Reitemakersrijge 10

Wandelend langs de huizen aan Reitemakersrijge valt je de verscheidenheid aan stijlen op. Als een nestje uit Griekenland geïmporteerde bastaardhondjes: een allegaartje, maar een sympathiek allegaartje. Oud, nieuw, klassiek, modernistisch en post-; was de straat een kunstwerk, je zou het samengevat eclectisch noemen. Als een psycholoog die denkt dat alle antwoorden in jeugden liggen, daagt de Reitemakersrijge je uit naar het verleden te kijken. Sprekend met tot Groninger gemaakten (oorspronkelijke oer-Groningers zijn moeilijk vindbaar als truffels in de Peizer onlanden) hoor je vertwijfeling en een peilloos diepe onzekerheid over hun ware ‘zijn’. De vraag ‘Wie ben ik’, en ‘Waar kom ik vandaan’ ligt hen, onuitgesproken, dat dan weer wel, noorderlingen hè, brandend op de lippen. Ik leg het graag even uit.

Waren stadjers boekenlezers dan wisten ze het allemaal al natuurlijk. Laten we bij de naam beginnen. Wat zegt dr. Frans Westra over de straatnaamgeving in ‘Palet van Groningen’? Niet verrassend: een gebied van makers van rieten manden. De manden werden gebruikt in de lakenindustrie. Even verderop legt Westra geduldig en deskundig de oorzaak van de identiteitscrisis van Groningers uit als hij, nu zeer zeker wel verrassend, stelt dat Groningen van oorsprong een Drents dorp is (¹) en de grote Markt een soort brink. Nog erger wordt het wanneer hij verklaart dat de oudst bekende Groninger een Fries is (²). Dat de ontwikkeling van Groningen gestopt is bij de grens van een provinciestad komt omdat Groningen geen Gouden eeuw gekend heeft (³) en omdat de industriële revolutie aan Groningen is voorbij gevaren als het coronavirus aan vegetariërs of museumschuit De Emma aan de oevers van de Pottebakkersrijge omdat geparkeerde auto’s een mogelijke aanleg verhinderen.

Als Groningers toch maar gewoon Friezen zijn dan is het merkwaardig dat cultuurinstellingen als het Forum en boekenhandel Van der Velde een uiterst schamele collectie Frisiania aanbieden. Als Groningers echte Friezen zijn, kunnen we maar best even bij Flip van Doorn in (alweer de zesde druk) ‘De Friezen’ opzoeken wat de ware aard van deze volksstam is. Hij noemt ze (⁴): ‘tegendraads en tegenstrijdig, creatief en conservatief, onzeker en zelfbewust, open en gesloten – en dat allemaal tegelijk’. Zo’n geestelijke tweespalt moet haast wel leiden tot wankelmoedigheid en onzekerheid over de ware ‘ik’. Maar met Van Doorn die over de Friezen spreekt zeg ik, schrijvende over de Groningers: ‘Het is geen wonder dat ik me thuis voel in hun midden.’

(¹) p 22, (²) p 25, (³) p 54: Frans Westra ‘Palet van Groningen’, geschiedenis, kunst en cultuur van de stad (Haren, 2016); (⁴) p 13 van Flip van Doorn ‘De Friezen’ (zesde druk Amsterdam 2021)

Reitemakersrijge 9

Follies zijn interessante artistiekerige bouwsels die niet direct een praktische functie hebben. Het verschil met objecten uit de hoek van de beeldende kunst is soms klein of helemaal afwezig. In dat geval (het laatste, dus dat de folly beeldende kunst is) moet je oppassen, want follies hebben iets lichts, iets frivools en beeldende kunst is vaak zwaar en gewichtig, een beetje als het verschil tussen lectuur en literatuur, een grafschrift en een lijkrede, een lekker hebbeding en een dame.

