Afscheid van A

(fragment uit mijn afscheidsbrief in 2012 aan A, een van mijn allerliefste collega’s, docent aan het Esdal College te O)

Tot slot allerbeste A nog iets over ballen, ik verwed een deel van mijn salaris eronder dat er meer collega’s hetzelfde  thema gaan benoemen dat ik vanaf hier ga aansnijden wanneer ik je meest karakteristieke pose ga beschrijven die je in de personeelskamer aanneemt tijdens de middagpauze: je ziet een in blauwe jeans gehulde mevrouw, zeg maar gerust middle-aged, langs de koffiemachine schichten als een krolse kraai die een zilveren lepeltje ontwaart, met de blik strak gericht op de soeppan: het lid eraf en dan, het lijf iets naar voren hellend, tussen broek en shirt een reep wit, tuur je enkele seconden in de pan, je beslissensoren op volle toeren draaiend en dan neem je behoedzaam de soeplepel ter hand en maak je kleine draaikolkjes in de vloeistof, als een verfmenger in de Hema, waarbij je, de zijden van de soeplepel naar links en dan weer naar rechts kantelend, goed kunt observeren of er stukjes vlees en of gehakt voorbij komen en als dat het geval is (en kok K kennende is dat vaak het geval), dan priemen je ogen in de diepte van de pan, je gewicht steunt nu geheel op je tenen, en begint het jongleren met de soeplepel: een  geconcentreerd spel van heen en weer schuiven, als een kaasmaker die stremsel en wei scheidt, geluiden en bewegingen om je heen sluit je uit als een leerling die een examen gaat maken, waarbij het erop aankomt zo weinig mogelijk soep en zoveel mogelijk vaste stoffen in de lepel te vangen, als een goudzoeker in de weer met zeven en pannen om het kostbare residu niet te laten wegstromen, of als een bioloog die in troebele sloten kikkerdril op staat te vissen; als je goed luistert, hoor je de soepgolfjes over de soepelepelrand klotsen als buiswater in een BM’er op de Fluessen en dan, op het moment dat je beet hebt, zien we een gelukzalige glimlach op je gezicht: beet, hebbes, gotcha, je kijkt door je bril als een ivf-dokter die door de microscoop een serie  zeldzame superspermatozoïden waarneemt,  een junk net voor een hemels shotje, een koning voor de aankoop van een speedboat, en voor de sier laat je de soeplepel nog een keer naar beneden plonsen en kom je, net als iedereen, amechtig gapend, in je richting kijkt, met louter nattigheid naar boven met hoogstens ijle vermicellisliertjes of een draadje magere prei uit de collectie van Coöperatie Vergeten Groentes, dat je breed meanderend over de dikke buit onderin je soepkom sprenkelt, met een air van: wat een waterig soepje, waarbij je dan ook nog eens tergend semi-goedkeurend mompelt: ‘K had vandaag zeker een vegadagje, nou ja, ook lekker,’ of woorden van die strekking, als een verslaafde priester die na enkele kelken wijn veinst een watertje te drinken, of een alcoholiste die op een personeelsavond, naast de geheelonthoudende baas zittend, om een sjuutje vraagt en dan baan je je een weg naar je stoel, zet je neder en het grote genieten vangt aan, pretoogjes achter de bril; wie het waagt je tijdens dit haast orgastische moment te storen krijgt een vernietigende blik.

A, het ga je goed!

Beste Klaastaallezers, een goed 2021!

Beste Klaastaallezers uit Leek, Zwolle, Woerden, Leuven, Rotterdam, Bergschenhoek, Haren, Gouda, Winsum, Kollum, Amsterdam, Beiijng, Zevenhuizen, Assen, Brussels, Burgum, Arnhem, Winschoten, Tubbergen, Bleiswijk, Wuhan, Amersfoort, Paris, Maarssen, Utrecht, Rouveen, Ureterp, Nootdorp, enzovoort, enzoverder,

Een goed 2021!

