Pictura, Corona én de verkoop, 14 maart – 11 april 2021

Ine Hoejenbos – Portret jonge man (€ 2.300,-)

Spreek met beeldend kunstenaars en je hoort dat ze verhalen willen vertellen. Dat komt goed uit, ik houd van luisteren, lezen, kijken, interpreteren. En er iets van vinden natuurlijk. Ze zitten vaak in een tergend schizofreen dualisme: vakmanschap, techniekbeheersing, uitdrukkingskunst en artisticiteit moeten geëtaleerd en geëxploreerd worden en er moet worden verkocht. Zoals je in Blokkers en Hema’s decoraties voor boven de bank koopt, zo verkopen Pictura’s en CBK’s ook kunst voor huiskamers.

Op nummer I: een intrigerend houten beeld van Ine Hoejenbos. Een serieuze, bijna angstige, lege blik. Een kop die je bijblijft.

Maar verkopen is dat iets voor kunstenaars? Ik neem de proef op de som en Google elke 18e deelnemer in Pictura. Wel ateliers, persoonlijke info, nieuwsbrieven, een contactformulier, een vaak niet helemaal bijgewerkt overzicht van deelname aan exposities maar gewoon een aanbod van te koop staand werk en prijzen: Neenjetnonon. Kandidaat-kopers wanen zich op een markt in Istanboel: veel variatie, groot aanbod, maar nergens prijzen. Funest voor zuinige Hollanders. Ateliers hebben de geur van te duur.  Hoe, denken kunstenaars, kunnen geïnteresseerden dan iets bestellen? Zouden ze nooit op Bol.com, Zalando kijken hoe commercie werkt? Een enkele wil zelfs de wereld veroveren zonder eigen website.

Piet Gutter – Brieven + fotokaart Eelde (€ 2.200,-)

Op nummer II: Rasverhalenverteller Piet Gutter. Zelfs verstokte verhalenhaters beginnen spontaan een verhaal te vertellen over wat ze zien.

Er heerst een coronapandemie en de agenda van Kunstlievend Genootschap Pictura vertoont een gat. Wat doe je dan? Je veegt Villa Kakelbont leeg, zet een advertentie in de krant en vraagt kunstenaars te komen exposeren. Gratis en dat terwijl de vereniging verlies lijdt. Bezoekers betalen slechts € 3,-. Dat duidt op een optimistische geest. De kunstenmakers leveren foto’s aan en de keuringsdienst met Boersma, Elferink en Hage keuren de inzendingen en komen op 193 werken van 169 kunstenaars (interessant detail: de website rept van 186/171). Voor het merendeel komen ze uit Noord-Nederland.

San van Thiel – Landscape (€ 950,-)

Op nummer III: San van Thiel met Landscape 1. Het multimediale werk vertelt zoveel verhalen als er vakjes zijn: bijna ontelbaar.

Er zijn, met nog enkele dagen te gaan, 14 werken verkocht, ruim 7%. De deurbewaarders geven aan dat de publieke belangstelling positief is, ‘het loopt redelijk door’. Nog even naar de website: alle disciplines zijn aanwezig, klinkt het veelbelovend en er volgt een opsomming: ‘olieverfschilderijen en andere schildertechnieken, diverse druktechnieken, fotografie, keramiek, beelden in brons en steen en andere 3 dimensionale werken’. We missen toch nog wel wat: video- en filminstallaties, body art, performance kunst, digitale en nieuwemediakunst bijvoorbeeld. En ook de tuin moet het zonder objecten voor de openbare ruimte doen.

Op nummer IV: Jolanda de Ridder met Summertime Rhapsody. Met minimale vormen en strakke kleuren optimaal verhaalgenot.

Jolanda de Ridder – Summertime Rhapsody (€ 600,-)

Maar wat een schitterende omgeving: prachtige zaaltjes, een grote zaal, een luie trap en een meer dan mooie (maar ongebruikte) vestiaire met een waterkraan waar iets van Fountain-art niet had misstaan. Kortom een prachtig gebouw dat zo lang mogelijk uit de handen van doortastende gemeentebestuurders en moderne architecten gehouden moet worden. Mondkapjes op en naar binnen. In zes ruimtes, waaronder, excusex le mot dames, Witte Doos, wandelen we rond. Bezoekers krijgen 40 minuten toebedeeld, ruim 10 seconden per werk dus. Daar blijven we nog wat onder. De prijzen lopen uiteen van € 50,- tot € 6.890,-. Het gemiddelde zal iets boven de € 600,- liggen.

Liesbeth meerding – Bobbie en de kussens (€ 1.250,-)

Op nummer V: Liesbeth Meerding, Bobbie en de kussens: pas op afstand zie je Bobbie. Die afstand maakt een spannend verhaal.

