Naar onze deelauto lopend zie ik een mevrouw met een aangelijnde hazewindhond. Fijne tante. Doorsnede Agnes Kant en Carola Schouten. Watergolven met een nauwelijks zichtbare paarse gloed op haar hoofdhuid, oorringen, rinkelend nepgoud onder de halfopen jas, guitige oogopslag, aangezette wimpers en gelnagels, ‘rosso pomodoro’, my favourite. ‘Lijkt veel op Siebelinks, god hebbe zijn ziel, hond Tikker,’ etaleer ik, naar haar hond wijzend, mijn literaire kennis in de aanloop naar een gesprek. ‘Ha, I know,’ antwoordt ze vlot, ‘hond dood, vrouw dood, misschien dat hij zich nog aan bijbelse sprookjes kan vastklampen, maar wat een schrijver!’ Met een geroutineerde handbeweging sluit ze op afstand haar KIA-picanto.
Ze woont sinds kort in Stad en is dolgelukkig met de groene strook aan Praedinius, vertelt ze. Als de hazewind zijn rug kromt en zich schrap zet om een drol te draaien, pakt zij, die ik in gedachten al ‘de barones’ noem, zo’n transparant bezinetankershandschoentje uit d’r tas en maakt aanstalten om de, laat ik het woord dampende achterwege laten, verse drol op te rapen. Met een routine die me blij maakt schudt ze het handschoentje, automatisch binnenstebuiten kerend, af, zodat ze de geplastificeerde drol opvangt in haar handpalm. Ze glimlacht warm.
We lopen rustig pratend verder. Net als ik haar wil uitnodigen voor een kop thee in Luhu, zegt ze: ‘Wacht vent, even dumpen,’ en wijst naar de vuilnisbak aan de straatoverzijde. ‘Ja,’ gaat ze door, ‘ik zie je kijken, niks aan de hand hoor, straks even de handen wassen en klaar.’
In de hoek van de serre gezeten, onder het enorme tableau van mos dat me aan mijn Fleischmanntreinopstelling uit mijn jeugd doet denken, praten we in Luhu verder.
We keuvelen over literatuur, honden en smerige kwarweitjes. Bij dat laatste onderwerp kijkt ze me uitdagend aan alsof ze wil zeggen: en nu jij. Ik denk terug aan de tijd dat we in het Drentse dorpje S. woonden. Het grote grasveld werd geteisterd door mollen. Van buurmannen Bertus en Jo had ik mollenklemmen geleend, maar vergat ze te checken. Ik pakte de onzicht- en onruikbaar tot milde ontbinding overgegane mol op en wilde ‘m weggooien. Het staartje knapte en de mol verdween in mijn Welkoop-laars. Geschrokken stapte ik naar voren en plette kleine Momfer tussen de stugge harde laarsschacht en mijn scheenbeen. Ik voel het nog.


Stad discussieert over de toekomst van de Diepenring. ‘U wordt verzocht groot te denken,’ zegt de dagvoorzitter, vlotte vijftiger met ouderwetse vouw in de pantalon, uitnodigend. Okee, denk ik en gooi iets in de groep: tover de tweebaans Praediniussingel om tot een enkelbaans met een urban-sports-park waar nu de hondenuitlaatplek is. Een vrouwelijk groepslid, slimme oogopslag, typisch GroenLinks, roept: ‘Maak, op weg van een autoluwe naar een autovrije binnenstad, de binnenstad enkel toegankelijk voor deelauto’s.’
artistieke wallen onder de ogen die me aan Derrick doen denken, oppert de waterkwaliteit in de gaten te houden. ‘Het Groningse water is als de natuur in Bonaire of Wierd Duk op X: een open riool.’
Noorderhaven en de langste zitbank aan de Winschoterkade. En nu de kijkersvraag: Wat weerhoudt Lage en Hoge der A van toetreding tot deze lijst? Dat moet de auto zijn.
Ik droom wat weg en denk aan bruggen die graag eye-catchers waren geworden en waar Groningse decision-makers als de dood voor zijn. Sneek met zijn Krúsrak, een supermooie houten brug over de rondweg. Emmen met een Calatrava-achtige pyloonbrug, Buenos Aires een Vrouwenbrug van Calatrava en Rotterdam, nou ja ieder kent de spectabrug over de Maas.
