In Memoriam Hans Kamminga

Bij het doorploegen van een oude archiefkast zie ik schoolfoto’s van toen. Een foto van Hans: kekke zonnebril en een geheimzinnige glimlach. Een personeelsdag in 2003. Van Ton hoor ik dat het slecht met Hans gaat. Het ontroert me. Mijn tranen bedwing ik door wat harder te zingen bij mijn onlinezanglessen. Ik zet de verdrietknop om en denk terug aan de tijd dat Hans bij ons op school kwam.

Een langharige blonde jongen op een crossmotor komt het plein oprijden. Smedingeslag 1 Angelslo. Halverwege de jaren 80 in de vorige eeuw. Personeelsvergaderingen worden nog in een gemarmerd boek genotuleerd. Net voordat hij zijn Honda uitzet geeft hij nog even lekker gas. De meiden in mijn mentorklas, we zitten in het noodgebouw, draaien nieuwsgierig hun hoofd naar het plein als boerenzonen die de winnares van de Miss Boerin Verkiezing op de jaarmarkt zien. De terlenkabroekenbrigade in de personeelskamer kijkt verstoord op. Vrouwelijke collega’s moeten ineens heel nodig hun lippen bijstiften. In verwarring pakken ze een Prittstift in plaats van lipgloss. Met een halfzware Weduwe Van Nelle in zijn mondhoek zwaait de nieuwkomer de deur van de leraarskamer open als een skileraar in een commercial. Onze school zit in een stroomversnelling. We groeien als een gek. Allee wordt De Dissel.

Hans heeft een tijdje in Zuid-Afrika gewoond. Als ik even uit de running ben, komt hij me opzoeken. Dat tekent Hans. Vriendschappelijke collegialiteit. We discussiëren over racisme in Zuid-Afrika, de Outspanacties, Mandela, het ANC en de waaiboomhouding van het CDA. En of het nu wel of niet gek is dat Afrikaners witte tijdelijke immigranten automatisch boss noemen.

Ted en ik bezoeken Hans en Angeliens huwelijk, ergens in Twente, Oldenzaal meen ik. We staan nog op de groepsfoto. Op school noemen sommige meisjes Hans een macho, iets wat hij betwist. Hans is een vlotte gast. Zijn sectiegenoten, Sieny, Anna, John en Anneke, worden naast hem grijze naar de VUT snakkende senioren. Hoewel roedelleider Esdert Gozewienus het afkeurt wordt te/ha/tex een vak achter de streep genoemd, pure kinnesinne natuurlijk.

Later aan de Boermarkeweg heeft Hans een lokaal tegenover mij. De leerlingen weten niet hoe snel ze de gang moeten oversteken. Hij doet graag mee aan de grote avond, een feest waar leerlingen èn leraren graag uitblinken. Hans hoort bij het clubje mannen dat maar wat graag kousen en rokjes draagt als Rob Stoker dat vraagt voor een of ander maf optreden. Wat hebben we gelachen.

Hans gaat graag mee op zeilkampen die gek genoeg werkweken heten. Hans kan reven, afvallen, gijpen, deinzen, krabben, een bonte avond organiseren, krimpen, kruisen, kortom zeilen als een Wâldeinse skûtsjeskipper, onze zoon Mees praat er nog over. En hout zagen en kappen, volgens mij gaat Hans al gasloos door het leven voordat het woord is uitgevonden. In zijn oversized vaalrode voorwielaangedreven Volvo 740 2,3 GL injectie op lpg met een airbag aan bestuurderszijde, spoiler, geïntegreerde remlichten en de eerste cruisecontrol, ligt permanent een kettingzaag en een kloofbijl.

Er zijn ook jaren dat ik hem niet ontmoet, maar op afstand houd ik hem in het oog. Dat hij gaat latten met Lida. Dat hij de trotste opa van het oostelijk halfrond is ontgaat me ook niet. Een jaar geleden neemt Hans met een gezellig feest bij Groothuis afscheid van school. Hij is wel ziek maar als Achtstedagsadventisten die geloven in de wederopstanding, hopen we dat hij het gaat redden. ‘Sacred Cantatas’ van Bach en Telemann, gezongen door Philippe Jaroussky troosten me. Hans jongen: rust zacht.

