Maarten ’t Hart 34 ‘Het woeden der gehele wereld’ (1993)

Een in drie delen verdeelde psychologische Whodunnit van een kleine 300 pagina’s die in W.O.II begint. Het hele, wat dradige, boek door wordt gezocht naar de moordenaar van agent Vroombout die op een massale evangelisatiedag wordt doodgeschoten. Centraal staat de familie van voddenkoopman Goudveyl met zoon Alexander. Het is de tijd van de Korea-oorlog, midden jaren vijftig en de familie heeft heimwee naar de vroegere kerk van herstelden, die ze voor de gereformeerde kerk hebben ingeruild. ‘t Hart bedient zich van woorden die halverwege de vorige eeuw heel gewoon waren: voddenjood, van de verkeerde kant, enz.

Zoon Alexander zit te vissen als agent Vroombout hem vraagt voor een kwartje zijn broek te laten zakken zodat Vroombout zijn geslacht kan betasten. Gebeurt een keer of vijftien in een zomer. Op een evangelisatiedag, als Alexander op een piano speelt, wordt Vroombout doodgeschoten. Alxander ziet de schutter maar herkent hem niet. Agent Graswinckel ondervraagt Alexander en geeft hem drie namen van andere pedofiele mannen. Aan Alexander wordt gevraagd die eens nader te bekijken of er de mogelijke moordenaar bij zit. Opvallend is de uiterst luchtige toon waarop over de pedofiele mannen wordt gesproken.

Alexander Raakt bevriend met Herman, wiens (Engelse) moeder hem wel wil leren pianospelen. Als de vriendschap uit raakt en Alexander in de trein naar school gaat, ziet hij apotheker Minderhout die hem aanbiedt bij hem thuis te komen spelen op de Bösendorfer. Ook gaat Alexander op het kerkorgel spelen. Bij de apotheker wordt Alexander gevraagd regelmatig te komen spelen om inbrekers weg te houden. Ook hoort Alexander, terwijl Minderhout hem al wijn drinkend uithoort over de moord, dat Vroombout in de oorlog fout was geweest.

Bij Minderhout thuis gaat Alexander op onderzoek uit en vindt kleding die lijkt op die van de moordenaar. Later op onderzoek met William blijkt deze W zich graag in vrouwenkleren te hullen.

De buik van het boek staat vol met muzikale uitweidingen, bijbelse verwijzingen en relationele draden die onverwachte verbindingen aangeven. Interessante beschrijvingen komen voorbij, van een oudjaarsavond bij Minderhout, de zuinigheidscultus van A’s ouders, Alexanders componeerexercities, de vroegere relatie tussen vaders en moeders van vrienden, god Bach, de studie farmacie en het op kamers gaan wonen in leiden. En steeds de zoektocht naar details die leiden tot het vinden van de dader. Alexanders schoonvader was bij de moord aanwezig, maar zegt niet de schutter te zijn geweest. Dan moet Alexanders moeder het hebben gedaan.

Maarten ’t Hart 33 ‘Een havik onder Delft’ 1992

Veelzijdige, gevarieerde, persoonlijke, soms felle, vaak vriendelijk uitwaaierende columnachtige korte stukken. De ondertitel luidt: Polemische paukenslagen In de eerste vier al komt tweemaal ’t Harts wens zich in vrouwenkleren te hullen naar voren. Daarnaast scherpe observaties over psychologische typologieën, gaapgedrag, grappenmakers die de pointe herhalen, misverstanden bij en door Jung en Freud en vrekken.

Het verschijnsel godsdienst bestrijkt het verschil tussen psalmen en gezangen, de vraag of de paus werd vermoord en het celibaat waarvoor ’t H als oplossing heeft: sta priesters één vrouw toe en gewone mannen twee. Dan mooie verhalen over oud worden, Zweden en de onbelezenheid van Nobel-Prijs-toekenners, de studie Nederlands in het VK.

Een paar columns zijn wat langer: een over heimwee en reizen en het fraaiste (vakantie)land Zwitserland. Verder weer kortere, over de steeds uitdijende repro-afdeling, gezond eten en lijnen, het nut van kinderen krijgen op latere leeftijd en zijn afkeer van feestjes en feminisme. Mooie anekdotes over Gomperts, Renate Rubenstein en Simon Carmiggelt, de bijzondere A. Moonen, de overschatte Musil, auteur van Der Mann ohne Eiegnschaften, en (het opvallend grote aantal) auteurs uit het jaar 1944.

