Het CBK Emmen presenteert een expositie van Immenga en Vos. Ik ben getriggerd. Ik lees PR-taal over suggestieve kracht en kwasten die onze blikken sturen, van het (in de regel stokoude) publiek worden dan wel scherpe arendsoogblikken verwacht. Ronkende zinnen over Immenga’s fascinerende persoonlijke beeldtaal en Vos’ brede dynamiek oproepende kwaststreken. So far so good. Voor mij valt de expo samen met een nadere kennismaking met kunstenaar Coppoolse in Zwarte Schuur van Oek de Jong en een krantenartikel over Etel Adnan.
Pet af voor het CBK. In een tijd dat bezoekersstromen krimpen en verpieteren als herseninhouden van klimaatontkenners of antivaxxers toch een expo organiseren. In een filmpje vertelt Immenga (Vos moet nog even wachten) over eenvoudige vormen: geen mensen, emoties, landschappen en steden, maar een rijtje bomen en trompetten. Het filmpje heeft de functie van een gebruiksaanwijzing bij een nieuwe boormachine met meer functies dan je denkt en levert tien keer een aha-erlebnis op. Intuïtief nadenken over kleine dingen en voorwerpen intrigeert Immenga. Hij legt uit hoe we naar een vlak met vier zorgvuldig opgebouwde kleuren kunnen kijken. De kleuren verwijzen naar andere kunstenaars: het groen naar James Ensor, de lichtere kleuren naar Mesdag en Jozef Israels. Twee kleine groene vlakjes geven de begrenzing aan van het werk en een stippellijntje wil een lichtstraal zijn. Dit werk moet het helaas doen zonder oranje, Immenga’s favoriete kleur.
Inderdaad. Ik herinner me Immenga’s nieuwjaarswens (godzijdank hoort hij nog tot de uitstervende mensensoort die kerstkaarten stuurt) met oranje en vaalrood. Iets als een in kleuren uitgevoerde, gekantelde ponskaart. Of toch zwevende bakstenen in een denkbeeldige muur en een schuin aflopend dak? Van een herdershut, stal, schuurtje? Of keek ik naar de mankerende beschutting van Palestijnen die in de vuurlinies van Israëlische expansionistische schurkenbroeders liggen? Dat eindejaarskunstwerkje viel op tussen de kaarsen, kerstbomen en skifoto’s. Niet alleen vanwege de vormen en kleuren. Het beeld intrigeerde en verwarde me. Het dwong me tot opnieuw en opnieuw kijken en nadenken, als na de onverwachte uitkomst van de kieswijzer. Wat wilde de kunstenaar/leraar uitdrukken? Omdat een toelichtend begeleidend filmpje bij de kerstkaart ontbrak, heb ik me het hoofd er dagenlang heerlijk over kunnen breken.¹
Wat zien we als we naar Immenga’s werk kijken? Nauwgezet geschilderde abstracte, weerbarstige, schurende vormen die met een bijsluitertekst van de kunstenaar worden gepolijst en ineens een speciale betekenis of lading krijgen, symbolistisch en daarmee toegankelijk worden. Allesbehalve ‘what you see is what you get’ dus. Ik probeer iets langer te kijken. Onderzoeken wijzen uit dat museumbezoekers een seconde of 6, 7 besteden aan een kunstwerk. Overschrijding van die korte tijdsspanne levert iets op. Zoals je iets langer doet over het lezen van hermetische poëzie, ga je bij Immenga vanzelf beelden, fantasieën, verhalen zelfs en poëtisch/filosofische hersenspinsels ontwikkelen, als je er iets langer bij blijft hangen. Probeer dan vooral ideeën over ‘de dynamiek van de leegte’, het weggelatene, de rol en functie van (het gemis aan) decoratieve aspecten van beeldende kunst, verdienmodellen na wekenlang in ateliers werken, en de hoop gescout te worden door behangfabrikanten zoekend naar nieuwe designs, te vermijden. Zet cynische Vormeinungen over abstracte kunst opzij, stap over de drempel van irritante PR-speak en durf je onder te dompelen. Ook zonder arendsogen aanbevelenswaardig. Een goede ervaring.
¹ Navraag bij Immenga leert me dat de nieuwjaarskaartafbeelding een soort souvenirtje betrof, kleine krabbeltjes die in het atelier bleven liggen, meer aardigheidjes voor vrienden en bekenden dan serieus; zie ook www.pieterimmenga.nl.











