Amstelring Kerstconcert Concertgebouw Amsterdam

Met zijn vijven treinen we naar Amsterdam, waar het Grootkoor met zo’n 350 zangers een benefietconcert geeft in het Concertgebouw. Voor ons een soort generale repetitie voor het kerstconcert in Groningen. Generale in het Concertgebouw! Ik glimlach. Voel een lichte opwinding. Mijn omgeving, voor zover het oog reikt net als ik opgegroeid in wat grenst aan brisante cultuurarmoede, vindt het cool of koel. En dan een benefietconcert ook nog. Provincie trakteert hoofdstad. Friese Boys, ’t Fean, The Knickerbockers, Pekel FC en WKE spelen met, andere provincieselecties in een uitverkochte Arena voor mantelzorgers, gehandicapten, zieken, vrijwilligers, daklozen en sponsoren.

Gouden componistennamen kijken voornaam de zaal in als nieuwe Kamerleden naar de bezoekerstribune. De helft van de zaalvloer is ontruimd voor rollators en rolstoelen. Het publiek bestaat uit vrijwilligers, mantelzorgers en mensen met een beperking van welke aard dan ook. Het ontroert me. Ik vestig mijn blik op een oude meneer met een bleke AJAX-sjaal die lekker meezingt en -dirigeert. Verderop twee gehoofddoekte prinsessen die ongelovig om zich heen kijken en zich blind staren op de teksten. Vetcool. Kapotmooi.

Dirigent Nan wandelt langs de rijen en houdt de microfoon voor meezingend publiek dat ‘Bas Nijhuis weet de eindstand al,’ en ‘Het is stil aan de overkant,’ graag inruilt voor ‘De herdertjes lagen bij nachte’. Dirigent Etty houdt ons bij de les als burgemeester Femke raadsleden. Of opzwepen wel het juiste woord is, vraag ik me al fantaserend af. Aansturen, leiden, stimuleren. We doen graag wat haar mond, ogen en handen dicteren. Solist Florian floreert bij zijn maiden performance; organist Martin Mans en pianist Rob van Dijk doen hun best.

Tussendoor pieker ik me suf over de vraag of de koorleden egoïsten of altruïsten zijn. De eenvoudige, traditionele kerstteksten gaan langs me heen als moderne kunst langs breiwerkliefhebbers of haakwerk langs kunstminnaars. Als winkelmatten afgesleten clichés als The everlasting father, prince of peace, mighty God, das Christus Kind, ze kunnen me wat. Het gaat om het bindende maakwerk. Muziek van Händel, Schubert, Saint Saëns. Het zingen doet iets met me. Het magistrale orgelgeluid dat de stemmen bij elkaar houdt als, ja sorry, elastiek om spaghettistelen die in warm water ontdooien en samengevoegd met een saus van solistische toevoegingen lekker worden. Dat is het woord: Lekker.

Maarten ’t Hart 16  ‘De aansprekers’ (1979)

Eén van ’t Harts bekendste. Ik was 24 toen ik dit boek las: autobiografisch en een soort ode aan, monument voor ’t Harts vader die op vroeg overleed. In twaalf hoofdstukken beschrijft Maarten ’t Hart de aangekondigde dood van zijn vader. Elk hf beslaat een verhaal waarin de dood ad orde komt..

  1. In het eerste hf is sprake van tijdverdichting want een groot deel beschrijft het richting water glijden van de hoofdpersoon. Een meerpaal brengt redding.
  2. Met Hanneke op vakantie in Drenthe krijgt Maarten te horen dat zijn vader de volgende dag geopereerd wordt. Op ziekenbezoek hoort hij van de maagoperatie.
  3. Op ’t kerkhof ziet M dat een vogelaar door de politie wordt gesnapt. Op bezoek in het ziekenhuis ziet hij dat de operatie kort geduurd heeft: een open-dichtje?
  4. Van de specialist hoort M dat zijn vader ongeneeslijke alvleesklierkanker heeft en nog een ½ jaar te leven heeft. Hij vertelt ’t hem niet en zoekt steun in de muziek en poëzie, o.a. in ‘Joun’ van Obe Postma.
  5. M bezoekt nog een x de begraafplaats, nu zijn vader nog leeft.
  6. M maakt ruzie met een oude om brood bedelende man en beseft dat zijn boosheid  voortkomt uit de woede om zijn stervende vader. Op advies gaat hij met Hanneke op reis naar Zwitserland waar hij een doodlopend voetenspoor aantreft.
  7. M’s vader probeert op de begraafplaats een man die zelfmoord wil plegen te weerhouden van zijn plan.
  8. Op vakantie in Zwitserland is M er getuige van een helicopter een dode jongen uit t water vist.
  9. M helpt een dag met het ruimen van een 100 jaar oud graf en krijgt een botje.
  10. Om Leidens ontzet te ontvluchten wil M een dag helpen bladeren opruimen op de begraafplaats.
  11. De kleine M gaat wandelend en met deze en gene een praatje makend, naar de tuin van zijn vader en beeldt zich in hoe hij God zal herkennen.
  12. M wordt bij een congres weggeroepen: zijn vader is opgenomen. Na enkele dagen sterft zijn vader in het bijzijn van M.