Er zijn permanente en tijdelijke follies. Aan de achterzijde van Minerva is een supergroot fietsenhok alias stouwplaats voor vaten fixeer en ontwikkelaar (conclusie: deze kunstschool rekent de fotografie nog steeds tot de beeldende kunst). Deze met een machtig cortenstalen hek afgescheiden opslagruimte oogt als een folly maar is het, vanwege de artistieke uitstraling en de praktische bestemming, niet. Het is (deel van) een kunstwerk van Noud de Wolf.

Sinds de zomer staat er een (tijdelijke) folly voor het stalen hek. Het oogt als een getraliede hal. Aan de voor- en achterzijde zit een deur, maar de door de deuren besloten ruimte is zonder praktische functie. Het is geen cel, geen kamertje geen hal. Het was een poos een soort voorportaaltje, toen het nog tegen het Minervahek stond vastgeplakt. Het functioneerde als een soort tochthal, een klompenportaal. Opvallend is de aanwezigheid van planten en gemalen boomschors op de grond.

Heb je de smaak te pakken gekregen en je verder wandelt richting station, dan zie je voorbij de Emmabrug een imponerende donkere bakstenen constructie met pijlers en bogen, half verscholen achter een foeilelijke witte stenen muur. Geen nuttige functie, zoveel is zeker. De vraag of deze constructie een folly is of beeldende kunst is net zo lastig als de vraag of de ABN een bank of een maffioos witwasbedrijf is¹. Nadere studie leert dat het door een kunstenaar, de Deen Per Kirkeby, is ontworpen. Of het dan gelijk beeldende kunst is, is niet zeker aangezien beeldend kunstenaars ook graag follies maken.

Dan maar weer richting binnenstad, die blijft aan de wandelaar trekken als belastingvlucht aan DSM en Unilever. We zien een stalen deur. Geen scharnier. Geen klink.. Geen bovenraampje. Het is een platte constructie, dus geen bouwsel, dus geen folly? Ik twijfel als een CDA-kiezer tussen David Omtzigt of Goliath Hoekstra. De culturele conciërge van de ertegenover liggende synagoge helpt me uit de droom. Het is kunst (van Gert Sennema) en het symboliseert de verdwenen en later vermoorde Joodse oorlogsslachtoffers. De gesloten deur sluit terugkeer uit. Definitief.

 

(¹Sinds het moment begin september ’21 dat de ABN te veel berekende woekerrente terugstort aan eerder uitgezogen gedupeerde cliënten, lijkt de bank weer tot de geldbedrijven in de bovenwereld te behoren)

Reitemakersrijge 8

Voor cultuurliefhebbers is de omgeving van de Reitemakersrijge als een ui, een Staphorster klederdrachtdraagster of het koetswerk van een antieke sexy DS: onder elke pas afgestroopte laag komt een volgende en een volgende en een volgende; als je bij de vijfde en laatste bent, ben je als kijker afgepeigerd als een fruitvlieg op een nectarineschaal na een warm weekend.

Voorbij het mooist denkbare pisbakhuisje met die kenmerkende geur die je ook ruikt als je stadsfoto’s bekijkt van Ed van der Elsken, valt de achterdeur van het Scheepvaartmuseum op. Een middeleeuws straatje voert naar een schip op het droge. De Alida. Van Ploeglid Alida Pott waarschijnlijk, want de oude Ploeg is in Groningen overal dichtbij en bijna voelbaar als stoppels onder een sluier.

Wat verder slenterend zie ik een fier schilderij van Alida Pott aan de gevel van het Groninger Museum. Wat een vrouw! Wat een gevel! Wat een museum! Met dank aan Haks, Mendini, De Lucchi, Starck en Himmelb(l)au werd het modernistische museumontwerp een toeristische trekpleister van jewelste. De duizelingwekkend mooie buitenkant straalt durf, verleiding en vernieuwingsdrang uit. Ook het interieur parelt en verrast bezoekers. Maar sommige huiscollecties ogen geamputeerd. Zeker, er is een schitterende collectie Ploegwerk, met een unieke portrettengalerij van Ploegschilders. Maar voor een museum dat pretendeert oog voor hedendaagse kunst te hebben ontbreekt er veel. Te veel.

