De Ploeg 8; (****)Jubileumtentoonstelling De Ploeg in Pictura Groningen (13 mei- 24 juni)

Alkema XL 1 (inkt op papier 125 x 195 cm)

Het is een chiasme: terwijl de oude Ploeg met oud, gekend en herkenbaar werk resideert en exposeert in de moderne zalen van het Groninger Museum, komt de springlevende Ploeg met nieuw en bij vlagen modernistisch werk bijeen in het antieke Pictura.  De jubileumexpositie is meer dan geslaagd: veel nieuw werk, heel veel uitgesproken mooi, interessant en aantrekkelijk.

Het is en blijft een prachtige locatie, het statige, oude pand van Pictura aan de Walburgstraat. Een wirwar aan zaaltjes, op- en afstapjes, trappen met tapijten, nauwe gangen en dan boven een soort walhalla, een grote, luchtige en lichte ruimte. Het wijd open raam en het plafond van zondoorlatende platen spotten met alle museumwetten van beheersing van licht en lucht. Je waant je meer in een plantenkas dan in een museum waar de luchtwaarden permanent worden gemonitord. De locatie ademt de sfeer van voor de oorlog. De Ploeg is thuis in de oude doos waar ze groot werd.

Van der Sleen De aanroeping harsolieverf op paneel, 50 x 60 cm)

Er zijn toespraakjes van een Picturamedewerker, wethouder Ron de Raak en Ploegvoorzitter Corsius. De historische band tussen de Ploeg en Pictura wordt gememoreerd. Vanaf het allereerste begin kennen zij elkaar en de verkering is nooit uitgegaan. De wethouder vat de relatie tussen de Ploeg en de stad Groningen samen. Aan de getoonde kunst en haar makers waagt hij zich niet. Ondertussen worden in het publiek de eerste waaiers gevouwen. Woorden als fantastisch, springlevend en roemrucht komen voorbij. Maar toch. Zou er in de relatie iets zijn misgegaan? Het lijkt erop dat de Ploeg wraak neemt door de wethouder bij de onthulling van een fotodoek niet een soepel open glijdend lusje te laten aantrekken maar een knoop die steeds strakker gaat zitten, als een verkeerd geknoopte schoenveter in een molière. Beleefd volgt het publiek het ongemakkelijke gespartel met de touwen.

Corsius, Geertjes en De Raak

Corsius memoreert het ontstaan van het boek en zegt iets over de vorm en inhoud. Cornelius en Geertjes lezen fragmenten voor uit de notulen van de vereniging. Geertjes tovert de lach op gezichten van haar toeschouwers door met een ouderwetse polygoonstem de historiciteit en authenticiteit te benadrukken. Net voordat de eerste gasten flauwvallen wordt er als openingsact een foto ontrold die het begin en het nu markeert van de Ploeg. De muziek zet in, er ontstaat een run op de drankjes en we maken een ronde.

Vooraf enige informatie: 21 van de 22 Ploegleden tonen samen bijna honderd werken met een gemiddelde prijs van ruim € 1.000. De prijzen variëren van € 69,95 (Jonkman) tot € 4.750,- (Van der Sleen) met dien verstande dat er ook werk is dat niet te koop is (Gommer, Hagenaars, Van den Berg) of waarvan de prijs nader overeen te komen is (Hagenaars). Er is ook klein werk (ik leg de grens bij max 0,10 m²), van Alkema, Cornelius, Corsius, Gommer, De Groot, Jonkman en Schreuder. Driedimensionaal werk presenteren Van den Berg, Corsius en Hagenaars. De bronzen en bladgouden man van Hagenaars staat pontificaal centraal in een kamer. Van den Berg heeft zijn succesformule, de roerstokjes, in een halovorm op een sokkel geplaatst en Corsius presenteert met een schetsboek een ode aan Werkman.

Meest opvallend vind ik de monumentale ‘XL 1’ en ‘XL 3’ (inkt op papier) van Alkema: ik fantaseer dat de looplijnen van miljoenen babymieren, uiteraard symbool voor over de aardbol zwervende mensenstromen, minutieus zijn gevolgd en opgetekend. Zoals in het voetbal de aanvoerder vaak de boel aanjaagt, is het Ploegvoorzitter Corsius die met expliciet nieuw werk komt. Acht schitterende ‘Nouveau Lisa’s’ (DigiGrafiek), fotografische vormen in ‘Stad en Ommeland’ (piëzografie op doek) en dan ‘Natuurlijk, zonder titel’, een gefotografeerde vrouwenrug met twee doorschijnende bladeren waarvan de nerven als aderen zichtbaar zijn en uitlopen naar bovenaan, naar het zedige begin van een bilspleet. De raak geschilderde cactussen met bijen resp. een vogel van Jonkman maken me vrolijk, net als haar ‘Zomer met passie’ dat doet en het humoristische (of dieptragische?) ‘Verdwaald’ van Dijkstra.

