zeilkampen die gek genoeg werkweken heten. Hans kan reven, afvallen, gijpen, deinzen, krabben, een bonte avond organiseren, krimpen, kruisen, kortom zeilen als een Wâldeinse skûtsjeskipper, onze zoon Mees praat er nog over. En hout zagen en kappen, volgens mij gaat Hans al gasloos door het leven voordat het woord is uitgevonden. In zijn oversized vaalrode voorwielaangedreven Volvo 740 2,3 GL injectie op lpg met een airbag aan bestuurderszijde, spoiler, geïntegreerde remlichten en de eerste cruisecontrol, ligt permanent een kettingzaag en een kloofbijl.

Er zijn ook jaren dat ik hem niet ontmoet, maar op afstand houd ik hem in het oog. Dat hij gaat latten met Lida. Dat hij de trotste opa van het oostelijk halfrond is ontgaat me ook niet. Een jaar geleden neemt Hans met een gezellig feest bij Groothuis afscheid van school. Hij is wel ziek maar als Achtstedagsadventisten die geloven in de wederopstanding, hopen we dat hij het gaat redden. ‘Sacred Cantatas’ van Bach en Telemann, gezongen door Philippe Jaroussky troosten me. Hans jongen: rust zacht.

Twan Huys: de grote geslotenvragenkoning

De televisiepers heeft het zwaar. De NOS plakt logo’s af om niet op afstand herkend en belaagd te worden door stenengooiers. Jongeren verliezen het vertrouwen in de media. Uit onderzoek van Motivaction blijkt dat 45% van de jongeren neutraal of negatief reageert op de vraag of het nieuws te vertrouwen is. Waarom worden journalisten agressief bejegend? Waarom verliezen jongeren het vertrouwen in de media?

De NOS staat voor een brede en onafhankelijke nieuwsvoorziening. Daarnaast heb je nog zes omroepverenigingen met specifieke doelgroepen, drie aspirant-omroepverenigingen en de commerciëlen. Vergelijk het met het verzuilde onderwijs. Er is openbaar onderwijs, bijzonder (RK, PC) onderwijs en je hebt de commerciëlen (Luzac).

De staatsomroep NOS en het openbaar onderwijs zouden voor iedereen open moeten staan en moeten proberen iedereen in Nederland te vertegenwoordigen. Laat het gekleurde nieuws en het door commercie en religies aangetaste onderwijs maar over aan PC en RK scholen en het Luzac.

Vraag: herkent elke Nederlander zich in de NOS? Hoe onafhankelijk zijn de programma’s? Als programma’s gekleurd worden door presentatoren dan haken mensen die op zoek zijn naar onafhankelijk gegaard nieuws af. Laten we eens een onderzoekje doen. In hoeverre worden in een bekend discussieprogramma open vragen gesteld? Open vragen zijn vragen die geen vooringenomenheid van de vragensteller impliceren. Dat doen gesloten vragen (beginnend met een persoonsvorm) wel, die dragen door de geslotenheid van de vraag al een antwoord in zich. Open vragen beginnen doorgaans met vraagwoorden als: hoe, in welke mate, wanneer, welk(e), wat is er de oorzaak van, enz. Het vraagwoord ‘waarom’ heeft soms een negatieve lading.

Welk programma leent zich voor zo’n onderzoekje? De door duo’s gepresenteerde meningenprogramma’s Op1 zeker niet. In het recente verleden hebben nogal wat presentatoren zich gediskwalificeerd met privémeningen waarvoor men zich later heeft moeten excuseren (Fidan Ekiz en EO-jongen Renze Klamer die het lastig vonden hun anti-abortusstandpunt voor zich te houden en daarmee hun gast Rebecca Gomperts bruskeerden en compromitteerden, Charles Groenhuijsen die in Amerikadiscussies zich als een anti-Democraat betuigt, enz.).

Laten we Buitenhofboegbeeld Twan Huys onder de loep nemen. Buitenhof 17 januari 2021: Twan Huys in een ovale-tafelgesprek met Tweede Kamerlid SP Renske Leijten, PvdA-coryfee Job Cohen en NRC-Handelsblad columnist Tom – Jan Meeus. En, halverwege, een videogesprek met viroloog Peter Piot vanuit Londen. Eens kijken of het open of gesloten vragen zijn die Twan stelten en of alle kijkers, van links tot rechts en alles daartussenin, zich kunnen herkennen in Buitenhof.

