Joost Slijpen ‘Een kijk op kunst’ 8 januari 2018 in het C.B.K. te Emmen

Slijpen, tentoonstellingsmaker van het C.B.K., stelt zich voor als liefhebber van kunst en van het overdragen van informatie over kunst. “Kunst heeft ons nodig om bekeken te worden,” is een geponeerde stelling die tot nadenken stemt. Aan de hand van kunstwerken die op een groot tv-scherm worden geprojecteerd, loopt Slijpen met ons langs een veelheid aan themata, stellingen, stromingen en intrigerende kunst. Afhankelijk van het kennisniveau van de toehoorders zal het verhaal meer of minder aansprekend zijn geweest. De meeste mensen kennen natuurlijk het meer dan befaamde ‘Who’s afraid of red yellow and blue’ van Barnett Newman dat in 1986 met een mes verminkt werd in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Ook dat het restauratiewerk nadien bestond uit het met een industriële verfroller overschilderen is een typisch ‘De slimste mens’-weetje. Maar dat het oorspronkelijke werk ooit met een kleine kwast in zestig verflagen werd aangebracht, dat is dan weer nieuw, meer ‘Twee voor Twaalf’ dus. Op deze manier komt iedereen aan zijn trekken.
Slijpen daagt het publiek uit vragen te stellen. Als daar door veel luisteraars microfoonloos gebruik van wordt gemaakt dan noopt dat de spreker de vragen luid en duidelijk te herhalen, ook als de vragen lang zijn en er zich onder enkele vragenstellers een discussie ontstaat. Voor diegenen die achteraan zitten een ware concentratieproeve.
Aan de orde komen voor de hand liggende onderwerpen als het verschil tussen kunstbeschouwing en kunstgeschiedenis, hoe we om kunnen gaan met waarderingen als ‘mooi’, een woord dat volgens Slijpen in de vorige eeuw ongeveer als scheldwoord gold en schoonheidsidealen aan de hand van het beeld David van Michelangelo. Een korte verhandeling over esthetica aan de hand van Homerus, Kant en Nietzsche wordt gevolgd door drie benaderingswijzen uit de kunstbeschouwing: Plato’s Mimesis, het formalisme en de iconografie.
Slijpen betoont zichzelf als een voorstander van de formalistische benadering en in alle eerlijkheid zegt hij, aan de hand van een vraag over Plato: “Ik vind het te moeilijk om erop in te gaan.” We worden meegenomen van Newman en Turner naar Bernini en Rembrandt. “Ik ga speels door de chronologie,” aldus Slijpen.
Het klasje laat zich niet onbetuigd en vuurt menig vraag af op Slijpen. In alle ernst en rust gaat hij in op de opgeworpen dilemma’s. Wordt een bepaalde symboliek op een schilderij van Van Eyck of Velázquez te ingewikkeld dan antwoordt Slijpen in alle openheid: “Het heeft ongetwijfeld betekenis,” of “het zou heel goed kunnen.”
In het blokje ‘Kunst komt voort uit kunst’ wordt aangetoond dat kunstenaars leren van elkaar en naar elkaar verwijzen. Zo staat Friedrichs ‘De wandelaar boven de nevelen’ geplaatst naast Newmans Cathedra (ooit, in 1997 beschadigd in het S. M. te A.) en in het hoofdstuk ‘verwijzingen’ staat Richter naast Vermeer, beiden met een lezende vrouw. Het verschil tussen verwijzen en plagiëren blijft nog onaangeroerd.
Het bloedinteressante schilderij ‘Myra’ (2,7 m x 3,4; 1997) van Marcus Harvey staat centraal in de analyse. Het werk is opgebouwd uit kinderhandjes die op afstand een soort zwart-witte pixels lijken. Het onderwerp is een ‘mugshot’, een politiefoto van een kindermoordenares, de hoogblonde Myra Hindley. Ook dit kunstwerk werd (zelfs enkele keren) vernield toen het werd tentoongesteld. Slijpen voert ons, “ik neem even de tekst op papier erbij,” mee langs een indexicale, iconografische dan wel symbolische interpretatie, u begrijpt dat we in het hoofdstukje ‘semiotiek’ zijn aanbeland.
Er ontstaat een minidiscussie over de vraag of de kijker de reden achter elk kunstwerk zou moeten kennen en of zij/hij daar wijzer van wordt. Er zijn preciezen en rekkelijken, voor- en tegenstanders, maar allen zeer keurig en vriendelijk uiteraard, zonder stemverheffing. Hier wreekt zich het gebrek aan een ‘lopende microfoon’, hoe leergierig het publiek ook is, er zijn grenzen aan de inschikkelijkheid & toegeeflijkheid. “Dat we maar veel over onszelf leren via de kunstbeschouwing,” zo luidt ongeveer Slijpens finale nieuwjaarswens. Op naar een wedstrijdje Vermeer < – > Rembrandt, het onderwerp voor een volgende lezing.

