Reitemakersrijge 19

Lopen door de binnenstad inspireert. We proberen rond te kijken met de ogen van oplossingdenkers. We stellen elkaar vragen. Waarom zaten de Baarsma-economen zo naast de langeretermijnvoorspellingen van de corona-effecten? Waarom vinden de praattafelhosts open vragen stellen ingewikkeld? Wat is er lastig aan een aso even aan te spreken of te triëren bij een zieknhuispoort? Hoe het nijpend woningtekort op te lossen?

Op het oog typisch Nederlandse uitvindingen als de Zeeuwse waterkering, de roetveegpiet, het ollebolleke¹, de klapschaats en het fietsknooppuntennetwerk zijn meer dan geslaagd. Dat kun je van de kurkvloer, gekleurde kerstboomverlichting, de ligfiets en zwarte Piet niet bepaald zeggen. Toch zijn ze alle, oplossingen en mislukkingen, ooit begonnen bij een vraag. Sommige vraagstukken vragen om ingewikkelde, andere om eenvoudige oplossingen. Een bezoek aan de Dutch Design Week in Eindhoven of een open dag bij Minerva geeft weifelmoedigen hoop.

We zien werkstukken van Minerva-studenten, van wie een klein deel moeite heeft met de Smoke-Free-Area tekst naast de voordeur. Artistieke gasten. Een enkele Willy Wortel. Een lerares tekenen-in-de-dop leidt ons rond op de open dag. Vanuit ons huis hebben we zicht op de studio’s waar toekomstige beeldend-kunstenaars en een handvol aanstaande trouwfotografen zich voorbereidt op een werkend bestaan.

Om de techniek onder de knie te krijgen worden Rietveldstoelen gekopieerd. In de Groninger kunstacademie wordt nog driftig geschilderd. Op de diploma-uitreiking van de Koninklijke Academie Beeldende Kunsten in den Haag zien we slechts 2% kwastvaardigen. Wel veel concepten, installaties en fotografie.

Maak het voor binnenstadswinkeliers aantrekkelijk hun permanent leegstaande bovendverdiepingen te verhuren aan kamer- of woningzoekenden. Doe niet moeilijk over permanent bewoonde recreatiehuisjes. Stop met het korten op de AOW als senioren willen samenwonen. Soms zijn oplossingen zo eenvoudig dat ze over het hoofd worden gezien.

 

¹Het ollebolleke wordt ten onrechte toegeschreven aan Drs P die de rijmvorm voor het eerst in 1974 gebruikte. In het Engelse taalgebied was de evenknie, de Double Dactyl, al sinds 1951 in gebruik.

Reitemakersrijge 18

De Reitemakersrijge wordt opnieuw bestraat. Een lekker gevoel, een beetje alsof het doorgezakte matras wordt vervangen. De vale oude gele klinkers worden quasi liefdevol met ongevoelige blikkerende metalen tanden van een 100% elektrische gele KnikMops 180 van Avitec Infra & Milieu opgelicht, met een brute touch, maar met beleid geschud als een goudzoeker die zandkorrels zeeft, en in een Gjaltema container gedumpt met het geluid van tien drummers die les krijgen in een betonnen ruimte met slechte akoestiek. Met een gelijkmatige piep rijdt de KnikMops achteruit en herhaalt het kunstje. Er zit ritme in. Een trage maat. Opgenomen en versneld afgespeeld zou het de beat van Afro-Cuban jazz kunnen zijn met Coltrane invloeden uit de tijd dat Coltrane nog aan de oostkust musiceerde.

Een ploeg mannen werkt gestaag door. Glundere koppen. Vriendelijke praats. Waar zijn de vrouwen nu, hè? Hè? De baan wordt uitgevlakt, een enkele draad gespannen en dan volgt het vlijen van nieuwe gele steentjes. Als een Drentse ollebollekeschrijver die woorden en zinnen weegt, meet en past, worden de nieuwe paden gemaakt. Verderop worden de groffe straatklinkers opnieuw gelegd, niet vlak maar met een lichte bolling, bijna perfect als de buik van een vijfenzestigjarige racefietser die een beginnend buikje aanspant, en profil voor de spiegel in de badkamer staand net voor de binnenkomst van vrouw I: pure kunst.

