IN MEMORIAM  Tom Bottinga

Het bericht van zijn overlijden waait mijn kant op als een winters aanvoelende bui die uit velerlei hoeken en gaten aan komt dwarrelen. Mooi man dat hij het naast minnaar, echtgenoot en pa tot opa heeft geschopt, voor veel mannen een begerenswaardige positie in het hiervoormaals. We zullen zo’n twintig jaar vakcollega’s aan het Esdal College zijn geweest in, na het Fries, de mooiste taal op aarde. Leerlingen en sommige ouders zullen hem best eens wat streng gevonden hebben, maar dankzij docenten als Tom staat Nederland sinds jaar en dag fier op de eerste plaats in de Proficiency Index, dus ver voor inderdaad alle Scandinavische landen die in andere lijstjes altijd zo wanhopig proberen ons de loef af te steken en ook ver voor de zogenaamd warme landen die als het op Engelse taalvaardigheid aankomt koud als gazpacho zijn. Tom was een jaar of vier ouder dan ik, misschien zelfs wat wijzer en who knows iets zwaarder, hij was een levende reclamezuil voor de betere bretels als je het mij vraagt. Zonder mijn best te hoeven doen zie ik zijn onstuimige zeemansbaard en vrolijke krullenbol voor me. In de familieadvertentie lees ik over zijn welbespraaktheid, en dat hij af en toe wat politiek-incorrect en eigenwijs was. Geen slechte eigenschappen voor een senior-docent en voorzitter van de MR. Graag zou ik aan het lijstje het woord humoristisch toevoegen. Ik herinner me nog heel goed dat hij samen met Ted Schilder  ‘Ik bin schupt’  zong op de grote avond, beiden uitgedost in veel te strakke en te krappe bodybuildersbroekjes. In de MR moest Tom  discussiëren en wheelen en dealen met collega’s die zich uitsloofden in Prinzipienriterei, drammerige en stugge vasthoudendheid tegen beter weten in, maar die zonder uitzondering enthousiast waren en het beste voor hadden met het Esdal College, de enige school voor v.o. in Emmen die ook in de praktijk voor alle gezindten open staat. Ik herinner me heikele kwesties over nieuwbouw, salarisschalen, snoep in de kantine, gratis uit te reiken chromebooks en me-too gerelateerde issues. Deze kwesties leidden tot interessante, soms verhitte en altijd langdurige discussies en Tom had in een combi van charme, deskundigheid en gehaaidheid de kwaliteit overzicht te houden en een soort van eenheid te smeden waar we mee verder konden. En tsja, die afdelings- en kerndirecties, halfwassen teamleiders, inspecties, colleges van bestuur, gremia waar de MR soms mee te maken kreeg, ach, ze deden zonder uitzondering hun best. Tom was op zijn best als hij z’n kennis van het Engels kon etaleren en zonder moeite schudde hij een ‘You may fool all the people some of the time, you can even fool some of the people all of the time, but you can’t fool all the people all the time’ uit zijn mouw toen een kerndirectielid te vaak en te veel zijn eigen gang ging.

Tom jongen, rust in vrede en om met onze goede vriend The Shake te spreken: ‘When he shall die, take him and cut him out in little stars, and he will make the face of heaven so fine. That all the world will be in love with night, and pay no worship to the garish sun.’

Eeuwe Kijlstra

Zijn gezicht een lach van oor tot oor. Engels is voor hem dan ook geen straf. Zijn Engelse taalvaardigheid dankt hij aan zijn oneindig surfgedrag, games, mij, internationale chatgroups over ranzigheden van Australië tot Amerika’s westkust, BBC 1 t/m 3, en alles ertussenin.

‘Sir, what’s the meaning of the word turtle?’

‘Eeuwe, a sea animal that …’

‘Thanks sir, now I know,’ onderbreekt hij me, daarmee zijn kennis van het Engels en mijn overbodigheid, voor hem althans, tonend. Zijn linkerhand krult onrustig in de scheur in zijn spijkerbroek bij zijn knie.

Klas vier VMBO-TL aan de Anne Wadman Scholengemeenschap te Oosterzwaag werkt aan een examentekst. Hoe komt een Drentse scholengemeenschap aan de naam van een Friese schrijver?

‘Heeft de oude Trientsje Flokstra erdoor gedrukt,’ meldt Stien Wiekema, ‘Wadman is gewoon de beste  Noord-Nederlandse auteur van een kaliber dat Drenthe niet kent.’ Stien kijkt triomfantelijk de leraarskamer rond als een bull’s eye gooiende dartster na afloop van een avondje pub-quizzen in Zaal De Brinkies.

