De kerktelefoon


Voor het eerst luister ik, op afstand, mee met een rouwdienst. Het betreft een derdegraads familielid. Nee, preciezer: een tante. De organist speelt gezang veertien. Corona bespaart me een rit naar de rand van het land en ontsteelt me de mogelijkheid van een hernieuwde ontmoeting met verre familie. Geconcentreerd blijven luisteren valt me niet mee. Het luisterritueel doet me denken aan een luistertoets op school. Er zijn afleidingen te over. Zo probeer ik me een voorstelling te maken van de uitvaartleider of predikant: haar stem houdt het midden tussen de zakelijk/informatieve van een belastingtelefoonmedewerkster en de invoelende van een sociaal werkster. Het geluid kon beter en ik mis de beelden heel erg en de mogelijkheid lekker mee te zingen. Al multitaskend googel ik wat tijdens de saaie stukken en zo leer ik dat de architect van de kerk Ploeg-kunstenaar Reitsma was. Zijn kerkarchitectuur geldt als een belangrijk voorbeeld van de regionale vertaling van de expressionistische architectuur van de Amsterdamse School.

De overledene is al oud en hoge ouderdom maakt mijn verdriet lichter zoals het whisky lekkerder maakt. Wat me ontroert: de verhalen van enkele kleinkinderen. Deze tante was één van mijn zes tantes. Was ze mijn favoriete? Zij was een speciale tante. Ze was groot. Ze droeg lange, strakke rokken waarvan het zijritsje altijd op springen stond en crèmekleurige schoenen met een halfhoog hakje. Haar boezem deed me denken aan de billen van Asterix. Ze trok me wel eens op haar schoot en ik herinner me dat ik de harde jarretellesclips door de dunne stof van de rok voelde. Of me dat opwond weet ik niet meer. Wel had het mijn interesse. Tante verschoof onrustig op de stoel en had mijn belangstelling feilloos geregistreerd, voelde ik. Veel later, ik was ongeveer tienenhalf en zat bij de verspugers op school in de hoogste regionen en mijn inwonende oom had me al door de neus leren boeren, feliciteerde tante me. Ze had een kunstje verzonnen. De rijksdaalder had ze ingepakt. Een strak stuk plakband hield het papier bij elkaar. Ze droeg me, blijf bij mij heer neuriënd, op het geschenk met één hand uit te pakken. Ze wilde mij bezighouden, puur om mijn moeder te ontlasten. Die had genoeg drukte aan haar hoofd op een kinderverjaardag. Tante lachte samenzweerderig naar me. Terwijl mijn rechterhand bezig was de onmogelijke klus te klaren, vlijde ze mijn linkerhand op haar bovenbeen en wreef een beetje heen en weer totdat mijn hand de ijzeren clip voelde. Ze knipoogde onzichtbaar. Mijn tweelingbroer kon al wat blokfluiten en zette welgemoed De heer is mijn herder in.

Covid I tm VI

I Wopke Hoekstra is de gebeten hond want hij spreekt, na Jeroen Dijsselbloem enkele jaren geleden, de Italianen en Spanjaarden aan op hun onvermogen financiële buffers te fixen. Hij heeft het grootste gelijk van de wereld, dat weet iedereen. Dat hij toch binnen 24 uur zijn woorden bijstelt, “ach, als je zoveel weerwoord krijgt, betekent dat dat je andere woorden had moeten kiezen,” zal iedereen herkennen, ik ook. Soms blijft de woordontvanger liever nog wat doofjes; Wopke stijgt op mijn virtuele ladder. Op termijn zullen zijn harde woorden contraproductief blijken te zijn: kritische noten dreunen tien keer langer door dan positieve feedback.

II Het is zeven uur in de ochtend en ik denk aan jullie, oude en nieuwe lezers in Houten, Huizen, Heemstede, Oude Pekela en nog verder. Ik ga over op elke week zes observaties. Besparen op postzegels ga ik, met deze postzegelloze brieven. Naar buiten kijkend hoor ik vogels die de kou trotseren als Friezen openstaande bruggen, zie ik de krachtige magnolia die op het punt staat de witte kaarsen te doen ontsteken en ontroerend-lieve paarsblauwe violen die de grauwe grijze tuinbodem doen oplichten en vrolijk maken als lipstick mijn buurvrouws toet.

