Reitemakersrijge 14

Een keer tweede op de Groningse Vier Mijl en deelnemer aan Sterren op het Doek; en toch is het met haar nog goed gekomen. Beeldend kunstenaar Silvia Benniks in de Oosterpoort. Haar werk kenmerkt zich door meticuleuze precisie. We zien een meisjeshoofd dat samensmelt met een vogel. Op de achtergrond een oosters aandoend lijnenspel als de Stravaroute van een door hallucinogenen aangedreven hardloper. Ogen die verraden dat er wordt nagedacht over de kooktijd van een centraal afgebeeld kievitsei. Dat Benniks nog meer kan bewijst een schitterend portret van een vrouw. Ze wordt afgebeeld voor de Kalender van Boerenzonen die Campina de rug hebben toegekeerd, de tot ethisch inkeer gekomen Fiscaal Juristen of over hun rol in de slaventijd piekerende protestanten.

Elke plaats, wijk, stad, is vanuit zichzelf bekeken het centrum van de wereld. Dat geldt zeker voor de Reitemakersrijge op een zonnige zondag in oktober. Een dixie in de straat, schriklinten en extra verkeersborden voor buitenwijkbewoners versterken dat gevoel. Houd je niet van zweetgeur, voorbij stampende lopers van wie sommigen er een eer in stellen ongetraind aan de viermijlsloop mee te wandelen, dan is de openatelierdag van de Ploeg een mooi alternatief. Alleen voor vrienden en leden, dat dan weer wel. Hardlopers en Filistijnen houden ze bij de Ploeg deze keer, als bij een paaldansclubreünie die enkel oud-medewerkers en vaste klanten van het Hooge Laand toelaat, het liefst buiten de deur.

Op naar Gommer. De schilderijen van Annelies Gommer verbergen een mysterie. Ik doe mijn best schaars verlichte mistige steegjes en garages te zien. Maar ik zie een stokoude lerares algebra die ’s avonds tegen alle goed bedoelde adviezen in haar poedel uitlaat in een door motregen en flikkerende straatlantaarns versterkte schemering. Het diffuse vervreemdende schijnsel trekt scooterrijders aan die denken dat ze de moeder van een kroongetuigen verdedigende advocaat is. Jagend op een zilveren halsketting zijn ze van plan haar voor hetzelfde geld te doen, dat is met een Umarex Smith & Wesson waarvan de loop is ingekort om te leggen. Gommer relativeert mijn gedachten met een samenvattend: ‘Spanning, rust, verstilling, verhalen bij een dramatische lichtval.’

Ondertussen doet Groningen als een overjarige Steradenttablet zijn best te bruisen. Publiek wil renners en als postbodes sjokkende Frenkie de Jongs (in Spanje heet hij al El Tejero) aanmoedigen. Toekijken op terrassen. We zien zelfs hardlopers bier drinken. Mobiele AED’s slijten op deze middag meer dan na jaren hangen in na 17.00 uur gesloten buurthuizen en voetbalkantines. Het aardige van hardloopfestijnen, heel anders dan festivals of Vindicatfeestjes, is dat vuilnisbakken worden gebruikt.

Op de fiets naar Aduard, waar Reinier van den Berg zijn veelzijdigheid aan elke zijde van het dorp etaleert als een zonaanbidster haar lijf aan de zon. Na een gepimpte fietsenstalling bij Aduard-zuid nu ook RVS-banken in noord en oost. In zijn atelier: met water uitgezaagde platen multiplex die ‘adem’ in alle verschijningsvormen belichten. Van den Berg zoekt en vindt industriële toepassingen. Een schitterend vormgegeven bidbook moet de ‘ademserie’ de weg wijzen. Dat gaat, wed ik, wie weet in Den Bosch, lukken.

