Week 2
Op de fiets waaieren mijn gedachten uit als vrouwenharen onder een föhn. Hoe komt het toch dat veel plattelandsburgemeesters langetermijnvisieloos zijn en slappe knieën hebben? Na enkele uren fietsen weet ik het. Dat mantelzorgen voor een leuke vrouw veel lichter is dan lange fietstochten maken, houd ik nog even voor me. Afzien met tegenwind en slagregens is zoveel inspannender dan stofzuigen, koken, stilzijn bij middagslaapjes, jezelf wat wegcijferen en theezetten voor vriendinnen. Normaal gesproken ben ik hondstrouw: mijn krant heb ik al 46 jaar, mijn tweelingbroer 64 en mijn vrouw 42. Wat fietsenmakerstrouw betreft ben ik een hoerenloper; ik bekijk de etalages en vergelijk. Ik ken ze allemaal: Roosken in Erica, Janszen in Noord-Sleen, Egberts in Borger, Zanting in New Amsterdam, en in MM: Zwiers op het industrieterrein, Holleman van Fietsen voor Jou, Klaas-Jan Terwisga voor mijn Gazelle en voor Inges e-bike de Wheelerdealer. De aanpak verschilt. Ze preken voor eigen parochies als dominees van 67 verschillende kerksoorten met hun eigen verzonnen goden en waarheden. Waar wel een lijn in zit: ze zien mijn afgetrapte Bulls nog niet of er moet een nieuwe ketting, stuurpen of cassette op en er is altijd wel een asje versleten en een fietsbroek van acht jaar, ja die kan ook echt niet meer hè. Onder de € 250,- uitkomen is net zo lastig als gemiddeld boven de 30 rijden op de atb. Alle fietsenmakers zijn aardige pikken. Ik word getriggerd door hun deskundigheid, praatjesmakerij, fietservaring en goedkoopte. Maar nooit door de overal aanwezige grootbeeldschermen met fietsers in de Ardennen die met ultragladde kuiten en wapperende lokken voor € 2.900,- aan kleertjes showen en zweetvrij colletjes pakken. Waar blijven de werkplaatsvrouwen? Goede adviezen genoeg. Ook over voeding. Een rijwielhersteller zei: “Maar dan neem je halverwege toch even de tijd voor een lekkere uitsmijter,” en dat was voor mij als zalf op een wonde. Onder fietsers is ‘een gelletje pakken’ net zo gewoon als ‘vrijheid blijheid’ voor liberalen op het jaarcongres en gedegen toekomstvisies voor durfpolitici als Jesse K. Als vuurwerk in ruim plastic verpakte gelletjes en sportsupplementen lijken me beter voor fabrikanten en doorverkopers dan voor spieren. Hoe doen de groten der aarde het met voedsel? ‘Mathieu van der Poel (dixit De Volkskrant) stond niet echt bekend als iemand die er een gebalanceerd dieet op nahield. Zijn ontbijt: twee witte pistoletjes, één met jam en één met ei. Drie uur voor de wedstrijd: pasta met ham en kaas en een flinke scheut ketchup. Na de koers een koffiekoek en een wentelteefje. En als dagafsluiting: een bak friet met ketchup, saté en een worst.’ Dat hij later in de supplementenbizniz is gegaan, zijn bedrijf is gebaseerd op de nutrigenomica, past in het beeld van de economistische sporter voor wie het geweten ook een verdienmodel is en rekbaar als opvattingen over knalvuurwerk, zwart en roetvegen. ‘Navraag,’ nog steeds de VK, ‘leert dat de wetenschappelijke basis van het bedrijf ‘wankel’ is.’ Zonder krentenbollen, bananen en Twixen was mijn dieet als pijnbestrijding zonder aspirine, als Tesla’s zonder accu, als vrouw zonder föhn.
Terug naar de Winterfiets Elfstedentocht. Vanaf nu is het trainingsdoel niet het lijf maar de geest. Die wil ik laten wennen aan succestochten. De mentale hardeschijf resetten door hem te verwennen. Dus fietsen met als doel superfit aan te komen en het idee te hebben de hele dag zonder inspanning door te kunnen trappen. Dus vanaf heden meer Harmonia en minder Ares en na afloop spinnenwebben ragen, de douche voorverwarmen, tijdschriften klaarleggen, slopen strijken en nooit vergeten te zeggen dat ondanks alles het haar goed zit. Ellertsveldroute: 55 kms.