Als er ergens verhalen worden verteld in beelden, dan is het hier in Pictura. We zien sprookjes, natuur-,  fantasie- en realistische verhalen, slaapliedjes, grefo-vertelsels, stadsstories, kinderboeken, streekromans en meer. En heel veel persoonlijke dagboeken. Expliciete Wolkeriaans seks, Kooimansiaans academisme en Güliaanse bekentenisliteratuur weer niet, en voor provocerende, kwetsende satire is het allemaal te braaf. Samenvattend: veel proza & poëzie; weinig theater. Opvallend is de afwezigheid in de verkooplijst van exoten. Op het eerste gezicht geen Turk, Marokkaan, Chinees te zien. Dat geeft te denken. Misschien zou Pictura actiever moeten zoeken. In de gauwigheid tel ik vier Ploegleden.

Op nummer VI een gedeelde plaats voor Lucius Bloemen: nr 220 De Vlieger en Anne-Will Lufting met verf op zeildoek.

Lucius Bloemen – Nr 220: ‘De Vlieger'( € 1.980,-)

Anne – Will Lufting – Bluie + Cadmium Yellow (€575,-) en Deep black + Marble (€ 575,-)

Kijker en maker

Het CBK Emmen presenteert een expositie van Immenga en Vos. Ik ben getriggerd. Ik lees PR-taal over suggestieve kracht en kwasten die onze blikken sturen, van het (in de regel stokoude) publiek worden dan wel scherpe arendsoogblikken verwacht. Ronkende zinnen over Immenga’s fascinerende persoonlijke beeldtaal en Vos’ brede dynamiek oproepende kwaststreken. So far so good. Voor mij valt de expo samen met een nadere kennismaking met kunstenaar Coppoolse in Zwarte Schuur van Oek de Jong en een krantenartikel over Etel Adnan.

Pet af voor het CBK. In een tijd dat bezoekersstromen krimpen en verpieteren als herseninhouden van klimaatontkenners of antivaxxers toch een expo organiseren. In een filmpje vertelt Immenga (Vos moet nog even wachten) over eenvoudige vormen: geen mensen, emoties, landschappen en steden, maar een rijtje bomen en trompetten. Het filmpje heeft de functie van een gebruiksaanwijzing bij een nieuwe boormachine met meer functies dan je denkt en levert tien keer een aha-erlebnis op. Intuïtief nadenken over kleine dingen en voorwerpen intrigeert Immenga. Hij legt uit hoe we naar een vlak met vier zorgvuldig opgebouwde kleuren kunnen kijken. De kleuren verwijzen naar andere kunstenaars: het groen naar James Ensor, de lichtere kleuren naar Mesdag en Jozef Israels. Twee kleine groene vlakjes geven de begrenzing aan van het werk en een stippellijntje wil een lichtstraal zijn. Dit werk moet het helaas doen zonder oranje, Immenga’s favoriete kleur.

Inderdaad. Ik herinner me Immenga’s nieuwjaarswens (godzijdank hoort hij nog tot de uitstervende mensensoort die kerstkaarten stuurt) met oranje en vaalrood. Iets als een in kleuren uitgevoerde, gekantelde ponskaart. Of toch zwevende bakstenen in een denkbeeldige muur en een schuin aflopend dak? Van een herdershut, stal, schuurtje? Of keek ik naar de mankerende beschutting van Palestijnen die in de vuurlinies van Israëlische expansionistische schurkenbroeders liggen? Dat eindejaarskunstwerkje viel op tussen de kaarsen, kerstbomen en skifoto’s. Niet alleen vanwege de vormen en kleuren. Het beeld intrigeerde en verwarde me. Het dwong me tot opnieuw en opnieuw kijken en nadenken, als na de onverwachte uitkomst van de kieswijzer. Wat wilde de kunstenaar/leraar uitdrukken? Omdat een toelichtend begeleidend filmpje bij de kerstkaart ontbrak, heb ik me het hoofd er dagenlang heerlijk over kunnen breken.¹

Wat zien we als we naar Immenga’s werk kijken? Nauwgezet geschilderde abstracte, weerbarstige, schurende vormen die met een bijsluitertekst van de kunstenaar worden gepolijst en ineens een speciale betekenis of lading krijgen, symbolistisch en daarmee toegankelijk worden. Allesbehalve ‘what you see is what you get’ dus. Ik probeer iets langer te kijken. Onderzoeken wijzen uit dat museumbezoekers een seconde of 6, 7 besteden aan een kunstwerk. Overschrijding van die korte tijdsspanne levert iets op. Zoals je iets langer doet over het lezen van hermetische poëzie, ga je bij Immenga vanzelf beelden, fantasieën, verhalen zelfs en poëtisch/filosofische hersenspinsels ontwikkelen, als je er iets langer bij blijft hangen. Probeer dan vooral ideeën over ‘de dynamiek van de leegte’, het weggelatene, de rol en functie van (het gemis aan) decoratieve aspecten van beeldende kunst, verdienmodellen na wekenlang in ateliers werken, en de hoop gescout te worden door behangfabrikanten zoekend naar nieuwe designs, te vermijden. Zet cynische Vormeinungen over abstracte kunst opzij, stap over de drempel van irritante PR-speak en durf je onder te dompelen. Ook zonder arendsogen aanbevelenswaardig. Een goede ervaring.