De inmiddels meer dan honderdjarige kunstenaarsvereniging De Ploeg wordt getoond alsof het leven na de vijftigste verjaardag is gestopt. Afgebroken. Geëuthanaseerd. Alsof De Ploeg alleen maar bestaat uit Altink, Jordens, Werkman, Pott, Martens, en andere begravenen. Het museum gaat compleet voorbij aan de vitaliteit van de nog steeds springlevende vereniging. Het mogen nog geen gevestigde namen zijn, maar ook ontwikkelingen in de kunst horen bij educatieve instituten die musea nu eenmaal zijn. Andreas Blühm, inmiddels hoogleraar kunstgeschiedenis, waar zijn de lijnen en verwijzingen naar de Ploegleden van nu? Corsius, Benniks, Busman, (Thomas) Dijkstra en Van Holten, om maar een aantal te noemen? Van hen is niets te zien. Geen spoor. Nul. Nada, Neat. Niente. Nichts.

Reitemakersrijge 7

Gedachteloos fiets ik door de Museumstraat die op de Reitemakersrijge uitkomt. De derde keer door deze historische straat fietsend lees ik de naam Klaas en nog wat, in een onduidelijk handschrift. Mooi zo, denk je, deze klassieke voornaam is het waard overal genoemd te worden. De vierde keer langsfietsend, schiet me de beroemde graffito in Amsterdam te binnen, Klaas Komt. Deze in zwartwit gespoten hoofdzin staat inmiddels in alle kunstacademielesboeken voor aankomende graffitispuiters. Niks om als Klaas trots op te zijn. Maar de zesde keer, in sommige dingen ben ik niet de snelste, besteed ik er meer aandacht aan en lees, met extra zin kijkend, de verrassende inhoud: Klaas je bent de mooiste. Wow, ik ben even sprakeloos. Zonder me om de feitelijke inhoud te bekommeren is mijn onmiddellijk volgende gedachte natuurlijk: WIE? Wie schreef dit op de rode bakstenen muur? Wist zij dat ik hier kwam wonen? Dat het een vrouw moet zijn zie ik aan de smachtende letters. Mannen zouden de kwast steviger, duidelijker, netter hebben aangezet. Hoekiger, minder zwierig.

Ik fotografeer de tekst. Voor de archieven, de eeuwigheid. Even overweeg ik nog in een nacht langs te gaan om de letters aan te dikken. Vrouw I was het niet, zegt ze met een lach die maakt dat ik haar ‘Mijn grote liefde’ zal blijven noemen. Het kan natuurlijk over een andere Klaas gaan, maar dat geloof ik niet. Ooit schreef ik het gedicht ‘Zesentwintig’, dat in 1994 gepubliceerd werd in het Drents Letterkundig Tiedschrift ROET. Ik was ingegaan op de uitnodiging een ‘zelfportret’ te schrijven. Mijn zelfportret bestond uit de namen van 26 meisjes/vrouwen die ik in mijn jeugd in stilte had aanbeden. Hadden er gemakkelijk 52 kunnen zijn, dat ook nog.

Ik fantaseer dat één van die 26 op een veiling de inmiddels ‘stief utverkochte’ Roet-special (IK & ROET zölfportretten) van Narcissus aanbiddende schrijvers in Drenthe heeft kunnen verwerven. Vervolgens nam zij de kwast en een pot witte verf ter hand met het nu in brokkelige letters Klaas, je bent de mooiste tot gevolg. Dagelijks stop ik voor de tekst en vraag een passerende vrouw hardop voor te lezen wat daar staat. Hier gedachteloos langsfietsen gaat vanaf nu tot de onmogelijkheden behoren…