Je vleugels zijn bijna doorschijnend als kermis- of kerstmisengels in de schappen van de action naast de mirre en de kukident, jij, vlinder, rebelse vogel, je kiest voor ons huis met nog steeds r-factor 0, de pas geverfde zuidzijde nog wel, goed hoor, je stuiterde tegen de steen als moshende libellen op een zwembadrandfeest, wie ben je? je voelt je licht, bijna als een lege verzameling dagpauwogen; verre familieleden van jou moeten het doen met aleppo, siddeburen, bethlehem of oudwoude, zonder snoeiharde houtvingers zoek je scherptediepte op zacht wit, je bent de onschuld zelve, als met wierook ventende herders, toonbeeld van saudade, van een afstand oog je breekbaar, maar je hebt grinta van een judoër, je vleugelslichaamstaal spreekt boekdelen: weer heel anders dan de duizenden ganzen zuidelijk van zwartemeer die als vuurwerk of republikeinen met veel te luide stemmen alles willen overvleugelen en -heersen, wij doen alsof we ganzenherders zijn en bezoeken en filmen ze en we observeren jou als je, een maand of wat voor kerst, even rust, en niet aan vogelgriepvrij ganzenstoofvlees uit de oven wil denken, peinzend, je ogen dicht, schouders neer, verwonder je je over de wereldleeddingen dichtbij als haperende kerststerren en ver als verwende koningskinderen; je puft uit op een nieuwe witte muur die je uitnodigt en beschermt en troost, zoekend kijk je langs de voeg de geblutste wereld in, als het je even teveel wordt vouw je kwetsbaarheid op als logeerbedlakens, weggestopt voor slecht nieuws en aanslagkansen via cartoon, alfabet of stembiljet, dierenleed met kerst is je een zorg en we wensen je van alles het beste en een werkend vaccin in een onbedreigd 2021.                                                                    

Ruim dan ook je sleutels op

Het zit hem in de woorden ‘dan ook’. De zin ‘Ruim je sleutels op’ is een gebiedende wijs die in elk huwelijk klinkt. Staat er ‘dan ook’ bij dan is sprake van een sleur, een gewoonte en je verwacht erachteraan te horen ‘hoe vaak heb ik dat niet gezegd.’

In 1994, ik was 38, schreef ik het gedicht De erfenis / Hoe je over dertig jaren bent / werd mij in ’t echt nog niet / gevraagd, godzijgedankt, al / kwelt het mij bij vlagen wreed / omdat ik het antwoord ken, / zonder spoor van twijfel: / dan ben ik mateloos dement. / Je erfenis luidt: naam, moedertaal / soms zelfs broeder God en zijn gebod, / maar ook, diep weggeborgen / in je genen huizen nare trekjes, / word je voor niks aangeslagen / door ongewenste kwalen.

Een man van begin zestig zie ik. Onrustige ogen en handen. Moeilijk te verstaan. Ik vind hem onmiddellijk sympathiek. Hij staat naast een pony in een paardenwei. Iets verderop een schuurtje, een scheef hangend hek en in de verte een passerende trein. Een minuut later loopt hij onrustig heen en weer voor zijn huis. Zijn stem luider nu maar vele malen onverstaanbaarder. Als de camera op hem inzoomt begrijp ik dat hij de huissleutel kwijt is. Hij oogt als een fabrieksarbeider die nabij zijn eigen huis wordt gefilmd. De voice-over praat me bij. De man is dementerend. Ik schrik, want ik zie mijn toekomstige zelf, tenminste als de genen mij niet bedriegen. Mijn twee beppes waren door dementie aangetast als eikenhouten planken door houtworm, hoewel, beppe Jelske kon ook gewoon een geestesziekte hebben gehad, maar de immer psalmen zingende beppe Tjitske was, zoals mensen die niks van dementie moeten hebben, vaak zeggen: zo dement als een deur.

De vrouw van de man komt in beeld. Zorgelijk kijkend en meer langs haar man in het niets pratend dan tegen hem. Zeker, ze heeft het zwaar. Zo sympa als ik de man vind, zo naar vind ik haar. Zelden zag ik zo weinig liefde en compassie. Gedurende de documentaire zie ik haar eenmaal d’r man aanraken, terwijl ‘s mans lichaamstaal schreeuwt: houd me eens vast, knuffel mij, raak me aan.

Zonder me in te spannen leef ik met de man mee en word ik verdrietiger. Ik zie zijn ongeluk, kwetsbaarheid en opgeslotenheid in de schemer van zijn gedachten. Alles wat hem plezier geeft wordt hem afgenomen. Hij heeft een eigen plekje met een pony, wat scharrelkippen; een paradijsje. Een biotoop waar elke zorgboerderijeigenaar een moord voor zou plegen. De man rookt en morst weleens wat shagrestjes, iets wat zijn vrouw woedend maakt.