Marten van Holten ‘een wandeling op Schier’ (acryl op linnen, 150 x 100 cm)

Van Holten blijft ijzersterk met zijn waddenwerken, de landschappelijke lijnen worden haast geometrische vormen. Met mijn neus op de doeken bestudeer ik zijn techniek van ‘dijkjes’ schilderen, waartegen de volgende kleur wordt gevlijd. Van den Berg komt met drie mannenfiguren die uitgezaagd zijn in multiplex en van aanstekelijke kleuren zijn voorzien. Ik herken zijn werk uit duizenden en dat heeft hij gemeen met de vervreemdende verkeerslocaties van Gommer, het magisch realisme van Busman en misschien de bepaald niet alledaagse in olieverf vastgelegde meiden van Benniks. Van Benniks zie ik ‘Wegdromen in water’, waarvan ik enkele jaren geleden het ontwikkelingsproces kon volgen. Gijs van der Sleen, die werkt met zijn eigen harsolieverf, toont zijn precieze technische vaardigheid met ‘De Aanroeping’, ‘Portret Marieke’ en ‘Gereedschap van de Scheepstimmerman’. Kracht, Klaveringa, Velthoen, Van der Woude en Van der Wal laten zich inspireren door wat er in Noord-

Busman Vals Licht (56 x 38,5 cm)

Nederland buiten te zien is: Wadden, dorpen, pleinen, sluizen, groen en parken. En dan is er nog meer ….

 

De Ploeg 7; expo in Kloostermuseum St Bernardushof Aduard “Steentil”

Johan Dijkstra schilderde in 1924 een stenen brug, die hier steentil wordt genoemd. In Dijkstra’s tijd bestond de brug nog uit twee delen, de echte en de zgn. ‘aanbrug’. Zes Ploegleden lieten zich inspireren door Dijkstra’s aquarel, zegt de begeleidende tekst. Dus niet door de echte brug, concludeer ik. In dit = mijn zevende blogtekst over De Ploeg, ga ik verder in mijn pogingen te ontrafelen, te analyseren wat De Ploeg inhoudt. Museummedewerker Hans de Boer, die ooit samenwerkte met Bé Kracht in de tijd dat zij op de reclameafdeling van V & D arbeidden, is vrij stellig wanneer hij spreekt van “… de echte Ploeg en de huidige Ploeg.” Ik frons mijn wenkbrauwen bij het woord ‘echte’. De Boer: “Johan Dijkstra is met deze aquarel zeer herkenbaar als Ploeg-kunstenaar, dit is typisch het Groninger landschap.” Enthousiast wijst Hans de Boer ons de weg naar de echte steentil bij Dorkwerd. Er vaart, hoe bestaat het, net een bootje onderdoor met de naam Steentil. 

Wat gebeurt er, wat krijg je wanneer zes Ploegkunstenaars een plompe stenen boogbrug bij Aduard vastleggen? Hoe zwaar en indringend is Johan Dijkstra’s invloed? Gaan ze hem naschilderen, beentje lichten of proberen ze hem te overtreffen? Bij geen van de zes wordt Dijkstra’s kleurenexplosie gehaald. Bij Kracht zie ik fijne blauwen en paarsen. Bij Schreuder ontwaar ik diep roze in het steen van de brug, een kleur die in de wolken na-echoot. Van der Wal en Klaveringa houden zich in met kleur. Bij Klaveringa en Van den Berg zie ik een andere positie dan die van de foto (en het origineel?).

Thomas Dijkstra Steentil

Thomas Dijkstra, de jongste, centreert de brug, vervaagt de zijkanten en zuigt de kijker mee onder de brug door. Van der Wal kiest eigenwijs voor een ander jaargetijde. Duidelijk wordt dat hier niets wordt opgeschud, omgeploegd. Geen ontremde, dwarse, wilde gekkigheid. Ik zie een voortgang in de traditie. Alle zes lijken verknocht met het Groninger landschap zoals de oudjes dat waren en allezes produceren in een niet al te groot formaat een herkenbare brug. Van de zeven werken is er één niet met de kwast tot stand gebracht. De technieken zijn: olieverf, pastel, gemengde techniek, aquarel en houtsnede. Woonde ik naast de brug, ik kocht een afbeelding. Of ik de hoofdprijs zou willen betalen, mwaaah. De prijzen variëren van € 175,- tot € 800,-. Het komt me voor dat de meest arbeidsintensieve het goedkoopst is. Ik zie nog geen rode stippen.

Klaveringa Steentil

Bé Kracht pastel € 175 / Thomas Dijkstra olieverf € 650 / Geert schreuder olieverf € 800 / Reinier van den Berg houtsnede € 195 / Joke Klaveringa aquarel I en II per stuk € 375 / Aly van der Wal gemengde techniek € 550. Van Van den Berg en Schreuder ligt er een folder.

Geert Schreuder Steentil

Nieuw: Te Koop

acryl op mdf-paneeltjes op mdf-plaat; 50 x 50 cm; in particuliere collectie te Tilburg

 

2017 april; acryl op mdf-paneeltjes op mdf-plaat; 50 x 50 cm; in particuliere collectie te Wergea

 

12 2017; acryl op canvas
30 x 30 cm; € 30,-

Vanaf april 2018 is de rubriek Te Koop toegevoegd.

Acryl op doek; 20 x 20;
€ 25,-

Acryl op MDF-paneel; 52 x 52; in particuliere collectie te Zwolle

Acryl op MDF; 60 x 11;
€ 66,- (of in drie maandelijkse termijnen van € 22,-)

 

acryl op mdf; 52 x 52 cm
in particuliere collectie te Amsterdam

 

acryl op mdf; 50 x 50 cm
€ 66,- of drie maandelijkse termijnen van € 22,-

 

Acryl op doek; 20 x 20
€ 25,-

Van Gogh Huis Drenthe, Veenoord/Nieuw-Amsterdam (€ 5,-)

Het Van Gogh Huis in Veenoord/Nieuw-Amsterdam is het enige openbaar toegankelijke pand in Nederland waar Vincent van Gogh woonde en werkte.

