
Je zus vertelt me dat je bent overleden. Ik leg net een foto aan de kant waarop je lachende kop staat. Raar hoe familiedraden kunnen lopen. Toevalligheden zijn als lijm in fotoboeken. Nog een lijmdraad: ik zit in een Zeeuwse periode en ben de Geheime Dagboeken van Hans Warren aan het herlezen. Van Warren weet ik veel meer dan van jou. Terug naar de foto: jij zit tussen je vader en moeder in, daarnaast je zus. Wij vieren onze eerste trouwdag. Jullie allevier een lach van oor tot oor. In onze familie is dat een bijzonderheid.
Ik herinner me de dag dat je werd geboren. Mijn moeder riep het door de woonkamer, ik met mijn rug tegen een lauwe radiator bezig drie kilo aardappelen te schillen. Mijn tweelingbroer hoefde ze alleen te ontpitten en te verzuipen. “Oom Auke en tante Doet hebben er een zoon bij.” Als ik jouw naam hoor vraag ik of jij naar mij bent vernoemd. Mem speelt Kurt Waldheim: “Ek nei dy jonge, fansels ek nei dy.” Onze vaders waren broers. Tussen jou en mij zitten dus vier lijmdraden spermatozoïden. Jullie woonden in de hoofdstad. Je vader had een artistieke inslag. Bouwkundig tekenaars verhuizen van woonboot naar flat naar waterkadehuis. Jou herinner ik me als een van de broers uit de Kameleon: strohaar dat alle kanten oppiekt, actie, fiere jongenspraat, een sympathieke belhamel en de wereld in willen.
Voor Friezen is Zeeland als Overijssel voor Arubanen. Een andere wereld. Wat hen bindt: water, een eigen draadjestaal en geloof in een verzonnen en aanbeden held die je later laat vallen als een hijskraan een basaltblok op een zompige dijk. Daarin verschilt de bijbel van de Kameleon. Als je een jaar of twaalf, dertien bent help ik, pas verhuisd naar de hoofdstad, je met de vervoeging van Engelse werkwoorden. Detail: waarom de paragraaf Engelse meervoudsvormen zo ver moet gaan dat zelfs de uitzondering – en achter ox is opgenomen, verbaast me tot vandaag. We lachen erom en roken een sigaret. Je ogen glinsteren als je praat over opgevoerde brommers en meiden in fietsenhokken. Kijk, daarover hadden ze het niet in die Kluitmanserie. Je helpt je vader die een glazen keukencocon in de woonkamer plaatst, je bent architect of niet.
Natuurlijk verliezen we elkaar uit het oog als jij de liefde zoekt in Zeeland. Voor Friezen is zo’n stap niet alledaags. Je doet waar je goed in bent. Penitentiaire inrichtingen zie ik voor me. Gevuld met gedetineerden en mannen als jij. Dat leven meer is dan werken en de familyman spelen weet jij als de beste en de burgemeester laat via marionettendraden de koning zijn kunstje doen met een terecht eerbetoon aan jou. Niet voor iedereen is Zeeland louter voorspoed en geluk, daar weten Hans Warren, jij en de jouwen alles van.
Als je vader doodgaat, Friezen huilen niet, spreek ik een dochter: wijs en ondernemend. In haar herken ik jou, waarom zou je klagen? Jij ziet er monter uit. De drieletterafkorting uit je voornaam heeft je in de tang. Je leven wordt geknepen. Ik denk aan een schroefdop die koolzuur tegenhoudt. De organist van dienst doet zijn best, maar vergeet een handvol klassiekers. Ouders moeten doodgaan voor hun kinderen. Vaders doen dat. Dat niet alle moeders zich aan die wetmatigheid houden is natuurlijk meer dan mooi.


Als ik Lubbers’ Zuidenveldkroniek lees voel ik me als een kind dat door een caleidoscoop kijkt: steeds zie ik wat nieuws. Een foto op pagina 275 symboliseert het Zuidenveldgevoel treffend: vijf mannen zorgen ervoor dat een vastgelopen aanhanger weer vlot komt: met vereende krachten iets tot een goed einde brengen, dat typeert dit feest. Roelie Lubbers-Hilbrands beschrijft in Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling 1920 – 2020 de zuidenveldtentoonstellingen in al zijn facetten. Het zou mij niet verbazen als bij de eerstvolgende Zuidenveldtentoonstelling een platte kar aan haar is gewijd: haar lach en blonde lokken met duizenden maiskorrels, graanstengels en een keur aan bloemen op een plateau uitgelicht. Het boek is opgedragen aan enkele familieleden en, hier zien we Lubbers de diplomaat, aan alle deelnemers, medewerkers en bezoekers: het volk van het Zuidenveld.