Ik heb, een beetje laat, dat dan weer wel, de statistiekenknop van 
34 componenten telt mijn uitrusting. Maximaal 1.500 deelnemers kunnen op 2 februari meedoen aan de Winterfiets Elfstedentocht. Deze limiet maakt de tocht wel heel speciaal. Vergelijk dat eens met massastarts bij de pinksterfietstocht met meer dan 30.000 en de legendarische schaatstocht met plus 16.500 deelnemers. Nog 35 dagen.
staatsagressie beheerste en door imbeciele, megalomane bestuurders bestuurde streken, wat heb je eraan? Nou niks natuurlijk, maar soms is de bijvangst interessante beeldende kunst (The scar of Bethlehem door Banksy) of prachtige muziek. De Martinikerk met Nederlands beste kerkorgel (dixit de Volkskrant) is uitverkocht bij Kerst in Contrast. Organisten Euwe en Sybolt de Jong, producenten van Koffers vol met Bach, de eersteprijswinnende Bach-cd 2019, bespelen vijf orgel(tje)s en bieden als Premier League spelertrainers kansen aan 8 vocalisten en een altvioliste. Natuurlijk missen we de kers-op-de-taart saxofoon van vorig jaar een beetje. De vocalisten beheersen de kerkruimte als de jeugd van Ajax rondo’s op het hoofdveld. De traditionele kerstsongs worden in een beweeglijke jas gepresenteerd, vanuit alle hoeken en gaten komen ze gezongen aangewandeld, een ideale gelegenheid om de stemmen afzonderlijk en samen te horen; en dat viel niet tegen. Maar goed dat in de klassieke muziek niet teveel rancuneus wordt teruggekeken, anders hadden we een van de fraaiste stukken (Vom Himmel hoch da komm ich her) van de antisemiet Luther moeten missen. (hieronder een filmpje van de processiezang In nativitate domini)
Het is kersttijd en dus kun je wat verwachten. De muziek, zowat twintig kerstsongs, klinkt schitterend, de harmonia lichtvoetig en klein en het kerkorgel zoals hij eruitziet: groots, kleurrijk en imposant. De gekste teksten (met als toppunt een zich op het sterven verheugen) worden met het grootste plezier en de grootst mogelijke zangkwaliteiten gezongen. We horen geraffineerde echootjes, waarbij stemmen en orgelklanken, nog eens extra vertraagd door 25 meter afstand, elkaar nazeggen alsof het de natuurlijkste zaak van de wereld is. Soms doet een deel van het publiek, wie weet gestimuleerd door de even traditionele als verfrissende tocht langs de benen, hoestend en kuchend mee, wat, samen met de contrasterende (het concert heet niet voor niks ‘Kerst in Contrast’) kermisklanken van de Grote Markt een weldadig en tegelijk enigszins vervreemdend effect heeft.
Museum Voorlinden in Wassenaar bezorgde me nieuwe inzichten en citeerplannen, de expositie Less is more was zeer inspirerend.

Deelname aan het concert van het Grootkoor, na vijf lange repetities en bijna dagelijks oefenen, betekent voor mij zingen vanuit mijn tenen. Ik tel 8 rijen van 28 stoelen, misschien hier en daar wat open plaatsen, dus meer dan 200 zangers. De vrouwenbrigade links en rechts, zeg maar 85 sopranen en 85 alten bieden zoveel stevigheid dat van de mannen een max wordt gevraagd. En die kunnen ze krijgen. Ted en ik doen ons best. We hebben wekelijks samen gerepeteerd en kennen de muziek door en door. Toch is de generale een ramp. In de eetpauze, we worden even opgehokt in het voorportaal van een parkeergarage, zien we vertwijfelde koppen boven de eenvormige stropdassen en saaie sjaaltjes. Nou ja, eenvormige, one of the boys tenor Anneke steekt ons de loef af met een dubbele Windsor. Op afstand zijn we een Oekraïens koor uit de Stalinistische periode, of een CDA-congres uit de Brinkman-era, waarbij de standaardblauwe mannenbroederspakken zijn ingeruild voor crematoriumzwart. Ik mis kleuraccenten. Zo sterk is dus de kracht van samen zingen, dat individualisten zich voegen naar de gelijkvormigheid en stalen stramienen die het Grootkoormodel voorschrijven. De organisatie kruipt vanavond door het oog van de naald.