Vragen aan Leyten, Meeuws, Cohen en Piot; de open vragen zijn vetgedrukt: U had toen niet kunnen vermoeden dat dit alles zou gebeuren een paar weken later / Zo lang zou duren? / O, u had het nog steeds sneller, eigenlijk, gewild, ja; / Klopt dat? / Klopt die? / Kon niet anders? / Wat denkt u? / Niet zo prettig om te horen voor de premier als hij meeluistert; / Maar zegt dan u de coach kan niet blijven, als je zo’n verlies hebt geleden? / U twijfelt aan de succeskansen van die brief? / Maar bent u het met JC eens…? / Maar heeft Cohen gelijk?

Cohen leert Huys een lesje door Leijten te interrumperen door twee keer een hoe-vraag te stellen

Tom-Jan, Tom-Jan Meeus? (met priemende vinger wijzen) / (bijna onverstaanbaar omdat hij L niet laat uitspreken) Wat vindt u niet kunnen? / Welke rol is dat? / Kan dat nog komen? / Kan dat nog komen mevrouw Leijten? / Tom, zie jij dat er nog van komen? / Dat is ook slecht nieuws voor de premier natuurlijk… / Meneer Cohen, ….gaat de partij, uw partij, keihard om met zijn aanvoerders? / Tom Jan, wie vind jij dat LA moet opvolgen als leider vd partij? / Wie zijn dat? / Maar die zijn in ieder geval niet … / Meneer Cohen, wat denkt U? / En daartussen wilt u geen keuze maken dan? /

Vragen aan Piot: Opgeknapt van corona, hè, want u was zelf ook besmet geraakt. / Hoe ernstig is de situatie bij u in de stad? / Bent u dat met hem eens? / Hoe kijkt u naar Nederland want wij zijn zowat het laatste land dat de vaccinaties op gang krijgt, Bulgarije doet het slechter en dan komen wij, heeft u daar een verklaring voor? / Na een inleidende tekst over de Britse variant die hier zal toeslaan… Ziet u dat ook zo? / …In Nederlands is er een discussie over… een avondklok, een soort wanhoopsdaad eigenlijk, denkt u dat dat helpt? / En dus is zo’n avondklok wel effectief, dat moet dan maar? / U zegt dus eigenlijk: egoïsme is hier onze grootste vijand? / Is dat scenario dan denkbaar dat we terecht komen in een Bergamoachtige situatie? / Zijn die allemaal effectief tegen die nieuwe varianten? /  Nu wordt er wel gezegd … Is dat een goed idee om het proces te vertragen? / Gaan we in de toekomst dit soort varianten vaker zien?

Verder met Leijten, Cohen en Meeus: Zijn de Nederlanders gedisciplineerd genoeg? / Gaat het demissionaire kabinet zo’n avondklok invoeren in Nederland? / Wat denk jij? (TH Gaat bij mevrouw Leijten ineens tutoyeren) / Wat Tom Jan Meeus zegt is nogal wat over de avondklok. / Zou het moeten? / we weten allemaal, dat is het enige wat telt. / Wat vinden wij van die pandemieën? TH Wat vindt u daarvan? / Want hij vindt heel duidelijk, wij zijn de natuur binnengedrongen en dit is nog…

Na 43 minuten: STOP, de teller staat op 46 vragen en/of als vraag geponeerde stellingen. Daarvan zijn 10 open vragen en 36 gesloten, gestuurde. De ergste van inquisiteur Twan: Hoe kijkt u naar Nederland want wij zijn zowat het laatste land dat de vaccinaties op gang krijgt, Bulgarije doet het slechter en dan komen wij, heeft u daar een verklaring voor? En: In Nederlands is er een discussie over… een avondklok, een soort wanhoopsdaad eigenlijk, denkt u dat dat helpt?

Huys’score: 21,7 % open vragen. 78,3 gesloten. Wat betekent het dat Twan Huys voor driekwart gesloten vragen stelt? Wat is zijn belang om gasten bijna uitsluitend gesloten vragen te stellen?