Een lang stuk wijdt ’t Hart aan het ongenadig neersabelen van Ton Anbeeks Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur 1885 – 1985, omdat hij èn vrouwelijke auteurs zo goed als overslaat en helemaal voorbij gaat aan alles wat met Nederlands Indië te maken heeft. Ook Vrij Nederland recensent Carel Peeters moet het ontgelden, die ontvangt een behoorlijke polemische paukenslag.

In het blokje muziek iets over de muzikale onwetendheid van Brouwers en Karel van het Reve, de harkerige taal in Samama’s boek Zeventig jaar Nederlandse Muziek, de rangorde der kunsten met muziek fier bovenaan, de overtrokken belangstelling voor Mahler in Amsterdam, opera’s van Smetana, de onbegrijpelijke voorkeur voor popmuziek van verder heel normale mensen, naast de Mattheus, de Johannes en  de Marcus Passie van Bach.

Dan nog de zeer door ’t Hart bewonderde Karel van het Reve die er soms wat oplos beweert, de vraag van de BBC om voor het afscheid van Tinbergen een stekelbaars een kunstje te laten doen gebaseerd op de invloed van een voorbijrijdende rode postauto: een mission impossible.

Het thematisch gerangschikte boek eindigt met de polyandrische Jezus-Christus-vogel, over het zeldzame verschijnsel bij dieren waarbij een dominant en initiatiefrijk vrouwtje meerder mannetjes heeft, een verhaal over ongewilde paring en vaginale pluggen, tijdens de paring mannetjes etende insecten en dieren die werktuigen maken of gebruiken. Interessant is de conclusie dat de Nederlandse literatuur, anders dan de Engelse, wordt gedomineerd door niets van natuur en biologie afwetende stadjers. Het laatste verhaal, ‘Een havik onder Delft’  toont aan dat de Nederlandse topauteurs niets hebben met de natuur.

Maarten ’t Hart 32 ‘Onder de korenmaat’ 1991

Het achterplat belooft een roman over een in radeloos verdriet eindigende liefdesgeschiedenis. Pianist/componist Alexander Goudveyl, 45, begeleidt vriendin Hester en ontmoet dierenaarts Sylvia Hoogervorst, 30, die een diepe indruk op hem maakt. Ze spreken een paar x af bij Alexander thuis; overdag en ’s avonds als A’s vrouw slaapt. Bijna alles is muziekgerelateerd: telefoonnummers, namen, rammelende dakpannen, kentekenplaten, enz. Hoewel de verhouding nog geen twee weken duurt wordt al over het einde gedacht en gesproken. Dat de vijftien jaar jongere Sylvia van popmuziek houdt verwijst naar een vroegtijdige afloop. Wat daar ook naar bewijst is een omgewaaide joekel van een populier, die Alexander maar niet van de oprit verwijderd krijgt.

Alexander is erg ontevreden in de relatie met Joanna en stelt geregeld voor om uit elkaar te gaan vanwege de verschillen en gescheiden werelden. Sylvia echter heeft alles voor hem: de betoverende geur, het krullende haar, haar lengte, de oorbellen, de zoen- en vrijlust, haar looptempo, enz. Sylvia vraagt Alexander bij haar in te trekken. Soms echter staat de muziek tussen hen in: pop tegenover klassiek. Met vriendin Hester bespreekt Alexander de liefdesperikelen.

Wat Alexander aan zijn vrouw Joanna bindt is de muziek van Brahms. Als hij haar verlaat moet hij ook afscheid nemen van deze componist. Alexander schrikt als Sylvia, na een bezoek aan zijn vroegere woonplaats, zegt dat ze wel in zijn oude stadje zou willen wonen. Het blijkt dat ze nogal wat vriendjes heeft gehad, serieuze en minder serieuze. Hester en Sylvia ontmoeten elkaar als Alexander een anti-Mahler lezing geeft. Daarna wordt duidelijk dat Sylvia niet en Alexander wel samenwoonplannen heeft.