Trottoirbanden worden door twee mannen met een ingenieuze grijptang opgetild, schoon geborsteld en na een paar uurtjes rust weer langs een lijn gelegd. Strak als de kolommen van witwasfraude opsporende ABN-accountmanagers. Een paar roeken, wat gebeurt hier in vredesnaam denkend, klapwieken voorbij. Duiven knikken met hun wiebelige nekjes. Onrustig. Vrouwen met te felgeel gekleurde regenjassen en zogenaamd voor alle jaargetijden geschikte rode Annymolilaarsjes blijven, de spiermassa’s bewonderend en stiekem fotograferend, onhoorbaar kreetjes slakend, staan.

Een klinkersnijder komt overeind. Zijn bijnaam: de man met rubberen meniscussen. Meer dan een uur zit hij onafgebroken naast een machientje dat met een druk op de knop klinkers splijt of op de millimeter nauwkeurig inkort. Geroutineerd klopt hij zand van zijn met rubberen kappen bedekte knieën, schudt de spieren los, draait een peuk en negeert lokkend geroep van aangrenzende studentes kunstmatige intelligentie op zoek naar een weekendklusje en dwingende whatsappjes van zijn nieuwste vriendin. Wacht, daar is de trilplaatjongen, wie kan fijner trillen dan hij? Heerlijk kabaal stuitert van de Minervamuren langs het glaswerk van de Blockhouseparkeerterrein-uitgang naar onze gevel.

Reitemakersrijge 17

De Amerikaanse architect Hejduk (1929 – 2001) tekende ooit een appartemententoren voor de Reitemakersrijge. Het project ging niet door. Ook ontwierp hij 25 huizen, waarvan er slechts één werd gebouwd. In Groningen. Hejduk is als de filmer die 25 films maakt waarvan er maar één in de bioscoop komt.

WALL HOUSE #2. In 1973 getekend. Gebouwd aan de Hoornse Plas in 2001. Wat betekent het dat van Hejduks 25 ontwerpen, er slechts één werd uitgevoerd? Het is ongeschikt als woonhuis, als bedrijf. Resteert: vergader-, expositie- en kinderfeestlocatie. Bijkantoor van het Groninger Museum. 10 uur per week geopend met, schat ik, twee bezoekers per uur. Moderne architectuur liefhebbende likkebaardende oude mannen met te kleurige pantalons. ‘Waar is de lift?’ roepende vrouwen. Zich dagelijks verwonderende buren. Depressief rondfladderende duiven.

We zien een schitterend gebouw. Een eyecatcher tussen nieuwbouw in crème & witte schimmel. Een grote betonnen muur. Hier drie op elkaar gestapelde mild gekleurde golvende taartjes. Ertussen afstandhouders opdat de slagroom niet aan de erboven liggende bodem plakt. Daar een lange gang met een smalle trap. Ongeschikt voor bezoekers met engtevrees. Alles in beton. Roestende en scherpe dieronvriendelijke hekconstructies zeggen: voor duiven verboden.

Rondom een supermooi uitzicht op de Hoornse plas en grasveldjes. Geëxposeerde kunst van regionalo’s. Ismaël Lotz, Sabine Liedtke, Gabrielle Kroese en Gea Schenk, maar het is niet duidelijk of Schenk als kunstenaar wordt gepresenteerd of als fotograferende museummedewerker. Een zeer vriendelijke suppoost heeft alle tijd van de wereld en probeert op te zoeken wat de kosten van het gebouw indertijd waren. Lastig met uit alle hoeken stromende subsidies. Hij komt op ruim een miljoen. Guldens. Hij praat ons bij en doet ons uitgebreid uitgeleide.