Reitemakersrijge 6

Verhuizen heeft aparte bijeffecten. Mensen in je omgeving gaan je ongevraagd raadgeven alsof je hebt aangekondigd van de ABN naar een bank in de bovenwereld te willen overstappen. Bezorgde vrienden waarschuwen: met al die studenten naast je, gaan de bloembakken in no time naar de gallemiezen. Wij zijn rasoptimisten van aard en plaatsen, de raadgevers dankend, drie bloembakken. Dagelijks bestuderen we de groei en en passant de superieure metselstijl aan de achterzijde van Minerva. Als schoonzoon van een bouwer vallen me vooral de laagjes net onder de dakgoot op, die verraden kunstenaarschap Dat het vroeger een museum was, zie je zo. Ook de tegenover ons liggende huizen hebben schitterend gemetselde gevels, wat een contrast met het modernistische en toch subliemmooie pisbakhuisje van Koolhaas/Olaf naast het Pomphuisterras.

Een handvol studenten beproeft na sluitingstijd geregeld de wankele balkonconstructie. Liever dan hun aandacht op onze plantenbakken te richten bespreken ze luidruchtig de nadelen van het leenstelsel, dat ze nog nooit van Nicolien Mizee hebben gehoord en dat rum van de billen van een sloopkogel of kapstokhertje likken tot uitgestelde dronkenschap leidt. Gaaf!

Tussen de Museumbrug en de Reitemakersrijge ligt ‘Een oase in de stad’ van Noud de Wolf. Het is het mooiste, intiemste, meest onbekende parkje van heel Groningen. Water, een fontein, voorbij varende schepen, een stalen sculptuur dat als entree dient, een monumentale museummuur, bomen, een slingerpad en meer. Op zijn smalst vijf meter breed en in totaal, wat zal het zijn, 50 meter lang?

Wat in Dokkum, Easterlittens, of Hindeloopen tot het gewone verkeersbeeld behoort, zorgt in Groningen voor opwinding. Een gestreken zeil van de bruine vloot vaart voorbij: een tjalk, Hasselter aak of skûtsje. Een roer als een buitenmodel schoepenrad. Een kapitein met een BMI van 25, op sokken. Lange lokken onder de pet. In plaats van spetterend buiswater of een frisse Friese wimpel de sleetse driekleur. De Museumbrug is voor boten dicht als podiumgordijnen in coronatijd. Brugwachters, op zondag driedubbel betaald, pauzeren langdurig, liggen oostwaarts biddend op een mat of bellen met moederdevrouw dat het wat later wordt. De sfeer langs de A is die van een Christenunievergadering waar Carola met lipstick binnentreedt. Opgewonden mannen. Men stoot elkaar aan, wijst, knipoogt roept. Koffiekopjes trillen op terrastafels. Knieën beuken tegen tafelbladen. Excitement alom. De Pieternella vaart rustig voort.

Reitemakersrijge 5

Tegenover ons staat kunstacademie Minerva. Een instituut dat etaleurs, leraren tekenen, textiele werkvormen (bestaat dat nog?) en handvaardigheid opleidt. En een enkele kunstenaar misschien, maar welke kunstenaar heeft nou een opleiding nodig? Of gaan we fotografie ineens ook tot de beeldende kunst rekenen? Onthoud: op technische knopjes drukken in de kunsten is net zo nep als opgevoerde formule-I-auto’s tot sport rekenen. Ooit van een topschrijver gehoord die naar de schrijversavondschool ging en van een geüpdatet Word-programma bestsellers ging produceren? Uitzondering: Nicolien Mizee.

Op het Pomphuisterras kijken we onze ogen uit. Vrolijke jongens en meisjes komen drankjes  brengen maar weten niet dat het bier letterlijk in het Pomphuis wordt gepompt met een uit een vrachtauto bungelende slang die niet onderdoet voor blusinstallaties van Sicilianen en Zuid-Grieken. In het water varen buikige, gezonnebrilde mannetjes voorbij. Armkettinkjes, veel te korte zwembroekjes en halskralen als bosjesmannen. De kapiteins-Iglo zijn bedekt met  tattoos en kielhalen nog liever hun altijd bloedmooie partner dan dat ze het stuurwiel voor een seconde uit handen geven. Ik maak het gebaar van voetbaltrainers die spelers willen wisselen. Smachtende vrouwenogen werpen me dankbaar en begripvol onzichtbare, liefdevolle kushandjes toe maar durven geen protest aan te tekenen tegen hun sturende bewindvoerder.