Verhuizen

‘Volgend jaar word ik 67 en dan zitten de tien jaar Emmen – Noordbarge erop,’ hoor ik vanuit de badkamer. Vrouw I glimlacht vilein, een glimlach die ze ook op andere momenten inzet, ze kent mijn zwakke plek. ‘We gaan moven.’ Onrust grijpt me bij de keel als een bankschroef een te slijpen beitel. Mijn lichaam reageert direct: neusharen vibreren hortend en stotend als het Canto Ostinato van Toon Hagen, mijn goose-flesh-scrotum krimpt en mijn kringspier pulseert als bij een Barneveldse met legproblemen. Fietsers hebben daar nu eenmaal gevoelige spiertjes, hè. Een combinatie van drie uurtjes rijden op mijn Sensa, wat een goede, gevoelige, bijna empatische naam voor een fiets, alsof je een paaldansclub googelt, een paar uurtjes luisteren naar cantates van Bach, en zelf even met zangpedagoge Etty van der Mei inzingen, laten mijn rust weerkeren. ‘Okee,’ zeg ik, ‘goed, we gaan zien.’

‘Nomaden zijn jullie,’ zei de eerste de beste, quasi grappend, maar met een serieuze ondertoon. Terwijl we net het landelijk gemiddelde halen. Mensen in Nederland verhuizen zeven keer in hun leven. Ouden van dagen en krimpregiobewoners uit Drenthe, Groningen en Twente hebben een hekel aan veranderen en verlagen de verhuisfrequentie.

Het woord nomade bevalt me. Ik ben niet voor niks een nazaat van Salomon Levy en zijn genen verklaren onze beweegdrift. Salomon Levy was geen stoelplakker, hij kwam lopend uit Duitsland richting Friesland en sleet zijn waren huis aan huis. Dat zijn kop eraf ging in zijn laatste woonplaats, vergeet ik even voor het gemak. Ook voorvader Theun de Vries bleef zijn hele leven niet in Veenwoudsterwal.

We gaan verhuizen. Deze keer wordt het een stad. Hartje binnenstad zelfs. Groningen. Nog geen kilometer van de Martinitoren. Nabij Forum, Groninger Museum, Frietwinkel en Vismarkt. Drenthe, Deventer en Friesland leggen het af tegen stad-Groningen-centro. Kalmte, weidsheid, natuur en rust kunnen ook teveel worden. Ik geloof niet in één gelijkmatig onveranderlijk leven. Ik ben een grazer. Het wordt tijd voor reuring, cultuur, alles onder handbereik.

Hoe ziet mijn verhuisdrift eruit? Na mijn jeugd in Kollum, zeg niet quasi-modieus ‘of all places’, kwam Leeuwarden: een studentenkamer. Daarna 43 jaar Drenthe met Emmen-Emmerhout, Emmen-Angelslo, Sleen Veldakkers, Sleen Zetelveenweg, Emmen-Noordbarge en nu dus naar Grunn. Ben ik een Drenth geworden? Ik noem me een noorderling.

Hoe dat voelt? Een overgang van een dorp naar een studentenstad? Lekker. Ik zal mijn leven wat herschikken als een cafébaas terrasstoelen, het CDA partijprinsen en Mona Keizer dolken in ruggen van partijprinsen. Een nieuw fiets- en kookgroepje, leesclub, binnentuin bijhouden, laptopzingen met Grootkoor en Zingalsvanzelf, Gronings leren, wel wait wat schrievn int Grunnings, wat schilderen, kerkorgels ontdekken, leren suppen, nieuwe wandel- en fietspaden ontdekken, nieuwe mensen leren kennen, brieven schrijven, wie weet een familiekroniek die in mijn hoofd spint, buren de kans geven vriend te worden, vergezichten en andere luchten zien, we hebben er zin in. We gaan veel missen ook: een fijne plek in Noordbarge.