Tammo zingt Staal

Groningen, stadsschouwburg 2 dec 2023. Heten alle Friezen voor Groningers Jelle, omgekeerd is het Tammo, de artiestennaam van Johannes Peetsma. In enigszins waterig (kijken i.p.v. kieken, Friezen i.p.v. Vraizen, Delfzijl i.p.v. Delfsiel) Gronings neemt Tammo ons in een strak, ijzeren format mee langs het oeuvre van Ede Staal. Liedje – sketchje – liedje – sketchje. Eerst denk ik dat hij met zijn Groningse variant import-Groningers wil plezieren, maar God Ter Laan leert me dat het een Gronings dialect is uit de noordoostelijke hoek.

Tammo heeft een heel goede stem. Die, samen met de muziek, hij wordt begeleid door drie puike mannen, een pianist, accordeonist en gitarist, en Edes teksten houden hem op de been. Ede Staals wat monotone, eenvoudige en toch krachtige muziek krijgt een prachtig uitgevoerde en nog steeds sobere update die ervoor zorgt dat het 750 pax publiek weer voor jaren een fris geüploade harde schijf mee naar huis neemt. De cabareteske intervallen reiken zelden boven het cliché, zij het heel af en toe een best leuke.

Licht en geluid, Stadsschouwburg, hè, kunnen niet beter. Het podium is aangekleed met een rode Ford Escort, er daalt een drankfles neer uit de lucht, en er wordt een film vertoond van de Delfzijlse haven. De bomvolle zaal is enthousiast en doet graag mee, ook als er op zijn jarenzestigs ingehaakt moet worden. Publiek wordt duidelijk bij de voorstelling betrokken. Tammo deelt een fles drank met één – bepaald niet coronaproof – glaasje uit, laveert langs het publiek schurend met een verrekijker door de rijen, een nieuwe Anita reikt hem een visitekaartje aan, Friezen worden in de spotlights gezet en een automonteur mag naar de Escort kijken. Leukste vondst: als Tammo gaat facetimen met zijn, hoe kan het anders door de Friese Bjinse gekaapte Anita, zien we hemzelf, compleet met baard en pet, in beeld Anita imiterend met langgerekte klinkers en uithalen sprekend. Lachen!

In plastic geschonken pauzedrankjes zijn loeiduur en worden in slow motion met bankkaart afgerekend en de garderobe na afloop is cabaret, compleet met zoekgeraakte jasnummers en schitterend uitgedoste kwade Anita’s die zelf achter de balie hun jas, een FC Groningens hardekernuitdossing (‘een halflange zwarte’) gaan meehelpen zoeken en Tammo die in de foyer stickers uitdeelt.

Maar wat een prestatie: begonnen als Tiktokker staat Tammo nu, met de pas gewonnen Haide Bliksem Award in de buutse in een uitverkocht huis met, zijpaadje, het mooiste plafond denkbaar. Maar of hij de gedroomde opvolger van Rooie Rinus en Pé Daalemmer wordt?

 

Maarten ’t Hart 15  ‘Ongewenste zeereis, Essays – al dan niet autobiografisch’ (1979)

In vier delen: Vrouwen en discriminatie, Biologie, Schrijvers en dichters, Reizen.