Drenthe is in de 19e eeuw een gewild oord onder kunstenaars. Maar wat zoeken behangschilders Egbert van Drielst, Hendrik Willem Mesdag, Marie Cremers, L. W. R. Wenckebach, Van de Sande Backhuyzen, Van Dulmen Krumpelman, Van Rappard, J. Bosboom en later Vincent van Gogh allemaal in Drenthe in de 19e eeuw? De levendige en vaak lyrische brieven van Van Gogh aan zijn lievelingsbroer Theo geven het antwoord. Ze lezen als een toeristische folder van Magisch Drenthe: men zoekt rust, natuur, ongereptheid, puurheid, kortom: schoonheid. En af en toe een prostituee voor de gezelligheid natuurlijk. Onder het mom van ‘een model inhuren’ was er veel mogelijk, ook in Veenoord. Van Gogh maakte ontdekkingstochten door de veengebieden en zijn doel was de gewone mens, de landarbeider, te schilderen. Maar het was voor de gesjeesde theologiestudent annex domineeszoon Van Gogh natuurlijk niet alle dagen feest in Drenthe. Met de trekschuit De Snikke was Vincent vanuit Hoogeveen neergestreken in Veenoord. Volgens museummedewerker Anne de Vries werd hij ternauwernood als gast geaccepteerd door hoteleigenaar Scholten. Ma Scholten laat hem binnen en Van Gogh krijgt een prachtig bovenkamertje. In dit nagemaakte hotelkamertje zouden zich enkele onbehandelde planken bevinden uit de periode dat Vincent van Gogh hier logeerde, aldus De Vries. Nog een overblijfsel uit de periode met de beroemde gast is een lampetset die via de kleindochter van mevr. Scholten boven water kwam. Geldgebrek, eenzaamheid, rusteloosheid en melancholie zouden Van Gogh na een maand of drie (andere bronnen spreken van twee) weer uit deze contreien hebben verdreven. De gezelligheid in het café op de begane grond was voor de kunstenaar of niet bereikbaar of niet genoeg. Vanuit Veenoord bezocht Van Gogh Zweeloo, waar Berlijner Max Liebermann, nog zo’n fervent Drentheganger, verbleef. Drenthe inspireerde Vincent, hij schreef er ruim twintig brieven en hij maakte er veertig kunstwerken. Dat Van Gogh een werkzaam leven leidde bewijzen de 1100 schetsen en studies, 900 olieverfschilderijen en aquarellen en de zowat 1000 brieven die hij naliet. Ook verhuizen vergde veel van zijn tijd. Na Groot-Zundert, Den Haag, Londen, Parijs, Ramsgate, Dordrecht, Amsterdam, Brussel, Hoogeveen strijkt Vincent neer in Veenoord/Nieuw-Amsterdam. Latere woonplaatsen zijn nog Nuenen, Antwerpen, Arles, en Auvers-sur-Oise.

Op de bovenverdieping van het Van Gogh Huis kijken we naar een film over de Drentse periode van Van Gogh, met Mike Reus in de rol van Vincent. De teksten komen allemaal uit zijn brieven. De nagemaakte hotelkamer, compleet met een schilderstafeltje,  geven een goede indruk van de toestand vroeger. Met een periscoop (!) kunt u op de zolder kijken waar oude spullen uit de tijd van Van Gogh zijn uitgestald.

The American Dream, Amerikaans realisme 1945 – 2017 in Assen (en Emden)

De dubbeltentoonstelling is een prachtig voorbeeld van internationale samenwerking door musea in de regio. Meer dan 200 kunstwerken zijn in beide musea te zien. Assen biedt 58 werken uit de periode 1945 – 1965 aangevuld met een handvol (super)recente werken en Emden zo’n 150 vanaf 1965. Verschillen in aanpak zijn er ook: in Assen is alles in één zaal geplaatst, in Duitsland worden meer ruimtes gebruikt. Als het druk is in Assen is het onmogelijk met enige afstand naar de werken te kijken. Iedereen vraagt zich af waarom in vredesnaam het balkon niet wordt gebruikt. Nu staan daar slechts fauteuils voor een handvol luisteraars. Er is een indrukwekkende, oneindig lijkende lijst sponsoren. Iedereen weet dat bij grensoverschrijdende projecten de subsidies over de plinten klotsen. Toch vraagt Assen kleingeestig nog € 2,- pp naast de museumkaart. Waarin een klein museum groot en dus weer klein kan zijn. Assen presenteert een piepklein informatieboekje (met soms één woord als toelichting (bijv. ‘Zeefdruk’ bij een Roy Lichtenstein)). 