IN MEMORIAM  Tom Bottinga

Het bericht van zijn overlijden waait mijn kant op als een winters aanvoelende bui die uit velerlei hoeken en gaten aan komt dwarrelen. Mooi man dat hij het naast minnaar, echtgenoot en pa tot opa heeft geschopt, voor veel mannen een begerenswaardige positie in het hiervoormaals. We zullen zo’n twintig jaar vakcollega’s aan het Esdal College zijn geweest in, na het Fries, de mooiste taal op aarde. Leerlingen en sommige ouders zullen hem best eens wat streng gevonden hebben, maar dankzij docenten als Tom staat Nederland sinds jaar en dag fier op de eerste plaats in de Proficiency Index, dus ver voor inderdaad alle Scandinavische landen die in andere lijstjes altijd zo wanhopig proberen ons de loef af te steken en ook ver voor de zogenaamd warme landen die als het op Engelse taalvaardigheid aankomt koud als gazpacho zijn. Tom was een jaar of vier ouder dan ik, misschien zelfs wat wijzer en who knows iets zwaarder, hij was een levende reclamezuil voor de betere bretels als je het mij vraagt. Zonder mijn best te hoeven doen zie ik zijn onstuimige zeemansbaard en vrolijke krullenbol voor me. In de familieadvertentie lees ik over zijn welbespraaktheid, en dat hij af en toe wat politiek-incorrect en eigenwijs was. Geen slechte eigenschappen voor een senior-docent en voorzitter van de MR. Graag zou ik aan het lijstje het woord humoristisch toevoegen. Ik herinner me nog heel goed dat hij samen met Ted Schilder  ‘Ik bin schupt’  zong op de grote avond, beiden uitgedost in veel te strakke en te krappe bodybuildersbroekjes. In de MR moest Tom  discussiëren en wheelen en dealen met collega’s die zich uitsloofden in Prinzipienriterei, drammerige en stugge vasthoudendheid tegen beter weten in, maar die zonder uitzondering enthousiast waren en het beste voor hadden met het Esdal College, de enige school voor v.o. in Emmen die ook in de praktijk voor alle gezindten open staat. Ik herinner me heikele kwesties over nieuwbouw, salarisschalen, snoep in de kantine, gratis uit te reiken chromebooks en me-too gerelateerde issues. Deze kwesties leidden tot interessante, soms verhitte en altijd langdurige discussies en Tom had in een combi van charme, deskundigheid en gehaaidheid de kwaliteit overzicht te houden en een soort van eenheid te smeden waar we mee verder konden. En tsja, die afdelings- en kerndirecties, halfwassen teamleiders, inspecties, colleges van bestuur, gremia waar de MR soms mee te maken kreeg, ach, ze deden zonder uitzondering hun best. Tom was op zijn best als hij z’n kennis van het Engels kon etaleren en zonder moeite schudde hij een ‘You may fool all the people some of the time, you can even fool some of the people all of the time, but you can’t fool all the people all the time’ uit zijn mouw toen een kerndirectielid te vaak en te veel zijn eigen gang ging.

Tom jongen, rust in vrede en om met onze goede vriend The Shake te spreken: ‘When he shall die, take him and cut him out in little stars, and he will make the face of heaven so fine. That all the world will be in love with night, and pay no worship to the garish sun.’

Afscheid van A

(fragment uit mijn afscheidsbrief in 2012 aan A, een van mijn allerliefste collega’s, docent aan het Esdal College te O)

Tot slot allerbeste A nog iets over ballen, ik verwed een deel van mijn salaris eronder dat er meer collega’s hetzelfde  thema gaan benoemen dat ik vanaf hier ga aansnijden wanneer ik je meest karakteristieke pose ga beschrijven die je in de personeelskamer aanneemt tijdens de middagpauze: je ziet een in blauwe jeans gehulde mevrouw, zeg maar gerust middle-aged, langs de koffiemachine schichten als een krolse kraai die een zilveren lepeltje ontwaart, met de blik strak gericht op de soeppan: het lid eraf en dan, het lijf iets naar voren hellend, tussen broek en shirt een reep wit, tuur je enkele seconden in de pan, je beslissensoren op volle toeren draaiend en dan neem je behoedzaam de soeplepel ter hand en maak je kleine draaikolkjes in de vloeistof, als een verfmenger in de Hema, waarbij je, de zijden van de soeplepel naar links en dan weer naar rechts kantelend, goed kunt observeren of er stukjes vlees en of gehakt voorbij komen en als dat het geval is (en kok K kennende is dat vaak het geval), dan priemen je ogen in de diepte van de pan, je gewicht steunt nu geheel op je tenen, en begint het jongleren met de soeplepel: een  geconcentreerd spel van heen en weer schuiven, als een kaasmaker die stremsel en wei scheidt, geluiden en bewegingen om je heen sluit je uit als een leerling die een examen gaat maken, waarbij het erop aankomt zo weinig mogelijk soep en zoveel mogelijk vaste stoffen in de lepel te vangen, als een goudzoeker in de weer met zeven en pannen om het kostbare residu niet te laten wegstromen, of als een bioloog die in troebele sloten kikkerdril op staat te vissen; als je goed luistert, hoor je de soepgolfjes over de soepelepelrand klotsen als buiswater in een BM’er op de Fluessen en dan, op het moment dat je beet hebt, zien we een gelukzalige glimlach op je gezicht: beet, hebbes, gotcha, je kijkt door je bril als een ivf-dokter die door de microscoop een serie  zeldzame superspermatozoïden waarneemt,  een junk net voor een hemels shotje, een koning voor de aankoop van een speedboat, en voor de sier laat je de soeplepel nog een keer naar beneden plonsen en kom je, net als iedereen, amechtig gapend, in je richting kijkt, met louter nattigheid naar boven met hoogstens ijle vermicellisliertjes of een draadje magere prei uit de collectie van Coöperatie Vergeten Groentes, dat je breed meanderend over de dikke buit onderin je soepkom sprenkelt, met een air van: wat een waterig soepje, waarbij je dan ook nog eens tergend semi-goedkeurend mompelt: ‘K had vandaag zeker een vegadagje, nou ja, ook lekker,’ of woorden van die strekking, als een verslaafde priester die na enkele kelken wijn veinst een watertje te drinken, of een alcoholiste die op een personeelsavond, naast de geheelonthoudende baas zittend, om een sjuutje vraagt en dan baan je je een weg naar je stoel, zet je neder en het grote genieten vangt aan, pretoogjes achter de bril; wie het waagt je tijdens dit haast orgastische moment te storen krijgt een vernietigende blik.