En Groningen? Groningen sukkelt af op een dertien-uit-een-dozijn, oubollige stalen brug als opvolger van de kaduke Visserbrug. ‘Ja,’ zegt de projectleider bij de voorlichting op een zondagmiddag maanden eerder in een Gronings retrocafé royaal, ‘er komen wel sierende details in de leuning.’ Hij bedoelt, vrees ik, een neppe jugendstil-krul aan de vier uiteinden van de leuning, waaraan voetgangers zich plegen vast te klampen, van die noviteiten waar vooroorlogse smeden zich op uitleefden als ze een pisbak voor A’dam smeedden. (foto’s: Terras Dudok Turfsingel, langste bank Winschoterkade, Noorderhaven, Kattenbrug, Reitemakersrijge
Filosofie wordt door Ajax-coach Farioli uit het slop getrokken. Hij beschouwt het leven, stelt vragen, lacht en toont denkrimpels. De combi trainer-filosoof komt weinig voor. Of filosofie uitsluitend naast een gewoon beroep kan floreren? Zeker. Op scholen is wel eens een filosoof te vinden als er onvervulbare vacatures zijn.
Het filosofenpad is nog niet erg bekend, van de tien aangesproken wandelaars, fietsers, hardlopers, mediteerders en Horecamedewerkers kende niemand het nog, en de startplaats blijkt in de praktijk nog niet heel eenvoudig vindbaar. In de vorige zin schuilen twee adviezen aan de initiator: deponeer folders bij terras Meerwold en plaats twee bordjes, één bij de afslag op het fietspad nabij het Nonnengat en één bij de afslag naar de start bij stap 1.
Een begeleidende folder toont elf (in de praktijk ongemarkeerde) punten met een stelling van Aurelius (121 – 180 na Christus), in de folder een wijsheid genoemd. Stel je van deze wijsheden niet te veel voor, het zijn de goedbedoelde aanwijzingen – ‘Uitdagingen zijn geen obstakels, maar kansen om te groeien’ – van ouders tegen kinderen, schaatscoaches tegen pupillen, leraren maatschappijleer tegen pubers over standvastigheid, verantwoordelijkheid, zelfbeheersing, verbinding en meer. Al wandelend schud je zelf zonder veel moeite nog 10 Aureliusiaanse tegeltjeswijsheden uit de mouw.
De wandeling voert je door een verbluffend mooi stukje nieuw ontsloten natuur aan de periferie van Groningen. Een romantisch pad voorbij het Nonnengat, afwisselend door bosschages, langs water, over kronkelende watertjes met uitzichten over het Hoornse meer en in de verte The Wall House. Aan de waterranden een overvloed aan waterplanten, watervogels en als je even door de knieën gaat kruipertjes, krabbertjes en wriemelend kikkerdril als spermatozoïden in een gezinsverpakking van een IVF-centrum. De natuur hier is nog onwetend van de PFAS-vondsten enkele kilometers verder naast vliegveld Eelde. En boeren die pesticiden rondspetteren als kardinalen wijwaterkwasten naast de kist van de tot heilige vader gemaakte Franciscus zijn hier nog niet bekend.
Heb je ooit in het onderwijs gewerkt dan blijf je alles volgen wat over je oude vak gaat. Ik houd de Volkskrant bij, vrienden sturen wetenswaardigheden uit Trouw en NRC. Ook films over het onderwijs hebben mijn belangstelling; ik zag Dead Poets Society, Être et avoir, Les choristes, Druk, om maar een paar te noemen. En nu dus ‘Favoriten’.
Met de islamitische achtergrond van juf en bijna alle leerlingen zit de kijker op het puntje van de stoel als er hete hangijzers voorbijkomen. Bijvoorbeeld bij de verschillende rollen van (dominante, Duits sprekende) vaders en (onderdanige, Turks blijven sprekende) moeders èn de biologieles. Op een levensgroot getekende man en vrouw worden lichaamsdelen geschreven. Ik moet denken aan mijn cursusboek Grunnegs ‘Zeg t mor’ waarin een identieke tekening wordt getoond, waarbij de schaamstreek enkel ‘geslachtsdailen’ vermeldt. Onze Weense juf spoort de leerlingen (basisschoolkids van zes t/m tien) aan de erbij passende woorden: ‘vagina’, ‘vulva’, ‘penis’, ‘ballen’ uit te spreken, erbij te schrijven en er, op ware grootte, bij te tekenen.