Emden is royaler met een groot boekje met veel meer info en nuttige fotografie als illustratiemateriaal. Okee, okee, genoeg, maar wat een prachtexposities. Naast beeldende kunst is er info over politiek en muziek uit die tijd.
Na de grote overzichtstentoonstelling van Hopper in 2004 in Keulen wil ik weer echte Hoppers zien. Hopper was een veelschilder. Hij maakte meer dan 3000 werken, waarvan er nu (zegge en schrijve) twee in Assen te zien zijn: ‘New York Restaurant’ en ‘Morning Sun’, respectievelijk geplaatst onder het thema Stad en Mens. Andere subtitels in Assen zijn: Verhaal, Stilleven en Platteland. Ik kies de invalshoek van het verhaal.

Hoppers Morning Sun (1952) toont een vrouw op een bed zittend en kijkend naar een huizenblok met op de achtergrond een waterreservoir. Twee elementen domineren: de vrouw en de mooie groenige lichtbaan die achter haar op de muur wordt geprojecteerd. Wat haar interesseert of obsedeert, waar ze naar kijkt, zeg het maar. Ze poseert overduidelijk. Opvallend zijn haar vlekkerige huid op de bovenarmen, haar forse bovenbenen, witte voorhoofd, en haar ogen, bestaande uit donkere driehoekjes. Haar mondspieren lijken strak. We lezen dat het om Hoppers vrouw gaat die haar man te verstaan heeft gegeven niet langer van modellen gebruik te maken maar dat hij haar moet schilderen. Een eenzame vrouw, denk ik, als ik haar bekijk. ‘Verdomme, waarom moest dat raam zo nodig open,’ denkt ze. ‘Straks zal Ed wel weer zeggen dat het alleen om het licht om de muur ging. Wat gaat hij met mijn okselhaar doen en mijn artrosevinger? Als dit maar goed gaat.’

Iedereen die in een kerktoren wel eens de vlag heeft moeten hijsen kent Toll Rope (1951) van Andrew Wyeth. Je opent een piepende en krakende deur en je beklimt een wenteltrap. Na vijftig treden beginnen de houten ladders. Sommige staan vast, een enkele wiebelt op een te smal plankier en alle zijn door houtwormen bezocht als bejaarden door in hun hoofden borende kwade dromen. Een muf ruikend henneptouw biedt houvast bij paniekaanvallen. Boven je kiert een baan licht en zijn duiven, rustgevend als altijd, hoorbaar. De wind suist om de taps toelopende torenspits. Bij elke stap dwarrelt stof op. Je verbaast je telkens weer over de ingenieuze pengatverbindingen die de balken spijkervrij aan elkaar kluisteren. Hier en daar een krijtstreep als een spoor van je voorganger, een halve eeuw geleden.


Van The Lake in Central Park (2017) van Stone Roberts is de verf nauwelijks droog. Een maand of vier voor deze tentoonstelling rondde Roberts dit prachtige verhaalschilderij af. Een propvol meertje in Central Park (NY) met tientallen bootjes op een kleine oppervlakte. Waar je kijkt zie je precies geschilderde mensen die het naar de zin hebben in Central Park. Er worden selfies geschoten als buksen op de kermis en men heeft oog voor elkaar. Aan de rand van het water is een overvol terras. Zat je buurman erbij, je zou hem herkennen. Rechtsboven, achteraan ontwaar ik een minder vrolijk tafereel. Een bruid houdt haar linkerhand vertwijfeld voor haar gezicht, terwijl ze belt met de onzichtbare telefoon in haar rechterhand. De bruidegom is niet komen opdagen. Het prijskaartje zit nog aan de zoom van de witte trouwjurk. Ze wordt straal voorbijgelopen door een kanoër. ‘Als ik haar ga helpen is mijn hele middag naar de knoppen,’ denkt hij, ‘doorlopen dus. Ik doe net alsof ik haar niet zie.’ 

Dieren en dingen, kijk en doe tentoonstelling CBK Emmen (27 jan – 2 apr 2018); gratis

Vooral de zin ‘bij grote belangstelling mag er maximaal één begeleider per kind meekomen,’ triggerde. Grootspraak of realiteit? Kinderen meeslepen naar het museum, is dat verantwoord? (*) Bestaat kunst voor kinderen? ‘De tentoonstelling is speciaal voor jong en oud’ gaat de folder ronkend verder. Dat lijkt me net zo paradoxaal als de NTR-slogan ‘speciaal voor iedereen’. De aanmoedigingen ‘spannende kruisingen, veel te ontdekken en zelf te doen’ trekken ons over de streep. We krijgen geen spijt…

‘Wat een mooie tentoonstelling!’ is de eerste reactie in het gastenboek. Carolien Adriaansche, Jennifer Koning, Erica Scheper en Myrte van Dijk zorgen voor verbazing, verwondering, inspiratie en bewondering.

Marieke Meijerink houdt de openingstoespraak. Zij praat ons vlotjes bij over de vier exposanten. Dat de expo voor kinderen is betekent niet dat het kinderachtig is. De dierenwereld en alledaagse voorwerpen spelen een grote rol. Er zijn grote en kleine objecten van beton, gips en aan elkaar geplakte teenslippers die ooit ergens aanspoelden en liever in het CBK Emmen dan in de plastic soep terechtkwamen. Carolien Adriaansche toont gerecyclede spullen: vindingrijk en grappig bewerkt en geassembleerd. Jennifer Koning presenteert realistisch en impressionistisch geschilderde (huis)dierenportretten.