Reitemakersrijge 13

Van de ene provinciestad naar de andere verhuizen kent het gevaar dat je alles met elkaar vergelijkt. Dat levert plussen en minnen op. Oppassen dus dat je in een blik beperkende vlaag van romantiserende geschiedvervalsing, waar vele senioren, naast brokkelige kalknagels, piekende neusharen, extra oorsmeer, verminderend libido, en vet- en alcoholzucht aan lijden, je vorige woonplaats niet alle credits geeft. Op voetbaltrainersfatsoen, wijkbestuur, ruimtelijkheid, winterse zoutstrooiroutes en kennis van het Drents wint Emmen het. By far. Wat culturele voorzieningen, stadse vaarroutes, het ‘Ik-vertrek-sentiment’ en fietsenstallingproblematiek aangaat, staat Groningen bovenaan. Dat stadjers geen boeken zouden lezen herroep ik, na een gezellige sessie met stadjers die allen (allen? Ja, allen!) Lale Gul achter de kiezen hadden en ooit hadden geroken aan W. F. Hermans.

Ons huizenblok heeft een VVE die zich uitsluitend met het beheer van de binnentuin bezighoudt. Dus geen gekrakeel over lekkende dakgoten, de verfdruppen morsende winterschilder en baksteenonderhoud, maar enkel onderwerpen als tot hoever de vlier moet worden teruggesnoeid, of zevenblad onkruid, soepgroente of een bodembedekker is, die het ook nog eens goed doet in de thee en of bij de jaarlijkse barbecue alcoholvrije wijn moet worden geschonken.

Het wijkbestuur in Groningen staat vergeleken bij Emmen in de kinderschoenen, als je al over schoenen mag praten. Emmen is strak georganiseerd in 35 Erkende Overleg Partners die alle jaarlijks een gemeentelijk budget ontvangen. Die autonoom plannen mogen ontwikkelen. En, gesteund door het stadhuis, mogen uitvoeren. De burgemeester is portefeuillehouder en bezoekt elke EOP eenmaal per jaar. Mijn oude wijkbestuur in Noordbarge telde 9 leden, waarvan vijf vrouw en vier onder de veertig. Bij het jaarlijkse wijkbewonersontbijt komen circa 100 personen. Ik geef toe: de Noordbargegetallen zijn voor de hele gemeente Emmen niet representatief.

In Groningen maak ik kennis met Buurtvereniging A-kwartier.

 

Reitemakersrijge 12

Voor een dorpsjongen is de move naar een provinciehoofdstad soms een schokje of zelfs schok. Denk aan een Afghaan die naar Apeldoorn verhuist. Een koningskind dat naar een kostschool moet. Een hengst die in een circus verzeild raakt. De dimensies veranderen als Remkes’ humeur en jeneverzucht en worden zowel kleiner als groter, losser als strenger, wijder als enger.

Ben je in een dorp gewend aan grote tuinen, in de stad moet je je behelpen met een gemeenschappelijke tuin en geveltuinen. Voor een goed begrip: dat zijn geen tegen de muur aan hangende tuinen, hoewel dat best kan hoor (¹), nee het zijn veertig centimeter diepe strookjes tuin pal tegen je gevel aan. En zo breed als je huis is, minus 40 cm aan de kopse kanten. Visualiseer het eens door aan een duimstok op het dak van een flat te denken. Zoiets dus. Dichtte J. C. Bloem (1887 – 1966) niet al ‘En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant’?

De voordelen van geveltuinen zijn ontelbaar. Esthetische. Ecologische. Sociale. Economische. Je huis krijgt een make-over van jewelste: een saaie, lelijke, verweerde, uitgeslagen, bakstenen kolos krijgt iets puurs, verrassends, moois en zachts als een Catalaanse of Limburgse plattelandsvrouw na een bezoek aan een beautysalon (met een pas geopende epileerafdeling). Kostbaar hemelwater spoelt niet gelijk de riolen in om daar met uitgewaterd Leffe-Blond, coke- of covidresten te worden verdund, maar zet krulsla en Oost-Indische kers in bloei en groei. Voorbijgangers wenden niet geschrokken hun gezicht af alsof ze Danny Buys’ tattoos zien of hem horen vloeken en tieren, maar maken een ontspannen praatje met onkruidjes verwijderende eigenaren. Huizenwaarden stijgen als verkiezingspolls van Pieter Omtzigt.