III Even een levensteken in deze vreemde en interessante tijd, waarin voor het eerst dagelijks Covid-slachtoffers worden bijgehouden in taart- en staafdiagrammen, doden voortleven in Op1-discussies, landen worden vergeleken op gezondheidszorgefficiency en huisartsen, onder wie een aantal duimen draaiend en de dagelijkse bezoekersstromen door een telefoonlijn persend, die zich afvragen waar de klachten over plasproblemen, lage rugpijn, verstuikte enkels en huidschilfers blijven. Zelfs mensen met nieuwe knobbeltjes en hartlijders blijven in de kast en stellen opname uit.

IV C en deze keer bedoel ik niet Cruijff, Christus of chihuahua is verschrikkelijk. We tellen onder de dodelijke slachtoffers merendeels aan adipostas lijdende 80-plussers met onderliggende ziektes, lees ik en dat maakt het voor mij draaglijker. Mijn ouders stierven toen ze 67 en 73 waren en dat, zo kan ik je verzekeren, relativeert sterftecijfers en mortaliteitsstatistieken enorm.

V Ik kan het niet laten en vergelijk de aantallen Coronadoden met de 20.000 jaarlijkse tabaksslachtoffers (nieuwtje: Albert Heyn die maar doorgaat met het verdienmodel op de verkoop van tabaksproducten wordt nu op NS-stations verboden deze producten aan te bieden) en de bijna 10.000 doden ten gevolge van de griep in 2017/18. Met filosoof/medicus Marli Huijer, ex-denker des vaderlands, zeg ik: waar hebben we het over?

VI Een ketting- of piramidebrief bezorgt me elke morgen een verse stroom gedichten en verzen van uiteenlopende namen als Vasalis, Toon, The Cure, Zwagerman, Jan Kal, Soepboer, Hettinga, De Vries, en meer. Ik lees over ziekenhuizen die nog steeds deep-down elkaars concurrent zijn en de kaarten van vrije IC-kamers voor de borst houden, Duitsland waar 15.000 IC-bedden klaar staan, elkaar beconcurrerende laboratoria als HuisartsLab, Certe en Izore en bevraag mezelf driemaal daags hoe het komt dat de heere der heerscharen de bible belt bepaald niet spaart van deze pijnbank. Je hoort al mensen spreken over een parallelle wereld die na C meer duurzaam zal zijn en vrij van intensieve veeteelt, carnaval, overbodige reizen naar het einde van de wereld om daar op klompen de loop van een riviertje te bestuderen of in oude auto’s of op veel te hoge bergschoenen interessante bergpassen in den vreemde te vervuilen en goudenkettingverkopers te vernederen door 100% fooi te geven.

Spanje 5: Intemperie

Den Uyl

Jesús Carrasco’s Intemperie verhaalt van een vluchtende dorpsjongen. Een vlucht wil ik het niet noemen, maar een soort uittocht is het zeker wanneer we op zondag 15 maart noordwaarts kachelen in een stoet van campers, enkele caravans en een zootje ongeregelde Poolse en Roemeense minivrachtwagentjes. De zon schijnt en de temperatuur en dieselprijzen wisselen als seksuele contacten van plattelandsmeisjes die voor het eerst in Salou zijn. De lange weg naar Lyon rijdend krijg ik visioenen van een premier die een verstandige toespraak zal gaan houden die me voor hem zal innemen. Verdomme, ik zal toch geen VVD’er worden? Ik vergelijk Ruttes toespraak met die van Den Uyl in december 1973; allebei getuigend van ferm en fier staatsmanschap. Vergeleken daarmee is de sprekende koning een sneue ledenpop. Al rijdend tast ik mijn geheugen af. Na afloop van Den Uyls rede sprak mijn moeder in een evaluerend gesprekje met mijn vader met bedroefde stem en vooruitziende blik de historische woorden: “Dizze man haldt ús bern út de tsjerke, Anne”¹ en ze onderdrukte een traan terwijl ze de kuiven van de beide Benjamins gladstreek met een likje spuug. Mijn vader die Den Uyl met zijn VAD²-plannen wel kon wurgen keek haar eens aan en mompelde iets als: “Dat sil mei ús Jaap Boersma³ neist dizze