A, het ga je goed!

Beste Klaastaallezers, een goed 2021!

Beste Klaastaallezers uit Leek, Zwolle, Woerden, Leuven, Rotterdam, Bergschenhoek, Haren, Gouda, Winsum, Kollum, Amsterdam, Beiijng, Zevenhuizen, Assen, Brussels, Burgum, Arnhem, Winschoten, Tubbergen, Bleiswijk, Wuhan, Amersfoort, Paris, Maarssen, Utrecht, Rouveen, Ureterp, Nootdorp, enzovoort, enzoverder,

Een goed 2021!

Je vleugels zijn bijna doorschijnend als kermis- of kerstmisengels in de schappen van de action naast de mirre en de kukident, jij, vlinder, rebelse vogel, je kiest voor ons huis met nog steeds r-factor 0, de pas geverfde zuidzijde nog wel, goed hoor, je stuiterde tegen de steen als moshende libellen op een zwembadrandfeest, wie ben je? je voelt je licht, bijna als een lege verzameling dagpauwogen; verre familieleden van jou moeten het doen met aleppo, siddeburen, bethlehem of oudwoude, zonder snoeiharde houtvingers zoek je scherptediepte op zacht wit, je bent de onschuld zelve, als met wierook ventende herders, toonbeeld van saudade, van een afstand oog je breekbaar, maar je hebt grinta van een judoër, je vleugelslichaamstaal spreekt boekdelen: weer heel anders dan de duizenden ganzen zuidelijk van zwartemeer die als vuurwerk of republikeinen met veel te luide stemmen alles willen overvleugelen en -heersen, wij doen alsof we ganzenherders zijn en bezoeken en filmen ze en we observeren jou als je, een maand of wat voor kerst, even rust, en niet aan vogelgriepvrij ganzenstoofvlees uit de oven wil denken, peinzend, je ogen dicht, schouders neer, verwonder je je over de wereldleeddingen dichtbij als haperende kerststerren en ver als verwende koningskinderen; je puft uit op een nieuwe witte muur die je uitnodigt en beschermt en troost, zoekend kijk je langs de voeg de geblutste wereld in, als het je even teveel wordt vouw je kwetsbaarheid op als logeerbedlakens, weggestopt voor slecht nieuws en aanslagkansen via cartoon, alfabet of stembiljet, dierenleed met kerst is je een zorg en we wensen je van alles het beste en een werkend vaccin in een onbedreigd 2021.                                                                    

Ruim dan ook je sleutels op

Het zit hem in de woorden ‘dan ook’. De zin ‘Ruim je sleutels op’ is een gebiedende wijs die in elk huwelijk klinkt. Staat er ‘dan ook’ bij dan is sprake van een sleur, een gewoonte en je verwacht erachteraan te horen ‘hoe vaak heb ik dat niet gezegd.’