Grootst gemene deler van de kunstenaars is kwantiteit en elektronica. We zien een modernekunsttrend. Maak veel van een eenvoudig product. Gebruik Engelse titels. Kroese toont vijf grote beschilderde kamerplantenfoto’s met blauwe (bodemloos blauw dixit de folder) stippen; Covid_Blue. Lotz filmde een paar honderd zwijgend in de camera kijkende mensen; Are You Now. Liedtke filmde spreeuwengroepen en tekende losse spreeuwen op geschept papier; Murmurations. Schenk fotografeerde buren en plakt de 150 pics op een muur.

Bij Liedtke en Kroese herkennen we een maatschappelijke inbedding. Vogelvriend Liedtke kraakt zelfs een harde noot. Het artistieke handwerk van Lotz en Schenk beperkt zich tot apparaatbediening: op de ontspanner drukken. Goede hardware levert de gewenste scherptediepte. Liedtke gaat verder en verwerkt gefilmde spreeuwen in artistiek tekenwerk en is daarmee in deze groep, by far, de overblijvende beeldend kunstenaar.

Reitemakersrijge 16

Snel door naar een shot beeldende kunst van Dik Breunis, een senior die kortgeleden tot de Ploeg toetrad. Blikvanger is Kim Yung Un. De megalomane dictator, die zijn land kort en klein en slank houdt als hedendaagse triathlontrainers hun pupillen, is statig , bollig en buikig in hout vormgegeven. We zien Bolke-de-Beer-proporties terwijl Breunis de anekdotiek juist wil vermijden. In Breunis’ atelier wordt gewerkt aan een sober uitgevoerde kerk op een terp. Associaties met einde-der-tijden verhalen komen op, waarbij de laatste overlevers natuurlijk onverschrokken goddeloze vrije Friezen op een terp zijn. Breunis gaat de Ploeg versterken.

Rondwandelend in het atelier van Harriët Geertjes zien we veel portretten en bomen in herfsttooi, door manen uitgelicht als lingerie-etalages in kersttijd. Waar je ook kijkt: portretten. Meest vrouwen, veel met geloken ogen of devoot naar elders kijkend. Brave of lieve libido killing vrouwen die hier gerust met het vreselijke woord dames mogen worden aangeduid, maar, denk ik hoopvol, schijn kan bedriegen, daar hebben we Paul Verhoevens Benedetta niet voor nodig: een op het oog vrome vrouw die aan een vriendin en een, in een bijbel verstopte, houten fallus nog niet genoeg had. Voor kunstliefhebbers is op het verkeerde been worden gezet een conditio sine qua non. We zien Hedy d’Ancona, maar zij is hier, dixit de schilder, iemand anders. Dan een treffend zelfportret van Geertjes die bewijst dat schoonheid vergankelijk is zonder dat het lelijkheid wordt: een stoere vrouw met een begeesterde, fronsende, ongepolijste, geconcentreerde blik.

In Thesinge vertonen drie oudere jongeren, Reinier van den Berg, Marten van Holten en Huib van der Stelt onder de naam NOORDGANGERS in expoboerderij B4 hun kunsten. Mooie kunsten. Van Holten verbaast de kijker omdat hij zowaar minimalistische beeldelementjes toevoegt aan de lange en brede waddenvlakten waaraan hij verslaafd leek. Een miniem kerkje met een rood dakje bijvoorbeeld, waarschijnlijk de steeds kleinere rollen vervullende religies symboliserend. Huib van der Stelt lijkt geobsedeerd door het landschap dat bij vlagen zinderende vergezichten toont als symbool van de opwarmende aarde. De opgetaste stropakjes vliegen net niet in de fik. Reinier van den Berg biedt variatie met in hectische kleuren beschilderde en secuur gezaagde supermultiplexen panelen.