Boersma

úfretter toch wol in slagje meifolle, Sjoukje,” stak een filterloze Golden Fiction op, legde het sigarettendoosje met die adembenemende zilveren band op tafel, inhaleerde inhalig, peuterde een stukje droge worst tussen de kiezen vandaan, bestudeerde dat als grefo’s de geschriften van Luther, droogde zijn vingers aan de binnenkant van zijn sokken, nam zijn kunstgebit in de handen en liep vervolgens naar de keuken om onder de keukenkraan zijn gebit, met wat Vim op de afwaskwast, schoon te boenen boven de gootsteen waarin net een door een buurman geslachte kip was schoongeboend. Wie kon toen bevroeden dat mem met vijfenhalf van de zeven kinderen die zouden uittreden, gelijk zou krijgen?

Spanje scherpt, voorgegaan door Duitsland de reisadviezen aan. Ze zijn als een soort uiterste houdbaarheidsdata. Men gaat er rekkelijk of precies mee om. Duitse inreisverboden wakkeren onze verplaatsingsdrift aan als zandstormen bedoeïenen. In Valencia worden de feesten van Las Fallas afgeblazen. Las Fallas doet me aan carnaval denken. In Nederland was het carnaval een brandhaard. Dat het carnaval een feest is met de wortels in de religie bewijst ook nu onomstotelijk dat godsdienstuitwassen niet bepaald bevorderlijk zijn voor de volksgezondheid: alles achter de voordeur houden ware beter.

Spanje 4; Un asunto serio

Dat onze Spanjetrip anders gaat worden is duidelijk. We volgen de ontwikkelingen in Nederland via de NOS-app en als ik mezelf wil frustreren via de ultimas noticias van El Pais; de datos actualizados zijn eenvoudiger te interpreteren. We ontmoeten Nederlanders die zich hebben uitgeput met vijf maanden rustig aan doen aan de costa’s. In El Campello, acht kilometers van Alicante vraag ik mijn buren: “Hoe fiets je het best naar Alicante?” “Ach, ik heb het geprobeerd maar die fietspaden hier zijn verschrikkelijk, ik heb het opgegeven.” Naar Alicante fietsend, begrijp ik hun antwoord steeds beter. Onaffe straten, onbegrijpelijke wegafsluitingen, afval en gebroken glas op plaatsen waar beter afvalbakken pasten. De algemene organisatiegraad in Spanje is lager dan die in Nederland. Ik bedenk een televisieformat waarbij mensen aan de Spaanse kusten tiny houses plaatsen zonder de autoriteiten te verwittigen. Mijn oudste broer waarschuwt me voor de gebrekkige Spaanse zorg. Ambulances zijn vaak slecht toegerust. Hygiëne laat te wensen over.

Als bewust facebookloze heb ik tijd. Psychiater Witte Hoogendijk meent in de Volkskrant dat rationalisten het het gemakkelijkst hebben in deze tijd. Dat herken ik. Ik blijf 20.000 Nederlandse tabaksslachtoffers per jaar in Nederland afzetten tegen de nieuwste aantallen Coronadoden. Het wil maar niet erg worden. Hoogendijk, ook een liefhebber van inkoppertjes natuurlijk, constateert dat je beter serieus nieuws kan volgen dan social media.

Als het woord lockdown in het Spaans en Nederlands wil binnendringen als spermatozoïden in, nou ja ik bedoel virussen in mannenlijven wordt het un asunto serio. Als derden mijn bewegingsvrijheid willen bepalen, hoe goed bedoeld ook, dan word ik onrustig. Terrassen en restaurants worden gesloten. Stranden no go areas. Supermarkten blijven het goed doen. De Lidl wil maar geen lege schappen vertonen. Frankrijk gaat grenzen in de gaten houden als overblijfmoeders schoolpleinen. Nederlandse verslaggevers blijven hardnekkig hun in de studio voorbereide antwoorden via gesloten vragen ontlokken aan vriendelijke Madrilenen. Camping sanitair wordt vaker geboend en gespoeld met bruistabletten. Het werkt. Blauwig wc-water stelt gerust als blauwe latex handschoenen aan zorgpersoneelhanden. Met pijn in het hart neem ik afscheid van katoenen zakdoeken en besef hoe smerig handen schudden en met schoenen huiskamers betreden eigenlijk is. Een schoonzus was de tijd ver vooruit door al jaren geen echte begroetingszoenen meer te geven maar kunstig met bijpassende plofgeluidjes samenvallende luchtverplaatsinkjes in de vorm van klapzoentjes.