I ’t Hart put zich uit in (cliché)beschrijvingen in de literatuur van vrouwen als sensuele verleidster, representant van de duivel, huisbakken, kuise echtgenote, dominerende moeder; alle zowel treurig en uitzichtloos als interessant, verrassend en opwindend en heel vaak dapperder, taaier en gewiekster dan mannen. En ‘t Hartiaans tot op het bot wordt zijn door zijn moeder gedomineerde jeugd beschreven en de supranormale prikkelversterking door make-up, met verklarende uitstapjes naar de dieren. En mannen. Dat ’t Hart vrouwen geringschattend behandelt kan je niet zeggen, wel als ze onzin verkopen of onwaarheden debiteren.

II De verhalen ‘De dorstige minnaar’ en ‘De vloekende dievegge’ kennen we al uit de Salamander-pocket ‘De dorstige minnaar’.  Het eerste verhaal, ‘De bijtende scheerkwast’  beschrijft het Madame-Tussaud-gedrag van nijlratten. ‘De onzichtbare schreeuwer’ gaat over dwerg-, wimper-, water-, veld-, huis-, en bosspitsmuizen. Wolfskinderen gaat over (het onwaarschijnlijke van beschreven) kinderen die in de natuur bij dieren en dus sociaal gedepriveerd opgroeien.

III Dat ’t Hart naast een veelschrijver een veellezer is weten we. What’s more: hij schrijft over zijn leesavonturen. Voorbij komen: Svevo, Kaváfis, Tolstoj, Trollope, Galdós, Clarke, Leopardi, Gontsjarow, Raabe, Gotthelf, Vestdijk en Conrad. Niet zelden analyseert hij alle werk van de auteur en zoekt hij naar verbanden in Nederland of België.

IV ‘reizen’, het mooiste deel. Liefdevol schrijft ’t Hart over zijn jeugd en dat zijn vader een moestuin ‘buitenland’ had genoemd van waaruit groenten naar Nederland werden gesmokkeld. Ook prachtige herinneringen aan badrituelen. Later komen wandelvakanties in Berner Oberland, in beeld. Vervolgens acht fietsverhalen, o.a. een fietstocht met Maarten Biesheuvel en Anton Korteweg en gesprekken en observaties over literatuur, heimwee, het platteland, natuur, feminisme. De fietstochten zijn het summum van vakantievieren. En tenslotte ‘Ongewenste zeereis’ dat ook al in ‘De dorstige minnaar’ stond.

Gast van de (gemeente)raad in Groningen

29 november 2023. Groningers worden uitgenodigd gast van de raad te zijn. Van de gemeenteraad. Krek wat voor ons. Via de mail een afspraak gemaakt met een gisse griffiemedewerker, dan nog een herinneringstelefoontje en op pad. Om 15.00 uur melden we ons bij de balie en voeren vervolgens een rondetafelgesprek met andere gasten: studenten, gepensioneerden en alles daartussen. Het ontvangstcomité bestaat uit Roelf Reinders van de griffie, Sophie Middelhuis van GroenLinks en Mariska Sloot van de Stadspartij. Baliemedewerkers, stagiairs, catering: allemaal super gastvrij en hartelijk. We bespreken de gastenspeerpunten: parkeerperikelen bij het Hoornse Meer, tekort aan fietsenparkings, Wajonguitkeringen die onder druk staan van vrijwilligerswerk, lantaarnpalen in Haren en meer.

Dan de raadsvergadering. We zien een afspiegeling van de Groninger bevolking, veel jongeren. 45 raadsleden. 24 man, 21 vrouw. Bij de twaalf partijen twee vrouwen als fractievoorzitter. Met Amsterdam heeft Groningen de jongste raad van Nederland. Deskundig. Betrokken. Actief. Duidelijk. GroenLinks is met negen leden de grootste fractie en de PvdA met zes de tweede. Een kneiterlinkse raad heet dat onder Telegraaflezers en PVV-stemmers. Volt en SGP blinken uit door absentie. Door de excellente geluidsinstallatie wordt er op zachte toon geconverseerd. Het Gronings is even afwezig als raampartijen met uitzicht op de Grote Markt. Alles wordt gefilmd. Traktaties aan het begin. Van ons raadslid horen we dat de vergoeding voor raadsleden in Groningen € 2.100,- is. Netto. Dat je het naast je studie Europees recht kan doen, vraag ik me bezorgd af. Van de cateringmevrouw hoor ik dat de meeste raadsleden veelal present zijn. Voorzitter is Koen Schuiling. Van de VVD, linker zijde, schat ik. Attent. Correct. Vriendelijk. Ervaren.