Drie jaar werk ik in Oosterzwaag en elke dag brengt me verbazingen als gevulde eksternesten een populierklimmer. Ik ben nog gedreven na twintig jaren in de hoofdvestiging van mijn school te E. Wil de inspecteur imponeren. Laten zien dat de zuipkeetjongens terecht Italië, Spanje en Finland verslaan in de proficiency-index die wereldwijd de Engelse taalvaardigheid onder studenten meet. En met Eeuwe heb ik beet. Goud. Hij is als Shangri Las’ leader of the pack. Bruinsma en Sprangers van de natte hoek, nog voorbij de gymzaal, verguizen hem als een rat en Toebesma, Fruwel en Quant-Sjok, tehatexers pur sang, een creatief drietal dat ik toch echt een keer over klaarkomen in het invalidentoilet had horen fluisteren, iets wat IJkkers in elke personeelsvergaderingpauze betwist, kunnen niets met Eeuwe beginnen.

‘Sir, done,’ en hij dumpt zijn tekst op mijn tafel.

‘And well done too, if you ask me,’ imiteert hij mij grijnzend en zelfbewust. De rest van 4TL zweet en reikhalst naar de eindelesfluit. Eeuwe pakt de spons uit de emmer waarbij krijtkalkrestjes een ingenieuze cirkel aan het wateroppervlak vormen als warme pis in natte sneeuw en veegt het bord schoon. Precies als hij is laat hij geen witte sporen achter en doet ook de aluminium randen. Heerlijk.

‘Time is up,’ roept hij door de klas, een minuut voor het einde en hij begint routineus de papieren op te halen.

Bij het volgende inspectiebezoek, ik krijg godverdomme weer die gladde bloedmooie Suze Rondemans – Ben Sallah die me alleen al met haar parfum imponeert als een tuimelaarster zaad zoekende straatdoffers en dan moet die mij tot op het bot verpulverende Berberse oogopslag nog komen, schuif ik Eeuwe naar voren met een wat ik instant-speech-opdracht noem.

‘Who’s in for an instant speech?’ vraag ik aan het eind van een pittig grammaticalesje over de lijdende vorm in het Engels.

‘I am sir,’ klinkt het luid en duidelijk en niet-ingestudeerd.

Suze Rondemans, achter in het lokaal, kijkt op uit d’r papierwinkel, I-padje op de tafelrand naast d’r gespierde verleidelijk opgetrokken linker voet die een libidokilling enkelsokje, verrek, nog met wol gevoerd ook, verraadt. Haar wenkbrauwen op zijn scherpst gelijnd als Riffijnse geometrische teksthaken uit de voor Marokko aangepaste Word-invoegsymbolen.

‘Attention please, I’d like to inform you of Squirtles, turtles and more,’ gaat Eeuwe rustig van start.

En dan begint mijn Eeuwe in feilloos R P, zeg maar Engelands ABN, een verhaal over Pokémon spelende dorpsmeisjes die zogenaamd niet weten dat squirting spuiten betekent maar wel allemaal op jacht zijn naar de blauwe Squirtle. Pokémonvaktermen als Wartortle, hidden ability, Isle of armor komen voorbij als biersoorten in zijn vaders als man cave verhulde zuipkeet aan de rand van Oosterzwaag waar ongeschoren Oosterzwagers gezamenlijk de Formule I volgen waarbij ze, halfdronken, luid Vroem-Vroem roepen.

Als Eeuwe een krijtje pakt en op het punt staat een squirtende vrouw af te beelden grijp ik in.

‘Thanks, Eeuwe, enough is enough.’

Suze glimlacht naar mij.

Afscheid van A

(fragment uit mijn afscheidsbrief in 2012 aan A, een van mijn allerliefste collega’s, docent aan het Esdal College te O)