Twan Huys kan zijn mening niet voor zich houden. Dat is prima als hij bij M aanschuift als praattafelgast of als hij zijn oren laat hangen naar de opvattingen van commerciëletelevisie-eigenaren. Maar wat zou de gedragscode voor een NOS-interviewer moeten zijn? Het is een wonder dat mevrouw Leijten en dhr. Cohen vriendelijk blijven. Mevr. Leijten veegt de vloer aan met Huys en Haagse bubbeljournalist/columnist Meeus doordat ze vriendelijk blijft en keer op keer corrigerend optreedt. Interviewer Huys legt zijn gasten veel antwoorden in de mond en stelt zichzelf daarmee op een voetstuk want hij vergeet dat zijn mening er niet toe doet. Tussendoor is er nog een grote hoeveelheid gemompelde interjecties als (een stuk of vijf keer) ja / hmm, en lichaamstaal in allerlei vormen: voorhoofdrimpelaanspanning, voorover buigen, extra serieus kijken, glimlachen, aanwijzen / priemen, opgetrokken wenkbrauwen.

Terug naar de kernvraag: hoe zouden kijkers rechts van het midden zich voelen bij deze uitzending? Hoe objectief is Huys als vragensteller?

Eind goed al goed: Twan Huys laat in zijn gesprekje met een fotograaf zien dat hij goede vragen kan stellen, als hij begint met: “Wat zien we hier?” Uit-ste-kend!

Verhuizen

‘Volgend jaar word ik 67 en dan zitten de tien jaar Emmen – Noordbarge erop,’ hoor ik vanuit de badkamer. Vrouw I glimlacht vilein, een glimlach die ze ook op andere momenten inzet, ze kent mijn zwakke plek. ‘We gaan moven.’ Onrust grijpt me bij de keel als een bankschroef een te slijpen beitel. Mijn lichaam reageert direct: neusharen vibreren hortend en stotend als het Canto Ostinato van Toon Hagen, mijn goose-flesh-scrotum krimpt en mijn kringspier pulseert als bij een Barneveldse met legproblemen. Fietsers hebben daar nu eenmaal gevoelige spiertjes, hè. Een combinatie van drie uurtjes rijden op mijn Sensa, wat een goede, gevoelige, bijna empatische naam voor een fiets, alsof je een paaldansclub googelt, een paar uurtjes luisteren naar cantates van Bach, en zelf even met zangpedagoge Etty van der Mei inzingen, laten mijn rust weerkeren. ‘Okee,’ zeg ik, ‘goed, we gaan zien.’

‘Nomaden zijn jullie,’ zei de eerste de beste, quasi grappend, maar met een serieuze ondertoon. Terwijl we net het landelijk gemiddelde halen. Mensen in Nederland verhuizen zeven keer in hun leven. Ouden van dagen en krimpregiobewoners uit Drenthe, Groningen en Twente hebben een hekel aan veranderen en verlagen de verhuisfrequentie.

Het woord nomade bevalt me. Ik ben niet voor niks een nazaat van Salomon Levy en zijn genen verklaren onze beweegdrift. Salomon Levy was geen stoelplakker, hij kwam lopend uit Duitsland richting Friesland en sleet zijn waren huis aan huis. Dat zijn kop eraf ging in zijn laatste woonplaats, vergeet ik even voor het gemak. Ook voorvader Theun de Vries bleef zijn hele leven niet in Veenwoudsterwal.

We gaan verhuizen. Deze keer wordt het een stad. Hartje binnenstad zelfs. Groningen. Nog geen kilometer van de Martinitoren. Nabij Forum, Groninger Museum, Frietwinkel en Vismarkt. Drenthe, Deventer en Friesland leggen het af tegen stad-Groningen-centro. Kalmte, weidsheid, natuur en rust kunnen ook teveel worden. Ik geloof niet in één gelijkmatig onveranderlijk leven. Ik ben een grazer. Het wordt tijd voor reuring, cultuur, alles onder handbereik.

Hoe ziet mijn verhuisdrift eruit? Na mijn jeugd in Kollum, zeg niet quasi-modieus ‘of all places’, kwam Leeuwarden: een studentenkamer. Daarna 43 jaar Drenthe met Emmen-Emmerhout, Emmen-Angelslo, Sleen Veldakkers, Sleen Zetelveenweg, Emmen-Noordbarge en nu dus naar Grunn. Ben ik een Drenth geworden? Ik noem me een noorderling.