Op afstand bepalen twee seniore muziekpikken en ik dat de Matthäus Passion, waarvoor we speciaal een stichtinkje hebben opgericht zal moeten worden afgelast. Godver, wat zal ik het openingskoor, het supermooie en uitgerekte Mache dich mein Herze rein en de vrolijke melodie van Gebt mir meinen Jesu wieder of Können Tränen meiner Wangen en het eindeloos repeterende en door een schitterende cello ondersteunde mantra van Komm süsses Kreuz so will ich sagen in de Sleense akoestiek missen op 5 april. Nog eentje dan: Mache dich, mein Herze, rein. Gelukkig word ik als Vrouw I me vraagt wanneer we de Matthäus-cd’s gaan afspelen.

Spanje 3; klimmuurtje, Bregman en rijstvelden

In Valencia fietsen we door de stad en stuiteren tegen te hoge stoepranden als balletjes tegen geluidsranden in flipperkasten, maar wat is dat gaaf. Spanjaarden zijn in dubio: ze waarderen je fietslef maar ze haten het door jou veroorzaakte oponthoud. Op zondagmorgen met dik duizend man naar een recital in het Palau de les Arts Reina Sofia en daarna een drankje in het park. Mouwen opgestroopt en randen van de korte broek tot in de liezen omhoog geduwd om geen zonnestraaltje te missen. Op weg naar de haven en naar het strand in de opkomende wijk Nazaret passeren we een muur die het uitzicht belemmert. Halverwege een ingelast klimmuurtje. Ik vraag een passerende mevrouw, Luna, ernaar en ze vertelt me dat achter de muur een parkproject van 85 ha wordt ontwikkeld en dat een Institución des Deportes voor het klimmuurtje heeft gezorgd.

In de Jardín del Turia, het door Valencia meanderende park, wordt op zondag gewandeld, gefietst, gevolleybald, gejogd, gestept, gerugbyd, getai-chied, gevoetbald en gebaseballd dat het een lust is. Flatgebouwen, musea en koepelkerken kijken goedkeurend over de afscheidende muurtjes en houden toezicht als giraffen over dierentuinhekken. We pakken een boek en als luisteraars op poëzieavonden suffen wat weg  in bedachte werkelijkheden van Mark Haddon of Piet Oly.

Wil ik eens lekker schaterlachen dan pak ik Rutger Bregmans De meeste mensen deugen erbij en lees ik over gefileerde psychologische onderzoeken. Deze schrijver deugt. We wisten natuurlijk al dat in de sociale psychologie zo’n 50 % niet repliceerbare onderzoeken als normaal en, godbetert, acceptabel wordt beschouwd. Maar dat hij psychologie ergens vermakelijk straattoneel of volkstheater noemt en daarvoor naar mijn weten (nog) niet vervolgd wordt, geeft te denken over de beroepsgroep. Manipulaties, betaalde en/of vooraf geïnstrueerde proefpersonen, gebrekkig toezicht, het lijkt wel op hedendaags bankentoezicht. Bregman is een nieuwsgierige, interessante denker en goede vragensteller. Hij spant de kroon in het hoofdstuk over het mysterie van Paaseiland. Hij ontrafelt het raadsel van de supergrote beelden op een eiland waar geen bomen groeien. Kannibalisme, een stammenoorlog tussen de Lang-oren en de Kort-oren en een soort beeldenstorm completeren de ellende. Wetenschappers (archeologen, geologen, filosofen) bijten hun tanden erop stuk en publiceren de ene onzinanalyse na de andere. Maar dan maakt RB kennis met de naar Bach-cantates luisterende bloemetjesoverhemden dragende Jan Boersema (milieubioloog, met belangstelling voor geschiedenis en filosofie), die het logboek van de kapitein Roggeveen die in 1721 Paaseiland herontdekt had, even had gelezen en alle wetenschappelijke opvattingen die tot dan toe als waarheid waren beschouwd, op de kop zette.