Groningen kent diverse straten waar huis aan huis geveltuintjes zijn ingericht. Neem de Schuitemakersstraat. Het contrast met de Reitemakersrijge is groot. Zacht tegenover hard, groen tegenover roodgrijs, ecologisch verantwoord tegenover klimaatsceptisch. De gemeente, zich ervan bewust dat als je de klimaatdoelen wilt halen, je iets moet doen, bevordert uit alle macht de straatreparaties. Er is speciaal een behulpzame, binnen een paar uur op mails reagerende, ambtenaar voor aangesteld. Men heeft er zelfs een nieuw woord voor verzonnen: tegelwippen. Er worden wedstrijden aangegaan met andere provinciehoofdsteden waarbij Groningen, als haar FC in dubieuze kantoren van matchfixers, immer aan kop staat.

(¹) zie ook de ‘carton garden’ van Studio Carolijn Slottje

Reitemakersrijge 11

Projectontwikkelaars en roependen in de woestijn krijgen soms, en Minnesma van Urgenda altijd, pas na een kwart eeuw het gelijk aan hun zijde. Of de socialmediabrandstapel van de twitterintelligentsia. Toen in 1994 de nieuwbouw aan de Schuitemakersstraat en de Reitemakersrijge werd opgeleverd was er sprake van een unicum. Nou ja, unicum, helemaal uniek was het niet maar speciaal zeker. Het was de tijd dat het begrip ecologie nog wat onbekend was, als vrouwenrechten bij orthodoxe Joden, de voorloper van de Christen Unie, of de Taliban. De ontwikkelaars hadden niet voor parkeerpleinen gekozen, maar voor een gemeenschappelijke tuin op de binnenplaats.

We zien hier de invloed van visionairs, ecologen in de dop. En van de Gutmenschen die ooit hofjes in Groningen hadden aangelegd. Ongetwijfeld zal het eind vorige eeuw veel gesteggel hebben gegeven, want autobezitters hebben de neiging hun vuile karretje te koesteren als vrouwen familiejuwelen, D 66’ers onderwijsplannen en CDA’ers dolken en messen voor Pieter Omtzigt die in interne mails ‘teringhond’ werd genoemd. Het zal er, zo stel ik me fantaserend voor, heet aan toe zijn gegaan op rokerige zolderkamers, in buurthuisvergaderruimtes met gele sanseveria’s of nabij de meer dan 2000 halfvergane, gelijkvormige hijsblokken in de scheepvaartmuseumkantine.

We zien nu een schitterende tuin met strakke beukenheggen, kruisspinnen, (klim)hortensia’s, pissebedden in de voortplantmodus, onbestemde boompjes, spitsmuizen, vlieren, doffers en duivinnen die er even genoeg van hebben door onwetenden vliegende ratten genoemd te worden, hedera’s, zevenblad, jaarlingen en vaste planten. Bescheiden straatwerk met eenvoudige betontegels vormen rechte paden, niet romantisch meanderend maar hoekig als kinnen van Emmakapiteins in de A ten teken en bewijze dat de Nieuwe Zakelijkheid hier een revival doormaakt of, dit is wel Groningen hè, een kleine eeuw te laat vanuit Duitsland de randen van Groningens binnenstad aandoet, zou maar zo kunnen natuurlijk. Sommige dingen, perziken, buurtbesturen, paardenhoofdstellen en vrouwengeduld, worden beter naarmate ze meer tijd om te rijpen hebben.

De Schuitemakers hebben het geluk van de zon aan hun zijde, de Reitemakers hebben beschaduwde plaatsen. En stoepkrijters hebben beide kanten.