¹ Navraag bij Immenga leert me dat de nieuwjaarskaartafbeelding een soort souvenirtje betrof, kleine krabbeltjes die in het atelier bleven liggen, meer aardigheidjes voor vrienden en bekenden dan serieus; zie ook www.pieterimmenga.nl. 

Tante Guoitske en De Ploeg (*)

foto: Gert Jan Lobbes

Corona droogt leuke activiteiten op als een uierdoekje koepisspatten. Omdat ik tijd over heb luister ik, voor het eerst op afstand, mee met een rouwdienst vanuit de gereformeerde Oosterkerk in Kollum, mijn geboorteplaats. Het betreft tante Guoitske. De organist speelt gezang veertien. Geconcentreerd blijven luisteren valt niet mee. Het luisterritueel is als een luistertoets op school. Er zijn afleidingen te over. Ik mis de beelden en probeer me een voorstelling te maken van de predikant: haar stem houdt het midden tussen de zakelijk/informatieve van een belastingtelefoonmedewerkster en de invoelende van een sociaal werkster. Het geluid kon beter en ik mis de  mogelijkheid lekker mee te zingen. Al multitaskend googel ik wat tijdens de saaie stukken en zo leer ik dat de architect van de kerk Ploeg-kunstenaar Egbert Reitsma was. Zijn kerkarchitectuur geldt als een belangrijk voorbeeld van regionaal vertaalde expressionistische Amsterdamse School-architectuur. Tijdens een rouwdienst een ouwe Ploeger ontdekken, hoe mooi is dat? Deze kerk was zijn eerste werkstuk. De plafondschilderingen in blauwpaars, vermiljoen, oker: hallucinante vormen, recht boven de gesloten ogen van tante Guoitske, zijn van Ploeglid George Martens. Ik lees over paraboolgewelven van Reitsma en Martens’ kerstkleuren.

Ik probeer me niet door Ploegkunst te laten afleiden en concentreer me op mijn tante. Ze was al oud en hoge ouderdom maakt verdriet lichter zoals het whisky lekkerder maakt. Deze tante was een speciale. Ze was groot. Jeugdherinneringen poppen up. Ze droeg lange, strakke rokken waarvan het zijritsje altijd op springen stond. Haar boezem de billen van Obelix. Het was net na kerst, mijn tweelingbroer en ik waren jarig. Tante trok me op haar schoot. Ik speelde veel met magneten. Mijn magneet klemde aan tantes bovenbeen. Ik hoopte op een stalen heupkop. Het was wat metaal van jarretellesclips die de magneet door de dunne rokstof detecteerde. Of me dat opwond? Het had mijn interesse. Tante verschoof onrustig op de stoel en had mijn belangstelling feilloos geregistreerd, voelde ik. Ik zal acht geweest zijn. Bij de verspugers op school zat ik in de hoogste regionen en mijn inwonende oom had me al door de neus leren boeren. Tante feliciteerde me. Ze had een kunstje verzonnen. De rijksdaalder had ze ingepakt. Een strak stuk plakband hield het papier bij elkaar. Ze vroeg me, ‘blijf bij mij heer’ of iets over nachtelijke herdertjes neuriënd, het geschenk met één hand uit te pakken. Ze wilde mij bezighouden, puur om mijn moeder te ontlasten. Die had genoeg drukte aan haar hoofd op een kinderverjaardag. Tante lachte samenzweerderig. Terwijl mijn rechterhand bezig was de onmogelijke klus te klaren, vlijde ze mijn linkerhand op haar bovenbeen en wreef een beetje heen en weer totdat mijn hand de ijzeren clip voelde. Ze knipoogde onzichtbaar. Mijn tweelingbroer kon al wat blokfluiten en zette welgemoed ‘All I want for Xmas is you’ in.

Ik googel verder en zie dat Reitsma een groot aantal kerken heeft ontworpen. Martens was getrouwd met Alida Pott. Ik besef dat tante Guoitske, postuum samenwerkend met corona, me wat oplevert: een herleving van de Ploeg-geschiedenis.