Tot slot allerbeste A nog iets over ballen, ik verwed een deel van mijn salaris eronder dat er meer collega’s hetzelfde  thema gaan benoemen dat ik vanaf hier ga aansnijden wanneer ik je meest karakteristieke pose ga beschrijven die je in de personeelskamer aanneemt tijdens de middagpauze: je ziet een in blauwe jeans gehulde mevrouw, zeg maar gerust middle-aged, langs de koffiemachine schichten als een krolse kraai die een zilveren lepeltje ontwaart, met de blik strak gericht op de soeppan: het lid eraf en dan, het lijf iets naar voren hellend, tussen broek en shirt een reep wit, tuur je enkele seconden in de pan, je beslissensoren op volle toeren draaiend en dan neem je behoedzaam de soeplepel ter hand en maak je kleine draaikolkjes in de vloeistof, als een verfmenger in de Hema, waarbij je, de zijden van de soeplepel naar links en dan weer naar rechts kantelend, goed kunt observeren of er stukjes vlees en of gehakt voorbij komen en als dat het geval is (en kok K kennende is dat vaak het geval), dan priemen je ogen in de diepte van de pan, je gewicht steunt nu geheel op je tenen, en begint het jongleren met de soeplepel: een  geconcentreerd spel van heen en weer schuiven, als een kaasmaker die stremsel en wei scheidt, geluiden en bewegingen om je heen sluit je uit als een leerling die een examen gaat maken, waarbij het erop aankomt zo weinig mogelijk soep en zoveel mogelijk vaste stoffen in de lepel te vangen, als een goudzoeker in de weer met zeven en pannen om het kostbare residu niet te laten wegstromen, of als een bioloog die in troebele sloten kikkerdril op staat te vissen; als je goed luistert, hoor je de soepgolfjes over de soepelepelrand klotsen als buiswater in een BM’er op de Fluessen en dan, op het moment dat je beet hebt, zien we een gelukzalige glimlach op je gezicht: beet, hebbes, gotcha, je kijkt door je bril als een ivf-dokter die door de microscoop een serie  zeldzame superspermatozoïden waarneemt,  een junk net voor een hemels shotje, een koning voor de aankoop van een speedboat, en voor de sier laat je de soeplepel nog een keer naar beneden plonsen en kom je, net als iedereen, amechtig gapend, in je richting kijkt, met louter nattigheid naar boven met hoogstens ijle vermicellisliertjes of een draadje magere prei uit de collectie van Coöperatie Vergeten Groentes, dat je breed meanderend over de dikke buit onderin je soepkom sprenkelt, met een air van: wat een waterig soepje, waarbij je dan ook nog eens tergend semi-goedkeurend mompelt: ‘K had vandaag zeker een vegadagje, nou ja, ook lekker,’ of woorden van die strekking, als een verslaafde priester die na enkele kelken wijn veinst een watertje te drinken, of een alcoholiste die op een personeelsavond, naast de geheelonthoudende baas zittend, om een sjuutje vraagt en dan baan je je een weg naar je stoel, zet je neder en het grote genieten vangt aan, pretoogjes achter de bril; wie het waagt je tijdens dit haast orgastische moment te storen krijgt een vernietigende blik.

A, het ga je goed!

Tante Guoitske en De Ploeg (*) 11

foto: Gert Jan Lobbes

Corona droogt leuke activiteiten op als een uierdoekje koepisspatten. Omdat ik tijd over heb luister ik, voor het eerst op afstand, mee met een rouwdienst vanuit de gereformeerde Oosterkerk in Kollum, mijn geboorteplaats. Het betreft tante Guoitske. De organist speelt gezang veertien. Geconcentreerd blijven luisteren valt niet mee. Het luisterritueel is als een luistertoets op school. Er zijn afleidingen te over. Ik mis de beelden en probeer me een voorstelling te maken van de predikant: haar stem houdt het midden tussen de zakelijk/informatieve van een belastingtelefoonmedewerkster en de invoelende van een sociaal werkster. Het geluid kon beter en ik mis de  mogelijkheid lekker mee te zingen. Al multitaskend googel ik wat tijdens de saaie stukken en zo leer ik dat de architect van de kerk Ploeg-kunstenaar Egbert Reitsma was. Zijn kerkarchitectuur geldt als een belangrijk voorbeeld van regionaal vertaalde expressionistische Amsterdamse School-architectuur. Tijdens een rouwdienst een ouwe Ploeger ontdekken, hoe mooi is dat? Deze kerk was zijn eerste werkstuk. De plafondschilderingen in blauwpaars, vermiljoen, oker: hallucinante vormen, recht boven de gesloten ogen van tante Guoitske, zijn van Ploeglid George Martens. Ik lees over paraboolgewelven van Reitsma en Martens’ kerstkleuren.

Ik probeer me niet door Ploegkunst te laten afleiden en concentreer me op mijn tante. Ze was al oud en hoge ouderdom maakt verdriet lichter zoals het whisky lekkerder maakt. Deze tante was een speciale. Ze was groot. Jeugdherinneringen poppen up. Ze droeg lange, strakke rokken waarvan het zijritsje altijd op springen stond. Haar boezem de billen van Obelix. Het was net na kerst, mijn tweelingbroer en ik waren jarig. Tante trok me op haar schoot. Ik speelde veel met magneten. Mijn magneet klemde aan tantes bovenbeen. Ik hoopte op een stalen heupkop. Het was wat metaal van jarretellesclips die de magneet door de dunne rokstof detecteerde. Of me dat opwond? Het had mijn interesse. Tante verschoof onrustig op de stoel en had mijn belangstelling feilloos geregistreerd, voelde ik. Ik zal acht geweest zijn. Bij de verspugers op school zat ik in de hoogste regionen en mijn inwonende oom had me al door de neus leren boeren. Tante feliciteerde me. Ze had een kunstje verzonnen. De rijksdaalder had ze ingepakt. Een strak stuk plakband hield het papier bij elkaar. Ze vroeg me, ‘blijf bij mij heer’ of iets over nachtelijke herdertjes neuriënd, het geschenk met één hand uit te pakken. Ze wilde mij bezighouden, puur om mijn moeder te ontlasten. Die had genoeg drukte aan haar hoofd op een kinderverjaardag. Tante lachte samenzweerderig. Terwijl mijn rechterhand bezig was de onmogelijke klus te klaren, vlijde ze mijn linkerhand op haar bovenbeen en wreef een beetje heen en weer totdat mijn hand de ijzeren clip voelde. Ze knipoogde onzichtbaar. Mijn tweelingbroer kon al wat blokfluiten en zette welgemoed ‘All I want for Xmas is you’ in.