Vanaf de straat door de spijlen van de toegangshekken loerend, als verwarde Mesdagklanten die erin in plaats van eruit willen, zien we een tuin die beter hof genoemd werd, een stadse oase. Op wiebelende bankjes herkennen we genietende wijn slurpende ouden van dagen, die, als op commando van de wijkzuster, even de gemaksschoenen hebben uitgeschopt en kalknagels, eksterogen, wintertenen, spataderenen en gekloofde hielen wat frisse lucht en licht gunnen. Hierbij gadegeslagen door verwende merels, een verdwaald baltsend steenmartertje zoekend naar isolatiemateriaal voor zijn nachtverblijf, of een optocht woelratten.

Soms hebben planners en ontwikkelaars het gelijk aan hun zijde, zoals Minnesma het altijd heeft.

Reitemakersrijge 10

Wandelend langs de huizen aan Reitemakersrijge valt je de verscheidenheid aan stijlen op. Als een nestje uit Griekenland geïmporteerde bastaardhondjes: een allegaartje, maar een sympathiek allegaartje. Oud, nieuw, klassiek, modernistisch en post-; was de straat een kunstwerk, je zou het samengevat eclectisch noemen. Als een psycholoog die denkt dat alle antwoorden in jeugden liggen, daagt de Reitemakersrijge je uit naar het verleden te kijken. Sprekend met tot Groninger gemaakten (oorspronkelijke oer-Groningers zijn moeilijk vindbaar als truffels in de Peizer onlanden) hoor je vertwijfeling en een peilloos diepe onzekerheid over hun ware ‘zijn’. De vraag ‘Wie ben ik’, en ‘Waar kom ik vandaan’ ligt hen, onuitgesproken, dat dan weer wel, noorderlingen hè, brandend op de lippen. Ik leg het graag even uit.

Waren stadjers boekenlezers dan wisten ze het allemaal al natuurlijk. Laten we bij de naam beginnen. Wat zegt dr. Frans Westra over de straatnaamgeving in ‘Palet van Groningen’? Niet verrassend: een gebied van makers van rieten manden. De manden werden gebruikt in de lakenindustrie. Even verderop legt Westra geduldig en deskundig de oorzaak van de identiteitscrisis van Groningers uit als hij, nu zeer zeker wel verrassend, stelt dat Groningen van oorsprong een Drents dorp is (¹) en de grote Markt een soort brink. Nog erger wordt het wanneer hij verklaart dat de oudst bekende Groninger een Fries is (²). Dat de ontwikkeling van Groningen gestopt is bij de grens van een provinciestad komt omdat Groningen geen Gouden eeuw gekend heeft (³) en omdat de industriële revolutie aan Groningen is voorbij gevaren als het coronavirus aan vegetariërs of museumschuit De Emma aan de oevers van de Pottebakkersrijge omdat geparkeerde auto’s een mogelijke aanleg verhinderen.

Als Groningers toch maar gewoon Friezen zijn dan is het merkwaardig dat cultuurinstellingen als het Forum en boekenhandel Van der Velde een uiterst schamele collectie Frisiania aanbieden. Als Groningers echte Friezen zijn, kunnen we maar best even bij Flip van Doorn in (alweer de zesde druk) ‘De Friezen’ opzoeken wat de ware aard van deze volksstam is. Hij noemt ze (⁴): ‘tegendraads en tegenstrijdig, creatief en conservatief, onzeker en zelfbewust, open en gesloten – en dat allemaal tegelijk’. Zo’n geestelijke tweespalt moet haast wel leiden tot wankelmoedigheid en onzekerheid over de ware ‘ik’. Maar met Van Doorn die over de Friezen spreekt zeg ik, schrijvende over de Groningers: ‘Het is geen wonder dat ik me thuis voel in hun midden.’