De mannen presenteren een mooi vormgegeven folder met jongehondenpraat als ‘aan de kaak stellen, dat het nou eens anders moet, dynamischer, kunst als belevenis, initiëren, bruisen op het land, eigenzinnige kunstenaars, buiten het ‘gewone’. De lezer wordt al wat warm. Maar dan… De woorden lijken te contrasteren met de brave terminologie als ‘schoonheid van het landschap, hoe mooi de natuur is, landschappen in expressionistische stijl.’ Je vraagt je af wat er gebeurt als ze eens gedurende een jaar alle landschappelijke elementen (en mensen en dieren) elimineren. Maar toch: wat een mooie expositie in een chipwood kathedraal die als geen andere de wauwfactor verdient. De Noordgangers slaan een zijpad van de Ploeg in. Zouden dit nieuwe wegen kunnen zijn? Wie weet naar welke horizon.

Reitemakersrijge 15

Van de Reitemakersrijge naar de Martinikerk is een hanenstap. Maar nog even langs het Forum. Doet mee aan een contest voor beste bibliotheken ter wereld. Het Forum zit bij de laatste vijf. Een schitterend gebouw, uit welke hoek je er ook naar kijkt. Maar toch. Er is iets. Mijn stelling is dat met platen beplakte gevels geen stand houden. Ze komen een keer naar beneden. Hier is het niet anders; ik zie dat van een hoge plaat een brok mist. Naar beneden geflikkerd als reputatieschilfers van VVD-ministers. Groningen wentelt zich in cultuur als een tot prinses gemaakte in koninklijke toelages. Vanaf Reitemakersrijge is alles bewandelbaar. Het weekend zit propvol kunst.

Dat een twaalfkoppige zanggroep (met drie Ashby-zusjes) het best zonder dirigent kan bewijst Stile Antico in de Martinikerk op 17 oktober 2021. Onderdeel van het Schnitgerfestival. Alles is goed, alles klopt en dat is voor Groningen een mirakel. Toporgelmuziek door Jürgen Essl afwisselend met geweldige meerstemmigheid van 12 zangers. Superstemmen. Waar heb je begeleiding, of een dirigent voor nodig als je zo zingt. Mooier dan dit kan haast niet. Religieuze muziek. Minimale rebusteksten, soms zelfs bestaat een lied uit maar enkele bezwerende woorden uit de tijd maar net voorbij de periode dat religies even belangrijk waren als heksenverbranding, lijfstraffen en builenpest. Champions League zang, af en toe raak vergezeld van hedendaagse geluiden van buiten, uit de hoek van de bij vlagen gure Vindicatreuk.

Twee dagen eerder was een Schnitgerfestivalavond met, ondanks de veelbelovende naamgeving, slechts één Schnitgerorgel-bijdrage. Tja, zo kan het ook. In de A-kerk op vrijdagavond. Puike muziek o.l.v. maestro Havinga, maar de organisatie haperde als een aan drukval of vocht lijdend orgel. De kachel stond op 10. Bij de entree werd zoveel papier uitgereikt dat het publiek bleef ritselen en bladeren. Twee solisten hadden het lastig met vijf blazers. En met het publiek. Beide zangers stonden dan ook tegenover elkaar en niet naar de luisteraars gericht. Microfoonloze tussendoorse aankondiging. Onhandig gepruts en gefriemel aan oorapparaatjes tot gevolg. Pauzethee vanaf één plaats uit retrokannen.

Èn de Martinikerk èn de A-kerk èn het stichtingsbestuur zouden er goed aan doen flink te investeren in beamers met daarop de teksten geprojecteerd, zodat compulsief-obsessieve leesclubmeelezers die niet genoeg aan de muziek hebben hun leesuurtje met opgeheven hoofd & knispervrij kunnen vervolgen. Het mag dan oude muziek zijn, de uitvoering en organisatie schreeuwen om een hedendaagse setting. En een flesje bier of glaasje jus of wijn in de pauze. Lekkerder, eenvoudiger en voor de penningenmeester interessanter.