Ik googel verder en zie dat Reitsma een groot aantal kerken heeft ontworpen. Martens was getrouwd met Alida Pott. Ik besef dat tante Guoitske, postuum samenwerkend met corona, me wat oplevert: een herleving van de Ploeg-geschiedenis.

(*) Deze column verscheen in Ploegblad Special nr 7, dec 2020

Beste Klaastaallezers, een goed 2021!

Beste Klaastaallezers uit Leek, Zwolle, Woerden, Leuven, Rotterdam, Bergschenhoek, Haren, Gouda, Winsum, Kollum, Amsterdam, Beiijng, Zevenhuizen, Assen, Brussels, Burgum, Arnhem, Winschoten, Tubbergen, Bleiswijk, Wuhan, Amersfoort, Paris, Maarssen, Utrecht, Rouveen, Ureterp, Nootdorp, enzovoort, enzoverder,

Een goed 2021!

Je vleugels zijn bijna doorschijnend als kermis- of kerstmisengels in de schappen van de action naast de mirre en de kukident, jij, vlinder, rebelse vogel, je kiest voor ons huis met nog steeds r-factor 0, de pas geverfde zuidzijde nog wel, goed hoor, je stuiterde tegen de steen als moshende libellen op een zwembadrandfeest, wie ben je? je voelt je licht, bijna als een lege verzameling dagpauwogen; verre familieleden van jou moeten het doen met aleppo, siddeburen, bethlehem of oudwoude, zonder snoeiharde houtvingers zoek je scherptediepte op zacht wit, je bent de onschuld zelve, als met wierook ventende herders, toonbeeld van saudade, van een afstand oog je breekbaar, maar je hebt grinta van een judoër, je vleugelslichaamstaal spreekt boekdelen: weer heel anders dan de duizenden ganzen zuidelijk van zwartemeer die als vuurwerk of republikeinen met veel te luide stemmen alles willen overvleugelen en -heersen, wij doen alsof we ganzenherders zijn en bezoeken en filmen ze en we observeren jou als je, een maand of wat voor kerst, even rust, en niet aan vogelgriepvrij ganzenstoofvlees uit de oven wil denken, peinzend, je ogen dicht, schouders neer, verwonder je je over de wereldleeddingen dichtbij als haperende kerststerren en ver als verwende koningskinderen; je puft uit op een nieuwe witte muur die je uitnodigt en beschermt en troost, zoekend kijk je langs de voeg de geblutste wereld in, als het je even teveel wordt vouw je kwetsbaarheid op als logeerbedlakens, weggestopt voor slecht nieuws en aanslagkansen via cartoon, alfabet of stembiljet, dierenleed met kerst is je een zorg en we wensen je van alles het beste en een werkend vaccin in een onbedreigd 2021.                                                                    

De Ploeg in Sneek 10

Dijkstra

Als hondstrouwe Ploegvriend bezoek ik de kunstbende in mijn heitelân en wel in het Fries Scheepvaart Museum aan het Kleinzand in Snits. Als antwoord op de standaardvraag welk kunstwerk de meeste indruk maakte pesterig: dat van Johan Dijkstra uit de vorige eeuw noemen, nee, gaan we niet doen en ik stap, ‘Frysk bloed tsjoch op! wol nou ris brûze en siede’ neuriënd, het museum binnen. Een mooie, kleine, overzichtelijke expo is het geworden. Wie zitten dan wel in mijn topvijf? Alfabetisch: Cornelius, Geertjes, Van Holten, Kracht, en, sja, eeh, toch good old Dijkstra en als reserve nummer zes Benniks met een vijverdraak.

Benniks

Gemeenschappelijke deler moet zijn geweest: water in Friesland en vooral liever geen olieverven. Iedereen houdt zich eraan, op Reinier van den Berg na die zich met roerijzers en een kievit (geen watervogel Reinier!) presenteert.