(¹) p 22, (²) p 25, (³) p 54: Frans Westra ‘Palet van Groningen’, geschiedenis, kunst en cultuur van de stad (Haren, 2016); (⁴) p 13 van Flip van Doorn ‘De Friezen’ (zesde druk Amsterdam 2021)

Reitemakersrijge 9

Follies zijn interessante artistiekerige bouwsels die niet direct een praktische functie hebben. Het verschil met objecten uit de hoek van de beeldende kunst is soms klein of helemaal afwezig. In dat geval (het laatste, dus dat de folly beeldende kunst is) moet je oppassen, want follies hebben iets lichts, iets frivools en beeldende kunst is vaak zwaar en gewichtig, een beetje als het verschil tussen lectuur en literatuur, een grafschrift en een lijkrede, een lekker hebbeding en een dame.

Er zijn permanente en tijdelijke follies. Aan de achterzijde van Minerva is een supergroot fietsenhok alias stouwplaats voor vaten fixeer en ontwikkelaar (conclusie: deze kunstschool rekent de fotografie nog steeds tot de beeldende kunst). Deze met een machtig cortenstalen hek afgescheiden opslagruimte oogt als een folly maar is het, vanwege de artistieke uitstraling en de praktische bestemming, niet. Het is (deel van) een kunstwerk van Noud de Wolf.

Sinds de zomer staat er een (tijdelijke) folly voor het stalen hek. Het oogt als een getraliede hal. Aan de voor- en achterzijde zit een deur, maar de door de deuren besloten ruimte is zonder praktische functie. Het is geen cel, geen kamertje geen hal. Het was een poos een soort voorportaaltje, toen het nog tegen het Minervahek stond vastgeplakt. Het functioneerde als een soort tochthal, een klompenportaal. Opvallend is de aanwezigheid van planten en gemalen boomschors op de grond.

Heb je de smaak te pakken gekregen en je verder wandelt richting station, dan zie je voorbij de Emmabrug een imponerende donkere bakstenen constructie met pijlers en bogen, half verscholen achter een foeilelijke witte stenen muur. Geen nuttige functie, zoveel is zeker. De vraag of deze constructie een folly is of beeldende kunst is net zo lastig als de vraag of de ABN een bank of een maffioos witwasbedrijf is¹. Nadere studie leert dat het door een kunstenaar, de Deen Per Kirkeby, is ontworpen. Of het dan gelijk beeldende kunst is, is niet zeker aangezien beeldend kunstenaars ook graag follies maken.

Dan maar weer richting binnenstad, die blijft aan de wandelaar trekken als belastingvlucht aan DSM en Unilever. We zien een stalen deur. Geen scharnier. Geen klink.. Geen bovenraampje. Het is een platte constructie, dus geen bouwsel, dus geen folly? Ik twijfel als een CDA-kiezer tussen David Omtzigt of Goliath Hoekstra. De culturele conciërge van de ertegenover liggende synagoge helpt me uit de droom. Het is kunst (van Gert Sennema) en het symboliseert de verdwenen en later vermoorde Joodse oorlogsslachtoffers. De gesloten deur sluit terugkeer uit. Definitief.

 

(¹Sinds het moment begin september ’21 dat de ABN te veel berekende woekerrente terugstort aan eerder uitgezogen gedupeerde cliënten, lijkt de bank weer tot de geldbedrijven in de bovenwereld te behoren)

Reitemakersrijge 8

Voor cultuurliefhebbers is de omgeving van de Reitemakersrijge als een ui, een Staphorster klederdrachtdraagster of het koetswerk van een antieke sexy DS: onder elke pas afgestroopte laag komt een volgende en een volgende en een volgende; als je bij de vijfde en laatste bent, ben je als kijker afgepeigerd als een fruitvlieg op een nectarineschaal na een warm weekend.

Voorbij het mooist denkbare pisbakhuisje met die kenmerkende geur die je ook ruikt als je stadsfoto’s bekijkt van Ed van der Elsken, valt de achterdeur van het Scheepvaartmuseum op. Een middeleeuws straatje voert naar een schip op het droge. De Alida. Van Ploeglid Alida Pott waarschijnlijk, want de oude Ploeg is in Groningen overal dichtbij en bijna voelbaar als stoppels onder een sluier.