Herkenbaar maar nergens gewoontjes. Bij Erica Scheper geen overbekende soepblikken, maar precies geschilderde melkpakken, een pakje boter en een opgepompt brandalarm. De filosofische achtergrond bij haar werk: waarom wordt het ene voorwerp wel en het andere niet geschilderd en zo tot kunst verheven? Van Myrte van Dijk zien we kleine en grote betonnen en gipsen dieren die ondanks het formaat speels en licht blijven; ze mogen aangeraakt worden. In het bedrijf van de gebroeders Ninaber worden op elkaar gelijmde teenslippers tot kunstige, veelkleurige dieren gefixt.

Alle voorwerpen die niet achter gele strepen staan opgesteld mogen worden betast. Waren in het CBK informatiestickers nog wel eens onleesbaar voor bezoekers, nu is alles op kinderooghoogte geplaatst, compleet met vragen die verder kijken en zoeken bevorderen. Zijn er helemaal geen minpunten dan? Het is allemaal erg braaf. Opwinding, schrik, schokken en ergernis ontbreken. De ervaring dat gegeneerde ouders, tantes en ooms je hoogrood van bepaalde kunstwerken willen weghouden, ga je hier niet krijgen.

Na de openingshandeling, het lint wordt door een junior doorgeknipt, is het tijd voor jeugdtheater van ‘De Toren van Geluid’. Twee theaterdieren, muzikaal & vocaal sterke jonge kerels, kluisteren een dertig zeer jonge kinderen, en minstens evenveel (groot)ouders aan hun spel met de dieren muis, vos en tijger. Met flair en kunde bespelen ze unieke muziekinstrumenten en het piepjonge publiek als Beethoven zijn klavier. De iets oudere kinderen, vanaf ongeveer zeven jaar, blijven op veilige afstand. Van alle zijden opperste concentratie. Het plezier spat eraf als verfspetters op een doek.

 

(*) Onderzoek leert dat wanneer kinderen in de jeugd worden meegenomen/meegesleept naar musea, er een grote kans is dat ze later uit zichzelf musea gaan bezoeken.

De Ploeg 6: Start jubileumjaar De Ploeg 100 (Veenkoloniaal Museum Veendam, 21 januari 2018; 14.00 uur) zonder tantes en ooms

De aankondiging belooft een uitbundige viering. De woorden feestelijk en gedenkwaardig komen voorbij en we gaan glazen heffen. Met de jongste Ploegvriend in ons gezelschap gaan we eropaf.

Voorzitter Willem Corsius spreekt de ivoren feestrede uit. 100 jaar Groninger Kunstkring De Ploeg. Slingers in de statige feestzaal in het Veenkoloniaal Museum te Veendam, de vroegere leraarskamer van de R.H.B.S. Als de eerste mixed-colour-tulips in een Keukenhofveld, versieren zes kleurige ballonnen bijna pointillistisch de lessenaar.

Corsius richt zich tot de aanwezige Ploegleden en Ploegvrienden. Hij dankt het museum met de woorden: “Hier zijn we welkom.” Ik ga even voorbij aan het polyinterpretabele van deze zin, het is per slot van rekening feest. Hij bedankt het bestuur voor de werklust en inzet. Hij droomt even weg naar vorig jaar toen het bestuur bestond uit drie vrouwen.  Uit de woorden ‘het heeft erom gespannen’, ‘kantje boord’ en ‘met de hakken over de sloot’ duidt Corsius aan dat het niet altijd feest is geweest. Vergeleken met landelijk bekende kunstenaarsverenigingen als het Haagse Pulchri en het hoofdstedelijke Arti et Amicitiae, verenigingen die honderden leden tellen, is De Ploeg een kleine club. Niet alle tweeëntwintig Ploegleden zijn op het feest aanwezig, ik mis een handvol.

Honderd jaar geleden verzuchtte Johan Dijkstra: “Als we eens vijfentwintig werkende leden hadden…” Na een jaar waren het er dertig en telde de vereniging vijftig donateurs. Vijfentwintig à dertig leden is altijd het gemiddelde geweest. Bij een hoger aantal leidde het vaak tot splitsingen, als bij protestantse kerken in de bible belt. Bij de oprichting waren jonge kunstenaars betrokken: Altink, Dijkstra, Wiegers, Reinders en Benes waren gemiddeld dertig jaar (*). Bij de oprichting kwamen diverse mogelijke verenigingsnamen voorbij: De Beweging, Blauwborgje, Iris, Kunst Adelt, Groninger Kunstkring, De Groningers, De Noorderlingen, Hooger Arbeid en meer. Men wilde per se niet een naam met het woord ‘schilders’ erin; ook musici, dichters en schrijvers waren welkom. De Ploeg telde ooit een componist.

In mei verschijnt een jubileumboek over het reilen en zeilen, over stuwingen en splitsingen in de vereniging. Het huidige functioneren van de vereniging wijkt niet heel veel af van het vroegere. Nog steeds gaat het om samen exposeren en samen ideeën uitwisselen. En misschien is dat ook genoeg. Denk niet dat vroeger alles trager verliep. Integendeel: nu is er een zeker zes weken durende ballotageprocedure voor nieuwe leden, vroeger was het een kwestie van ‘voorhangen’ in een kunstzaaltje en dan werd er hoofdelijk gestemd. Afhankelijk van de aanwezigen werd het een ja of nee.