Halverwege het boek komen de eerste barstjes in de relatie. Alexander is jaloers op andere of ex- vrienden van Sylvia. S wil alleen een maand naar Aruba en A hoeft haar niet te brengen en te halen, tot wanhoop van Alexander. De lezer voelt op zijn klompen aan: dit gaat  de verkeerde kant op. S vertelt A dat haar verliefdheid is overgegaan in vriendschap. Langzamerhand ontrolt zich het einde van de relatie, gesymboliseerd in snijdende winterkoude, telefoons die onophoudelijk rinkelend niet worden opgenomen, de hoofdpersoon die zonder noodzaak een konijn doodt en meer. Alexander realiseert zich een ‘wegwerpvrijer’ geweest te zijn, een volgnummertje in een oneindige reeks en hij bedrinkt zich met vier flessen wijn en begint een oeverloos gesprek met een vleermuis.

Maarten ’t Hart 31 ‘Een dasspeld uit Toela’ (1990)

Een groot deel van de zestien, zeer informatieve verhalen, eigenlijk artikelen, in deze bundel verschenen in NRC en/of waren de teksten van lezingen. Kritische stukken, je hoort de meester al lekker uithalen. ’t Hart fulmineert tegen al te strenge regeldwang van neerlandici die op de universiteit onnodige en onmogelijke wetmatigheden voor romans uitbroeden terwijl de enige geldige regel die is dat er geen regels voor romankunst zijn. Strak veegt ’t Hart de vloer aan met de elitaire laag die neerkijkt op volkskunst. Behalve in de orgelmuziek en de schilderkunst heeft Nederland internationaal nooit iets voorgesteld. Een prachtverhaal over het verschil literatuur <-> wetenschap en verifieerbaarheid en plagiaat. Dat de neerlandistiek oprukt in de literatuur is te merken aan het aantal afgestudeerden bij uitgevers en in de literaire kritiek. Gelaagdheid, complexiteit en polyinterpretabiliteit zal toenemen. Hoe lang zal het duren voordat auteurs afgestudeerd moeten zijn?

In enkele gevallen hebben nare kritieken schrijvers (Melville, Salinger) of componisten (Bizet) dusdanig hard geraakt dat ze depressief of ziek werden of zelfs vroegtijdig stierven. Ook ’t Harts eigen ervaringen komen aan bod. In een artikel over stijl breekt hij een lans voor scherpe, kernachtige onopgesmuktheid tegenover geraffineerde schoonschrijverij. Al zijn meningen worden gelardeerd met concrete voorbeelden uit de (inter)nationale literatuur.

Een mooi stuk over de juist gestorven auteur en collega-bioloog Hillenius en over Hotz, van wie ’t Hart door herschikking van de volgorde en analyse van personages en tijden uit de hoofstukken van vijf boeken een roman over Hotz’ moeder destilleert. Dan nog een analyse van Hotz’ vermeende toegenomen sobere schrijfstijl en een mooi verhaal over Biesheuvel, van wie wordt gezegd dat hij veel fantasie heeft, maar volgens ’t Hart zich steeds in bijzondere situaties manoeuvreert en die vervolgens tot verhalen uitwerkt. De verguisde Mensje van Keulen wordt door ’t Hart op het paard gezet, haar eenvoudige schrijfstijl geeft juist haar kwaliteit aan. In ‘Karakter’ van Bordewijk herkent ’t Hart het vijftig jaar later bekende fenomeen van de BOM-moeder.

Dan een verhaal over de onverenigbaarheid van het schrijverschap met dat van wetenschapper. De ambities, erkenning van vakgenoten en van een leespubliek zitten elkaar in de weg, zo erg dat ’t Hart van zijn vroegere collega-vrienden geen heeft overgehouden. Een schitterend verhaal over een typisch Karel-van-het-Reviaanse evolutietheorie, met in de hoofdrollen Darwin, vogels, ongevleugelden, ogen, mutatiekansen, giftanden en Karel van het Reves minderbelezenheid. Dan Nog Multatuli en het Darwinisme, waarin Multatuli wordt opgevoerd als iemand met schrikbarend weinig kennis over exacte vakken. Later nog een verhaal over Multatuli’s beroerde Nederlands met een overkill aan gallicismen, germanismen, latinismen. ’t Hart spaart hem (die vaak wordt aangeduid als grootste Nederlands schrijver) niet en benoemt M’s gemekker en infantiliteiten. I.t.t. veel Multatuli-bewonderaars heeft ’t Hart wel alles van M gelezen. Hij laakt Multatulibewonderaars die enkel over M’s stijl spreken.