Wat verder slenterend zie ik een fier schilderij van Alida Pott aan de gevel van het Groninger Museum. Wat een vrouw! Wat een gevel! Wat een museum! Met dank aan Haks, Mendini, De Lucchi, Starck en Himmelb(l)au werd het modernistische museumontwerp een toeristische trekpleister van jewelste. De duizelingwekkend mooie buitenkant straalt durf, verleiding en vernieuwingsdrang uit. Ook het interieur parelt en verrast bezoekers. Maar sommige huiscollecties ogen geamputeerd. Zeker, er is een schitterende collectie Ploegwerk, met een unieke portrettengalerij van Ploegschilders. Maar voor een museum dat pretendeert oog voor hedendaagse kunst te hebben ontbreekt er veel. Te veel.

De inmiddels meer dan honderdjarige kunstenaarsvereniging De Ploeg wordt getoond alsof het leven na de vijftigste verjaardag is gestopt. Afgebroken. Geëuthanaseerd. Alsof De Ploeg alleen maar bestaat uit Altink, Jordens, Werkman, Pott, Martens, en andere begravenen. Het museum gaat compleet voorbij aan de vitaliteit van de nog steeds springlevende vereniging. Het mogen nog geen gevestigde namen zijn, maar ook ontwikkelingen in de kunst horen bij educatieve instituten die musea nu eenmaal zijn. Andreas Blühm, inmiddels hoogleraar kunstgeschiedenis, waar zijn de lijnen en verwijzingen naar de Ploegleden van nu? Corsius, Benniks, Busman, (Thomas) Dijkstra en Van Holten, om maar een aantal te noemen? Van hen is niets te zien. Geen spoor. Nul. Nada, Neat. Niente. Nichts.

Reitemakersrijge 7

Gedachteloos fiets ik door de Museumstraat die op de Reitemakersrijge uitkomt. De derde keer door deze historische straat fietsend lees ik de naam Klaas en nog wat, in een onduidelijk handschrift. Mooi zo, denk je, deze klassieke voornaam is het waard overal genoemd te worden. De vierde keer langsfietsend, schiet me de beroemde graffito in Amsterdam te binnen, Klaas Komt. Deze in zwartwit gespoten hoofdzin staat inmiddels in alle kunstacademielesboeken voor aankomende graffitispuiters. Niks om als Klaas trots op te zijn. Maar de zesde keer, in sommige dingen ben ik niet de snelste, besteed ik er meer aandacht aan en lees, met extra zin kijkend, de verrassende inhoud: Klaas je bent de mooiste. Wow, ik ben even sprakeloos. Zonder me om de feitelijke inhoud te bekommeren is mijn onmiddellijk volgende gedachte natuurlijk: WIE? Wie schreef dit op de rode bakstenen muur? Wist zij dat ik hier kwam wonen? Dat het een vrouw moet zijn zie ik aan de smachtende letters. Mannen zouden de kwast steviger, duidelijker, netter hebben aangezet. Hoekiger, minder zwierig.

Ik fotografeer de tekst. Voor de archieven, de eeuwigheid. Even overweeg ik nog in een nacht langs te gaan om de letters aan te dikken. Vrouw I was het niet, zegt ze met een lach die maakt dat ik haar ‘Mijn grote liefde’ zal blijven noemen. Het kan natuurlijk over een andere Klaas gaan, maar dat geloof ik niet. Ooit schreef ik het gedicht ‘Zesentwintig’, dat in 1994 gepubliceerd werd in het Drents Letterkundig Tiedschrift ROET. Ik was ingegaan op de uitnodiging een ‘zelfportret’ te schrijven. Mijn zelfportret bestond uit de namen van 26 meisjes/vrouwen die ik in mijn jeugd in stilte had aanbeden. Hadden er gemakkelijk 52 kunnen zijn, dat ook nog.