(*) Deze column verscheen in Ploegblad Special nr 7, dec 2020

De Ploeg in Sneek

Dijkstra

Als hondstrouwe Ploegvriend bezoek ik de kunstbende in mijn heitelân en wel in het Fries Scheepvaart Museum aan het Kleinzand in Snits. Als antwoord op de standaardvraag welk kunstwerk de meeste indruk maakte pesterig: dat van Johan Dijkstra uit de vorige eeuw noemen, nee, gaan we niet doen en ik stap, ‘Frysk bloed tsjoch op! wol nou ris brûze en siede’ neuriënd, het museum binnen. Een mooie, kleine, overzichtelijke expo is het geworden. Wie zitten dan wel in mijn topvijf? Alfabetisch: Cornelius, Geertjes, Van Holten, Kracht, en, sja, eeh, toch good old Dijkstra en als reserve nummer zes Benniks met een vijverdraak.

Benniks

Gemeenschappelijke deler moet zijn geweest: water in Friesland en vooral liever geen olieverven. Iedereen houdt zich eraan, op Reinier van den Berg na die zich met roerijzers en een kievit (geen watervogel Reinier!) presenteert.

Cornelius

Meest opvallende werk is een druksel van Kracht; in hoekige

Kracht

zwarten en witten waarin we bootstevens, delen van een vuurtoren, hoekige golven, gestileerde mondkapjes, zeilen, driekantige hoefijzers, Friese kerktorens, vissen- en meeuwenkoppen en meer ontdekken. Van Holten komt

Van Holten

met gouwe ouwe strakke lijnen met een waddendijk en een lage horizon in zijn kenmerkende blauwen, gelen en, deze keer een opvallend koffievlekje dat ik ontwaar omdat ik altijd op zoek ben naar Van Holtens verfdijkjes waartegenaan hij zijn strakke landschapslijnen bijna boetserend uit de hand penseelt. Cornelius verrast doordat ze met houtskool, voor mij welhaast de techniek die de minst precieze fotografische golven zou kunnen opleveren, toch de meest fotografische golven weet te smeden en de schuin lopende horizon geeft je gelijk een schommelendebootgevoel dat me onmiddellijk naar mijn jeugd terugwerpt toen ik, altijd zeeziek, op zondag mee moest naar Ameland of Schier. En dan de fijne kleurencombi’s van

Geertjes

Geertjes op een drieluik (wow, VERKOCHT!) met onbestemde wriemelende vormpjes waarin we na een poosje onder een microscoop uitvergrote darm- of waterbacteriën of regelmatig/onregelmatige schuimkopjes zien die in gezamenlijkheid wateroppervlakken tonen. Benniks levert een fijn geschilderde libel op een houtstronk af.

Als Ploegwatcher zie ik nieuwe namen in de club: Dick Breunis met ruimtelijke composities waarbij de minimalistische terpkerkjes op grote houten blokken me meer doen dan de uit ruw cortenstaal gefabriekte zeilschuit en Marloes Buigel Boering met vlot geschilderde schuin hangende kleurige zeilboten, mooi hoor, maar beiden zijn aan de prijs lijkt mij, maar wie weet bewijst de geschiedenis hun gelijk. Ook mis ik een paar familieleden (Toos, Annelies, Thomas, Reina, Wouter, Hans, Lydia), hopelijk zijn ze niet door staatsvijand nummer één, c, geveld.

Museum De Pont, Tilburg

De expositie ‘De route wordt opnieuw berekend’ is een goede naam voor starre kijkers. We zijn in Brabant, het land van industriële varkensfokkerijen, leegstaande kloosters die nu vaak wietplantages zijn, verlopen kerken en nertsenbedrijven die onder het toeziend oog van meneer pastoor op het punt staan geruimd te worden. Maar nu Tilburg. Bereid je voor op een heroriëntatie, kijk nog eens en dan anders, stel je zelf lastige vragen over wat, hoe en waarom en stap dan binnen in De Pont. Een goed uur, dan ben je al een heel eind. Voor museumhaters of beginners op het museumvlak is De Pont in Tilburg ideaal. Het heeft alles, maar dan op kleine schaal. Een schitterend gerecycled gebouw: een industrieel pand uit de textielbranche, maar dan zonder spinnewielen, foto’s uit het verleden van moeilijk kijkende bazen en arbeiders en geen belerende tableaus met historische teksten die niemand leest. Het hart van het museum is een open ruimte waarin de stalen dakconstructies zichtbaar zijn. Aan de lange zijde kleine kamertjes die aan een gevangenis doen denken en verder open ruimtes voor kleinere exhibities.

Ook hier moderne kunst die meer modern dan kunst is: veel kleine kunst-fotografie, een op de vloer uitgespreide, rechthoekige baan van steenkolen, we zitten wel vlakbij de voormalige steenkolenindustrie, en een met klokken gevuld afgesloten kamertje (Job Koelewijn) dat nutteloos heen en weer wiegt. De aan- en uitknoppen aan de zijkant schreeuwen om publieksbediening maar dat vindt de zaalwacht die niet houdt van participerend publiek  weer niet goed. Toppunt van confronterende ledigheid: een met jutte bespannen lat waarop een veeg witte verf (Raoul De Keyser).