In 1994, ik was 38, schreef ik het gedicht De erfenis / Hoe je over dertig jaren bent / werd mij in ’t echt nog niet / gevraagd, godzijgedankt, al / kwelt het mij bij vlagen wreed / omdat ik het antwoord ken, / zonder spoor van twijfel: / dan ben ik mateloos dement. / Je erfenis luidt: naam, moedertaal / soms zelfs broeder God en zijn gebod, / maar ook, diep weggeborgen / in je genen huizen nare trekjes, / word je voor niks aangeslagen / door ongewenste kwalen.

Een man van begin zestig zie ik. Onrustige ogen en handen. Moeilijk te verstaan. Ik vind hem onmiddellijk sympathiek. Hij staat naast een pony in een paardenwei. Iets verderop een schuurtje, een scheef hangend hek en in de verte een passerende trein. Een minuut later loopt hij onrustig heen en weer voor zijn huis. Zijn stem luider nu maar vele malen onverstaanbaarder. Als de camera op hem inzoomt begrijp ik dat hij de huissleutel kwijt is. Hij oogt als een fabrieksarbeider die nabij zijn eigen huis wordt gefilmd. De voice-over praat me bij. De man is dementerend. Ik schrik, want ik zie mijn toekomstige zelf, tenminste als de genen mij niet bedriegen. Mijn twee beppes waren door dementie aangetast als eikenhouten planken door houtworm, hoewel, beppe Jelske kon ook gewoon een geestesziekte hebben gehad, maar de immer psalmen zingende beppe Tjitske was, zoals mensen die niks van dementie moeten hebben, vaak zeggen: zo dement als een deur.

De vrouw van de man komt in beeld. Zorgelijk kijkend en meer langs haar man in het niets pratend dan tegen hem. Zeker, ze heeft het zwaar. Zo sympa als ik de man vind, zo naar vind ik haar. Zelden zag ik zo weinig liefde en compassie. Gedurende de documentaire zie ik haar eenmaal d’r man aanraken, terwijl ‘s mans lichaamstaal schreeuwt: houd me eens vast, knuffel mij, raak me aan.

Zonder me in te spannen leef ik met de man mee en word ik verdrietiger. Ik zie zijn ongeluk, kwetsbaarheid en opgeslotenheid in de schemer van zijn gedachten. Alles wat hem plezier geeft wordt hem afgenomen. Hij heeft een eigen plekje met een pony, wat scharrelkippen; een paradijsje. Een biotoop waar elke zorgboerderijeigenaar een moord voor zou plegen. De man rookt en morst weleens wat shagrestjes, iets wat zijn vrouw woedend maakt.

Gek, maar alles wat zij doet kan op mijn hoon rekenen. Ik doe mijn best iets positiefs van haar te zien, maar het lukt me niet. Mijn medelijden met de man groeit met de minuut. Ik ontdek dat hij wordt gefilmd door zijn zoon. Ineens komt een makelaar in beeld. Makelaars betekenen doorgaans slecht nieuws. En ja hoor, de vluchtheuvel wordt verkocht. Ik schreeuw door de kamer: doe het niet, sukkels. Zijn droefheid word heviger en slaat op mij over.

De ruwste scene is voor de deur van een inrichting voor dementerenden. De man ijsbeert en weigert, gelokt door een accordeon spelende vrijwilliger, naar binnen te gaan en vloekt luid, onverstaanbaar. Met pilletjes wordt zijn gevoel gedempt en zoals zijn tegenstribbelende pony achterstevoren de trailer in werd geduwd op weg naar de paardenslager, zo wordt hij de inrichting ingedreven, ingeschoven bijna. Aan het eind van de film slaat zijn filmende zoon een arm om hem heen. Beiden worden zeer emotioneel. Binnen een jaar na opname overlijdt de man.

Rust Zacht Jacob, Jappie, Japje, Jaap, Jasjin

Oom Jaap is overleden. Het bericht stond nog niet op de familie-app, Van der Meulens zijn meer appers dan bellers, of de berichtjes stroomden over. We zijn verdrietig. Maar de herinneringen aan jou stemmen me vrolijk. Ik dacht liefdevol aan vroeger, aan de tijd dat jij met beppe Jelske bij ons kwam wonen en krijg vrolijke gedachten, terwijl de situatie vroeger eerder complex dan eenvoudig was. We hadden een groot gezin, heit, mem en hulp Annie toen mem besloot 24/7 voor haar moeder, beppe Jelske, te willen mantelzorgen. We kregen jou er als bonus bij. In mijn ogen was je een veelzijdig mens: sportief, hard werkend, humoristisch, wijs, met een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Maar goed dat mijn ouders een groot huis en een groot hart hadden en dat jij, mem Sjoukje en heit Anne een goed team vormden.