Rood geverfde en van een middellijn voorziene fietspaden leiden ons langs smalle stranden naar Pinedo, zuidelijk van Valencia. Bamboestruiken filteren het zicht op slordige volkstuinen. Plastic stroken wapperen in de wind. In de verte containerschepen als kleurige dobbers. Strakblauwe lucht. We zien steeds vaker mountainbikers met zakdoeken voor de mond. Op de camping lezen we over Corona en de Amerikaanse battle van de bleached dentures, waarin Biden op overleven afstevent als een in plastic netten verstrikte zeehondenopa.

De OESO rapporteert dat Spanjaarden zowat de hoogste levensverwachting hebben. Daarnaast dat In Spanje de minste moorden worden gepleegd en dat er veel sociale ongelijkheid en armoe is.

We komen én fietsverhuurders tegen die geen puf hebben even een lekke band in goed geoutilleerde werkplaatsen te fixen, of natuurlijk de juiste binnenband ontberen, of, ‘lo siento, no tengo tiempo’ het is bijna 13.30 uur én een rijstboer. Alfonso Garçia legt ons graag de irrigatie van de rijstvelden uit en brengt ons, onder werktijd, naar het binnenmeer Albufera alwaar we kunnen zien hoe de schuiven werken die de waterlopen leiden en controleren. Alfonso begrijpt, gracias a dios, mijn krakkemikkige Spaans. Hij moet lachen als ik van een verhoging spring en enkeldiep wegzink in de vette, natte klei waarmee hij dijkjes maakt. Mijn fancy sneakers worden werkschoenen.

Spanje 2; In de klauw van Klotinden

Probeer maar eens bij een Spaanse rijwielhersteller in je nieuwste Spaans uit te leggen dat de schijfremmen van je mountainbike een naar metalig geluid maken. En dat het dan toch lukt, kijk dat gevoel heb ik graag. Vale, mira, bij de sympa bakkersvrouw vragen om een multicereal i.p.v. een witte plakbaguette die je darmen verkleeft en verstopt als een reparatieplug een buitenband van een drietonner, dat gaat, gesteund door glimlachjes en heen en weer schietende pupillen al heel aardig.

Ik wil een evenwicht zien te vinden in mijn beeld van Spanje en zoek daarom naar een uitgebalanceerde mix van Spaanse pros en cons. Dus èn constateren dat de situatiekaart van de camping je verneukt door te suggereren dat achter de heg het strand al begint èn vaststellen dat de jeugdwerkloosheid in enkele jaren van boven de 35 naar 15 % is gedaald. Constateren dat de verstikkende greep van het katholicisme, het koningshuis en Franco de Spanjaarden onder de dikke debiliserende duim hebben proberen te houden, maar ja, bij alle drie was/is de keus aan de Spanjaarden zelf naturalmente, naast oog hebben voor een welhaast aangeboren houding open te staan voor grensoverschrijders. En daarvan zijn er veel.

In het voorjaar is Spanje het land van de geknotte en uitbottende acacia, waarvan de nieuwe loten naar buiten willen spuiten als ontsnappende lucht na een bloeddrukmeting, uitbundig bloeiende krentenbomen, de prunus japonica, die in geteelde toestand in de verte doet denken aan groepjes aan anorexia lijdende synchroonzwemsters die hun roze beentjes schuin omhoog boven de waterlijn naar de zon priemen en dat nog synchroon ook, hoerige bougainvillea’s en overschatte uit Nederland geïmporteerde voetballers.

Gelukkige Slaven van Tom Lanoye, De meeste mensen deugen van Rutger Bregman, 21 lessen voor de 21e eeuw van Yuval Harari en In de klauw van Klotinden van Piet Oly vullen de leemten van wifi-gerelateerde bezigheden en onvolgbaar nieuws over de nieuwe plagen: overstromingen, sprinkhanen en virussen die maar niet de vaart van muizenexplosies willen evenaren en de effecten waarvan maar niet in de schaduw kunnen staan van de 20.000 jaarlijkse doden die de door de Nederlandse staat gestimuleerde tabaksindustrie eist.