Gek, maar alles wat zij doet kan op mijn hoon rekenen. Ik doe mijn best iets positiefs van haar te zien, maar het lukt me niet. Mijn medelijden met de man groeit met de minuut. Ik ontdek dat hij wordt gefilmd door zijn zoon. Ineens komt een makelaar in beeld. Makelaars betekenen doorgaans slecht nieuws. En ja hoor, de vluchtheuvel wordt verkocht. Ik schreeuw door de kamer: doe het niet, sukkels. Zijn droefheid word heviger en slaat op mij over.

De ruwste scene is voor de deur van een inrichting voor dementerenden. De man ijsbeert en weigert, gelokt door een accordeon spelende vrijwilliger, naar binnen te gaan en vloekt luid, onverstaanbaar. Met pilletjes wordt zijn gevoel gedempt en zoals zijn tegenstribbelende pony achterstevoren de trailer in werd geduwd op weg naar de paardenslager, zo wordt hij de inrichting ingedreven, ingeschoven bijna. Aan het eind van de film slaat zijn filmende zoon een arm om hem heen. Beiden worden zeer emotioneel. Binnen een jaar na opname overlijdt de man.

Rust Zacht Jacob, Jappie, Japje, Jaap, Jasjin

Oom Jaap is overleden. Het bericht stond nog niet op de familie-app, Van der Meulens zijn meer appers dan bellers, of de berichtjes stroomden over. We zijn verdrietig. Maar de herinneringen aan jou stemmen me vrolijk. Ik dacht liefdevol aan vroeger, aan de tijd dat jij met beppe Jelske bij ons kwam wonen en krijg vrolijke gedachten, terwijl de situatie vroeger eerder complex dan eenvoudig was. We hadden een groot gezin, heit, mem en hulp Annie toen mem besloot 24/7 voor haar moeder, beppe Jelske, te willen mantelzorgen. We kregen jou er als bonus bij. In mijn ogen was je een veelzijdig mens: sportief, hard werkend, humoristisch, wijs, met een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Maar goed dat mijn ouders een groot huis en een groot hart hadden en dat jij, mem Sjoukje en heit Anne een goed team vormden.

In een belangrijk deel van mijn jeugd was jij er. Je kwam binnen als Jappie en je moeder noemde je Japje, een soort koosnaam. In ruil voor een ijstaart vroeg je ons oom Jaap te zeggen. Je doopnaam is Jacob. Maar voor ons jongens was en bleef je Jasjin, naar de beroemde Russische keeper Lev Ivanovitsj Jasjin, met als bijnaam de Zwarte Spin of de Zwarte Panter, volgens alle Van der Meulens, VI van die tijd en Wikipedia van nu de beste doelman aller tijden. Een foto herinner ik me waarbij je een meter boven de doellijn, horizontaal zwevend een bal uit het doel ranselde. Jij had in die tijd ook zwart haar, meen ik, zoals Danny Vera nu, ja echt! Eerst wat voorover gekamd en daarna met een soort golfslag achterover. Nog zie ik je aan de huiskamertafel met een soort plastic borstel en wat spuug die kuif modelleren.

Omdat heit het erg druk had met zijn klanten en de belastingen en mem, jouw zuster Sjoukje, genoeg te doen had met een ingewikkelde huishouding, leerde jij ons van alles. Bijvoorbeeld de elementaire bokstechnieken. Je hielp ons bij het opzetten van de spoorrails met een Fleischertrein en het maken van een tunnel. Van jou kregen we de eerste afgetrapte voetbalschoenen. Je kwam voor ons op toen de lagereschoolmeester iets te vaak het woord ‘kluns’ gebruikte als hij leerlingen op hun nummer wilde zetten. Je voorzag onze buren van passend commentaar als we weer eens een bal kwijtraakten die toevallig over de lage heg was geschoten. Op vakantie of een dagje uit naar Veenklooster of Bakkeveen toonde jij ons de keeperstechnieken. Piet, Folkert en ik mochten van dichtbij zo hard als we konden op het doel schieten. Je legde ons de verwantschap tussen de beide Friese dialecten ‘Kollumers’ en ‘Liwadders’ uit, wat bij mij tot een permanent gevoel van trots over mijn Fries-zijn leidde. Dat werd natuurlijk versterkt toen je veel later, in je stamboomonderzoekperiode, een lijn tussen Theun de Vries en mij aantoonde.