Reitemakersrijge 14

Een keer tweede op de Groningse Vier Mijl en deelnemer aan Sterren op het Doek; en toch is het met haar nog goed gekomen. Beeldend kunstenaar Silvia Benniks in de Oosterpoort. Haar werk kenmerkt zich door meticuleuze precisie. We zien een meisjeshoofd dat samensmelt met een vogel. Op de achtergrond een oosters aandoend lijnenspel als de Stravaroute van een door hallucinogenen aangedreven hardloper. Ogen die verraden dat er wordt nagedacht over de kooktijd van een centraal afgebeeld kievitsei. Dat Benniks nog meer kan bewijst een schitterend portret van een vrouw. Ze wordt afgebeeld voor de Kalender van Boerenzonen die Campina de rug hebben toegekeerd, de tot ethisch inkeer gekomen Fiscaal Juristen of over hun rol in de slaventijd piekerende protestanten.

Elke plaats, wijk, stad, is vanuit zichzelf bekeken het centrum van de wereld. Dat geldt zeker voor de Reitemakersrijge op een zonnige zondag in oktober. Een dixie in de straat, schriklinten en extra verkeersborden voor buitenwijkbewoners versterken dat gevoel. Houd je niet van zweetgeur, voorbij stampende lopers van wie sommigen er een eer in stellen ongetraind aan de viermijlsloop mee te wandelen, dan is de openatelierdag van de Ploeg een mooi alternatief. Alleen voor vrienden en leden, dat dan weer wel. Hardlopers en Filistijnen houden ze bij de Ploeg deze keer, als bij een paaldansclubreünie die enkel oud-medewerkers en vaste klanten van het Hooge Laand toelaat, het liefst buiten de deur.

Op naar Gommer. De schilderijen van Annelies Gommer verbergen een mysterie. Ik doe mijn best schaars verlichte mistige steegjes en garages te zien. Maar ik zie een stokoude lerares algebra die ’s avonds tegen alle goed bedoelde adviezen in haar poedel uitlaat in een door motregen en flikkerende straatlantaarns versterkte schemering. Het diffuse vervreemdende schijnsel trekt scooterrijders aan die denken dat ze de moeder van een kroongetuigen verdedigende advocaat is. Jagend op een zilveren halsketting zijn ze van plan haar voor hetzelfde geld te doen, dat is met een Umarex Smith & Wesson waarvan de loop is ingekort om te leggen. Gommer relativeert mijn gedachten met een samenvattend: ‘Spanning, rust, verstilling, verhalen bij een dramatische lichtval.’

Ondertussen doet Groningen als een overjarige Steradenttablet zijn best te bruisen. Publiek wil renners en als postbodes sjokkende Frenkie de Jongs (in Spanje heet hij al El Tejero) aanmoedigen. Toekijken op terrassen. We zien zelfs hardlopers bier drinken. Mobiele AED’s slijten op deze middag meer dan na jaren hangen in na 17.00 uur gesloten buurthuizen en voetbalkantines. Het aardige van hardloopfestijnen, heel anders dan festivals of Vindicatfeestjes, is dat vuilnisbakken worden gebruikt.

Op de fiets naar Aduard, waar Reinier van den Berg zijn veelzijdigheid aan elke zijde van het dorp etaleert als een zonaanbidster haar lijf aan de zon. Na een gepimpte fietsenstalling bij Aduard-zuid nu ook RVS-banken in noord en oost. In zijn atelier: met water uitgezaagde platen multiplex die ‘adem’ in alle verschijningsvormen belichten. Van den Berg zoekt en vindt industriële toepassingen. Een schitterend vormgegeven bidbook moet de ‘ademserie’ de weg wijzen. Dat gaat, wed ik, wie weet in Den Bosch, lukken.