De expositie ‘De route wordt opnieuw berekend’ is een goede naam voor starre kijkers. We zijn in Brabant, het land van industriële varkensfokkerijen, leegstaande kloosters die nu vaak wietplantages zijn, verlopen kerken en nertsenbedrijven die onder het toeziend oog van meneer pastoor op het punt staan geruimd te worden. Maar nu Tilburg. Bereid je voor op een heroriëntatie, kijk nog eens en dan anders, stel je zelf lastige vragen over wat, hoe en waarom en stap dan binnen in De Pont. Een goed uur, dan ben je al een heel eind. Voor museumhaters of beginners op het museumvlak is De Pont in Tilburg ideaal. Het heeft alles, maar dan op kleine schaal. Een schitterend gerecycled gebouw: een industrieel pand uit de textielbranche, maar dan zonder spinnewielen, foto’s uit het verleden van moeilijk kijkende bazen en arbeiders en geen belerende tableaus met historische teksten die niemand leest. Het hart van het museum is een open ruimte waarin de stalen dakconstructies zichtbaar zijn. Aan de lange zijde kleine kamertjes die aan een gevangenis doen denken en verder open ruimtes voor kleinere exhibities.
uitgespreide, rechthoekige baan van steenkolen, we zitten wel vlakbij de voormalige steenkolenindustrie, en een met klokken gevuld afgesloten kamertje (Job Koelewijn) dat nutteloos heen en weer wiegt. De aan- en uitknoppen aan de zijkant schreeuwen om publieksbediening maar dat vindt de zaalwacht die niet houdt van participerend publiek weer niet goed. Toppunt van confronterende ledigheid: een met jutte bespannen lat waarop een veeg witte verf (Raoul De Keyser).
schitterend gepenseelde vulva’s van voorover gebogen vrouwen die pesterige wijsneuzige kinderstemmen uitlokken die aan de derde vriendin van pa vragen: ‘Heey Susan, ben jij dat?’ Een plaatselijke grootheid Marc Mulders die als geen ander (pioen)rozen schildert in dikke kwakken olieverf die op de plant snap app onvindbaar zijn maar binnenkort in de betere behangwinkel hopelijk voor alle Tilburgers verkrijgbaar.
eerstvolgende en wie weet allerlaatste kerstkaart is er een gebogen stuk staal dat liever glas was (Anish Kapoor) en de wonderlijkste spiegeleffecten als onderdoorkijkpassages biedt die bij goed kijken en een herberekening van de route er niet zijn. Philip Vandenberg die een meer dan interessant beeld van de koning geeft die naakt rennend
(‘Susan, is dat Willem Alexander?’) zijn aambeien en pielemuis aan wolven offreert. Kinderen, neem je ouders mee! En dan nog het mooiste museumrestaurant & een intieme binnentuin met stapels niet opgeruimd vuil serviesgoed die bewijzen dat corona de publieksstroom, al dan niet herberekend, niet heeft afgebroken. Mooi zo.
een schilderij van Werkman waarop een sneeuwschepper voor een blinde muur weinig stond uit te voeren. Veel grijzen, zwarten en witten. Intrigerend, noemde ik het, spannend ook wel, maar niet een werk dat mijn hart sneller deed kloppen. Dat deden de ogen, mond en lippen van V wel. Iets verderop hing een Altink, een schitterend, vrolijk,
licht voorjaarsbeeld van een vervallen boerderij. “Blauwborgje,” lichtte oma mij in, toen ze mijn grote ogen het schilderij zag bewonderen. Steeds als oma mij een derde glas thee wilde inschenken zei V gewiekst: “Misschien heeft Klaas liever een flesje bier?” Omdat oma mij een goede partij voor V leek weigerde ze mij, ook al was de vraag ogenschijnlijk buiten mij om gesteld, nooit iets. “Pak zölf maar een flesje mien jong,” zei ze lief. In de gangkast vond ik twee lauwe pijpjes verschaald bier en onder een wit, gescheurd laken stonden schilderijen als enveloppen in een brievenstaander. In de gangkast!! Allemaal Ploegwerk…. Zo dus.
Misker & zonen, een industrieel seksbedrijf en een sloopbedrijf zit MICKSART COLLECTIEF. Een grote productiehal herbergt een expositieruimte, open ateliers en een koffiehoek. Zondagmiddag 16 februari is de officiële opening. Het is beredruk. Duidelijk is dat het publiek Eric Knegt, centrale spil van Micksart, kan vinden.
De officiële opening wordt verricht door Herman Idema, directeur van ondernemingsvereniging VPB. Hij gaat kort in op de rol van kunst (“kunst brengt liefde”) en licht de achtergrond van de overgang van het Rensenpark naar de Kapitein Grantstraat toe. Eric Knegt heeft een grote gunfactor en dat is mooi. Idema dicht Micksart Collectief een grote naamsbekendheid toe. Micksart is gericht op workshops, samenwerking, alles ondersteund door een hechte vriendengroep. Tijdens Idema’s toespraak gaat de website
Exposities: Micksart exposeert werk van de kunstenaars Patty Aalbersberg, Tinus D., Theo Leering, Pauline Luiten, Ina Marcus, Erik Neijmeijer, Nohablalogica, Jacques Tange, Themocrazy, Ramon Velema, Joost Vink, Daniël ter Waarbeek en Jack Zweers.