Het concert begint en het zwarte gat voor ons dat zaal heet, daagt ons uit tot het uiterste te gaan. Onzekerheid wordt betonnen enthousiasme. Zorgeloosheid verslaat aarzeling. De wil te genieten vermorzelt terughoudendheid. We zingen op volle kracht en geluksgevoel doorstroomt me als belastingvrije kerosine een KLM-straalmotor. Godver, waar zijn we, zonder iets van andere tenoren te horen klampen Ted en ik ons aan elkaar vast als apenjongen aan hun moeders, als teken aan boswachtersliezen. We realiseren ons dat we elke steun kunnen gebruiken. De dirigenten doen hun best als Wiegman of Sloetsky bij uitwedstrijden. De beloofde felle lipstick van de dirigente ontbreekt helaas, we moeten het doen met haar expressieve, moederlijke mimiek. Ik houd me in en ga niet als een marinier stampen als we Transeamus zingen. Fum, fum, fum gaat klinken als een rubberbal op ingenieus bewerkt eikenhout waarbij de mmmmm zalig navibreert. De eerste regels van Born in a stable klinken als graniet en de eerste noten van For unto us vergeten we maar even en ruilen we graag in voor een supergoedgelukt Glory glory christ has come of de met een vette f aangeduide Christ is the lord uit O holy night. En dan de allermooiste passages: wanneer 225 stemmen zacht klinken als fijnbesnaarde zielen.

Even iets over de spullen. Sinds kort mag ik mijn fietsen, een definitieve keuze voor 2 februari is nog steeds niet gemaakt, binnenshuis stallen. Als je 36 jaar getrouwd bent, dan gaat zoiets gemakkelijk, bijna vanzelf. Tien jaar geleden nog zou ik dit voor gods- allahonmogelijk hebben gehouden, maar nu staan de beide Bulls (een rode Desert Falcon en een witte Copperhead 1) in mijn werkkamer. In de warmte de ketting checken: geluk! De racefiets raakt met het voorwiel De heilige Rita van Tommy Wieringa en met het achterwiel wordt de poëziecollectie, gedrukt door handboekdrukker Peter Bekker, licht geschampt. Na elke rit hang ik de fiets aan twee plafondhaken en controleer en poets en smeer ik als koorzangers hun kelen voor een kerstoptreden. Ik houd scherp in de gaten geen olievlekken en bandensporen te maken.
Om je goed voor te bereiden moet je veel kilometers maken en goed eten. Het komt vooral aan op herstellen, zeggen wijsneuzige deskundigen. Kou op de maag en hongerklop is funest voor het resultaat, als weldenkendheid en redelijkheid voor goede Forum voor Democratie-verkiezingsuitslagen. Houd maar eens sportdrankjes vorstvrij, spookt door mijn hoofd. Ik weet nu hoe je bijna bevroren bananen onderweg moet eten. Het is een belangrijk ritueel dat oefening vergt. Het gaat erom dat je je maag niet aan onvermoede koude blootstelt. Met je gehandschoende hand pak je de banaan uit je rugzakje, bijt, te beginnen bij de door vorst versteende steel, de vrucht open en neemt een kleine hap. Je kauwt alles langdurig fijn tot een banaanbrei, een gestaafmixte olvaritachtige substantie, ontstaat. Je onderdrukt de slikreflex en blijft de drab tussen je tanden en kiezen doorduwen en persen als draderige lijm door een te smalle want dichtgeslibde tubekier. Net voordat je het doorslikt laat je het als peristaltische darmbewegingen, een soort kunstmatig kokhalsen, in je mond terugkomen, en als het kan nog een keer en nog eens, tot het warm is als zalvige babypoep en dan volgt de heerlijke omgekeerde ontlading, het uitgestelde, verwachte genotssummum en je voelt het naar binnen glijden als een gevaseliniseerde gummivinger van een aantrekkelijke verpleegkundige bij een prostaatonderzoek op vrijdagmiddag voor sluitingstijd.