Echt een museum voor kinderen. In de centrale ruimte is een collectie miniatuurautootjes (Rosemarie Trockel) opgesteld die meer plezier uitstralen dan de volledige crew van Verstappen na weer een netnietoverwinning. Ook prachtig voor jong en oud de indringende schilderwerken (modern èn kunst) van Marlene Dumas, mooie koppen en, de gewaagdste,  schitterend gepenseelde vulva’s van voorover gebogen vrouwen die pesterige wijsneuzige kinderstemmen uitlokken die aan de derde vriendin van pa vragen: ‘Heey Susan, ben jij dat?’ Een plaatselijke grootheid Marc Mulders die als geen ander (pioen)rozen schildert in dikke kwakken olieverf die op de plant snap app onvindbaar zijn maar binnenkort in de betere behangwinkel hopelijk voor alle Tilburgers verkrijgbaar.

Voor zestigplussers die zo nodig samen op de foto willen voor de eerstvolgende en wie weet allerlaatste kerstkaart is er een gebogen stuk staal dat liever glas was (Anish Kapoor) en de wonderlijkste spiegeleffecten als onderdoorkijkpassages biedt die bij goed kijken en een herberekening van de route er niet zijn. Philip Vandenberg die een meer dan interessant beeld van de koning geeft die naakt rennend (‘Susan, is dat Willem Alexander?’) zijn aambeien en pielemuis aan wolven offreert. Kinderen, neem je ouders mee! En dan nog het mooiste museumrestaurant & een intieme binnentuin met stapels niet opgeruimd vuil serviesgoed die bewijzen dat corona de publieksstroom, al dan niet herberekend, niet heeft afgebroken. Mooi zo.

Hoe word je Ploegvriend?

Veel liefdes en voorkeuren ontstaan in je jeugd. Ik was 24, zat van onder tot boven vol testosteron en had net de leukste vrouw van Groningen en ver daarbuiten, laat ik haar V noemen, gescoord. Na een maand of vier ging V’s opa dood: Jan Boer, een in Groningen vermaarde dichter. Bij de crematie, waar ik een verschrikkelijke, want verknipte, Grunninger Bouk-representant trof die het bestond V te verwijten dat zij d’r opa had verwaarloosd toen ze tien was, leerde ik over de relatie die de vers overledene onderhield met Ploegschilders. Even dacht ik dat het landbouwmachinespuiters waren maar allengs kreeg ik visioenen van kunstenmakers. Jan Boer kende Ploegleden van het eerste uur. Hoe gaat dat met kunstenmakers in de provincie, ze prijzen elkaars vrouw, vlam of verovering, drinken een glas wijn te veel en wisselen werk uit. Boer schreef een kwatrijn of een sonnet en Altink illustreerde de geboortekaart van zijn dochter en schilderde later haar portret. V’s oma, de eerste partner van Jan Boer, woonde in een appartement in Haren en later in Zuidhorn. Haar woonkamer hing bomvol schilderijen van Ploegleden. Ik zag een schilderij van Werkman waarop een sneeuwschepper voor een blinde muur weinig stond uit te voeren. Veel grijzen, zwarten en witten. Intrigerend, noemde ik het, spannend ook wel, maar niet een werk dat mijn hart sneller deed kloppen. Dat deden de ogen, mond en lippen van V wel. Iets verderop hing een Altink, een schitterend, vrolijk, licht voorjaarsbeeld van een vervallen boerderij. “Blauwborgje,” lichtte oma mij in, toen ze mijn grote ogen het schilderij zag bewonderen. Steeds als oma mij een derde glas thee wilde inschenken zei V gewiekst: “Misschien heeft Klaas liever een flesje bier?” Omdat oma mij een goede partij voor V leek weigerde ze mij, ook al was de vraag ogenschijnlijk buiten mij om gesteld, nooit iets. “Pak zölf maar een flesje mien jong,” zei ze lief. In de gangkast vond ik twee lauwe pijpjes verschaald bier en onder een wit, gescheurd laken stonden schilderijen als enveloppen in een brievenstaander. In de gangkast!! Allemaal Ploegwerk…. Zo dus.

Micksart Collectief, opening op 16 februari 2020

Op het industrieterrein, zo’n beetje naast Het Goed, Automobielberdijf Misker & zonen, een industrieel seksbedrijf en een sloopbedrijf zit MICKSART COLLECTIEF. Een grote productiehal herbergt een expositieruimte, open ateliers en een koffiehoek. Zondagmiddag 16 februari is de officiële opening. Het is beredruk. Duidelijk is dat het publiek Eric Knegt, centrale spil van Micksart, kan vinden.