Maarten ’t Hart 30 ‘De nagapers’ (1986)

Een van de verhalen uit ‘De unster’ werd uitgegeven als klein boekje (10 x 12 cms) voor Nederlandse lezerskring Boek en Plaat, een verzendhuis voor winkelmijders uit de vorige eeuw die af en toe een boek of plaat op de deurmat wilden ontvangen.  ’t Hart steekt de gek aan met de maatschappelijke elite: dominees, dokters, notarissen en advocaten die naar een lezing komen omdat ze lid van een Leids clubje zijn en die de wereld van plantsoenarbeiders en doodgravers niet kennen en meer aandacht voor uiterlijke formaliteiten hebben en het uitgebreide met alcohol overgoten diner dan voor inhoudelijke zaken.

Jongmens ’t Hart en niet een professor, lector of wetenschappelijk hoofdmedewerker verzorgt de 26-novemberherdenkingslezing, waarvoor hij een collegedictaat over ethologie gebruikt. Er gaat van alles mis bij het afhalen van ’t Hart die wel een academisch ogende tas bij zich heeft maar niet als spreker wordt herkend en daarna ontstaan er spraakverwarringen over het voor de gasten onbegrijpelijke woord ‘ethologie’. Humor van een hoge plank.

’t Hart grossiert in humoristische clichés en vooroordelen: omdat er bij vrouwen minder dwang is, studeren ze minder vaak af, dametjes weten niet wat ethologie is maar praten graag over poezen, de Leidse oud-studenten lezen de Telegraaf en houden niet van lange lezingen maar wel van drinken en lang tafelen, de burgemeester van Woudenkop die in de oorlog fout is geweest en misverstanden over wat dood zijn precies inhoudt. Soms wordt een sneer uitgedeeld, bijvoorbeeld naar het behaviourisme dat menselijk gedrag beschouwt als het resultaat van conditionering, enz.

Als ’t Hart een dia van een gapende stekelbaars laat zien, gaat iedereen in de gaapmodus en valt in slaap (één persoon met open ogen) voordat de lezing voorbij is.

Maarten ’t Hart ‘De unster’ 29 (1989)

Mooie verhalen weer en enkele mindere, over rituelen bij huwelijk, overlijden en opvoeding. Alles doordesemd met religieuze dilemma’s en perikelen. Alle zeer anekdotisch, en sterke, maar nog steeds, zij het op de rand, geloofwaardige karikaturen. ’t Hart steekt graag de draak met poseurs, gasten die een lezing zullen bijwonen maar meer interesse in de drank en de maaltijd hebben en na het zien van gapende dieren vlot in slaap vallen.

‘De unster’ gaat over een echtpaar dat een bergwandeling maakt. Hij is in het bezit van enkele unsters om in discussies over lichtgewicht spullen met bewijs te kunnen komen. Ze denken permanent gevolgd te worden maar zien de volger niet. Later lezen ze over een bergwandelaar die door een beer is aangevallen.

Sommige verhalen zijn sleets en soms stelt de auteur mij op de proef met zijn ironie of laat hij zich gaan wanneer hij in ‘De verzameling’ (over sociaal gedrag van uni-medewerkers in de koffiepauze ergens (op p. 90) over de spoelkeukenmedewerkers zegt dat deze minvermogenden het laagste gedierte des velds zijn en (op p. 96) dat iemand ‘links, dus een Fascist in hart en nieren’ is. Hmm. Ook een verhaal over de cultuur van (bezoekers van) prostituees blijft wat onder de maat vanwege een teveel aan clichés, vooroordelen en (ongepaste) onnodige schimpnamen. De discussie in ‘Bethesda’ in een gesprek met een predikant of de aan het kruis gespijkerde Jezus en God een shock kunnen hebben is weer zeer aardig. De laatste twee verhalen gaan over insecten die veenmollen heten met een uitstapje naar de Tsjernobylramp en over het redden van een verlaten futenjong, parallel aan het thema draagmoeder.

Maarten ’t Hart ‘De steile helling’ 28 (1988)

Het boek begint en eindigt met een topografische proloog, resp. epiloog waarin de veranderingen, incl. saneringen, van het plaatsje dat nergens Maassluis wordt genoemd, worden geschetst in de jaren vijftig. De steile helling is èn een nabij de haven gelegen helling èn de snel verglijdende steile helling van de tijd en het verschil tussen hoog en laag aan de dijk, de uitvergrote standsverschillen die we nu bubbels zouden noemen.