Het bestuur heeft lang nagedacht over een jubileumgeschenk voor de leden en de vrienden. Altink had in het verleden gesproken over het omwoelen van de bodem om zo tot ontginning, tot de vruchtbare grond te geraken. Maar ja, de Groninger grond is al genoeg in beweging. Er wordt iets gevonden, een superleuk en origineel gadget dat voor kleine omwentelingen en beroering zorgt: een r.v.s. roerstokje door Reinier van den Berg gemaakt in een gelimiteerde oplage van 100 exx. voor Ploegleden en -vrienden. En dan is het tijd voor bubbels, bitterballen en Borealis, een, volgens hun zegsman, nuljarig kwartet koperblazers. Vier schuiftrombonen zetten het op de statige museumtrap op een spelen…. Ze openen met klassieke pop: ‘Scarborough Fair’Het wordt dan wel geen hossende polonaise, maar een lichtkens wiegen, een minieme heupswing, een schoenvol vibrerende tenen, die voorzichtig pompom tikkend de maat volgen, dat zeker en vast. Het eeuwfeest kan beginnen. En zoals op elke verjaardag enkele tandeloze tuberculeuze ooms en tantes het jarige neefje vergeten en pas op komen dagen als ze hardhandig in de zij worden gepord en hun rollator met de neus in de juiste richting wordt klaargezet, doen we het deze keer zonder Hendrik, Ebrien, Jaap, Fleur, Sipke, René en Mariëtta (**).

(*)de gemiddelde leeftijd van de huidige Ploegleden is zestig+

(**) Vandaag geen jubelende toespraken van (kunsten)bobo’s. Zeker vijf kunstpausen en twee regiobestuurders schitteren door afwezigheid:  museumdirecteur Hendrik Hachmer , Veendams wethouder van kunsten Jaap Velema, namens de Groninger Kunstraad Ebrien den Engelsman , de gedeputeerde voor cultuur Fleur Gräper, Veendams burgemeester Sipke Swierstra, Ploegconservator van het Groninger Museum Mariëtta Jansen, commissaris des konings René Paas.

De Ploeg 5: taxatie Ploegwerk door Richard ter Borg; zondag 21 januari 2018, Veenkoloniaal Museum Veendam

Als we op zondagmiddag 21 januari het plein oversteken naar het Veenkoloniaal Museum in Veendam zien we auto’s voorrijden. Ze stoppen als Ubertaxi’s voor de museumdeur. Mensen stappen behoedzaam uit en torsen grote Lidl-zakken mee. “Boordevol Ploegkunst,” hoor ik iemand zeggen. Een half uur vervroegd vanwege de grote aanmelding, begint Richard ter Borg kunstwerken van Ploegleden te taxeren. Rijp en groen, oud en nieuw, alles mag worden ingebracht. Op grote schaal wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt, meer dan honderd mensen komen langs. In een museumzaal zitten mensen te wachten.

Ik spreek een vriendelijk echtpaar dat relaxed op hun beurt wacht met een grote lijst voor zich, ingepakt in een wit laken van het logeerbed. Veel meer dan dat het een werk van Werkman is, kom ik niet te weten. Dat het niet een olieverfschilderij is, wil de meneer nog wel kwijt. Als bij griepvaccinaties bij de huisarts wordt af en toe een achternaam opgeroepen en dan tijgt men naar voren.Achter een tafel zit een secretaresse die streept en schrijft en turft en afvinkt dat het een lust is en de kunstdragers, met of zonder boodschappentassen, naar Ter Borg dirigeert.

Anders dan bij Kunst en Kitsch zit Ter Borg niet achter een tafel met een ronddraaiend plateau, maar staat hij in een hoek. Gedoseerd docerend spreekt hij de mensen toe over invloeden, periodes in de kunsten, gebruikte technieken, onleesbare signaturen, al dan niet gelukte herstelpogingen en meer. Ik spreek een vrolijke jongeman die zijn beurt afwacht. “Mijn vader is klusjesman en bij een klus wilde de huiseigenaar een schilderij weggooien. Mijn vader zei dat hij het wel wilde hebben. Het is een veelkleurig werk, een echte Arie Zuidersma. Ik ben best benieuwd wat de taxatie zal zijn.” Later zie ik de jongeman weer, buiten terwijl hij het parkeerplein oversteekt. “En, hoe ging het?” vraag ik hem. “Niet slecht, het werd op zo’n € 600,- tot € 800 getaxeerd.”

 

 

Nieuwsgierig geworden door de naam van een oud-plaatsgenoot (Zuidersma was een Emmenaar) google ik thuis de naam Arie Zuidersma (1925 – 2014). In een krantenartikel wordt hij ‘de laatste schilder van de oude Groninger Ploeg’ genoemd. ’Oké,’ denk ik, en verder? Ik word nieuwsgieriger en leer dat hij ongeveer tien jaar Ploeglid is geweest en dat Klompien belangrijk is geweest voor zijn ontwikkeling als schilder. Na tien jaar keerde hij de Ploeg weer de rug toe. Ik lees, terwijl mijn ogen steeds groter worden, dat een schilderij van Zuidersma bij Korst Van der Hoeff in Den Bosch was geveild. Het werk dat werd geschat op € 300,- tot € 400,- werd verkocht voor € 2790,-, mind you: het zevenvoudige, oftewel, om in bitcoincijfers te blijven: een stijging van 600%. Hopelijk leest de jongen dit.