PS De organisatie van het Centrum voor Beeldende Kunst in Emmen moest een aantal belangstellenden voor deze lezing teleurstellen. Ruim zeventig gasten, dat was de grens. Er waren geen kosten verbonden aan het bijwonen van de lezing, zelfs de pauzekoffie was gratis.

De Ploeg 2: Galerie Van Harinxma in Beetsterzwaag (29 oktober – 23 december 2017)

Beetsterzwaag representeert het lommerrijke, cultuur-angehauchte Friesland. Galerie Van Harinxma is gesitueerd naast Landgoed Lauswolt waar ooit een Nederlands kabinet werd gesmeed door mannenbroeders Bos, Balkenende en Rouvoet. De grote en vooral hoge galerieboerderij Van Harinxma exposeert naast een aantal vaste, veelal Friese, kunstenaars, werk van een keur aan interessante schilders, onder wie deze keer vijf Ploegleden. We zien éminence grise Corsius, nieuweling Klaveringa, Gommer en twee minder naar buiten tredenden: Busman en Okel. Vooral die laatste twee prikkelen de belangstelling van menig kunstliefhebber, omdat ze wat minder vaak aan groepsexposities meedoen. Van die twee is vooral Okel zo goed als verdwenen uit het expositieleven van de het laatste decennium. De reden waarom we Busman minder zien is een ophanden zijnde staaroperatie, die begin 2018 zal plaatsgrijpen.

Busman presenteert zich met vijf relatief kleine fantastisch of magisch realistische werken stampvol symboliek. Het werk van Busman zou je verwachten in museum Thijnhof in Coevorden, een meer dan prachtig, vrij klein museum voor surrealistische en realistische kunst. Okel schildert in een expressionistisch realistische stijl en is waarschijnlijk de minst bekende en belichte Ploeger. Tegenwoordig houdt hij zich veel bezig met het restaureren van gitaren. Okel presenteert zich in Beetsterzwaag met drie havengezichten (de Vaart in Assen 2012 en de Noorderhaven in Groningen 2004) en een Gronings paard (2006). Van Klaveringa is een zestal kleine landschapsschilderingen te zien, romantisch impressionistisch van aard. Sommige landschappen verraden Friese invloeden; het is meer dan de naam Britswert die me op dat Friese spoor zet. Corsius toont twee landschappen in (kleur)potlood en twee intrigerende fotografische composities. De landschappen zou je als knipogen naar het verleden kunnen beschouwen: veel oud-Ploegleden hadden meer dan gemiddeld belangstelling voor de vette klei van de Groningse akkers. Van Gommer zie ik een stuk of drie spannende parkeergarages met interessante lichtinval: soms waan je je in een misdaadserie, de schilderijen tonen de momenten net voordat een eerste lijk te ontwaren is in een unheimlich parkeergaragehoekje op de harde, spiegelgladde vloer; als je je ogen dicht doet hoor je vanzelf chef Derrick “Hol mal schon den Wagen,” tegen Harry fluisteren.