In ‘Het paradijs’ wordt het Maassluise leven rond 1953 beschreven in wat lijkt op dorpsverhalen. Hoe een deel van de stad wordt weggesaneerd, wat er op elke dag aan werkzaamheid was, hoe de watersnoodramp Maassluis bijna te grazen nam, hoe mensen in de ban geraakten van de kans te emigreren (of daarvan met spijt terugkeerden), begrafenisrituelen, immigranten die huisraad opkochten, de ouderdomsvoorziening, curieuze rituelen bij de brandweer met een aansteekploeg. En meer.

De tol: Ina, een meisje van de (arme) Sandelijnstraat kan goed leren maar wordt toch winkelmeisje en trouwt met Piet, een bescheiden, fluisterende man. Zij krijgt er aardigheid in zich te verkleden als een dame en eropuit te gaan. In R’dam ziet ze haar buurman, onderwijzer Jan Kleywegt. Hij woont naast haar en ze begluurt hem als hij kookt. Ze treffen elkaar op straat en wandelen samen. Ze gaat bij Jan intrekken en wil van Piet scheiden. Maar Piet weigert, ook als ze zwanger is van Jan. Ook de kerkbesturen bemoeien zich ermee. Ina raakt bevriend met Maud, vrouw van de dominee. Ze beseffen het verschil op de sociale ladder. Maud neemt Ien mee naar een restaurant, de film en ze vatten het plan op een (mode)zaak te beginnen. Als Maud haar meeneemt naar Parijs realiseert ze zich de twee werelden: waar ze vandaan komt en die van Maud. Samen bezoeken ze Iens ouders met de vraag voor Iens moeder of zij voor hen sjieke pakjes wil naaien. Echt gemakkelijk wordt de conversatie met Iens ouders niet, de sociale tegenstellingen maken het ongemakkelijk. De relatie met man Jan wordt daarna stroever. Na een etentje met Maud en haar man Teun hoort Ien dat Teun en Maud samen tennissen en dansen. Dat krenkt en verbittert haar. Na een wandeling naar de rand van het water keert ze terug bij Jan om haar tol te halen, beseffend dat de steile helling tussen boven en onder aan de dijk maar een pas is.

Maarten ’t Hart ‘De Huismeester’ 27 (1985)

Hoofdpersonage in de twaalf van redelijke, mooie via prachtige naar schitterende verhalen, met als centrale thema: geestelijk en fysiek ongemak en nog wat omwegen, is (de jonge) Maarten.

  • Het begint met een verhaal over een meester die kierewiet is na de oorlogshandelingen in Indonesië en het met zijn verloofde uitmaakt.
  • Dan over oom Henk die met dammen niet kan verliezen maar als ’t een keer gebeurt zeer gelukkig is.
  • Mannen in het dorp bakkeleien erover hoe ze een grote hond moeten vergassen in een speciaal daartoe bestemd vergassingshuisje, totdat iemand hem wil hebben onder de kar.
  • Als Maarten, 1e of 2e klas middelbare school, van een vriendje hoort hoe kinderen gemaakt worden, schrikt hij en piekert er een hele dag over totdat hij het zijn moeder vraagt die hem een voorlichtingsboek geeft.
  • Een aan Ménière lijdende hospita zegt een student de huur op die vervolgens voor stankoverlast zorgt door een vis onder een tafel te spijkeren. De hospita wil zelfmoord plegen en wordt opgenomen.
  • Een kamer zoekende student komt per ongeluk in een rij sollicitanten voor een baan als huismeester terecht, alle sollicitanten hebben een kwaal. Als hij zijn sleutel heeft zegt hij tegen de wachtenden dat hij de baan had gekregen en dat ze konden gaan.
  • Maarten hoort hem nog onbekende muziek als hij door Leiden wandelt. Er volgen talloze bezoekjes waarbij een vrijgezelle meneer hem muziek laat horen op zoek naar de componist. De man lijdt aan wanen.
  • Een vrouwelijke GGZ-medewerker test collega’s met bijzondere taken. De winnaar wordt de spermadonor van een kind.
  • De laatste twee (huwelijks)verhalen, over mannen die over hun vrouwen klagen, zijn niet de beste.