Cornelius

Meest opvallende werk is een druksel van Kracht; in hoekige

Kracht

zwarten en witten waarin we bootstevens, delen van een vuurtoren, hoekige golven, gestileerde mondkapjes, zeilen, driekantige hoefijzers, Friese kerktorens, vissen- en meeuwenkoppen en meer ontdekken. Van Holten komt

Van Holten

met gouwe ouwe strakke lijnen met een waddendijk en een lage horizon in zijn kenmerkende blauwen, gelen en, deze keer een opvallend koffievlekje dat ik ontwaar omdat ik altijd op zoek ben naar Van Holtens verfdijkjes waartegenaan hij zijn strakke landschapslijnen bijna boetserend uit de hand penseelt. Cornelius verrast doordat ze met houtskool, voor mij welhaast de techniek die de minst precieze fotografische golven zou kunnen opleveren, toch de meest fotografische golven weet te smeden en de schuin lopende horizon geeft je gelijk een schommelendebootgevoel dat me onmiddellijk naar mijn jeugd terugwerpt toen ik, altijd zeeziek, op zondag mee moest naar Ameland of Schier. En dan de fijne kleurencombi’s van

Geertjes

Geertjes op een drieluik (wow, VERKOCHT!) met onbestemde wriemelende vormpjes waarin we na een poosje onder een microscoop uitvergrote darm- of waterbacteriën of regelmatig/onregelmatige schuimkopjes zien die in gezamenlijkheid wateroppervlakken tonen. Benniks levert een fijn geschilderde libel op een houtstronk af.

Als Ploegwatcher zie ik nieuwe namen in de club: Dick Breunis met ruimtelijke composities waarbij de minimalistische terpkerkjes op grote houten blokken me meer doen dan de uit ruw cortenstaal gefabriekte zeilschuit en Marloes Buigel Boering met vlot geschilderde schuin hangende kleurige zeilboten, mooi hoor, maar beiden zijn aan de prijs lijkt mij, maar wie weet bewijst de geschiedenis hun gelijk. Ook mis ik een paar familieleden (Toos, Annelies, Thomas, Reina, Wouter, Hans, Lydia), hopelijk zijn ze niet door staatsvijand nummer één, c, geveld.

Open brief aan de gemeenteraadsleden en commissieleden van de gemeente Emmen

Emmen, 7 december 2020,

Open brief aan de gemeenteraadsleden en commissieleden van de gemeente Emmen

i.a.a. de wethouders en de burgemeester van Emmen

Onderwerp: ontwikkelingen in Noordbarge

Geachte leden van de gemeenteraad en commissieleden in Emmen,

In Noordbarge, met zo’n 750 zielen qua inwoneraantal één van de kleinste wijken in Emmen, gebeurt veel. Er is een stadsboerderij in ontwikkeling, de Ermerweg is vernieuwd, er is een groeiende basisschool De Stroeten, een nieuwe school van AOC Terra, een hoofdkantoor van een internationaal opererende religieuze organisatie, een actieve carbid- en stoetbakgroep, een EOP die recent speelterreintjes en een fitnessparkje realiseerde en een historische commissie die twee boeken publiceerde. En er is een bezige redactiegroep die de nieuwsvoorziening via www.noordbarge.info organiseert.

Veel veranderingen en vernieuwingen verlopen geruisloos, maar soms is er wat ophef en ruis. Graag uw aandacht voor een op handen zijnde ontwikkeling die de sociale cohesie dreigt aan te tasten als betonrot oude flatgebouwen.

AOC Terra had tot vorig jaar de beschikking over twee locaties. Eén van de twee locaties is na de nieuwbouw verkocht aan een combi van projectontwikkelaars: Peter van Dijk Projects in Emmen en Bemog in Zwolle. Kortgeleden is de wijk via een zoom-meeting op de hoogte gesteld van de plannen. De projectontwikkelaars hebben een website gelanceerd https://woneninnoordbarge.nl/ die ooit de uitgewerkte plannen wel zal tonen. Bij de zoom-meeting waren er al wel plaatjes en situatieschetsen voorhanden. Het verslag van deze videoconferentie leest u op: Videoconferentie nieuwe plan Noordbarge – PB Noordbarge.

Als inwoner van Noordbarge heb ik de plannen bekeken. Aanvankelijk leek het me niet eens zo gek, maar allengs, in een proces van er kritisch over nadenken, zie ik toch bezwaren en nadelen. Op de website van Noordbarge verscheen: Wensen voor bebouwing terrein AOC Terra – PB Noordbarge.