Gestructureerd komen onderwerpen aan bod. Even benoemen, vragen of er stemverklaringen zijn, eventueel nog toegelicht door een wethouder en dan al dan niet in stemming brengen. Amper debat. Wil je je profileren dan neem je het woord bij de stemverklaringen. Koploper is VVD’er Rik Heiner. Nieuw voor mij is dat de bestuurlijke boete, bij ons in het A-Kwartier inmiddels ook geen onbekend fenomeen, slechts een jaar bestaat in Groningen en dat oplegging niet automatisch inning betekent. We zitten tegenover het enige PVV-lid: A.I.-geleerde Dennis Ram, die van (kleinste) eenmansfractie in een provinciehoofdstad naar de grootste landelijke fractie in Den Haag vertrekt. GroenLinks kapittelt zijn humor. Schuiling neemt met goed gekozen woorden afscheid van Ram. Ram krijgt het laatste woord en een tuil blommen en pinkt een traan weg. Na afloop staan de andere raadsleden klaar om hem geluk te wensen in Den Haag. Gaan we wel meer van horen.

JOURNAAL WEEK 47

ZA Bij de prijsuitreiking van de Haide Bliksem Award op het Groninger festival in Hoogezand wordt champ geschonken voor winnaar, Grunnfluencer Johannes Peetsma alias TikTokTammo en tien glazen voor wie maar wil. De aarzeling in het publiek om een gratis glaasje te halen, zal ik, inhalige, dorstige, assertieve Fries, nooit begrijpen.

ZO Een schitterende film is ‘Das Lehrerzimmer’, over een Duitse school waar een leerling en een moeder van diefstal worden verdacht. De school, een miniatuurmaatschappij, een microkosmos, staat voor een raadsel. Argwaan, achterdocht, onzekerheid over een juiste aanpak, een sterk gevoel voor scholierenrechten met een zelfstandig opererende schoolkrant, zinderen door de film. Centraal staat een hyperactieve klas met een eigen dynamiek. De groep is zich bewust van zijn macht. Naast de klas domineert de ruimte van de leraarskamer met zijn postvakken, oude koffiemokken, printer, afgeladen tafels en heen en weer lopende leerkrachten, van wie sommigen elkaar met de achternaam aanspreken. Opvallend ook is dat de lerarenvergadering, anders dan in de meeste scholen voor voortgezet onderwijs in Nederland, wordt bijgewoond door klassenvertegenwoordigers. Wat doet de school goed en wat fout is een vraag die alle bioscoopbezoekers, voor 90 % werkzaam in het onderwijs, op de lippen ligt. Mentor Carla speelt de hoofdrol: een jonge, wat naïeve, betrokken docent met een groot hart en geweten maar weinig ervaring, die niet van ophouden weet. Wat volgt: ruzies, discussies en leerlingenverzet.

MA Das Lehrerzimmer katapulteert me naar mijn oude school. Niet naar de leraarskamer maar naar mijn mentorklas. 1991. De Dissel verhuist van Angelslo naar het centrum. We organiseren een mooi afscheidsfeest. Elke klas levert een bijdrage. Als mentor en leraar Nederlands daag ik mijn klas graag uit en de klas mij. Zo laat ik mij verleiden tot een hardloopwedstrijd op de atletiekbaan tegen Arno Kok, de latere spits van WKE. Arno wint op tienden van seconden. De jongens uit 3A stellen een modeshow voor. Waarom niet, is mijn wijze reactie. In de volgende mentorles wordt mij gevraagd ook mee te doen. Why not, denk ik. Als Maarten ’t Hart zich in vrouwenkleren kan hullen, dan ik ook. Na wat rondvragen in de leraarskamer krijg ik van Tineke een rood leren minirokje aangeboden. Dan nog een hemdje, kralen, pruik en witte stola. En een panty met verticale rode strepen van een collega, ik meen uit de natte hoek, die zich ’s weekends in travestie in Emmens night life stort. De catwalk is breed genoeg en ik red de twee passages zonder gestruikel op de van Henny geleende stiletto’s. Ik voel me op mijn gemak en ga langzamer en uitdagender lopen. Ik herinner me aanwijzingen van Gerda: ‘Je biceps vooral niet aanspannen en draai je voeten ietsje naar buiten, schuin voor elkaar en maak geen olifantspassen.’ De volgende mentorles wordt een feestje.