In Kollum rees je ster. Je werd doelman van Kollum I en wij moedigden je aan op sportpark Oostenstein. In die tijd zal je Nancy hebben leren kennen. Minimaal twee van haar broers voetbalden ook in het eerste. Of je meer scharrels in het dorp had, weet ik niet. Het moet haast wel. En ik kan alleen maar gissen wat de meiden op de kermis die achter je aan zaten voor lekkere koosnaampjes voor jou hadden. Nancy en jij gingen je verloven. Folkert en ik, al een beetje aangetast door de handelsgeest, stelden je bloedserieus voor om onze oudste zuster Jelske als een soort inruil in te brengen bij de familie Germs met het doel haar te koppelen aan één van je nieuwe zwagers.

Nancy en jij trouwden in Buitenpost. Een leuk feestje was dat. Je schoonvader hield een toespraak en ik weet nog dat hij beschreef hoe hij jouw antecedenten had onderzocht, hoe de Wijbenga’s in Zwaagwesteinde bekend stonden: je nieuwe zwagers keken wat gegeneerd om zich heen en maanden hun vader tot wat meer spoed. Je zus Sjoukje kon er vanwege de geboorte van Jacob niet bij zijn.

Na jullie huwelijk vestigden tante Nancy en jij je in Cornjum. Folkert en ik kwamen logeren en gingen overdag het militaire vliegveld en een kasteel in Jelsum bespioneren. Jij nam ons op een avond mee naar een voetbalwedstrijd van Cambuur tegen Wageningen. Wow, wat een ervaring, fanfaremuziek op de grasmat en een patatje in de pauze. Of het daar was of op een verjaardag weet ik niet, maar ik herinner me de sterke verhalen die je vertelde. ‘De Westerein’ was nou niet bepaald een braaf doorsnee Fries dorp. Je vertelde van caféruzies die soms met een mes werden beslecht. Ik herinner me een verhaal van een medevoetballer van jou die zo’n lange ‘jongeheer’ had, dat zijn eikel in zittoestand over de vloer sleepte. Na bedtijd toverden Folkert en ik hagelwit behang om in een roodgespikkeld decor nadat we vijftig neefjes, die zich allen aan ons bloed hadden gelaafd, op de muur hadden doodgemept. Geen kwaad woord kregen we, Nancy en jij waren vol begrip.

De Wijbenga’s in Zwaagwesteinde waren doopsgezind. Mijn pacifistische inslag heb ik aan jullie te danken. Niemand van mijn broers, we waren met vijf man, is in dienst geweest. In verkiezingstijd leverde jij een affiche van De FNP aan die samen met die van heit, de ARP, en mem, de CHU, een bont palet aan politieke overtuigingen opleverde. Daar kon geen van heits klanten zich aan ergeren.

Oom Jaap dood. We moeten er erg aan wennen. We leven met tante Nancy, Klaas Gjelt en Frits, jullie partners en kinderen mee en we gedenken Ria. We hopen dat jullie het gemis van je man, je (schoon)vader en pake een mooie plaats in jullie herinneringen kunnen geven. Dat proberen wij ook.

Omke Jaap, rêst sêft!

Ganzenreizen

Ganzenlijven zitten ingewikkeld in elkaar met die knokige, grof scharnierende vleugels, die, uitgeslagen en klaar voor een vlucht lawaai maken als oude duiven met hernia. Ingeklapt vormen de vleugels een gestroomlijnd, bijna kierloos, geheel met het ganzenlijf. Jaarlijks bivakkeren meer dan 100.000 kol- riet- en toendraganzen in de blokvormige plassen zuidelijk van Zwartemeer en parallel aan de Nederlands-Duitse grens. Dit is altijd al een gastvrije regio geweest. Vanuit de Baltische staten en Siberië strijken ze in Zuid-Drenthe neer. Bij het krieken slaan ze de vleugels uit en gaan met een indrukwekkend lawaai van het geklapwiek dat vergeleken met het gakken nog stilletjes is, zuidwaarts. Bij al onze wandelingen zag ik nooit een wandelaar die bij dit natuurtheater doorliep.