 

De Ploeg 4: Hendrik Werkman The next Call / Alexandra Berends / 21 januari 2018 / Museum Brands Nieuw Dordrecht € 5,- (1 consumptie gratis). Luisteraars: 50

Zondagmorgen, het is hartje winter. Als een vetlaagje op een groentesoep dat door opwarming vloeibaar wordt, zo smelt de zon een lichte rijp tot waterdruppels die onregelmatig van boomtakken vallen als de tikken uit een oud uurwerk. Op naar een van de twee interessantste musea van (Zuidoost-) Drenthe: Museum Collectie Brands*. Wat was die Brands een verzamelaar! Het museum bergt 70.000 voorwerpen, waaronder 50.000 boeken. Terwijl De Ploeg vanmiddag de feestelijke start beleeft van het ivoren jubileumjaar, staat in Nieuw-Dordrecht een lezing van Alexandra Berends over het tijdschrift The Next Call van Hendrik Werkman op het programma. Berends is 21 jaar (!) en studeert kunstgeschiedenis. Ze is als werkstudent medewerker bij Collectie Brands. Haar vervolgtraject is architectuur. Op de tafels en aan de muur Werkmans Chassidische Legenden.

In twee keer een half uur vertelt Alexandra Berends in het auditorium van Museum Brands over het kleinschalige Kunsttijdschrift The Next Call. Werkman was wel van de tijdschriften. Voor The Next Call (1923 – 1926) maakte hij Blad voor de Kunst (vanaf 1921) en later, in de jaren dertig Pierement. Van 41 – 44 werkte Werkman intensief mee aan Uitgeverscollectief De Blauwe Schuit, goed voor ca. veertig uitgaven. Werkman was een veelzijdig mens: (boek)drukker, typograaf, fotograaf, schrijver, uitgever: in alles beeldend kunstenaar. Op zijn hoogtepunt had hij twintig medewerkers in dienst. Werkman was lid van kunstenaarsvereniging De Ploeg en hij maakte affiches, uitnodigingen en catalogi voor De Ploeg. In 1941 verschenen de Chassidische Legenden, twintig zeer mooie ‘druksels’. In 1945 werd hij gearresteerd en gefusilleerd in Bakkeveen.

Werkman sprak van druksels in plaats van uitgaven. De eerste twee nummers van The Next Call verschenen in 1923, in 1924 verschenen vier nummers, en 1925 één en in1926 nog twee. Er werd veel in rood en zwart gewerkt en minder in geel. Je ziet geometrische figuren, letters, enkele veiligheidsspelden en een grote variatie in (letter)tekens. The Next Call bevat teksten in het Nederlands, Duits, Frans en Engels. Aan de inhoud kan je goed zien dat Werkman werd beïnvloed door Russische constructivisten, het dadaïsme, Bauhaus en De Stijl. Werkman vond dat De Ploeg te weinig verjeugdigde. Te veel portretten, te veel stadsaanzichten en landschappen en weinig vernieuwing. Sommige teksten zijn dadaïstisch/absurdistisch**. Met The Next Call (van 1923 – 1926) had hij een internationale uitstraling voor ogen. Er verschenen (slechts) negen druksels, elk in een oplage van dertig. Museum Collectie Brands beschikt over een oorspronkelijk exemplaar van The Next Call en Pierement.                                                                                                                                                                                                                                 

Berends gaat dieper in op het meest interessante nummer van The Next Call, namelijk nummer zeven. Uitgevouwen lees je vier teksten over serienummers A, B, C en D: vier menstypen, zeg maar de braven, de slechteriken, de onaangepasten en de geciviliseerden***. Nummer zeven toont ook een kunstwerk dat gebaseerd zou zijn op de plattegrond van het Bauhaus. Via H. J. Prakke, die aan de basis stond van het Drents Genootschap kwam Brands aan de bijzondere uitgaven.

Na beantwoording van enkele vragen sluit Alexandra Berends binnen de aangekondigde tijd de lezing af. De via een beamer geprojecteerde illustraties bij het verhaal vormden een welkome toelichting. Als ik naar huis rijd tel ik jonge berkenbomen; ik stop bij het veelbelovende getal eenentwintig.

(*Een tweede Zuidoost-Drents prachtmuseum is Thijnhof in Coevorden).

(**”Als antwoord op den vraag van H.H. Redakteuren en Journalisten of de sokken door den heer Theo van Doesburg op de DADA Soireéés in Holland gedragen WI T  W A R E N kunnen wij mededeelen dat thans als zeker kan worden vastgesteld dat DEZE SOKKEN NIET WIT WAREN maar …. (enzovoort)).

(***In de huidige tijd zouden de teksten moeiteloos in te passen zijn in de programma’s van Arjen Lubach).