Reitemakersrijge 13

Van de ene provinciestad naar de andere verhuizen kent het gevaar dat je alles met elkaar vergelijkt. Dat levert plussen en minnen op. Oppassen dus dat je in een blik beperkende vlaag van romantiserende geschiedvervalsing, waar vele senioren, naast brokkelige kalknagels, piekende neusharen, extra oorsmeer, verminderend libido, en vet- en alcoholzucht aan lijden, je vorige woonplaats niet alle credits geeft. Op voetbaltrainersfatsoen, wijkbestuur, ruimtelijkheid, winterse zoutstrooiroutes en kennis van het Drents wint Emmen het. By far. Wat culturele voorzieningen, stadse vaarroutes, het ‘Ik-vertrek-sentiment’ en fietsenstallingproblematiek aangaat, staat Groningen bovenaan. Dat stadjers geen boeken zouden lezen herroep ik, na een gezellige sessie met stadjers die allen (allen? Ja, allen!) Lale Gul achter de kiezen hadden en ooit hadden geroken aan W. F. Hermans.

Ons huizenblok heeft een VVE die zich uitsluitend met het beheer van de binnentuin bezighoudt. Dus geen gekrakeel over lekkende dakgoten, de verfdruppen morsende winterschilder en baksteenonderhoud, maar enkel onderwerpen als tot hoever de vlier moet worden teruggesnoeid, of zevenblad onkruid, soepgroente of een bodembedekker is, die het ook nog eens goed doet in de thee en of bij de jaarlijkse barbecue alcoholvrije wijn moet worden geschonken.

Het wijkbestuur in Groningen staat vergeleken bij Emmen in de kinderschoenen, als je al over schoenen mag praten. Emmen is strak georganiseerd in 35 Erkende Overleg Partners die alle jaarlijks een gemeentelijk budget ontvangen. Die autonoom plannen mogen ontwikkelen. En, gesteund door het stadhuis, mogen uitvoeren. De burgemeester is portefeuillehouder en bezoekt elke EOP eenmaal per jaar. Mijn oude wijkbestuur in Noordbarge telde 9 leden, waarvan vijf vrouw en vier onder de veertig. Bij het jaarlijkse wijkbewonersontbijt komen circa 100 personen. Ik geef toe: de Noordbargegetallen zijn voor de hele gemeente Emmen niet representatief.

In Groningen maak ik kennis met Buurtvereniging A-kwartier.

 

Reitemakersrijge 12

Voor een dorpsjongen is de move naar een provinciehoofdstad soms een schokje of zelfs schok. Denk aan een Afghaan die naar Apeldoorn verhuist. Een koningskind dat naar een kostschool moet. Een hengst die in een circus verzeild raakt. De dimensies veranderen als Remkes’ humeur en jeneverzucht en worden zowel kleiner als groter, losser als strenger, wijder als enger.

Ben je in een dorp gewend aan grote tuinen, in de stad moet je je behelpen met een gemeenschappelijke tuin en geveltuinen. Voor een goed begrip: dat zijn geen tegen de muur aan hangende tuinen, hoewel dat best kan hoor (¹), nee het zijn veertig centimeter diepe strookjes tuin pal tegen je gevel aan. En zo breed als je huis is, minus 40 cm aan de kopse kanten. Visualiseer het eens door aan een duimstok op het dak van een flat te denken. Zoiets dus. Dichtte J. C. Bloem (1887 – 1966) niet al ‘En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant’?

De voordelen van geveltuinen zijn ontelbaar. Esthetische. Ecologische. Sociale. Economische. Je huis krijgt een make-over van jewelste: een saaie, lelijke, verweerde, uitgeslagen, bakstenen kolos krijgt iets puurs, verrassends, moois en zachts als een Catalaanse of Limburgse plattelandsvrouw na een bezoek aan een beautysalon (met een pas geopende epileerafdeling). Kostbaar hemelwater spoelt niet gelijk de riolen in om daar met uitgewaterd Leffe-Blond, coke- of covidresten te worden verdund, maar zet krulsla en Oost-Indische kers in bloei en groei. Voorbijgangers wenden niet geschrokken hun gezicht af alsof ze Danny Buys’ tattoos zien of hem horen vloeken en tieren, maar maken een ontspannen praatje met onkruidjes verwijderende eigenaren. Huizenwaarden stijgen als verkiezingspolls van Pieter Omtzigt.