Aan de overkant van de A stopt een scooter met twee bijna twaalfjarigen. De pas gejatte paarse Vespa Primavera RST met camelkleurige buddyseat, hebben ze nog niet echt in de macht. Het theorie-examen voor bromfietsen is, zonder hulp van de koranschool, voor hen even onbereikbaar als een foutloos ingevuld belastingbiljet voor hun grote, drillrappende broers. Ze kijken verschrikt om zich heen en trekken de klep naar beneden als Danny Buys na een verloren wedstrijd tegen FC Emmen. De achteropzitter, een beduimelde enveloppe in de zwetende knuistjes, vloekt binnensmonds, krijgt een por en dumpt een zending prefab joints in de brievenbus en hoopt dat de 109 ademloos fotograferende terrastijgers, van wie ook bijna niemand de koranschool heeft afgemaakt, hem niet herkennen. Drugsrunners zijn als geldezels. Zodra ze vrouwen kunnen beledigen gaan ze van school en verschansen zich bij de zoveelste aanhouding achter het argument van kansenongelijkheid als Limburgers die altijd hebben vertrouwd op en geloofd in de door henzelf verzonnen Mutti Maria en het hebben verdomd de dijken op tijd te verhogen. Hoe wreed klinkt soms het Gronings: “Wel nait wol diek’n mout wiek’n.”

Reitemakersrijge; vier

Je bent nieuw in Groningen en dan ontdek je dat een paar huizen verderop een café annex terras annex restaurant is. Het Pomphuis. Een broodje paling heet hier ‘flatbread smoked eel’. Patat wordt ‘fries’. Voor een Engels sprekende Fries is ‘fries’, zeg maar Gronings voor Fries een  interessant woord. Na een fietstocht met Emmense vrienden strijken we neer in het café. Een batterij over elkaar heen buitelende vrolijke jongens bedienen ons en als boeren die grondwater over dorre akkers sproeien, pompen ze onophoudelijk Leffe blond in glazen. We laten ons door de muziek niet klein krijgen. Buiten regent het, binnen is het Carmiggeltiaans gezellig.

Aan de wanden beroemde Groningers, de meesten nors en mors, met bevroren, verstilde koppen. Ze kijken in zwart/wit op ons neer als grefo predikanten op wankelmoedige gelovigen die maar blijven hopen op een verlossend einde der tijden. Ben Feringa is in kleur afgebeeld, maar die leeft dan ook nog en is geen Groninger maar een Drent. We zien Petrus Campers. Na enig zoeken Willem Frederik Hermans, sssttt, ook geen Groninger, maar dat weten ze in Groningen niet, stadjers zijn geen lezers. En hé, is dat niet good old Ulrumer Sicco -theeplanter, verzetsman, boer, minister, socialist, spijtoptant-boterbergbouwer, elfstedentochtrijder – Mansholt die ervoor zorgde dat boeren voor eeuwig verslaafd raakten aan het subsidie-infuus als hersenarme drillrappers aan crystal meth? Ja.

Vrouw I wordt wat onrustig. ‘Dat lijkt mijn opa wel. Jan Boer. Die daar met die grote oren, hij houdt zijn hoofd wat scheef alsof hij moeite doet ons te verstaan.’ De tafelgenoten ginnegappen wat. Ja hoor, woont net in stad en denkt dat het Pomphuis haar als innemende buurvrouw wil paaien door haar opa aan de wand te exhibitioneren. ‘Leraar aan de kweekschool, later directeur, inspecteur, streektaalpromotor en womanizer avant-la-lettre. Liet mijn oma zitten voor een veel jonger hebbeding. Rottumer. Veelschrijver ook. Schreef poëzie in het Gronings. Ik heb nog zowat een halve meter gedichten van hem staan, half uitgepakt in een Dorenbosdoos.’ We praten de eigenaar en zijn crew bij. Die Jan Boer.