 

3 WinterSalon en lezing Richard ter Borg 17 december 2017

Bijna alle Ploegleden tonen werk tijdens de WinterSalon, een jaarlijks in december terugkerende gebeurtenis tijdens welke de Ploegprent wordt gepresenteerd aan wie maar wil en speciaal aan de Ploegvrienden. In de lerarenkamer van het voormalige HBS-gebouw dat nu Veenkoloniaal Museum is, staan ezels in een cirkel opgesteld met Ploegwerk. Dit jaar werd de Ploegprent gemaakt door Marjan Cornelius. Het is een tekening in Oost-Indische inkt: een bomenrij langs een weg in Groningen (meer precies: de Allersmaweg tussen Aduarderzijl en Ezinge) in een verder kaal landschap. Cornelius is erin geslaagd de kijker maar raak te laten associëren. Kijk je door je oogharen, dan kan de suggestie van een naderende (stoom)trein worden opgeroepen, of een hoog op de poten staande wollige bizon, of, volgens een kijker, een in een brugklasbiologieboek uitvergrote foto van een gastro-enteritis veroorzakende bacterie. Het gekke is dat de bomen vol in het blad staan, terwijl de rest van het landschap winters aandoet. Als je de bladeren even wegdenkt lijkt het alsof het land door een sneeuwlaag is bedekt, de grastoppen steken net boven de sneeuwduinen uit, als jongenskuiven boven capuchonranden. Onder de bomen zie je òf schaduwen, òf sneeuwvrij gras.

Dan volgt de lezing van Ploegkenner, galeriehouder, kunstkenner en -handelaar Richard ter Borg. Hij had enkele schilderijen uit zijn winkel willen meenemen als illustraties bij zijn causerie over Ploegwerk van 1918 – 1940, maar dat was niet gelukt. In plaats daarvan deelt Ter Borg vooraf een fraai boekje uit aan de aanwezigen (Eric Bos, 50 Topstukken van De Ploeg, de figuratieven 1918 – 1940). Het is zo vol in het auditorium dat enkele bezoekers in de deuropeningen om de schuifwandpanelen heen moeten kijken, als luisteraars achter de pilaren in de Martinikerk bij een concert van De Jong & De Jong. Met het boekje in de ene en de microfoon in de andere hand, leidt Ter Borg ons in anderhalf uur door een schat aan mooie verhalen, anekdotes en interessante faits divers. Op de vraag of de Ploeg toekomst heeft is Ter Borg meer dan stellig: Zeker! Hij voorspelt dat pas na vijftig jaar de werkelijke waarde van Ploegwerk erkend en bekend wordt, zie bijvoorbeeld (oud-Ploeglid) Helmantel, en inmiddels alom bekende noorderlingen als Matthijs Rölink en Martin Tissing.

Ter Borgs Ploegheld is (de voor veel aanwezigen onbekende) Martin Klompien, ook wel de Groningse Breitner geheten. Klompien staat bekend om zijn aardse kleuren en sobere vormen, die niet automatisch als somber mogen gelden. Via de ‘opgeklapte’ landschappen van Altink komen we bij Werkman, wiens werk recentelijk op kunstbeurs PAN te Amsterdam roofgoed bleek te zijn en bij Martens, van wie wordt gezegd dat hij in W.O.II een dubbelrol speelde, hij was namelijk voorzitter van de Kultur Kammer. Job Hansen schilderde alleen als de temperatuur boven de 21⁰ kwam, dan pas was het licht goed genoeg. Met zijn techniek, olieverf gemengd met benzine, vertoonde Hansen met zijn werk een zekere Franse grandeur. Samen met Benner hoorde Job Hansen tot de eersten die deelnamen aan de B.K.R. Sandberg heeft nog geprobeerd Hansen bij de Cobra te krijgen. Wat zou er zijn gebeurd als dat was gelukt! Jordens was leraar en zijn onderwijsstijl, met nadruk op de vrije expressie, was in de jaren 20 geheel nieuw. Jordens kenmerkte zich door een permanente vernieuwing in zijn werk(stijl). Via Johan Dijkstra, die kunstrecensent was bij het Nieuwsblad van het Noorden komen we bij Ploeg- en Meppeler-Schoollid Jannes de Vries. De Vries verwijderde de olie uit de verf opdat de verf sneller zou drogen. Hij ondertekende zijn werk ook bijna nooit, iets wat, aldus Ter Borg, meer kunstenaars zouden moeten doen; immers het werk zelve vormt als het ware de enige echte handtekening. Deze stelling tekent Ter Borgs eigenzinnigheid, veel kunsttaxateurs zouden dit hem niet snel nazeggen.

Net als de verlenging van voetbalwedstrijden voor mij vaak het meest interessante deel van de wedstrijd is, is dat nu het slot van Terborgs lezing. Terborg blikt openhartig, lichtvoetig en grootmoedig terug op de oorwassing die hem ten deel viel na een faux pas in het kunstprogramma ‘Tussen Kunst en Kitsch’ in 2015. Ter Borg en de landelijke pers waren het met elkaar oneens over de herkomst van een door Terborg aan Karel Appel toegeschreven kleurig stukje houtsnijwerk. Als een Sjinkie Knegt die na een glijpartij in een vol Thialfstadion na afloop de pers frank en vrij te woord staat, vertelt Terborg over het voorval. Hij besluit met een positieve twist door te filosoferen over de wenselijkheid van een Noord-Nederlands programma in de trant van Tussen Kunst en Kitsch. Ik zie het al voor me met Ter Borg als een Groningse versie van Frits Sissing en snorrende camera’s in Veendam.
Het allerlaatste Ploeglid dat Terborg aanstipt is Jan Wiegers, die je, in de woorden van Ter Borg, tot de Punkers van de jaren 20 zou kunnen rekenen.