Ik fantaseer dat één van die 26 op een veiling de inmiddels ‘stief utverkochte’ Roet-special (IK & ROET zölfportretten) van Narcissus aanbiddende schrijvers in Drenthe heeft kunnen verwerven. Vervolgens nam zij de kwast en een pot witte verf ter hand met het nu in brokkelige letters Klaas, je bent de mooiste tot gevolg. Dagelijks stop ik voor de tekst en vraag een passerende vrouw hardop voor te lezen wat daar staat. Hier gedachteloos langsfietsen gaat vanaf nu tot de onmogelijkheden behoren…

Breath of freedom, Margaretha Consort, in De Fabriek Coevorden 20 augustus 2021

Drie keer slaagt het Margaretha Consort erin mij zodanig mee te zuigen in de muziek dat ik onwillekeurig wil mee neuriën en dat mijn knieën, heupen en alle nog niet door artrose aangetaste botten rammelend tegen de weefselwanden en spierbundels bonken en beuken en ik almaar denk: ga door, stop niet, verdomme, zet aan, haal uit, betover me, pak me in…. Drie keer voor € 20,- een geluksgevoel, en hoop dat de leider van de bent opstaat en de nog wat lauwe zaal opzweept, wild met zijn armen gaat zwaaien en ‘Allemaal!’ gilt, maar hoho, we zitten niet bij de Snollebollekes, hè.

Supermooie stemmen van Elea, Helena, Véronika, Margreet en twee in het programmaboekje vergeten jongens, het waren: Kevin Skelton en Günther Vandeven, die in Andromedae (muziek Channe Visscher, tekst Elea Bekkers) langzaamaan samensmelten als zes kleuren exquise hoogglans Sigmaverf voordat je de trap gaat schilderen. Soms een klontertje alt-, bas- of diskantgamba erbij van Maaike, Ricardo, Marit en Frank, voor de binding een tintje orgel van Jörn en dan weer mengen en mixen en afstemmen, wow, knap, krachtig en prachtig.

Microfoonloos wordt de uitvoering toegelicht in een schitterend industrieel zaaltje waar pareltjes van gehoorapparaatjes in en achter luisterende oren schitteren in fraai, kleurig, podiumlicht als sexy tongpiercings in een vlammende disco in De Krim-centrum. Artistiek leider Marit Broekroelofs kijkt goedkeurend toe.

Als je publiek definieert als: in muziek geïnteresseerden die via algemene media werden getriggerd, dan tel ik evenveel als bij het concert betrokken familieleden, scharrels, oppasoma’s, stille aanbidders, caterende theatervrijwilligers en technici. Is dat belangrijk?

Even denk ik bij de finale repetitie te zitten. Een onvolledig en niet foutloos programmaboekje. Een 15 minuten uitgestelde aanvangstijd. Daardoor horen we dan weer wel sfeerverhogende huiselijke geluiden van boven: doorgetrokken wc’s en gezellig getrippel van hooggehakte voeten op de trap en een couleur locale versterkende krakende zoldervloer voorafgaand aan het startschot.

Het is prachtig. Anderhalf uur in een bijzondere muzikale bubbel met deftig geklede jongeren (mannen, let nog even op mouw- en broekspijplengte zou modegoeroe Arno Kantelberg zeggen)  die klassieke instrumenten bespelen met dezelfde inzet, passie en vaardigheid als veelbelovende voetballers ballen in een beloftenteam. De antiek ogende instrumenten worden gestemd, geliefkoosd en voor de zekerheid nog een keer gestemd. Begeesterde muziekmakers die geïnspireerd raakten door het heelal, buiken, billen, borsten en navel van vrouwen en daar poëtische, soms wat wereldvreemde teksten en muziek bij maken. Sommige teksten worden expres zo goed als onverstaanbaar gemaakt want vertaald in de dode rebustaal Latijn. Mijn kop vult zich met vragen: waarom zou je dat willen doen? Sfeer? Subsidie-eis? Bubbelversterking? Het publiek leest mee over Hoofse liefde, de berg Carmel, een vergelijkende ziel (sic!) en dat er nog een wereld aan verbondenheid te winnen is. Open deur of niet, het vierregelige door Johannes Kepler en Hannie van der Wielen geschreven Ubi sensus harmoniae klinkt harmonieus als, maar minder bombastisch dan een fanfare op de Internationale Taptoe in Breda.