Reitemakersrijge; drie

Nu al een favoriete stadswandeling is één langs de diepenring. De singels hebben meerdere gezichten; ze zijn als CDA-politica’s: voor de camera keurige plissérokken, lieflijk, charmant en duur, maar naturel evengoed ordi, smerig ondergoed, naar, lelijk en als Pieter Omtzigt een dolk tussen de schouderbladen gestoken moet worden of zijn ballen afgehakt: wreed als touw. Villa’s naast gewone optrekjes. Zo is er een duivenliefhebber naast het theater. Duiven zitten in mijn hart als oesters in een schelp. Er zijn ook duivenhaters. Onnozelaars. Die spreken onwetend van vliegende ratten. Weten niet dat duiven betere borstkankerherkenners zijn dan gespecialiseerde medici.

Even een zijpaadje in. Het valt op dat er in de stad zo goed als geen Gronings wordt gesproken. Dat doet me aan ‘Ik vertrek’ denken. Stumperende Nederlanders, vrijwillig vertrokken, die in den vreemde nog geen kilo tomaten in het Spaans kunnen bestellen. Waar komt dat vandaan, die angst voor de streektaal? Diepe schaamte voor gewonemensentaal? Voor waar je wieg stond? Taalaccenten horen in de stad als duiven op pleinen, rondvaartboten in de A, als Ploegschilders in musea. Ik bewonder polyglotten in spe. Durvers, denkers, doeners. Van Gaal, Rutte, Simons en Agema die zich niet klein laten krijgen als hun Engels wordt bespot. Koester je accent als de gebroeders Ten Hag, Tadic, Twan Huys, Maxima. Laat zien dat je contact wilt maken. Durf!

Je laat de diepenring los en neemt de binnenstad. Je hoort Jochem Schuurman, Leonore Lub, Sietze de Vries zich voorbereiden op een orgelconcert. Heb je geluk Ronald IJmker. Een waar wandelaarscadeau. Bij een concert, vaak niet duurder dan € 10,- zie je mannen. Heel soms een verdwaalde vrouw. Maar hartelijk welkom zijn ze wel. Bij de Selwerder moskee heb je die prettige muziekervaring nooit. Ook niet bij de synagoge die veel op een moskee lijkt. Wel mooie architectuur, dat moeten gereformeerde kerkbouwers zijn geweest die de synagoge hebben getekend. Maar hoe gaan moskeeën en synagoges om met vrouwen? Worden weggestopt in zweterige achterafgalerijen of achter dikke gordijnen. Als tweederangsmensen. Een helder verstand, Lale Gul lezen en de film Unorthodox maken dat je uit respect voor vrouwen beide religies mijdt, als schoothonden zinkputten.

Reitemakersrijge; twee

Hoe Minerva, vroeger het Groninger Museum, ooit een vergunning kreeg voor een cortenstalen hekwerk aan de achterzijde, vraagt iedereen zich af die met de gemeente in conflict is vanwege een niet verleende bouwvergunning. Het is een schitterende constructie. Perforaties in de stalen wand tonen silhouetten van bomen die reflecterend terugkomen in de zwarte bovenkant van het gebouw.

Een bouwvakker parkeert zijn plofkraakauto, een hitsige zwarte Audi met kekke velgen en geile chromen dubbele uitlaat voor ons huis. Het is tegen zevenen. Hij bestudeert zijn stoppels in de achteruitkijkspiegel als een gesluierde vrouw stekelige neusharen in een blikkerende Samsung. Hij woelt met zijn rechterhand in zijn kruis, onder het rafelende Bjorn Borg elastiek door in zijn onderbroek en legt zijn plakkerige, geschoren ballen goed. Dan ruikt hij aan zijn vingers als een reu aan een poedelkont. Mannendingetje. Maar dan. Hij neemt uitgebreid de tijd om een joint te rollen. Steigerbouwers die blowen, dat lijkt me een slecht combinatie. Kon ik mijn geweten maar uitschakelen. Als vanmiddag een Poolse kameraad door des blowers nalatigheid acht verdiepingen naar beneden flikkert en in delen in een ambulance wordt geschoven, dan voel ik me medeschuldig.