DI Een reis door de Groningse en Nedersaksische orgeltuin’ is een prachtig standaardwerk voor de beginnende orgelliefhebber. Het bevat een duidelijke theorie over hoe orgels werken, verschillende soorten en een mooi overzicht in een orgelvlekkenkaart van de orgels in Groningen en Noord-Duitsland, met de nadruk op meesterbouwer Schnitger en minder op Hinsz. Daarnaast zijn er enkele ‘orgelroutes in Nedersaksen’ opgenomen. En, nooit weg, een begrippenlijst en een lijst informatieve websites.

WO na afronding van een e-learning module word ik aangesteld als BTBATKV (Bijzonder Tijdelijk Bezoldigd Ambtenaar Tweede Kamer-Verkiezingen). Naast assisteren bij het vlot laten verlopen van de verkiezingen stel ik me ten doel na te gaan of er fraudemogelijkheden zijn voor officials. Tegen elven arriveer ik in de Oosterparkwijk bij één van de 9.831 Nederlandse stembureaus. Er zijn zeven medewerkers, vier vrouwen en drie mannen (waaronder twee studenten, een hoge ambtenaar, een zorgmedewerker, een oud-docent en een jurist), allen maatschappelijk-betrokken. Wel zelf even een boterhammetje meenemen. We vangen per persoon € 190,- de voorzitter € 290,-. Anders dan drie jaar geleden in Emmen zijn er twee lange pauzes van 3,5 uur. Het uurloon is dus zo’n € 20,-. Netto. Wat ook anders is: de telprocedure, niet meer een middernachtelijke exercitie op persoon maar slechts op partij. Ik zie een ingenieus, duidelijk telsysteem met vier tellers, een uitgever en een turver. En één opruimer. De blanco en ongeldige badhanddoekgrote stembiljetten worden door de voorzitter en de vice- , gecheckt. De organisatie grenst aan perfectie. De stembureaubemensing werkt als een goed team, met plezier, discipline en vaardigheid. In veertien uur passeren zo’n 725 stemmers. Om 23.00 uur is de klus af. De procedures zijn waterdicht. Eén stemmer komt kijken bij het tellen.

Maarten ’t Hart 14  ‘A study of short term behaviour cycle’ (1978)

Het proefschrift van Maarten ’t Hart, mijn meest speciale publicatie van de meester is genaamd: ‘A study of short term behaviour cycle’, een ethologische studie naar het gedrag van de driedoornstekelbaars, compleet met een lijst van vijftien stellingen.

Het boek is geschreven in het Engels en voorzien van talloze grafieken over sluipgedrag, baltsgedrag, nestmethoden, kuitrijpe wijfjes, zigzaggen, sidderen en meer.

Dat diergedrag eye-openers voor menselijk gedrag kan opleveren is algemeen bekend. Minder bekend is dat kleine visjes als de mannelijke stekelbaars, geleerd kan worden door hoepeltjes te zwemmen door hem gedurende tien seconden een baltsend vrouwtje te tonen. Ook kun je hem leren in een staaf te bijten als hij tien seconden een rivaal te zien krijgt, maar daar weer niet in slaagt bij het zien van een baltsend vrouwtje.

De vijftien stellingen gaan over het proefschriftonderwerp, muziek van Chopin, Bach, boeken lezen, literatuur, de bijbel en feminisme.

‘Daar het voortplantingssucces van feministen, en in het bijzonder van de lesbische feministen, geringer is dan dat van andere vrouwen, moet worden gevreesd dat hun optreden zal leiden tot selectie ten gunste van die eigenschappen bij vrouwen die zij het felst bestrijden.

‘Het is in strijd met de uitvoeringspraktijken in de barok om bij uitvoeringen van Bach’s kerkcantates vrouwen wel te weren uit koor en solisten-koor maar niet uit het orkest.’

‘Het meest wezenlijke verschil tussen mens en dier is dat alleen de mens zowel zijn eigen soortgenoten alsook alle andere soorten, voorzover binnen zijn bereik, gevangen zet en houdt.’