Groningen kent diverse straten waar huis aan huis geveltuintjes zijn ingericht. Neem de Schuitemakersstraat. Het contrast met de Reitemakersrijge is groot. Zacht tegenover hard, groen tegenover roodgrijs, ecologisch verantwoord tegenover klimaatsceptisch. De gemeente, zich ervan bewust dat als je de klimaatdoelen wilt halen, je iets moet doen, bevordert uit alle macht de straatreparaties. Er is speciaal een behulpzame, binnen een paar uur op mails reagerende, ambtenaar voor aangesteld. Men heeft er zelfs een nieuw woord voor verzonnen: tegelwippen. Er worden wedstrijden aangegaan met andere provinciehoofdsteden waarbij Groningen, als haar FC in dubieuze kantoren van matchfixers, immer aan kop staat.

(¹) zie ook de ‘carton garden’ van Studio Carolijn Slottje

Reitemakersrijge 11

Projectontwikkelaars en roependen in de woestijn krijgen soms, en Minnesma van Urgenda altijd, pas na een kwart eeuw het gelijk aan hun zijde. Of de socialmediabrandstapel van de twitterintelligentsia. Toen in 1994 de nieuwbouw aan de Schuitemakersstraat en de Reitemakersrijge werd opgeleverd was er sprake van een unicum. Nou ja, unicum, helemaal uniek was het niet maar speciaal zeker. Het was de tijd dat het begrip ecologie nog wat onbekend was, als vrouwenrechten bij orthodoxe Joden, de voorloper van de Christen Unie, of de Taliban. De ontwikkelaars hadden niet voor parkeerpleinen gekozen, maar voor een gemeenschappelijke tuin op de binnenplaats.

We zien hier de invloed van visionairs, ecologen in de dop. En van de Gutmenschen die ooit hofjes in Groningen hadden aangelegd. Ongetwijfeld zal het eind vorige eeuw veel gesteggel hebben gegeven, want autobezitters hebben de neiging hun vuile karretje te koesteren als vrouwen familiejuwelen, D 66’ers onderwijsplannen en CDA’ers dolken en messen voor Pieter Omtzigt die in interne mails ‘teringhond’ werd genoemd. Het zal er, zo stel ik me fantaserend voor, heet aan toe zijn gegaan op rokerige zolderkamers, in buurthuisvergaderruimtes met gele sanseveria’s of nabij de meer dan 2000 halfvergane, gelijkvormige hijsblokken in de scheepvaartmuseumkantine.

We zien nu een schitterende tuin met strakke beukenheggen, kruisspinnen, (klim)hortensia’s, pissebedden in de voortplantmodus, onbestemde boompjes, spitsmuizen, vlieren, doffers en duivinnen die er even genoeg van hebben door onwetenden vliegende ratten genoemd te worden, hedera’s, zevenblad, jaarlingen en vaste planten. Bescheiden straatwerk met eenvoudige betontegels vormen rechte paden, niet romantisch meanderend maar hoekig als kinnen van Emmakapiteins in de A ten teken en bewijze dat de Nieuwe Zakelijkheid hier een revival doormaakt of, dit is wel Groningen hè, een kleine eeuw te laat vanuit Duitsland de randen van Groningens binnenstad aandoet, zou maar zo kunnen natuurlijk. Sommige dingen, perziken, buurtbesturen, paardenhoofdstellen en vrouwengeduld, worden beter naarmate ze meer tijd om te rijpen hebben.

De Schuitemakers hebben het geluk van de zon aan hun zijde, de Reitemakers hebben beschaduwde plaatsen. En stoepkrijters hebben beide kanten.