In een belangrijk deel van mijn jeugd was jij er. Je kwam binnen als Jappie en je moeder noemde je Japje, een soort koosnaam. In ruil voor een ijstaart vroeg je ons oom Jaap te zeggen. Je doopnaam is Jacob. Maar voor ons jongens was en bleef je Jasjin, naar de beroemde Russische keeper Lev Ivanovitsj Jasjin, met als bijnaam de Zwarte Spin of de Zwarte Panter, volgens alle Van der Meulens, VI van die tijd en Wikipedia van nu de beste doelman aller tijden. Een foto herinner ik me waarbij je een meter boven de doellijn, horizontaal zwevend een bal uit het doel ranselde. Jij had in die tijd ook zwart haar, meen ik, zoals Danny Vera nu, ja echt! Eerst wat voorover gekamd en daarna met een soort golfslag achterover. Nog zie ik je aan de huiskamertafel met een soort plastic borstel en wat spuug die kuif modelleren.

Omdat heit het erg druk had met zijn klanten en de belastingen en mem, jouw zuster Sjoukje, genoeg te doen had met een ingewikkelde huishouding, leerde jij ons van alles. Bijvoorbeeld de elementaire bokstechnieken. Je hielp ons bij het opzetten van de spoorrails met een Fleischertrein en het maken van een tunnel. Van jou kregen we de eerste afgetrapte voetbalschoenen. Je kwam voor ons op toen de lagereschoolmeester iets te vaak het woord ‘kluns’ gebruikte als hij leerlingen op hun nummer wilde zetten. Je voorzag onze buren van passend commentaar als we weer eens een bal kwijtraakten die toevallig over de lage heg was geschoten. Op vakantie of een dagje uit naar Veenklooster of Bakkeveen toonde jij ons de keeperstechnieken. Piet, Folkert en ik mochten van dichtbij zo hard als we konden op het doel schieten. Je legde ons de verwantschap tussen de beide Friese dialecten ‘Kollumers’ en ‘Liwadders’ uit, wat bij mij tot een permanent gevoel van trots over mijn Fries-zijn leidde. Dat werd natuurlijk versterkt toen je veel later, in je stamboomonderzoekperiode, een lijn tussen Theun de Vries en mij aantoonde.

In Kollum rees je ster. Je werd doelman van Kollum I en wij moedigden je aan op sportpark Oostenstein. In die tijd zal je Nancy hebben leren kennen. Minimaal twee van haar broers voetbalden ook in het eerste. Of je meer scharrels in het dorp had, weet ik niet. Het moet haast wel. En ik kan alleen maar gissen wat de meiden op de kermis die achter je aan zaten voor lekkere koosnaampjes voor jou hadden. Nancy en jij gingen je verloven. Folkert en ik, al een beetje aangetast door de handelsgeest, stelden je bloedserieus voor om onze oudste zuster Jelske als een soort inruil in te brengen bij de familie Germs met het doel haar te koppelen aan één van je nieuwe zwagers.

Nancy en jij trouwden in Buitenpost. Een leuk feestje was dat. Je schoonvader hield een toespraak en ik weet nog dat hij beschreef hoe hij jouw antecedenten had onderzocht, hoe de Wijbenga’s in Zwaagwesteinde bekend stonden: je nieuwe zwagers keken wat gegeneerd om zich heen en maanden hun vader tot wat meer spoed. Je zus Sjoukje kon er vanwege de geboorte van Jacob niet bij zijn.

Na jullie huwelijk vestigden tante Nancy en jij je in Cornjum. Folkert en ik kwamen logeren en gingen overdag het militaire vliegveld en een kasteel in Jelsum bespioneren. Jij nam ons op een avond mee naar een voetbalwedstrijd van Cambuur tegen Wageningen. Wow, wat een ervaring, fanfaremuziek op de grasmat en een patatje in de pauze. Of het daar was of op een verjaardag weet ik niet, maar ik herinner me de sterke verhalen die je vertelde. ‘De Westerein’ was nou niet bepaald een braaf doorsnee Fries dorp. Je vertelde van caféruzies die soms met een mes werden beslecht. Ik herinner me een verhaal van een medevoetballer van jou die zo’n lange ‘jongeheer’ had, dat zijn eikel in zittoestand over de vloer sleepte. Na bedtijd toverden Folkert en ik hagelwit behang om in een roodgespikkeld decor nadat we vijftig neefjes, die zich allen aan ons bloed hadden gelaafd, op de muur hadden doodgemept. Geen kwaad woord kregen we, Nancy en jij waren vol begrip.