Wat zijn de plannen? Twaalf exclusieve villa’s op grote percelen. Terwijl in heel Nederland de woningnood groot is en volgens mij meer in de huur- en de starterskoopwoningsector dan in de villabouw, presenteren de ontwikkelaars een eenzijdig plan met slechts twaalf woningen voor nog te importeren miljonairs. Je ziet de elektronisch bediende stalen hekwerken die nu al her en der in Noordbarge verschijnen al voor je. Variatie ontbreekt. Er is geen ruimte voor kleinschalige appartementen, een knarrenhof, tiny houses of andere woonvoorzieningen.

Ik ben niet uit op online propaganda, ik ga geen actiegroep oprichten, mijn enige doel is u informeren. Democraat in hart en nieren vind ik dat het belangrijkste beslisorgaan in de gemeente, de gemeenteraad, op de hoogte moet zijn van wat er speelt, vandaar deze open brief, ik ben als de dood dat er straks door al te ambtelijke doortastendheid niet te herroepen beslissingen worden genomen, waarvan u achteraf zegt: ach had ik het maar geweten. Dhr. Van Dijk poogde ik op andere gedachten te brengen via een open brief die ik eerder publiceerde https://klaastaal.nl/open-brief-aan-peter-van-dijk-keer-om-alstublieft/.

Beste leden van de gemeenteraad en commissieleden in Emmen, het lot van de toekomstige ontwikkelingen in Noordbarge ligt in uw handen.

Hoogachtend en met vriendelijke groet,

Klaas van der Meulen /Klaas.meulen@gmail.com

Een maand lang 50 kms per dag fietsen

Tim Krabbé: ‘Niet-wielrenners, de leegheid van die levens schokt me.’

Wat levert 30 dagen elke dag vijftig kilometers fietsen mij op? Mijn lijf kan het goed aan, ik voel me superfit en energiek. Wel geef ik toe aan extra rustperioden overdag. ’s Middags slaap ik gemakkelijk ½ – 1 uur en dan ’s nachts nog 8 à 9. Mijn gewicht blijft gelijk, mijn zoet- en vetlust boeten niet in. Niets lekkerder dan ’s avonds een schaaltje doppinda’s (die uit de Lidl zijn de beste), een gestoomde makreel, een blik Oetinger gemengd met een blik Radler; deze mix is in mijn ogen dan geen bier meer.

G. Wells: Elke keer als ik een volwassene op een fiets zie, vrees ik niet langer voor de toekomst van het menselijk ras.’

Aan stoppen gedacht? Nee. De echte inspanning begon op de zondag van de val. De ribben waren een week lang superpijnlijk. Zelfs met 8 paracetamol of 8 aspirines waren een spoorweg oversteken, de laatste 10 centimeter bij gaan liggen of de eerste 10 bij opstaan erg gevoelig. Er is nu eenmaal niets te doen aan gekneusde ribben, behalve rust nemen, maar rust kan je ook een paar dagen uitstellen. Al met al bleef het draaglijk, zodat ik de 1.500 kms in 30 dagen kon afmaken. Stoppen, klagen of een huisarts die niets met bewegen heeft en enkel vraagt: wat wil je zelf, bezoeken is een keuze.

Ron Weleters (filosoof): ‘Een streng dieet van noeste ascetische arbeid baart meer weerstand en duurzame levenskunst. Vooral ook als je er alleen op uittrekt en vol in de wind moet fietsen. Lang leve de solitaire duursporter.’

Tegenzin had ik eigenlijk niet, nooit. Verveelde ik me onder het fietsen dan schreef ik in gedachten. Mijn wekelijkse Klaastaalteksten, een nieuwjaarskaarttekst, een column voor het Ploeg-magazine, recensies voor Roet en een gelegenheidstekst als een In Memoriam. Mijn denkschrijflust ging zelfs zo ver dat ik bij thuiskomst aan vrouw I meldde een I M voor iemand klaar te hebben en dat zij opmerkte: ‘Maar die leeft toch nog?’

Ron Welters: ‘Wie veel traint is geneigd oppervlakkig hedonistisch consumentisme in te ruilen voor een bewustere, betere omgang met planeet aarde.’

Op de fiets in de frisse lucht wat nadenken doet een mens goed. Bijvoorbeeld over hoe een euthanasieverklaring geformuleerd dient te worden, wanneer de dahlia’s eruit moeten, de laatstewilpil, in hoeverre ik megalomane projectontwikkelaars de voet dwars wil zetten, de uitspraak van Joost Prinsen dat rouwen een vorm van zelfmedelijden is, hoe Nedersaksisch in Noordoost-Friesland neerstreek, de vraag of een dementerende in een verpleeghuis jaren en jaren te (laten) verzorgen een vorm van narcisme, goedertierenheid, egoïsme, menslievende hulp of een mengvorm, egoïstisch altruïsme, is.