De Dissel Emmen 1984

Kijk, daar staan we: 70 personeelsleden van De Dissel, in de jaren 80 de grootste school voor voortgezet onderwijs in Emmen, 55 mannen en 15 vrouwen. Openbaar, want we realiseren ons maar al te goed de onwenselijkheid van (bijzonder) christelijk onderwijs. Een inclusieve school met ook leerlingen uit Marokko, Joegoslavië, Ethiopië, want hoewel het woord witte school nog niet bestaat, weten we dat we daar van moeten wegblijven. In latere jaren krijgt elke vestiging een taalklas waar leerlingen uit AZC’s naadloos instromen. De beste collega’s worden mijn beste vrienden. Onze school behoort tot de fine fleur van het voortgezet onderwijs in Drenthe. Nou ja, tenminste enkele vakken dan. Bijvoorbeeld het vak maatschappijleer dat via het SLO de landelijke toon zet. En komt minister Jo Ritzen enkele jaren later niet bij ons langs voor advies over invoering van nieuwigheden als de medezeggenschapsraad en basisvorming?

Waar vind je beroepen met zo’n diversiteit aan extra kwaliteiten: topsporters (een profvoetballer naast een toptennisser), cultuurfanaten (een dichter naast een zanger naast een musicus naast een beeldend kunstenaar), vakidioten (een monomane fysicus naast een bioloog), onderwijskundigen, onderwijsvernieuwers, aanstaande wethouders, een verdwaalde predikant en zwarte aannemer, vakbondsbestuurders, directeuren, francofielen, maatschappelijk werkers, waterschappers, politici, ontwerpers, doeners, denkers, ontwikkelaars.

Ach, gedurende korte tijd vermomt een enkeling zich in de rol van zeurder, zwammer, zeikerd, drammer, betweter, maar dat duurt nooit lang. Veertig jaar later kijk ik terug; ik herken ze bijna allemaal, inclusief (van vileine tot onschuldige) bijnamen: de neus, de verleider, de besnedene, Pandora’s Box, de analfabeet, het gedoofde licht, Farizeër, rukker, priester, reageerbuis, Petrus Majella en Maria de onbereikbare.

Wat doet me aan deze foto denken? Eén van de geportretteerde oud-collega’s heeft zijn langste tijd gehad. Mijn goede vriend Ted krijgt daar lucht van en bereidt hem een serenade met een keur aan oude liedjes, sommige zelfs speciaal op de zieke toegesneden, voordat hij gaat hemelen. Samen met Ine gaat Ted op het verpleeghuis af en bezorgt de oude man een gouden uur.

Meino Smit – Naar een duurzame landbouw

Meino Smit is een zeldzame koppeling van (biologische akkerbouw)boer en wetenschappelijk onderzoeker. Die zijn er dus ook. Dat werd tijd. Geen ontevreden LTO-zwalker, Farmer Defence overaldrager, omgekeerdevlagger maar iemand die met verstand van zaken nagaat hoe het echt zit. Dat zullen de verongelijkte standaardboeren, hun organisaties, Caroline  van de Plas en Piet Adema de zwalker hem niet in dank afnemen. Leesvoer voor Wollaars/Tweebeke. Smit beschrijft een verschil tussen boerenlandbouw en ondernemerslandbouw en vraagt zich af waar de ethische en morele overwegingen in de landbouw zijn gebleven. Smit staaft zijn uitspraken met goed leesbare onderzoeken, weergegeven in duidelijke statistieken. Om hem zelf aan het woord te laten pak ik een interview met de Volkskrant uit 2021 erbij. Wat zegt Smit?