De Wijbenga’s in Zwaagwesteinde waren doopsgezind. Mijn pacifistische inslag heb ik aan jullie te danken. Niemand van mijn broers, we waren met vijf man, is in dienst geweest. In verkiezingstijd leverde jij een affiche van De FNP aan die samen met die van heit, de ARP, en mem, de CHU, een bont palet aan politieke overtuigingen opleverde. Daar kon geen van heits klanten zich aan ergeren.

Oom Jaap dood. We moeten er erg aan wennen. We leven met tante Nancy, Klaas Gjelt en Frits, jullie partners en kinderen mee en we gedenken Ria. We hopen dat jullie het gemis van je man, je (schoon)vader en pake een mooie plaats in jullie herinneringen kunnen geven. Dat proberen wij ook.

Omke Jaap, rêst sêft!

Ganzenreizen

Ganzenlijven zitten ingewikkeld in elkaar met die knokige, grof scharnierende vleugels, die, uitgeslagen en klaar voor een vlucht lawaai maken als oude duiven met hernia. Ingeklapt vormen de vleugels een gestroomlijnd, bijna kierloos, geheel met het ganzenlijf. Jaarlijks bivakkeren meer dan 100.000 kol- riet- en toendraganzen in de blokvormige plassen zuidelijk van Zwartemeer en parallel aan de Nederlands-Duitse grens. Dit is altijd al een gastvrije regio geweest. Vanuit de Baltische staten en Siberië strijken ze in Zuid-Drenthe neer. Bij het krieken slaan ze de vleugels uit en gaan met een indrukwekkend lawaai van het geklapwiek dat vergeleken met het gakken nog stilletjes is, zuidwaarts. Bij al onze wandelingen zag ik nooit een wandelaar die bij dit natuurtheater doorliep.

Terwijl je komt aanlopen tussen zeven en acht voel je de spanning als bij een B-film met Huub Stapel: je kent de sleetse acteur, je weet wat gaat komen, maar wanneer precies? Je hoort het gegak dat aanzwelt als tromgeroffel voor een circusact. In de achtergrond knipperende rode lichten bovenin windmolens, niet bedoeld om mensen aan te trekken maar om piloten, zwanen en ganzen te waarschuwen: kom niet te dichtbij! In gedachten hoor je de hese stem van David Attenborough die fluisterend commentaar geeft als Betty Stöve bij tenniswedstrijden. Dan de ontlading. Honderden ganzen stijgen op en zoeken, lawaai makend als republikeinen bij verkiezingsbijeenkomsten in swingstates, in een formatie de zuidroute. Eerst wat onwennig maar allengs vlotter zie je ze, cirkelend op thermiek, ontspannen wegzeilen. In-druk-wek-kend. Mag-ni-fiek.

(afgebeeld: vliegend toendragans; en kolgans; film van Ted Schilder)

Dagblad van het Noorden – De Volkskrant 1 – 0

Het is geen tennis of taekwondo maar een uitslag is er wel. In de weekendbijlage van ‘Het Dagblad’ staan op 031020 meer dan lezenswaardige stukken over Helmantel en Wiegel. Helmantel is voorman van de figuratieven in de kunsten en Wiegel was een figurativist in de politiek. Pieter Sijpersma schreef Hans Wiegel – De biografie. In het artikel van Saskia van Westhreenen wordt duidelijk dat Sijpersma, die veel zin had in de Wiegelkluif, Jan Tromp, hier ‘vermaarde journalist van De Volkskrant’ genoemd, aftroefde. Interessant detail: Sijpersma is oud-hoofdredacteur van Het Dagblad.

En nu De Volkskrant. Deze krant ligt al een poosje onder vuur van de literatuurwatchers. Recensent Peters schond de vertrouwensrelatie met de krant door jonge vrouwelijke auteurs voorafgaand aan zijn bespreking oneerbare voorstellen te doen in ruil voor vijf sterren. Peters is een recidivist: eind vorige eeuw kreeg hij enkele maanden een recenseerverbod van de krant omdat hij in de krant negatief schreef over auteurs die hij (tegen betaling) elders positief recenseerde.