Terwijl je komt aanlopen tussen zeven en acht voel je de spanning als bij een B-film met Huub Stapel: je kent de sleetse acteur, je weet wat gaat komen, maar wanneer precies? Je hoort het gegak dat aanzwelt als tromgeroffel voor een circusact. In de achtergrond knipperende rode lichten bovenin windmolens, niet bedoeld om mensen aan te trekken maar om piloten, zwanen en ganzen te waarschuwen: kom niet te dichtbij! In gedachten hoor je de hese stem van David Attenborough die fluisterend commentaar geeft als Betty Stöve bij tenniswedstrijden. Dan de ontlading. Honderden ganzen stijgen op en zoeken, lawaai makend als republikeinen bij verkiezingsbijeenkomsten in swingstates, in een formatie de zuidroute. Eerst wat onwennig maar allengs vlotter zie je ze, cirkelend op thermiek, ontspannen wegzeilen. In-druk-wek-kend. Mag-ni-fiek.

(afgebeeld: vliegend toendragans; en kolgans; film van Ted Schilder)

Dagblad van het Noorden – De Volkskrant 1 – 0

Het is geen tennis of taekwondo maar een uitslag is er wel. In de weekendbijlage van ‘Het Dagblad’ staan op 031020 meer dan lezenswaardige stukken over Helmantel en Wiegel. Helmantel is voorman van de figuratieven in de kunsten en Wiegel was een figurativist in de politiek. Pieter Sijpersma schreef Hans Wiegel – De biografie. In het artikel van Saskia van Westhreenen wordt duidelijk dat Sijpersma, die veel zin had in de Wiegelkluif, Jan Tromp, hier ‘vermaarde journalist van De Volkskrant’ genoemd, aftroefde. Interessant detail: Sijpersma is oud-hoofdredacteur van Het Dagblad.

En nu De Volkskrant. Deze krant ligt al een poosje onder vuur van de literatuurwatchers. Recensent Peters schond de vertrouwensrelatie met de krant door jonge vrouwelijke auteurs voorafgaand aan zijn bespreking oneerbare voorstellen te doen in ruil voor vijf sterren. Peters is een recidivist: eind vorige eeuw kreeg hij enkele maanden een recenseerverbod van de krant omdat hij in de krant negatief schreef over auteurs die hij (tegen betaling) elders positief recenseerde.

Je zou denken dat De Volkskrant, Trouwlezers spreken consequent van de linksekerkkrant, zijn lesje heeft geleerd en oplet bij de verdeling van schrijftaken die kunnen schuren. Zonder na te denken krijgt Jan Tromp de gelegenheid Sijpersma’s boek over Wiegel te recenseren. En wat gebeurt? Tromp is zuur. ‘Sijpersma is het best op dreef in het nawoord. Hij wil te veel vertellen. Hij zit zichzelf in de weg. Het is een braaf verslag en niet van binnenuit. Het is oponthoud, ballast.’

Tuurlijk, Tromp zegt ook positieve dingen over dit boek. Maar toch. De Volkskrant had er beter aan gedaan een recensent te selecteren met iets meer distantie tot het onderwerp.

mentor worden?

Deze oproep hoorde ik vanaf mijn 22e in het voortgezet onderwijs en vanaf mijn 60e als vroeg gepensioneerde, energieke, multitaskende vrijwilliger in een spotje van de Stichting Mentorschap. Op beide leeftijden heb ik aan deze oproep gehoor gegeven.

WWW.MENTORSCHAP.NL, met vertakkingen in alle windstreken, zoekt mentoren: mensen, die cliënten bijstaan op het vlak van de zorg. Daarnaast wordt van mentoren verwacht dat ze eens per drie weken hun cliënt bezoeken. Mentoren krijgen cliënten onder hun hoede met een geestelijke en/of lichamelijke beperking die zelf niet een vangnet vol mantelzorgers om zich heen hebben staan die voor hen de best mogelijke zorg uit het vuur slepen. Ik probeer voor mijn cliënt die zorg te krijgen die ik mijn zoons ook zou toewensen. Mentoren worden aangesteld door de rechtbank en ze moeten vooraf en vervolgens jaarlijks voldoen aan een aantal scholingseisen. Alle mentoren worden begeleid door coördinatoren van Stichting Mentorzorg. Iedere 1,5 jaar toetst de rechtbank de inzet van de mentoren. Cliënten betalen maandelijks circa € 100,- aan de overkoepelende stichting en de mentor kan er voor kiezen al dan niet € 25,- per maand als onkostenvergoeding te ontvangen.