Spanje 1; No es lo que hay

Zoals Martinus Nijhoff het ver in de vorige eeuw al zei: ‘Lees maar er staat niet wat er staat,’ zo zegt de Spaanse Nederlander Vincent Werner ‘No es lo que hay’ of in de titel van zijn e-book ‘It is not what it is, the real (S)pain of Europe’. Werner bekritiseert Spanje, maar dat doet hij uit liefde, hij werkt en woont al bijna 20 jaar in Barcelona. Zijn boek is bedoeld als een wake-up-call, hij wil Spanje een spiegel voorhouden. Als ervaringsdeskundige heeft hij nogal wat kritische noten gedistilleerd: de traagheid, bureaucratie, slappe arbeidsmoraal, gebrekkige talenkennis, vriendjespolitiek, financieel wanbeleid en ga maar door. Tegelijkertijd heeft Werner oog voor de positieve kanten van Spanje en roemt de vriendelijke Spaanse mensen, het schitterende klimaat, de kansen die het land heeft om uit te munten. Spanjaarden reageerden op Werner als kritische familieleden die elkaars falen en feilen en horkerigheden maar al te goed kennen en herkennen, maar het niet dulden wanneer derden daar een mening over verkondigen.

Werners boek is in 2018 uitgegeven als een e-boek en dat is voor de papierenboekverslinders meer dan jammer. In mijn omgeving worden die alleen maar gelezen door oude dametjes die ze zwart lezen omdat ze de boeken illegaal want zonder te betalen met elkaar uitruilen als puberjongens dat in de vorige eeuw in schoolfietsenhokken deden met seksboekjes.

We gaan op onderzoek. Via een onlinetalencursus bekwaam ik me in het Spaans. Dat valt voor een middenzestiger met meer dan gemiddelde belangstelling voor talen nog niet mee. Vierenzestig jaar oude geheugens werken soms als gootsteenfilters: natuurlijk blijft er wel eens iets achter, maar het meeste vliegt er ongehinderd door. De tweehonderd minilesjes, per dag ongeveer 15 minuten, leveren een redelijke, zij het voornamelijk passieve kennis van de taal op, maar de actieve component blijft ver en ver achter. Naast het doornemen van het ingenieus opgezette cursusmateriaal lees ik een Spaans boek: Intemperie van Jesús Carrasco met daarnaast de vertaling (De Vlucht) en weer daarnaast twee Prisma woordenboeken. Spaans zou een niet moeilijke taal zijn, hoor je veel mensen zeggen die ooit ergens hebben gelezen dat persoonlijke voornaamwoorden veelal achterwege blijven of dat de Spaanse werkwoorden op -ir, – ar en -er op dezelfde manier vervoegd worden in de futuro. Dat haal je de koekoek. Valencia, vamos!

Micksart Collectief, opening op 16 februari 2020

Op het industrieterrein, zo’n beetje naast Het Goed, Automobielberdijf Misker & zonen, een industrieel seksbedrijf en een sloopbedrijf zit MICKSART COLLECTIEF. Een grote productiehal herbergt een expositieruimte, open ateliers en een koffiehoek. Zondagmiddag 16 februari is de officiële opening. Het is beredruk. Duidelijk is dat het publiek Eric Knegt, centrale spil van Micksart, kan vinden.

Er is een keur aan kunstwerken aan de witte wanden en op al dan niet draaiende tableaus.

De officiële opening wordt verricht door Herman Idema, directeur van ondernemingsvereniging VPB. Hij gaat kort in op de rol van kunst (“kunst brengt liefde”) en licht de achtergrond van de overgang van het Rensenpark naar de Kapitein Grantstraat toe. Eric Knegt heeft een grote gunfactor en dat is mooi. Idema dicht Micksart Collectief een grote naamsbekendheid toe. Micksart is gericht op workshops, samenwerking, alles ondersteund door een hechte vriendengroep. Tijdens Idema’s toespraak gaat de website www.micksart.com de lucht in.