Vanaf de straat door de spijlen van de toegangshekken loerend, als verwarde Mesdagklanten die erin in plaats van eruit willen, zien we een tuin die beter hof genoemd werd, een stadse oase. Op wiebelende bankjes herkennen we genietende wijn slurpende ouden van dagen, die, als op commando van de wijkzuster, even de gemaksschoenen hebben uitgeschopt en kalknagels, eksterogen, wintertenen, spataderenen en gekloofde hielen wat frisse lucht en licht gunnen. Hierbij gadegeslagen door verwende merels, een verdwaald baltsend steenmartertje zoekend naar isolatiemateriaal voor zijn nachtverblijf, of een optocht woelratten.

Soms hebben planners en ontwikkelaars het gelijk aan hun zijde, zoals Minnesma het altijd heeft.

Reitemakersrijge 10

Wandelend langs de huizen aan Reitemakersrijge valt je de verscheidenheid aan stijlen op. Als een nestje uit Griekenland geïmporteerde bastaardhondjes: een allegaartje, maar een sympathiek allegaartje. Oud, nieuw, klassiek, modernistisch en post-; was de straat een kunstwerk, je zou het samengevat eclectisch noemen. Als een psycholoog die denkt dat alle antwoorden in jeugden liggen, daagt de Reitemakersrijge je uit naar het verleden te kijken. Sprekend met tot Groninger gemaakten (oorspronkelijke oer-Groningers zijn moeilijk vindbaar als truffels in de Peizer onlanden) hoor je vertwijfeling en een peilloos diepe onzekerheid over hun ware ‘zijn’. De vraag ‘Wie ben ik’, en ‘Waar kom ik vandaan’ ligt hen, onuitgesproken, dat dan weer wel, noorderlingen hè, brandend op de lippen. Ik leg het graag even uit.

Waren stadjers boekenlezers dan wisten ze het allemaal al natuurlijk. Laten we bij de naam beginnen. Wat zegt dr. Frans Westra over de straatnaamgeving in ‘Palet van Groningen’? Niet verrassend: een gebied van makers van rieten manden. De manden werden gebruikt in de lakenindustrie. Even verderop legt Westra geduldig en deskundig de oorzaak van de identiteitscrisis van Groningers uit als hij, nu zeer zeker wel verrassend, stelt dat Groningen van oorsprong een Drents dorp is (¹) en de grote Markt een soort brink. Nog erger wordt het wanneer hij verklaart dat de oudst bekende Groninger een Fries is (²). Dat de ontwikkeling van Groningen gestopt is bij de grens van een provinciestad komt omdat Groningen geen Gouden eeuw gekend heeft (³) en omdat de industriële revolutie aan Groningen is voorbij gevaren als het coronavirus aan vegetariërs of museumschuit De Emma aan de oevers van de Pottebakkersrijge omdat geparkeerde auto’s een mogelijke aanleg verhinderen.

Als Groningers toch maar gewoon Friezen zijn dan is het merkwaardig dat cultuurinstellingen als het Forum en boekenhandel Van der Velde een uiterst schamele collectie Frisiania aanbieden. Als Groningers echte Friezen zijn, kunnen we maar best even bij Flip van Doorn in (alweer de zesde druk) ‘De Friezen’ opzoeken wat de ware aard van deze volksstam is. Hij noemt ze (⁴): ‘tegendraads en tegenstrijdig, creatief en conservatief, onzeker en zelfbewust, open en gesloten – en dat allemaal tegelijk’. Zo’n geestelijke tweespalt moet haast wel leiden tot wankelmoedigheid en onzekerheid over de ware ‘ik’. Maar met Van Doorn die over de Friezen spreekt zeg ik, schrijvende over de Groningers: ‘Het is geen wonder dat ik me thuis voel in hun midden.’

(¹) p 22, (²) p 25, (³) p 54: Frans Westra ‘Palet van Groningen’, geschiedenis, kunst en cultuur van de stad (Haren, 2016); (⁴) p 13 van Flip van Doorn ‘De Friezen’ (zesde druk Amsterdam 2021)