De oud-calvinist in mij herkent in de teksten de bijbelse contouren van een door sprinkhanen aangeknaagde verdroogde woestijncactus. Het Hooglied, waar blijkbaar toch nog een markt voor is, dat door de sleetse dominee in ieders jeugd altijd werd overgeslagen. Hier uitvergroot en meerstemmig bezongen door hogeschoolzangers en muziekmakers. Op weg naar huis relativeer ik de teksten. For your voice can sing to change the world. The breath of freedom, en wil me niet afvragen of, als je de wereld wilt veranderen, antivaxxers eens duidelijk aanspreken of het ICCP-rapport indringend lezen en ernaar proberen te handelen niet meer zoden aan de dijk zet dan zingen over Markus 14: 3 – 9 of het Hooglied.

Nog twee keer in het theater, in Assen en Driebergen.

Reitemakersrijge 6

Verhuizen heeft aparte bijeffecten. Mensen in je omgeving gaan je ongevraagd raadgeven alsof je hebt aangekondigd van de ABN naar een bank in de bovenwereld te willen overstappen. Bezorgde vrienden waarschuwen: met al die studenten naast je, gaan de bloembakken in no time naar de gallemiezen. Wij zijn rasoptimisten van aard en plaatsen, de raadgevers dankend, drie bloembakken. Dagelijks bestuderen we de groei en en passant de superieure metselstijl aan de achterzijde van Minerva. Als schoonzoon van een bouwer vallen me vooral de laagjes net onder de dakgoot op, die verraden kunstenaarschap Dat het vroeger een museum was, zie je zo. Ook de tegenover ons liggende huizen hebben schitterend gemetselde gevels, wat een contrast met het modernistische en toch subliemmooie pisbakhuisje van Koolhaas/Olaf naast het Pomphuisterras.

Een handvol studenten beproeft na sluitingstijd geregeld de wankele balkonconstructie. Liever dan hun aandacht op onze plantenbakken te richten bespreken ze luidruchtig de nadelen van het leenstelsel, dat ze nog nooit van Nicolien Mizee hebben gehoord en dat rum van de billen van een sloopkogel of kapstokhertje likken tot uitgestelde dronkenschap leidt. Gaaf!

Tussen de Museumbrug en de Reitemakersrijge ligt ‘Een oase in de stad’ van Noud de Wolf. Het is het mooiste, intiemste, meest onbekende parkje van heel Groningen. Water, een fontein, voorbij varende schepen, een stalen sculptuur dat als entree dient, een monumentale museummuur, bomen, een slingerpad en meer. Op zijn smalst vijf meter breed en in totaal, wat zal het zijn, 50 meter lang?

Wat in Dokkum, Easterlittens, of Hindeloopen tot het gewone verkeersbeeld behoort, zorgt in Groningen voor opwinding. Een gestreken zeil van de bruine vloot vaart voorbij: een tjalk, Hasselter aak of skûtsje. Een roer als een buitenmodel schoepenrad. Een kapitein met een BMI van 25, op sokken. Lange lokken onder de pet. In plaats van spetterend buiswater of een frisse Friese wimpel de sleetse driekleur. De Museumbrug is voor boten dicht als podiumgordijnen in coronatijd. Brugwachters, op zondag driedubbel betaald, pauzeren langdurig, liggen oostwaarts biddend op een mat of bellen met moederdevrouw dat het wat later wordt. De sfeer langs de A is die van een Christenunievergadering waar Carola met lipstick binnentreedt. Opgewonden mannen. Men stoot elkaar aan, wijst, knipoogt roept. Koffiekopjes trillen op terrastafels. Knieën beuken tegen tafelbladen. Excitement alom. De Pieternella vaart rustig voort.