Vervolgens is het de beurt aan Eric Knegt die de medewerkers in het zonnetje zet. Hij licht het concept van de open ateliers toe. Helga Bijl, Johan Smid en Maita Augustin laten in hun ateliers het wordingsproces van kunstwerken zien. Ook is er tijd en ruimte voor muziek en zijn er vergaderruimtes. “Veel is mogelijk,” is ongeveer Knegts mantra. Onder leiding van Annigje, B-Silk en Sandra worden er workshops georganiseerd. Met Annie Sturing heeft Knegt MI&ANN opgezet, ook wel Designers from the North, een kleurrijk label dat jeans een tweede en nieuw leven belooft. Annigjes tassen gaan inmddels de hele wereld over.

Exposities: Micksart exposeert werk van de kunstenaars Patty Aalbersberg, Tinus D., Theo Leering, Pauline Luiten, Ina Marcus, Erik Neijmeijer, Nohablalogica, Jacques Tange, Themocrazy, Ramon Velema, Joost Vink, Daniël ter Waarbeek en Jack Zweers.

Na alle openingswoorden is het tijd voor muziek, overheerlijke hapjes en bier uit Oosterhesselen.

‘Toekomstdenken’, Drentse kunstenaars in De Fabriek

Bestaat er zoiets als Groninger plattelandkunst, Hofstadkunst, ex-mijnbouwregiokunst, krimpregiokunst; kunst waarvan de kern te herleiden is naar de streek waar het gemaakt is?

In 2019 bezoeken we de afstudeerdag van de Haagse Kunstacademie, ingeleid met een toespraak van burgemeester Krikke. De schellen vallen me van de ogen bij een rondgang langs afstudeerwerkstukken of – projecten. Elke student krijgt een (deel van) een ruimte toebedeeld en presenteert daar zijn werk. Opvallend: schilderkunst maakt ongeveer 0,05 % van het geheel uit.

In het CBK Emmen presenteren 87 kunstenaars zich met 117 kunstwerken (ik schat 80% schilderwerk) rondom het thema ‘toekomstdenken’. Nu is ‘toekomstdenken’ evenmin een bestaand woord als ‘verledenduiken’ of ‘hedenstofzuigen’, dus de taalliefhebbers zijn getriggerd. De uitnodiging gaat vergezeld van een zwarte foto met een speeltuinattribuut. De psycholoog, gevraagd naar de diagnose van de patiënt die in een psychologisch onderzoek op de vraag hoe zij/hij de toekomst zou willen tekenen een inktzwarte schets inlevert waarop een metalen speelterreinattribuut te zien is, schaars zilverachtig oplichtend in een lichtschijnsel waarvan de lichtbron op terminale batterijen werkzaam is, geeft een mistroostig inkijkje in een getormenteerde ziel van een bijkans suïcidale patiënt. Als dit het ‘toekomstdenken’ (sic) is van hedendaagse beeldendkunstenaars in Drenthe is mijn belangstelling direct gewekt, als een hospicemedewerker bij een stervende. Vanwaar deze pikzwarte donkerte als het om ‘toekomstdenken’ gaat? Ik ga op zoek naar onvindbare antwoorden.

Om genoeg subsidies binnen te kunnen krijgen is er een samenwerking opgezet tussen Hengelo en Emmen, tussen Overijssel en Drenthe. Kunstenaars willen graag grenzen overschrijden, maar de overkant moet natuurlijk wel zichtbaar blijven, dus niet buiten de veilige familiegrenzen: krimpende oostelijke regio’s begrijpen elkaar natuurlijk gemakkelijker dan een krimpende regio en een grote stad. Dat is wat me door mijn hoofd spookt: wat zou er geworden zijn van een samenwerking tussen Emmen en Den Haag?

‘Toekomstdenken’ is als een sterk gesubsidieerd onderwijsproject, een soort talentontwikkelingsprogramma met verdiepingsdagen, evaluatiemomenten, inspiratiedagen en masterclasses. En vandaag een soort (groot)ouder- en kinddag. Boegbeelden, zeg maar een soort hoofdonderwijzers gidsen de aangemelde kunstenaars door het kunstlandschap en leggen uit wat kunst precies is en hoe je dat het best concipieert. Er worden rapporten uitgedeeld en de beste leerlingen krijgen extra lessen, masterclasses genaamd. Niet door landelijk bekende beroepskunstenaars maar door regionale boegbeelden. Soortgelijke ontwikkelingen zie je in de literatuur. Veel beginnende schrijvers leren liever aan de hand van doorgebroken auteurs schrijven dan dat ze zelf het vak leren door gewoon veel te lezen. Beelden kunstenaars groeien beter van veel kunst kijken dan dat iemand zegt hoe je je penseel het best vasthoudt. In het publiek scharrelt de verantwoordelijk ambtenaar, teamleider sport en cultuur. Hij houdt scherp in de gaten of er niet stiekem alcohol wordt geschonken en of de kunstwerken niet op de kop hangen.