Owen Wijndal (speler AZ): ‘Als je lekker in je vel zit is het juist leuk om veel te voetballen (= fietsen).’ 

De dertigste fietsdag is het bitter koud en de wind bijt in mijn wangen als in 1979 Svetlana in mijn tongpunt toen ze me voor de leuke lessen bedankte. Met een goed gevoel beëindig ik mijn fietstaak en overdenk wat 100 kms per dag zou doen met het lijf van een 65-jarige in 2021??

Fietsdagboek weken III en IV; 50 kms/dag

Na week drie denk ik: nog negen keer. Zoals een autospuiter na laag op laag wegschuren ziet dat je drie jaar geleden een oranje paal hebt geraakt, voelt de fysio na ongenadig in je billen te hebben geduwd, zoekend naar ‘trigger points’ die je met dry-needles te lijf kan gaan, dat je een jaar geleden een smak hebt gemaakt. Nog steeds voelen de bovenbenen soms superstrak en is een schram op mijn rechterbil via een gevoeligheidje, een bultje, een schraal plekje, een bobbeltje, een rood richeltje, een wondje geworden dat extra verzorging behoeft. Strak afplakken met een blaarpleister helpt tot nu toe.

Ik zit aan het eind van week drie nog steeds op een gemiddelde van 50,33 kms/dag. De wind wordt steviger, de temperatuur daalt, en de sleur komt binnen. Kou en regen vallen mee.

Op zondag slaan noodlotten toe. Bij Veenoord landt een ambulancehelicopter op de weg naast drie politieauto’s, een brandweerwagen, een over de kop geslagen auto, een onthutste chauffeuse en twaalf brandweerlieden. Die redden het wel zonder mij. Een half uur later twijfel ik tussen afslaan naar Barger Oosterveld of even rechtdoor richting Foxel. De zon schijnt mild, de wind is schraal, een groep ganzen vliegt in een immense V en het wordt Foxel. Ik befiets een betonnen fietspad aan het Verlengde Scholtenskanaal Oostzijde. Het lijkt alsof het beton is gevlinderd, maar de gevolgen daarvan besef ik te laat. Het fietspad gaat bij een bocht omhoog en buigt af naar rechts. Mijn snelheid is 22 kms/uur. Ik hoor een auto, een gepimpte Opel Manta uit 1978 geloof ik, oranje, met uitschuifbare antenne, achter mij snel naderen en ik besluit geheel tegen mijn gewoonte te remmen en te stoppen en de Manta te groeten. Gevlinderd beton is spekglad. Onheil ligt op de loer als Dobermannen achter erfhekken. Maar nog heb ik niets door. Naar lucht happend lig ik ineens tussen twee witte strepen. Midden op de weg. Ik schreeuw als een aangereden hert. De auto is afgeslagen. Het ligstuur duwt mijn rechterlong plat terwijl de ribben dat proberen tegen te gaan als klaarovers naderend vrachtverkeer. Ik blijf even liggen. Niets gebroken, maar overal pijntjes. Heup, knie, ribben, linkerpols en rechterhandpalm. Ik vloek hartgrondig. Ik realiseer me dat je dus wel in je eentje vloekt en schreeuwt terwijl je voor klaaglijk zuchten en huilen toeschouwers nodig hebt, tenminste als je psychologisch onderzoek kan geloven. De Sensa Sella Evo Ltd is nog in orde. Schijfremmen, trapas, derailleur, stuur: neatniksnadaniente. Ik breek mijn route af en ga op huis aan. Onderweg vallen de pijntjes mee. Thuis til ik met moeite mijn Sensa op en hang haar aan de standaard voor een visuele inspectie. Wat lakschade aan de stang. Verder niets. ’s Middags nog onbekommerd gewandeld met familie. Acht uur na de val, FC Emmen begint net tegen AZ, ontspannen mijn spieren en spelen de gekwetste ribben op als verlate protesten tegen Baudet. Twee keer twee paracetamol doen niets.

Maandagmorgen overdenk ik mijn challenge: een maand lang 50 kms per dag wordt lastig. Maar de veertig, het oorspronkelijke doel, is bereikbaar. Twee Bayer aspirines geven wel verlichting. Als proef fiets ik een stukske met vrouw I en als ik mijn rechterlong niet gebruik gaat het goed. Nu begint mijn uitdaging pas realiseer ik me.