Er is een keur aan kunstwerken aan de witte wanden en op al dan niet draaiende tableaus.

De officiële opening wordt verricht door Herman Idema, directeur van ondernemingsvereniging VPB. Hij gaat kort in op de rol van kunst (“kunst brengt liefde”) en licht de achtergrond van de overgang van het Rensenpark naar de Kapitein Grantstraat toe. Eric Knegt heeft een grote gunfactor en dat is mooi. Idema dicht Micksart Collectief een grote naamsbekendheid toe. Micksart is gericht op workshops, samenwerking, alles ondersteund door een hechte vriendengroep. Tijdens Idema’s toespraak gaat de website www.micksart.com de lucht in.

Vervolgens is het de beurt aan Eric Knegt die de medewerkers in het zonnetje zet. Hij licht het concept van de open ateliers toe. Helga Bijl, Johan Smid en Maita Augustin laten in hun ateliers het wordingsproces van kunstwerken zien. Ook is er tijd en ruimte voor muziek en zijn er vergaderruimtes. “Veel is mogelijk,” is ongeveer Knegts mantra. Onder leiding van Annigje, B-Silk en Sandra worden er workshops georganiseerd. Met Annie Sturing heeft Knegt MI&ANN opgezet, ook wel Designers from the North, een kleurrijk label dat jeans een tweede en nieuw leven belooft. Annigjes tassen gaan inmddels de hele wereld over.

Exposities: Micksart exposeert werk van de kunstenaars Patty Aalbersberg, Tinus D., Theo Leering, Pauline Luiten, Ina Marcus, Erik Neijmeijer, Nohablalogica, Jacques Tange, Themocrazy, Ramon Velema, Joost Vink, Daniël ter Waarbeek en Jack Zweers.

Na alle openingswoorden is het tijd voor muziek, overheerlijke hapjes en bier uit Oosterhesselen.

‘Toekomstdenken’, Drentse kunstenaars in De Fabriek

Bestaat er zoiets als Groninger plattelandkunst, Hofstadkunst, ex-mijnbouwregiokunst, krimpregiokunst; kunst waarvan de kern te herleiden is naar de streek waar het gemaakt is?

In 2019 bezoeken we de afstudeerdag van de Haagse Kunstacademie, ingeleid met een toespraak van burgemeester Krikke. De schellen vallen me van de ogen bij een rondgang langs afstudeerwerkstukken of – projecten. Elke student krijgt een (deel van) een ruimte toebedeeld en presenteert daar zijn werk. Opvallend: schilderkunst maakt ongeveer 0,05 % van het geheel uit.

In het CBK Emmen presenteren 87 kunstenaars zich met 117 kunstwerken (ik schat 80% schilderwerk) rondom het thema ‘toekomstdenken’. Nu is ‘toekomstdenken’ evenmin een bestaand woord als ‘verledenduiken’ of ‘hedenstofzuigen’, dus de taalliefhebbers zijn getriggerd. De uitnodiging gaat vergezeld van een zwarte foto met een speeltuinattribuut. De psycholoog, gevraagd naar de diagnose van de patiënt die in een psychologisch onderzoek op de vraag hoe zij/hij de toekomst zou willen tekenen een inktzwarte schets inlevert waarop een metalen speelterreinattribuut te zien is, schaars zilverachtig oplichtend in een lichtschijnsel waarvan de lichtbron op terminale batterijen werkzaam is, geeft een mistroostig inkijkje in een getormenteerde ziel van een bijkans suïcidale patiënt. Als dit het ‘toekomstdenken’ (sic) is van hedendaagse beeldendkunstenaars in Drenthe is mijn belangstelling direct gewekt, als een hospicemedewerker bij een stervende. Vanwaar deze pikzwarte donkerte als het om ‘toekomstdenken’ gaat? Ik ga op zoek naar onvindbare antwoorden.

Om genoeg subsidies binnen te kunnen krijgen is er een samenwerking opgezet tussen Hengelo en Emmen, tussen Overijssel en Drenthe. Kunstenaars willen graag grenzen overschrijden, maar de overkant moet natuurlijk wel zichtbaar blijven, dus niet buiten de veilige familiegrenzen: krimpende oostelijke regio’s begrijpen elkaar natuurlijk gemakkelijker dan een krimpende regio en een grote stad. Dat is wat me door mijn hoofd spookt: wat zou er geworden zijn van een samenwerking tussen Emmen en Den Haag?