Hoe dat voelt? Een overgang van een dorp naar een studentenstad? Lekker. Ik zal mijn leven wat herschikken als een cafébaas terrasstoelen, het CDA partijprinsen en Mona Keizer dolken in ruggen van partijprinsen. Een nieuw fiets- en kookgroepje, leesclub, binnentuin bijhouden, laptopzingen met Grootkoor en Zingalsvanzelf, Gronings leren, wel wait wat schrievn int Grunnings, wat schilderen, kerkorgels ontdekken, leren suppen, nieuwe wandel- en fietspaden ontdekken, nieuwe mensen leren kennen, brieven schrijven, wie weet een familiekroniek die in mijn hoofd spint, buren de kans geven vriend te worden, vergezichten en andere luchten zien, we hebben er zin in. We gaan veel missen ook: een fijne plek in Noordbarge.

IN MEMORIAM Frits Germs

Frits Germs is, bijna negentig, overleden. Oud-docent biologie, oud-reservemajoor Koninklijke Landmacht lees ik in de familieadvertentie. Ja, denk ik, èn oud-Harley-Davidson-rijder, oud-seksuele voorlichter, oud-spreker van de Saksische taalvariant het Kollumerlands, en natuurlijk sigarenroker, mooieverhalenverteller, begeleider vakantiekampen van de NH jongelingenvereniging. Kollumers waren we. Frits Germs woonde aan de Voorstraat: snor, bril, hoekig, lachrimpels. Hij fietste met ons naar school, Oostergo in Dokkum, langs de Dokkumer Trekvaart. Soms haalden wij, allemaal Bouke Mollema’s in de dop, hem in en dan hielden wij hem uit de wind als een skûtsje een BM’er. Was het mooi zomers weer dan reed Frits op een oude groene leger-Harley Davidson Liberator, met een antiek schakelmechanisme op de benzinetank en met spijkers afgewerkte zijtassen achter de buddyseat. Als hij de bochten goed nam en op tijd dubbelclutchte, bleef hij ons fietsers wel eens voor. In de fietsenkelder stak hij rustig een sigaar op en wij wrongen onze door- en doornatte kleding uit boven het kelderputje als mem een dweil als er weer een ongelukje met beppe in de w.c. was geweest. Frits was het prototype van een leraar. Hij kon goed met de leerlingen overweg, wat wil je ook met een zootje ongeregeld uit de buitendorpen dat hem bewonderde. Hij schaakte een Dokkumse langharige schone uit HBS-vijf, Nel, in mijn ogen alleen de zus van Saskia (lang blond haar, beugel, spleetje tussen voortanden, kniekousen…). Frits was één van de boys, Kollumer jongens. Doordat wij hem uit Kollum kenden durfden we hem wat meer vragen te stellen. Van broers en zusters kende ik een aantal van zijn kunsten. Bijvoorbeeld de uitwerking van een karateklap op het bord. De splinters vlogen je om de oren. Onze eigen klassenleraar had een keer geen zin in een klassenavond en toen vroegen wij Frits. En hij deed het. Terwijl wij de kunst van het ‘slijpen’ beoefenden, stond hij op de schoolbinnenplaats wat bij te kletsen met de toevallig passerende Nel. ‘Meneer, wat is ejaculatio praecox alweer? Uit paragraaf VIii?’ Kregen we een prachtig verhaal over jonge dienstplichtige militairen die in het weekend met de trein naar huis kwamen en om te voorkomen dat ze ’s avonds met hun meid op de kermis te vlotjes ejaculeerden, als hengsten op kunstmerries, zwengelden ze in het treintoilet alvast wat in het voren. Wij probeerden hem ook uit te horen over de door de licht tirannieke rector Heukels bestierde lerarenvergaderingen; of Booij, Kesting, Künzli, Van Dongen, Gort, Wiersma, Sturm, Slager, Wijmenga, Bootsma, Mulder, Bangma, Wilpshaar, zich gedroegen, maar Frits bleef discreet. Bij een uitje van de NH jongelingsvereniging in Kollum ging hij een weekend mee op stap naar Ter Apel en Sellingen en wat leuk, hij nam zijn Dokkumer vlam mee. Later leerden we Frits nog wat nader kennen omdat onze oom Jaap zijn zuster, Nancy Germs, aan de haak sloeg. Gouden tijden en platina herinneringen! Frits Germs: rust in vrede.