  • We hebben in Nederland vijf keer zoveel boeren nodig, minder export en groter diversiteit aan gewassen. De schrikbarend grote hoeveelheden energie opslorpende sector, verzesvoudigd sinds 1950, is veel minder productief, stabiel en zelfvoorzienend dan men ons wil laten geloven.
  • De claim dat landbouw de innovatieve, duurzame, arbeidsproductieve motor van de economie is, zoals de sector, de landbouwbladen en BBB ons willen laten geloven, klopt niet. Nee, misschien wel de meest intensieve sector, maar de arbeidsproductiviteit is sinds 1950 gedaald. De duurzaamheid is bepaald niet toegenomen. Het aantal werkers in de landbouw nam na 1950 met 80 % af. In de toelevering, vaak in het buitenland met lage lonen en onder slechte omstandigheden, verdubbelde het.
  • In Nederland kelderde het landgebruik, maar wereldwijd verdubbelde het. De productiviteit per hectare is veel minder toegenomen dan gesuggereerd.
  • Mansholt, de Green deal, het Akkoord van Parijs, alles komt voorbij. In Nederland zijn bijvoorbeeld boeren die meer dan € 150.000 aan toeslagen ontvangen, zo wordt met overheidssteun meegewerkt aan schaalvergroting.
  • Al die extra stallen, mechanisatie, mineralen en bestrijdingsmiddelen waar veel energie ingaat, hebben een enorme impact op het milieu gehad. De landbouw scheept ons op met allerlei milieu- en maatschappelijke kosten die nooit zijn meegerekend in de zo geroemde productie en exportcijfers. Bijvoorbeeld: we exporteren 95,6 miljard aan landbouw gerelateerde producten, maar we importeerden 67,1 miljard. De netto-export, voor 54 % naar West-Europese landen, is dus minder dan 30 miljard. Nog veel, maar voeden we daarmee de wereld? Nou nee.
  • Naar de rest van de wereld exporteren we vrijwel net zo veel als we er landbouwproducten uit importeren. Dus van de wereld voeden is geen sprake.
  • De energietransitie moet bestaan uit besparing en veel minder uit hernieuwbare energiebronnen.
  • Nodig is: een nieuw en duurzaam landbouwsysteem met minder transport, minimalisering van energiegebruik, minder im- en export en een 80 % kleinere veestapel. Natuur en landbouw beter integreren en meer biodiversiteit en zonder bestrijdingsmiddelen.
  • 80 % van de boeren wil best duurzamer boeren. Subsidieer boeren in de toekomst als ze voldoen aan eisen op het gebied van de inrichting van het land en de biodiversiteit.
  •                                                                                         lezen dus……

Maarten ’t Hart 13  ‘De dorstige minnaar’ (1981)

In deze Salamander pocket (een goedkope pocketboekenreeks van 1934 tot 1984) staan acht verhalen, waarvan vijf in eerdere bundels verschenen. ‘De dorstige minnaar’, ‘De vloekende dievegge’ en ‘Ongewenste zeereis’ zijn nieuw. Het eerste verhaal koppelt een oom die een perpetuum mobile wil maken aan een gedresseerd puttertje dat wordt geleerd water op te hijsen in een emmertje aan een kettinkje en dan als beloning kanarievrouwtjes mag bevruchten. Het tweede gaat over een kauwtje dat ‘sodommieters’ kan zeggen op een begraafplaats en daar twaalf jaar blijft.

‘Ongewenste zeereis’ is het langste, een verhaal van ruim 30 pagina’s. De rattendeskundige wordt  gevraagd advies te geven over de inzet van 10.000 ratten in een film van Werner Herzog. De witte laboratoriumratten moeten eerst donker geverfd worden, iets wat niet lukt. Er komen 13.000 ratten, zonder tussenstops aangevoerd uit Hongarije. Ze zijn uitgehongerd en hebben dorst. 5.000 leggen het loodje. De rattendeskundige, regisseur, acteurs, een slordig meisje en een meisje met een droevig gezicht (steeds maar weer die onbereikbare meisjes bij ’t Hart) en ratten zijn aan boord van een zeilboot; hij realiseert zich dat het een langdurige trip kan gaan worden. De opnames duren lang, de reis lijkt oneindig, verveling slaat toe en tot overmaat van ramp raakt het schip verdwaald op zee. Dan blijkt er geen licht aan boord te zijn, het is roetkoud en de golven worden hoger zodat zeeziekte toesslaat: een hachelijke rampentocht lijkt het te worden. De rattendeskundige refereert zijn ongemak aan dat van Bert Bierling, de man die in 1975 bij de treinkaping te Wijster werd gedood. Als iemand op het idee komt de filmlampen als verlichting te gebruiken wordt de tocht minder eng. Bij het zien van de Vlissingse vuurtoren keert de rust weer en stevent men af op Hellevoetsluis. De rattendeskundige beëindigt zijn samenwerking en keert naar huis terug.