Groningen moet nog wat aan me wennen, zoals mijn eerste school toen ik kwam uitleggen hoe alles beter kon. Bijvoorbeeld dat je denkt dat door alle huisafval op een hoop te gooien, jongeren kennis krijgen van het belang van afvalscheiding. Op straat zie je dat terug. Plastic flesjes, glas, peuken, papier, appelschillen, alu blikjes, hondendrollen, alles door elkaar. Zelfs crystal meth-producenten zetten hun blauwe vaten afval vaak keurig in gelid aan het eind van een staatsbospad en mengen het zelden met hun huishoudelijk afval.

Als ik een facebookende politieagente te paard iets vragend toeroep straalt ze. Enthousiast roept ze: ‘Wat zegt u?’ Weer een toerist die wil weten waar het Forum staat, denkt ze blij. Waarom zij geen hoefschoenen gebruikt maar wel middeleeuwse hoefijzers, vervolg ik. Iemand te paard iets uitleggen is niet eenvoudig. Dat er weinig hulpmiddelen zijn die in acht eeuwen niet zijn doorontwikkeld, doet haar fronsen. ‘Wist ik niet,’ antwoordt ze uiterlijk vriendelijk, ‘tja, nu u het zegt,’ maar mij ondertussen vervloekend waarom ik niets over het Forum wil weten. Stadsmensen zouden zich meer dingen moeten afvragen.

Reitemakersrijge; één

Zondagmorgen, the morning after the night before. We slapen uit tot 06.30. Twee uur langer dan gisteren. Gisteravond schrokken we op door sirenes. Twee politieauto’s, een motor en een ambulance schuin tegenover ons. Twee op het oog keurige jongemannen worden aangehouden. Op straat naast het terras ligt een aan het hoofd gewonde vrouw. De agenten nemen de situatie efficiënt op.

Zittende jongeling – F. E. Jeltsema

‘De zittende jongeling’ van Jeltsema. Zoals met bijna alle beeldende kunst zoek ik er iets van mezelf in. Deze keer is het gemakkelijk. Een smal lijf, peinzende, serieuze blik, gespierde bovenbenen, echt een dorpsjongen. Een Groninger, wed ik. Eén die goed en vlot Gronings sprak, misschien nog spreekt. Het beeld is van 1960. Gemaakt door F. E. Jeltsema (1879 – 1971). Lopend over het hondenpaadje aan de singel verbaas ik me over de beelden. Een en al brons.

In een etalage zien we twee hoerenhondjes. De gezichten staan van elkaar afgewend. Ik fantaseer over de betekenis. Jammer dat de ramen niet schoon zijn. Blauwe CDA-zomerpakken afgeprijsd in weer een andere etalage. Een stadspak heeft wel iets.

Een voorbijfietsende man ziet me de straat aanvegen en stopt. Een heel verhaal over een dakloos  bestaan in Eelde en de complexiteit van bijstand aanvragen zonder vast adres. Sympathieke man. Hoge ambtenaar geweest. Lijkt op de jongeling van de singel. Of ik, hij zou het ook liever niet vragen hoor, echt niet, of ik misschien…. Dat hij niet vraagt om een overnachtingsadres verbaast me zo dat ik hem graag een tientje geef. Een bed, bedbank dan, had hij ook gekregen. Stralend fietst hij verder. Halfzachte banden zoals alle stadjers. ‘Die staat er morgen weer,’ zegt vrouw I. ‘Wedden van niet?’ is mijn zekere antwoord. Ik voel me goed. De stad past me wel.