Ik leg het boek even weg. Een week denk ik na over wat ik heb gelezen. Wat herinner ik me na 168 uren het best? Dat niet alle werk nieuw is. Een inleiding die tekortschiet en dit boek een steen noemt. De éminences grises Kool en Omvlee die beiden een thema aanraken dat me al enkele jaren interesseert: wegkijkers en collaborateurs. Het mooiste woord uit de collectie: ‘slungellid’ uit een zkv van Veen. Dat het viertal light-Verse-dichters er al zo lang in slaagt zo kunstig gedichten te wrochten, vier individuen die samen een eenheid smeden in verzen die retestrak rijmen maar toch overeind blijven staan in mijn geheugen, is een prestatie van formaat. Mij bevalt het dichte en franjeloze van Gramsma, het mooie Drents van Boerema en meer. De schrijvers zijn op excursie geweest naar landschappelijke ingrepen in de buurt van Peest. Ik wist van landingsbanen in de buurt van Havelte, maar dit is nieuw voor me. Een hakenkruis in een vijver? Foutloos schrijven blijft nog een dingetje. Gestuntel met leestekens, verbaast waar verbaasd werd bedoeld; hen en niet hun, nazie i.p.v. nazi, enz.
een schilderij van Werkman waarop een sneeuwschepper voor een blinde muur weinig stond uit te voeren. Veel grijzen, zwarten en witten. Intrigerend, noemde ik het, spannend ook wel, maar niet een werk dat mijn hart sneller deed kloppen. Dat deden de ogen, mond en lippen van V wel. Iets verderop hing een Altink, een schitterend, vrolijk,
licht voorjaarsbeeld van een vervallen boerderij. “Blauwborgje,” lichtte oma mij in, toen ze mijn grote ogen het schilderij zag bewonderen. Steeds als oma mij een derde glas thee wilde inschenken zei V gewiekst: “Misschien heeft Klaas liever een flesje bier?” Omdat oma mij een goede partij voor V leek weigerde ze mij, ook al was de vraag ogenschijnlijk buiten mij om gesteld, nooit iets. “Pak zölf maar een flesje mien jong,” zei ze lief. In de gangkast vond ik twee lauwe pijpjes verschaald bier en onder een wit, gescheurd laken stonden schilderijen als enveloppen in een brievenstaander. In de gangkast!! Allemaal Ploegwerk…. Zo dus.
het woord cataclysmisch. Ik denk veel woorden te kennen, maar dit? Van sommige woorden kan ik me precies herinneren wanneer ik het voor het eerst hoorde. Het woord adipositas kende ik tot 270320 niet. Dat leerde ik van Diederik Gommers die meedeelde dat de meeste ic-patiënten daaraan lijden: zwaarlijvigheid. Nog een woord dat je nu geregeld hoort en waarvan ik het leermoment nog precies weet: triage en triëren. Ik ken het sinds mijn 60,47e jaar. Ik voelde al een week een pijntje in de onderbuik. Als mannen spreken van de onderbuik, bedoelen ze de omgeving van de pielemuis. Daar waar de onderbuik overgaat in het scrotum zat een gevoelige verdikking; zacht als dikke pap, dik als een gekneusde duim en pijnlijk als een ontstoken oor. Was het vocht, een bultje, een opgezette spier? Na een week negeren werd het vrijdags erger. In een wielrenboek had ik net gelezen over een derde bal. Wijs geworden door familieontwikkelingen werden vlekjes vlekken bobbeltjes verdikkingen bulten tumoren. De telefoniste startte het triëren. Zij wilde precies weten wat ik voelde voordat ik mijn broek voor haar jonge collega, een aio van 26 met bladderende lipstick, donshaar op d’r kaken in het zonlicht, paardenstaart, een aandoenlijke door een hockeystick afgebroken voortand, dichtgegroeide neuspiercinggaatjes, op de knie gescheurde skinny jeans en een krokodiltattoo die zijn staart onder de mouw uitstak als een pissebed zijn kontje onder een slecht afgekitte voeg in een toiletruimte, mocht laten zakken. Ik was getrieerd: gewogen en zwaar genoeg bevonden en mocht komen. Onmiddellijk verhevigden mijn klachten zich want ze werden al op afstand erkend. De aio gaapte even na de begroeting, bleef zitten als de moeder van een jengelend kind dat een gescheurde nagel laat zien, verschoof haar rijdende bureaustoel mijn kant op en richtte een felle lamp op een wegschietend zilvervisje en vervolgens op mijn apparaat als een detective een zaklamp op bloedsporen op een plaats delict. Met blauw gehandschoende vingers betastte, bekneep en bevoelde ze mijn, eh, onderbuik- en scrotumvel, aarzelde bij een oud en verweerd litteken, schoof achteruit, trok geroutineerd de handschoenen uit, waste d’r handen, beet een gescheurde nagel af, schreef een nota en checkte d’r facebook. Als 90% van de kwalen: gaat vanzelf over. Laatste woordnieuws: vanmorgen wil de OnzeTaal-rebus als oplossing capibara zien.