Maarten ’t Hart ‘De Stekelbaars’ 26 (1978)

Een diermonografie. In de serie ‘Dieren dichterbij’ verschijnt in 1978 als het achtste deel ’t Harts bijdrage over de stekelbaars, één van de best onderzochte, meest raadselachtige vissen. ’t Hart focust zich op de ethologische aspecten van de driedoornige stekelbaars. Hoewel het geen studieboek is, wordt er weinig onbesproken gelaten: uiterlijk, evolutie, levenscyclus, seksualiteit en voortplanting, soorten… Ongelooflijk eigenlijk: meer dan veertig jaar bestuderen Leidse biologen het gedrag van dit visje. Werkelijk alles wordt beschreven, en met fraaie illustraties toegelicht. Stel je even voor: een lab met talloze aquaria met daarvoor biologen in opperste concentratie de gedragingen turvend en afvinkend. Daarbij maken ze gebruik van een ethogram: alle vertoonde gedragingen worden beschreven, geprotocolleerd in steekwoorden.

Het meest interessante: ’t Hart beschrijft (geslaagde) pogingen driedoornstekelbaarzen iets te leren via associatie. Twaalf jaar hield ’t Hart zich bezig met bestudering van het regelmatige ‘doorkruipgedrag’ van stekelbaarzen en schreef daarover zijn proefschrift. Mannetjes kan apart gedrag worden aangeleerd door het tonen van een kuitrijp vrouwtje. Logisch. De observaties worden weergegeven in grafieken, formules en modellen. Deze studies worden in internationale congressen besproken.

Zeer interessant is de vraag of naast klassiek conditioneren bij de stekelbaars ook (Skinneriaans) operant conditioneren mogelijk is met beloning en straf. Het antwoord is ja. Door een mannetje dat in de seksuele fase zit een kuitrijp vrouwtje te laten zijn kan hem worden geleerd in een staafje te bijten of door een 5cm grote ring te zwemmen. Wat de aanblik gedurende 10 seconden van een vrouwtje, of een agressieve mannelijke soortgenoot al niet kan veroorzaken.

Maarten ’t Hart 25 ‘Het uur tussen hond en wolf’ (1987)

Eindelijk weer eens een (autobiografische) roman (of novelle) van ’t Hart, een sleutelroman ook nog¹. Melchior, de ik-persoon, auteur van ‘Een koppel braamsluipers’, maakt bij een redactievergadering in van de krant (in Amsterdam) kennis met een aantal redactieleden, o.a. met Fred(erik) Koudvuur. Fred is iemand die overal commentaar op heeft en graag zichzelf hoort praten. De persoon Fred wordt door ’t Hart uitvergroot beschreven als een pietlut, een klager, overdrijver, opschepper, kortom een non-valeur eersteklas.

‘Een koppel bramsluipers’ verkoopt goed en de Melchior besluit van de opbrengst een huis in Amsterdam te kopen. Het wordt een huis met anti-kraakbewoners. Het wordt opgeknapt door zwartwerkende WW’ers en Fred, (creatief) vertaler met de allures van Multatuli ( ‘Ik ben Multatulli’), gaat er enkele etages bewonen. Wieneke in het souterrain kraakt de eerste etage. Fred betaalt geen, te weinig of te laat zijn huur en dat is lastig voor de zeer langkmoedige eigenaar. Aangespoord door zijn vrouw Mary vraagt Melchior om de huurpenningen, maar tevergeefs. Er komt een notaris en een deurwaarder aan te pas. Fred breekt zelfs in bij Wieneke. Hij is zo vermetel dat hij een reisbeurs voor 10.000 gulden ontvangt voor een Italiëreis als dichter terwijl hij geen gedicht op zijn naam heeft staan.

De notaris waarschuwt de Melchior voor Fred. Het is onbegrijpelijk hoeveel geduld de huiseigenaar met zijn wanpresterende huurder heeft. Ook aan met Mary gemaakte afspraken houdt Fred zich niet.er worden advocaten ingeschakeld. Melchior bezoekt wat pandjesbazen voor advies. Die maken korte metten met de huurwetgeving, huurbescherming en adviseren naar criminaliteit neigende oplossingen met bouviers, messen slijpende Turken en Zwarte Jopie.

Het is gekraakt en met de politie komt Melchior en enkele vrienden binnen, met buiten een schare dreigende krakers. Via een kort geding wordt geprobeerd Fred het huis uit te wurmen. Melchior wint.

¹ De in het boek beschreven malafide (creatief) vertaler is Hans W. Bakx, die na dit boek zijn versie ‘Midas’ tranen’ schreef.