Je zou het niet zeggen als je ze ziet: de doorsnee Forumbezoeker, IDFA-verslaafde, Volt- of CDA-congresgangers, bitcoinverzamelaar: op het oog keurige plooiroktypen, maar ze zitten nog niet op het weekendbootje of ze veranderen in ordinaire, illegale watervervuilers met smerige nagels. Anders dan camper- en caravaneigenaren die hun compacte, gepoetste toiletjes keurig ledigen in chemische stortbakken, flikkert de gemiddelde kajuitjachteigenaar de inhoud van de poepdoos overboord.
Ach ja, wie hield niet van Aboutaleb, de oud-Riffijnse burgemeester van 010. En dan die dekselse Halsema, Marcouch, Dijksma en Schouten: onbetwiste toppers, op het heilige af. Maar ja, wees eerlijk, (bijna) altijd van de goede partij. Geen kunst, die zijn boven de morele wetten verheven. Hoop je. Van Aboutaleb had je het altijd wel vervelend gevonden dat hij zo met zijn godsdienst koketteerde. Je herinnert je zelfs een citaat waarin hij bekende dat hij zijn dochters het liefst zag trouwen met belijdende Moslim-bro’s. Burgemeesters moeten neutraal zijn. Dus geen info over religie, seksualiteit, financiën en paaldansclubbezoek.
Einde zomer en de tijd van geïnstitutionaliseerd vluchtgedrag naar verre streken is voorbij. Groningen trilt, bruist en vibreert als een oververhitte hallucinante Easy Toy met een te zware batterij. De cultuur barst uit d’r voegen, loopt als champagne in een te klein festivalglas over de rand.
Muziek- en straattheater lopen in elkaar over als ingrediënten op de pizza Frutti di mare. Metaliger dan ik hoopte schalt Rieus microfoonstem door de warme straten van Maastricht. Vaste prik de eerste drie weekeinden van juli. Chanel nr 5 mengt zich met verdampende exquise shoarmageuren. De straat trilt; mergelresten laten los tussen de straatkeien als tandsteen in kloosterlingenmonden. Hagedissen, vleermuizen, doorgesnoven kapelaans en toeristische nachtbrakers schrikken nergens meer van. Na een lang fietsritje janken en knagen mijn bovenbeenspieren als ongesmeerde scharnieren in een roestige kapeldeur. Lekker gevoel, zegt de masochist in mij. Na 350 km fietsen voelen mijn billen als na een dagje proefliggen op een spijkerbed. Rug, schouders en armen zijn onderdelen van een lappenpop die op zachte, met babyolie ingevette verstellershanden wachten. Het Restless-legs-syndrome verspreidt zich over mijn hele lijf als covid in een volle lift met PWC-examenfraudeurs, met uitzondering van mijn verdoofde scrotum en pielemuis.
Over de Werkmanbrug fietsend zie ik op de plek waar doorgaans Riepeverkopers hun omzet bespreken, wat mensen staan. Ik wil doorfietsen, maar bedenk me. Navalny, denk ik. Even kijken. Als ik mijn Gazelle draai ontwaar ik een groepje televisiemedewerkers. Ik zie een plopkap met Oog-TV. Ja, er zijn mensen die naar Oog-TV kijken, merk ik na afloop.
Als senior met een grote historie aan auto’s (ik tel er wel 15) kostte het me moeite afscheid te nemen van onze laatste comfortabele auto, die ik nu, in retrospectief, een vette cabriodieselbak (zeg nooit heilige koe) noem. We willen het anders doen en zijn samen met buren gaan autodelen en rijden nu een Renault Clio, liefkozend Cliootje genoemd. Inmiddels is een derde buur toegetreden tot onze CCP (Clio Coöperatie Pompplein) en wie weet volgen er meer.