Je zou denken dat De Volkskrant, Trouwlezers spreken consequent van de linksekerkkrant, zijn lesje heeft geleerd en oplet bij de verdeling van schrijftaken die kunnen schuren. Zonder na te denken krijgt Jan Tromp de gelegenheid Sijpersma’s boek over Wiegel te recenseren. En wat gebeurt? Tromp is zuur. ‘Sijpersma is het best op dreef in het nawoord. Hij wil te veel vertellen. Hij zit zichzelf in de weg. Het is een braaf verslag en niet van binnenuit. Het is oponthoud, ballast.’

Tuurlijk, Tromp zegt ook positieve dingen over dit boek. Maar toch. De Volkskrant had er beter aan gedaan een recensent te selecteren met iets meer distantie tot het onderwerp.

mentor worden?

Deze oproep hoorde ik vanaf mijn 22e in het voortgezet onderwijs en vanaf mijn 60e als vroeg gepensioneerde, energieke, multitaskende vrijwilliger in een spotje van de Stichting Mentorschap. Op beide leeftijden heb ik aan deze oproep gehoor gegeven.

WWW.MENTORSCHAP.NL, met vertakkingen in alle windstreken, zoekt mentoren: mensen, die cliënten bijstaan op het vlak van de zorg. Daarnaast wordt van mentoren verwacht dat ze eens per drie weken hun cliënt bezoeken. Mentoren krijgen cliënten onder hun hoede met een geestelijke en/of lichamelijke beperking die zelf niet een vangnet vol mantelzorgers om zich heen hebben staan die voor hen de best mogelijke zorg uit het vuur slepen. Ik probeer voor mijn cliënt die zorg te krijgen die ik mijn zoons ook zou toewensen. Mentoren worden aangesteld door de rechtbank en ze moeten vooraf en vervolgens jaarlijks voldoen aan een aantal scholingseisen. Alle mentoren worden begeleid door coördinatoren van Stichting Mentorzorg. Iedere 1,5 jaar toetst de rechtbank de inzet van de mentoren. Cliënten betalen maandelijks circa € 100,- aan de overkoepelende stichting en de mentor kan er voor kiezen al dan niet € 25,- per maand als onkostenvergoeding te ontvangen.

Sinds drie jaar ben ik mentor. Met veel plezier. Ik bezoek mijn cliënt en heb geregeld contact met de zorginstelling onder wier paraplu mijn cliënt staat. Die contacten bestaan uit incidenteel overleg met de ‘persoonlijk begeleider’ en jaarlijks overleg over het zorgplan. Daarnaast kan er contact zijn met derden, zoals bewindvoerders, een huishoudelijke hulp, een arts of een gedragswetenschapper van de zorginstelling, de huisarts, medewerkers van de dagopvang, enz.

De zorg die mijn cliënt van de zorginstelling krijgt is goed. Uitstekend zelfs. Als oud-docent denk ik al snel aan het cijfer 9. Waarom geen 10? Dat heeft te maken met mijn ideeën en gedachten als opvoeder, als vader. Mijn systeem van waarden en normen kunnen bijdragen aan of conflicteren met de dienende, ondersteunende en vooral luisterende taak van de mentor.

De zorginstelling biedt mijn cliënt huisvesting, hulp bij lichamelijke verzorging, maaltijden, en verder alle mogelijke zorg. Er is eerder een overvloed aan zorg dan een tekort. Soms denk ik: de zorginstelling zou ook wel een aantal eisen aan de cliënten kunnen stellen op het gebied van leefstijl. Eisen die wij als ouders ook aan onze zoons stelden toen ze nog bij ons woonden. Ik denk hierbij aan een maximum stellen aan het energiegebruik en het aantal huisdieren, het stimuleren van meer bewegen, tegengaan van overgewicht en meer huishoudelijke taken verrichten. Tegelijkertijd realiseer ik me dat ik mijn normen en waarden niet aan anderen mag opleggen. Deze leefstijlverbeteringen vragen extra begeleiding en, belangrijker nog, druisen misschien in tegen de persoonlijke individuele vrijheid. Aan mij de taak om na te gaan of leefstijlverbeteringen deel uitmaken van zorgverbetering.