Op dinsdag fiets ik puur op beenkracht en laat de longen thuis. De kou fungeert als een grote tie-wrap om mijn borst. Als ik bij onregelmatigheden in de weg op tijd op de trappers ga staan, voel ik weinig. Kalm en puur op souplesse doe ik 69 kms in 2.55 uur. Nog zes dagen te gaan. woensdag en donderdag zijn moeilijk. De gekneusde ribben voelen als de metalen tanden van een bladhark die over elkaar heen knarsen. Fietsen blijft nog mogelijk, nu met 22 km/u en dagelijks 8 aspirines. Bij strakke sokken aan- of uittrekken en opstaan krijg ik hulp van vrouw I die voor een verdubbeling van het kleedbudget alles wel wil doen. Op bed gaan liggen en de eerste vijf minuten van opstaan doen de hele week gemeen pijn.

Ruim dan ook je sleutels op

Het zit hem in de woorden ‘dan ook’. De zin ‘Ruim je sleutels op’ is een gebiedende wijs die in elk huwelijk klinkt. Staat er ‘dan ook’ bij dan is sprake van een sleur, een gewoonte en je verwacht erachteraan te horen ‘hoe vaak heb ik dat niet gezegd.’

In 1994, ik was 38, schreef ik het gedicht De erfenis / Hoe je over dertig jaren bent / werd mij in ’t echt nog niet / gevraagd, godzijgedankt, al / kwelt het mij bij vlagen wreed / omdat ik het antwoord ken, / zonder spoor van twijfel: / dan ben ik mateloos dement. / Je erfenis luidt: naam, moedertaal / soms zelfs broeder God en zijn gebod, / maar ook, diep weggeborgen / in je genen huizen nare trekjes, / word je voor niks aangeslagen / door ongewenste kwalen.

Een man van begin zestig zie ik. Onrustige ogen en handen. Moeilijk te verstaan. Ik vind hem onmiddellijk sympathiek. Hij staat naast een pony in een paardenwei. Iets verderop een schuurtje, een scheef hangend hek en in de verte een passerende trein. Een minuut later loopt hij onrustig heen en weer voor zijn huis. Zijn stem luider nu maar vele malen onverstaanbaarder. Als de camera op hem inzoomt begrijp ik dat hij de huissleutel kwijt is. Hij oogt als een fabrieksarbeider die nabij zijn eigen huis wordt gefilmd. De voice-over praat me bij. De man is dementerend. Ik schrik, want ik zie mijn toekomstige zelf, tenminste als de genen mij niet bedriegen. Mijn twee beppes waren door dementie aangetast als eikenhouten planken door houtworm, hoewel, beppe Jelske kon ook gewoon een geestesziekte hebben gehad, maar de immer psalmen zingende beppe Tjitske was, zoals mensen die niks van dementie moeten hebben, vaak zeggen: zo dement als een deur.

De vrouw van de man komt in beeld. Zorgelijk kijkend en meer langs haar man in het niets pratend dan tegen hem. Zeker, ze heeft het zwaar. Zo sympa als ik de man vind, zo naar vind ik haar. Zelden zag ik zo weinig liefde en compassie. Gedurende de documentaire zie ik haar eenmaal d’r man aanraken, terwijl ‘s mans lichaamstaal schreeuwt: houd me eens vast, knuffel mij, raak me aan.

Zonder me in te spannen leef ik met de man mee en word ik verdrietiger. Ik zie zijn ongeluk, kwetsbaarheid en opgeslotenheid in de schemer van zijn gedachten. Alles wat hem plezier geeft wordt hem afgenomen. Hij heeft een eigen plekje met een pony, wat scharrelkippen; een paradijsje. Een biotoop waar elke zorgboerderijeigenaar een moord voor zou plegen. De man rookt en morst weleens wat shagrestjes, iets wat zijn vrouw woedend maakt.

Gek, maar alles wat zij doet kan op mijn hoon rekenen. Ik doe mijn best iets positiefs van haar te zien, maar het lukt me niet. Mijn medelijden met de man groeit met de minuut. Ik ontdek dat hij wordt gefilmd door zijn zoon. Ineens komt een makelaar in beeld. Makelaars betekenen doorgaans slecht nieuws. En ja hoor, de vluchtheuvel wordt verkocht. Ik schreeuw door de kamer: doe het niet, sukkels. Zijn droefheid word heviger en slaat op mij over.

De ruwste scene is voor de deur van een inrichting voor dementerenden. De man ijsbeert en weigert, gelokt door een accordeon spelende vrijwilliger, naar binnen te gaan en vloekt luid, onverstaanbaar. Met pilletjes wordt zijn gevoel gedempt en zoals zijn tegenstribbelende pony achterstevoren de trailer in werd geduwd op weg naar de paardenslager, zo wordt hij de inrichting ingedreven, ingeschoven bijna. Aan het eind van de film slaat zijn filmende zoon een arm om hem heen. Beiden worden zeer emotioneel. Binnen een jaar na opname overlijdt de man.