De Ploeg 1; Veendam 22 okt 2017 – 4 februari 2018

‘De Ploeg werkt door’ in combinatie met Geert Hendrik Streurman

In de aanloop naar het jubileumjaar 2018 waarin De Ploeg 100 jaar bestaat is op 22 oktober 2017 in Veendam een overzichtstentoonstelling geopend met als titel ‘De Ploeg werkt door …’. Deze naam impliceert wellicht dat er mensen zijn die menen dat de Ploeg is gestopt na de tijd van illustere namen als Wiegers, Dijkstra, Altink, Werkman, Hansen, Jordens en meer. Niets is minder waar. De Ploeg telt tweeëntwintig leden, van wie er negentien met prachtig werk in Veendam zijn vertegenwoordigd. Het eeuwfeest heeft een imposante hoeveelheid exposities in petto: elf in totaal.

Naast werk van huidige Ploegleden zijn de oprichtingsnotulen van de vereniging te zien en te lezen en is er uitgebreid aandacht voor werk van Streurman. Veendammer Streurman (1892 – 1976) was een Ploeglid van het eerste uur; hij was bestuurslid en enkele jaren voorzitter. Naast beeldend kunstenaar was Streurman leraar Duits en Goethe-kenner.

‘De Ploeg werkt door…’ pretendeert het belangrijkste werk van de Ploegleden te tonen. Jammer dat drie Ploegleden ontbreken, het is nu meer een deeloverzichtstentoonstelling. Werk van interessante namen als Busman, Van Holten en Okel ontbreekt. Kunsthistorica Ten Bruggencate ging in haar openingslezing ook voorbij aan dit drietal. Zoals in het verleden in deze ruimte (het Veenkoloniaal Museum in Veendam was vroeger de Rijks Hoogere Burger School) de deelnemers aan de grote avond werden voorgesteld aan de ouders, zo stelt Ten Bruggencate nu de Ploegleden voor aan het rijkelijk toegestroomde publiek met een plaatje bij een praatje. Zij die meer willen weten over Van Holten, Busman en Okel, zullen op het in mei te verschijnen boek moeten wachten. Werk van Busman en Okel is wel te zien bij galerie Van Harinxma in Beetsterzwaag.

Het begin van de expositie in Veendam toont een prachtige, grote foto van veertien Ploegleden bijeen in een gezellige vergadering. In de expositie, verdeeld over vier zalen, zien we oud en nieuw werk, samen ongeveer honderd stuks, in alle denkbare technieken. Er is nieuw werk van Schreuder, Corsius, Rozema, Velthoen naast ouder werk van Van der Woude, De Groot, Gommer en Van den Berg. De twee grote tekeningen in kleurpotlood van Corsius vormen de eerste aanzet van een 21-delige cyclus ‘Tijd’ die is gebaseerd op een Chinees gedicht. Van Alkema zijn vijf werken te zien, alle in houtskool/krijt op papier of paneel: in zwarte, grijze en witte tonen. Voor het eerst is er werk te zien van Klaveringa (romantisch realistische landschappen) en Van der Sleen (fotografie en een surrealistisch ogend drieluik over aardbevingsschade). Beiden zijn sinds 2017 lid van De Ploeg, Klaveringa voor de eerste keer; Van der Sleen is herintreder.

Als ik willekeurige bezoekers, onder wie een ver familielid van oud-Ploeglid Jan Geursen (1889 – 1945) vraag welk werk hun het meest aanspreekt, krijg ik te horen: “Het schilderij ‘Spring’ van Benniks, de verzameling 42 getekende leerlingen van Cornelius, de drie aquarellen van Kracht, de humoristische schilderijen van Dijkstra, en het werk van Van der Wal en Schreuder.” Centraal opgesteld is het maatschappijkritische beeld ‘Gouden man’ van Hagenaars. Een andere bezoeker zegt: “Ik dacht dat de Ploeg gelijk was aan landschappen. Goed om te zien dat er veel meer te zien is.” Drie meisjes (resp. acht, negen en tien jaar) die de expositie met (groot)ouders bezoeken noemen: “De geiten van Jonkman, Spring van Benniks en Sehnsucht I en II van Geertjes.”
Het feestjaarlogo, een vette olieverfpenseelstreek van Geertjes is krachtig, rijk, vers, weelderig, vet, vuurrood en spannend tegelijk.