‘Toekomstdenken’ is als een sterk gesubsidieerd onderwijsproject, een soort talentontwikkelingsprogramma met verdiepingsdagen, evaluatiemomenten, inspiratiedagen en masterclasses. En vandaag een soort (groot)ouder- en kinddag. Boegbeelden, zeg maar een soort hoofdonderwijzers gidsen de aangemelde kunstenaars door het kunstlandschap en leggen uit wat kunst precies is en hoe je dat het best concipieert. Er worden rapporten uitgedeeld en de beste leerlingen krijgen extra lessen, masterclasses genaamd. Niet door landelijk bekende beroepskunstenaars maar door regionale boegbeelden. Soortgelijke ontwikkelingen zie je in de literatuur. Veel beginnende schrijvers leren liever aan de hand van doorgebroken auteurs schrijven dan dat ze zelf het vak leren door gewoon veel te lezen. Beelden kunstenaars groeien beter van veel kunst kijken dan dat iemand zegt hoe je je penseel het best vasthoudt. In het publiek scharrelt de verantwoordelijk ambtenaar, teamleider sport en cultuur. Hij houdt scherp in de gaten of er niet stiekem alcohol wordt geschonken en of de kunstwerken niet op de kop hangen.

Expositie CBK ‘Werkplaats Emmen 2019’; 13 04 19 – 16 06 19

Van Leuken

Paardenfokkers, parochiezalen en prachtige schilderijen

33 ‘professionele’ kunstenaars tonen hun kunnen met werk dat de laatste drie jaren is gewrocht. We zien een paar zalen vol geslaagd, af, onaf, interessant, teleurstellend, intrigerend en mooi, veelal braaf en incidenteel schitterend werk. Schuimbekkende toeschouwers zullen (helaas) weer uitblijven, want er is niets dat aanstoot geeft, of het zou het beeld van Myrte van Dijk moeten zijn, dat een Round-up drinkende figuur uitbeeldt. Men blijft binnen de grenzen en de lijnen van wat

Banis

acceptabel is en verdragen wordt in Zuidoost-Drenthe. De exposerende kunstenaars kwasten, tekenen, fotograferen en bewerken, kleien; nou ja: ontwerpen en maken kunst met enthousiasme en liefde, dat is te zien. Er is niets wat je niet aan een oude tante, buurman of opa zou durven schenken, maar er is ook weinig dat een museum zal halen. De expo heeft pretenties. Het zou gaan om professionele kunstenaars. Maar wat dat precies inhoudt blijft vaag als de Nexit-plannen van T. Baudet. Zoals professionele paardenfokkers kunnen leven van paarden fokken, professionele sekswerkers van het aanbieden van hun diensten, zo zouden professionele kunstenaars

Van Dijk

moeten kunnen bestaan van wat ze maken. Maar de meesten (alle?) hebben bijbanen als leraar, pension- of galeriehouder of iets anders en daarmee zijn het meer semi-profs of amateurs. Het woord professioneel houdt ook een kwalitatieve belofte in. Die wordt door de meeste deelnemers glansrijk maar door een klein deel van de deelnemers niet waargemaakt. We zien werken die als opperste doel een perfecte mate van ultieme abstractie lijken na te streven, we zien werk dat in parochiezalen geleend lijkt te zijn of uit de hobbykamers van Jehovah’s Getuigen lijkt te stammen en we zien werk dat, wie weet professioneel, in opperste vaart, zo te zien met een snelheid van 25 per uur, met blokkwasten tegen het canvas lijkt te zijn gedrapeerd. En wie zien werk dat, mocht de toeschouwer er gevoelig voor zijn, uitnodigt tot verregaande somberheid. Ik spreek een deelnemende kunstenaar die mij provoceert door werk van Helmantel niet-professioneel te noemen. Tentoonstellingsmaker Slijpen

Van den Brink, detail

gaat ook in op de vraag wat professionele kunst inhoudt. Hij zegt met het nodige gevoel voor drama: “De vraag raakt mij.” Hij noemt een profi ‘iemand die een beroepspraktijk heeft’ en die van zijn werk zijn vak heeft gemaakt, maar niet per definitie succesvol hoeft te zijn. Een opleiding is niet per se nodig. Daarnaast moet je het durven, ambitie hebben en productie kunnen maken. Jammer genoeg gaat Slijpen geheel voorbij aan de kwalitatieve component. Zo kan seriematig geproduceerd werk van de woonboulevard uiterst professioneel zijn geconcipieerd, maar over smaak valt nog wel te twisten.

Lubbersen, 2 van de 25

Wethouder Robert Kleine noemt het door hem geobserveerde werk goed bij elkaar gezocht van talent dat in Emmen ‘rondloopt’. Het werk ‘vloekt niet met elkaar.’ In een vlaag van professionele assertiviteit complimenteert de wethouder zichzelf wanneer hij meedeelt dat hij  wanden op zijn werkkamer heeft vrijgemaakt voor zowel amateur- als professionele kunstenaars.