Matthäus Passion

De adem van de Matthäus Passion fluistert door mijn hoofd als een herinnering aan een bloedmooie jeugdvriendin. Het is het seizoen van winterstormen, voorjaarsbloemen en de MP. Hoe een verstokte atheïst, ver voorbij het agnosticisme, ietsisme, ietsiepietsisme, waar reguliere geloofverlaters zich aan vast klampen als slakken aan een slablad, toch een verwoed Matthäus Passion-fan is, wordt of blijft, verbaast mezelf ook. Even graven. Opgegroeid in een christelijk nest met een grefovader en een doopsgezinde moeder wordt je het geloof met een gesuikerde paplepel zonder nadenken ingegoten. Ik deed vrolijk mee. Een christelijke basisschool, zondagsschool, een niet rigide kerkgang in combi met een redelijk vrije opvoeding deden de rest. Ik had altijd een sterke belangstelling voor het majestueuze orgel.

Godver, wat werd er bij ons aan de eettafel gediscussieerd en wat waren we volgzaam. Mijn vader was zo vol van cijfertjes en grote getallen dat al mijn broers dachten dat ze dat voorbeeld moesten volgen en zonder nadenken econoom werden. Mijn moeder, voorzitter van de vrouwenvereniging, maakte dat mijn zussen en ik het zochten in psychologie, pedagogiek en talen. Thuis was een l.p. van Feike Asma, die Bach bij ons naar binnen bracht als de arbeiders van boer Benedictus de zakken aardappelen. Bachs Jesu bleibet meine Freude zit in mijn hoofd gekleefd en gebeiteld als bijbelteksten op grafstenen.

Bij de heropening van de Maartenskerk werden de jongens van de lagere school gerecruteerd en zongen al lopend een speciale tekst op de melodie van Jesu bleibt enz.; mijn tweelingbroeder en ik met gewassen snoet en in korte broek voorop met de statenbijbel op onze vooruitgestoken ijzeren knuisten. Op zondag naast mijn moeder zittend zongen we als lijsters voor en na de preek. Met mijn vader bezocht ik concerten van het Frysk Orkest dat subsidiërende gemeenten bezocht en daar voor minder bezoekers dan orkestleden hun verplichte programma’s, met ik geloof altijd een flinter Bach, speelden. Gevraagd door mijn voetbaltrainer Jan Boer, deed ik mee met de zondagsschool en gevraagd door schoolmeester Meindertsma werd ik lid van de jeugddienstcommissie. Dit was de basis.

Op mijn 17e, 18e ging ik de wereld om me heen wat beter bekijken en werd de kiem voor de latere atheïst in mij in het ontwikkelbad gestopt als foto’s in donkere kamers van blanco papier tot de mooiste platen werden. Ik zag dat religies de wereld er niet bepaald beter op maakten, realiseerde me dat het inhoudelijk de grootst mogelijke verzonnen kul is en alleen geschikt voor geboren twijfelaars, gelukszoekers, strohalmklampers en retrodenkers en ik hield het zonder wrok voor gezien. Wat mij betreft houden verstokte gelovers de religie binnenshuis, tot de voordeur. Geen religies op straat, in wachtkamers, ziekenhuizen, rechtszalen, laat staan in het onderwijs. Laten we jongeren tot hun 18e de indoctrinatie van het geloof besparen en laat ze daarna kiezen wat ze willen. Onderzoek wijst uit dat negen van de tien gelovigen de religie van hun ouders erven.

Ergens midden 40 werd ik weer gevangen door de betoverende muziek van Bach en groeide de belangstelling voor de MP. Zo dus.