Je kijkt naar verticale, zwart-witte banen op papier. Je ogen registreren iets anders dan je hersenen willen dat je ziet. Je denkt links stroken te zien die zich losrollen van het oppervlak. Je kan er een pen aan vastklikken. Denk je. Je ziet rechts dat de fraaie krul zich weer vloeiend aan het papier laat hechten en opnemen. Dat is wat Grignani’s kunst weet te bewerkstelligen: niks krul, maar vlak als gevlinderd beton.
Het misschien kleinste Europese museum, het M.A.X te Chiasso in Zuid-Zwitserland, een soort schoenendoos op poten, exposeert werk van Franco Grignani: fotografie, grafisch werk en (kleine) objecten. Het museum ademt rust en kalmte als een Zwitsers kantoor voor de registratie van bootvluchtelingen. Er worden speciale rondleidingen georganiseerd: voor (groepen) scholieren, werkers in het onderwijs, grootouders, vrienden van het museum en ouders met kleine kinderen. Ook zijn er speciale publiekspresentaties, internationale presentaties en manifestaties samen met Il Cinema Teatro. Voor deze activiteiten is tijd genoeg, want de expositie duurt maar liefst zeven maanden.
Fotografie is vaker kunstig dan kunst.
We zien een foto van ijzergaas achter spiegelend glas: een beetje vouwen, bijknippen en kneden, klaar, afdrukken maar, denk je. Bij iets langer spieden en turen ontwaren we nieuwe vormen en structuren, als je wil ontdek je een schildpadkop. Naast grafisch werk, het meeste in zwart en wit en het commercieelste, posters en affiches voor bedrijven, in kleur, en fotografie zien we ruimtelijk werk. Grignani ontwierp veel bedrijfslogo’s. Hij werd bekend door het Woolmark-logo, dat in 2011 door het Creative Review Magazine werd verkozen tot ‘Beste logo aller tijden’.
De expositie begint met een video over de kunstenaar. In één van de eerste zaaltjes zien we een prachtige potloodtekening die Grignani’s artistieke vaardigheid onderstreept. Buiten hangen pubers rond, met de rust van een Christen-Unie congres in de Alpen, verveeld chillend voordat de deuren na twee uren pauze, Zwitserland hè, weer openzwaaien.
T/m 5 mei 2019 is de glasverzameling van Dale Chihuly nog te zien in het Groninger Museum. Ik hoorde er iemand over pochen. Ach, iedereen kan zich vergissen. Maar ja, niet iedereen heeft jeugdherinneringen aan een glazen asbak op tafel waardoorheen magische kleuren sliertten als uitgerekte olieresten in een sloot, of aan uitvergrote kleuren in het verenkleed van een kievit of een sierduif. Niet iedereen paart in het geheugenlabyrint de kleurenexplosie van de glazen bollen aan een doos kerstballen of stuiters die, eenmaal tevoorschijn getoverd vanachter het knieschot, de kleurenreceptoren in je ogen bijna deden exploderen als onweer je oren. Ook niet elkeen zal in zijn jeugd bij de Chinees hebben
gegeten, zittend naast een aquarium waardoorheen felgekleurde tropische visjes heen en weer schichtten als ongestuurde raketjes op oudjaarsavond. Die jeugdbeelden komen bij mij op als boertjes na een vette maaltijd als ik de kitscherige, fabrieksmatig geconcipieerde glasproducties in Engelse-dropkleuren aanschouw in het Groninger Museum. Het carnavaleske glas probeert zo fanatiek op een koraalrif te lijken dat het blasfemische proporties aanneemt. Hier, zo realiseer ik me, wordt een loopje met k u n s t genomen. Dat de museumdirectie heeft besloten een extra € 5,- te leggen op de entree voor handenarbeid en huisvlijt is onderkoeld gezegd onkies. Huur een ploeg eersteklas glasblazers in, zet die in een goed geoutilleerde fabriekshal en laat ze glas blazen en draaien en druppend uitrekken en weer afkoelen dat het een aard heeft. Zet twintig rode glazen kaarsen rechtop in een grindbak in de buitenlucht en laat het publiek
denken dat dit soort geglazuurde pijlstaarterecties moeilijk maakbaar en daardoor kunstig zijn. Demonteer de losse, nog nasissende en druipende onderdelen zoveel mogelijk, leg ze in met piepschuim beklede, gewatteerde kisten en transporteer die naar musea in provinciehoofdsteden waar men houdt van kerstballen, druipkaarsen en zich verwonderen over fake transportproblemen. Echt, iedereen mompelde: “Hoe hebben ze dit hierbinnen gekregen?” Miniaturen worden in de museumwinkel aangeboden voor oversized prijzen: van € 6.000 – € 7.500,- Zoveel opgeblazen lucht verdraagt dit mooie museum niet; we zien op het oog onverwoestbare stalen spanten in de Coop
Himmelb(l)au-vleugel spontaan corroderen ten teken van een geelhesjesgevoel dat onhoorbaar maar permanent NEE roept, als een viraal gaand twitterbericht van een gedrogeerde Brexitvoorstander. Mendini zou zich in zijn graf ….