Wat zien we voor moois bij elkaar? Schilderijen, keramiek, tekeningen, objecten, veel

Immenga

 

meer én buitenbeen fotografie. Internationaal doorgebroken Saskia Boelsems toont prachtige foto’s die meer dan erg hun best doen geschilderd te lijken; haar indrukwekkende luchten, die het einde der tijden lijken aan te kondigen, zijn inmiddels haar handelsmerk. Melanie Banis heeft een reusachtige muurtekening gemaakt, die meer dan overeind blijft door de schitterende lichtinval die over het Oranjekanaal heen de zalen inspringt. Het voor haar werk geposteerde minibioscoopje daagt uit met een verticale projectie. Van Dick Lubbersen zien we 25 blokjes van ca 10 bij 10 die samen een prachtige beeldlijn vormen, als minifoto’s een begin van een kunstfilm. Architectschilder Jan van den Brink is een fijnschilder met intrigerende, surrealistische beelden en motieven, werk dat ook te zien is in Thijnhof te Coevorden. Van Pieter Immenga zien we bijna sprookjesachtige doeken die bij eerste oogopslag niet alles prijsgeven. Bij nadere bestudering zie je lagen achter de bomen vandaan kruipen die je het werk inzuigen.

Top of the bill is een kleurrijk schilderij (acryl op dibond) van Maarten van Leuken, een schilderij dat je ogen wil vasthouden als een vacuüm gezogen deksel op een glad aanrechtblad, dat je biologeert en daarenboven vrolijk stemt als een bonte specht in een forsythia in het voorjaar. Tenslotte: Ellen Kroeze presenteert prachtige schilderijen van welke het mooiste een ziekenzaal is met een treintje op de voorgrond en een roodborstje (?) op een gordijnrail. Mooi!

Kroeze, detail

Franco Grignani van 160219 – 150919 in M.A.X. Chiasso (Zw)

Je kijkt naar verticale, zwart-witte banen op papier. Je ogen registreren iets anders dan je hersenen willen dat je ziet. Je denkt links stroken te zien die zich losrollen van het oppervlak. Je kan er een pen aan vastklikken. Denk je. Je ziet rechts dat de fraaie krul zich weer vloeiend aan het papier laat hechten en opnemen. Dat is wat Grignani’s kunst weet te bewerkstelligen: niks krul, maar vlak als gevlinderd beton.

Het misschien kleinste Europese museum, het M.A.X te Chiasso in Zuid-Zwitserland, een soort schoenendoos op poten, exposeert werk van Franco Grignani: fotografie, grafisch werk en (kleine) objecten. Het museum ademt rust en kalmte als een Zwitsers kantoor voor de registratie van bootvluchtelingen. Er worden speciale rondleidingen georganiseerd: voor (groepen) scholieren, werkers in het onderwijs, grootouders, vrienden van het museum en ouders met kleine kinderen. Ook zijn er speciale publiekspresentaties, internationale presentaties en manifestaties samen met Il Cinema Teatro. Voor deze activiteiten is tijd genoeg, want de expositie duurt maar liefst zeven maanden.

De expo met Grignani de veelzijdige stelt niet teleur, iets wat me bij fotografie en grafiek vaak gebeurt vanwege meer dan gemiddeld obligaat, seriematig werk, dat veelal ogenschijnlijk met plezier, technische precisie en toewijding door werknemers en stagiairs in kunstfabriekjes wordt afgewerkt in (oncontroleerbaar) hoge oplages. Vaak etaleren fotografie en grafisch werk meer kwalitatieve en vooral kwantitatieve (hand)vaardigheid, ondersteund door dure, hoogwaardige, geavanceerde apparatuur dan artisticiteit.  Fotografie is vaker kunstig dan kunst.

Grignani (1908 – 1999) is een uitzondering vanwege de hoge kwaliteit (soms doet zijn werk gewoon aan Esscher denken) en de grote diversiteit. We zien een foto van ijzergaas achter spiegelend glas: een beetje vouwen, bijknippen en kneden, klaar, afdrukken maar, denk je. Bij iets langer spieden en turen ontwaren we nieuwe vormen en structuren, als je wil ontdek je een schildpadkop. Naast grafisch werk, het meeste in zwart en wit en het commercieelste, posters en affiches voor bedrijven, in kleur, en fotografie zien we ruimtelijk werk. Grignani ontwierp veel bedrijfslogo’s. Hij werd bekend door het Woolmark-logo, dat in 2011 door het Creative Review Magazine werd verkozen tot ‘Beste logo aller tijden’.

De expositie begint met een video over de kunstenaar. In één van de eerste zaaltjes zien we een prachtige potloodtekening die Grignani’s artistieke vaardigheid onderstreept. Buiten hangen pubers rond, met de rust van een Christen-Unie congres in de Alpen, verveeld chillend voordat de deuren na twee uren pauze, Zwitserland hè, weer openzwaaien.