Sinds drie jaar ben ik mentor. Met veel plezier. Ik bezoek mijn cliënt en heb geregeld contact met de zorginstelling onder wier paraplu mijn cliënt staat. Die contacten bestaan uit incidenteel overleg met de ‘persoonlijk begeleider’ en jaarlijks overleg over het zorgplan. Daarnaast kan er contact zijn met derden, zoals bewindvoerders, een huishoudelijke hulp, een arts of een gedragswetenschapper van de zorginstelling, de huisarts, medewerkers van de dagopvang, enz.

De zorg die mijn cliënt van de zorginstelling krijgt is goed. Uitstekend zelfs. Als oud-docent denk ik al snel aan het cijfer 9. Waarom geen 10? Dat heeft te maken met mijn ideeën en gedachten als opvoeder, als vader. Mijn systeem van waarden en normen kunnen bijdragen aan of conflicteren met de dienende, ondersteunende en vooral luisterende taak van de mentor.

De zorginstelling biedt mijn cliënt huisvesting, hulp bij lichamelijke verzorging, maaltijden, en verder alle mogelijke zorg. Er is eerder een overvloed aan zorg dan een tekort. Soms denk ik: de zorginstelling zou ook wel een aantal eisen aan de cliënten kunnen stellen op het gebied van leefstijl. Eisen die wij als ouders ook aan onze zoons stelden toen ze nog bij ons woonden. Ik denk hierbij aan een maximum stellen aan het energiegebruik en het aantal huisdieren, het stimuleren van meer bewegen, tegengaan van overgewicht en meer huishoudelijke taken verrichten. Tegelijkertijd realiseer ik me dat ik mijn normen en waarden niet aan anderen mag opleggen. Deze leefstijlverbeteringen vragen extra begeleiding en, belangrijker nog, druisen misschien in tegen de persoonlijke individuele vrijheid. Aan mij de taak om na te gaan of leefstijlverbeteringen deel uitmaken van zorgverbetering.

Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling


Als ik Lubbers’ Zuidenveldkroniek lees voel ik me als een kind dat door een caleidoscoop kijkt: steeds zie ik wat nieuws. Een foto op pagina 275 symboliseert het Zuidenveldgevoel treffend: vijf mannen zorgen ervoor dat een vastgelopen aanhanger weer vlot komt: met vereende krachten iets tot een goed einde brengen, dat typeert dit feest. Roelie Lubbers-Hilbrands beschrijft in Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling 1920 – 2020 de zuidenveldtentoonstellingen in al zijn facetten. Het zou mij niet verbazen als bij de eerstvolgende Zuidenveldtentoonstelling een platte kar aan haar is gewijd: haar lach en blonde lokken met duizenden maiskorrels, graanstengels en een keur aan bloemen op een plateau uitgelicht. Het boek is opgedragen aan enkele familieleden en, hier zien we Lubbers de diplomaat, aan alle deelnemers, medewerkers en bezoekers: het volk van het Zuidenveld.

Wat een immense klus moet het zijn geweest om de 100 jaren Zuidenveld te boekstaven, elk jaar op twee pagina’s, met er tussendoor beschrijvingen van het volgende decennium. In 304 pagina’s, zo’n 1.800 gram papier, boordevol tekst in gevarieerde lettertypes en foto’s, vanaf 1973 ook in kleur, sommige zelfs met watermerken, vertelt zij de historie. Overzichtelijk gerubriceerd en uiterst volledig: tot en met de jaarlijkse cateraar aan toe. Prijswinnaars, advertenties, bezoekersaantallen, financiële overzichten, bestuurssamenstellingen en meer.

Bij de decenniabeschrijvingen typeert Lubbers de historica de tijdgeest bondig en to-the-point. Van democratisering in de jaren zestig tot het homohuwelijk in 2002, velerlei maatschappelijke veranderingen komen voorbij die de landbouwtentoonstellingen inbedden. Al lezende voltrekt zich de geschiedenis van het boerenbedrijf met daarin een prominente rol voor de dieren en de boeren. Ertussendoor lezen we over de economische ontwikkelingen in de agrarische sector, de rol van de vrouwen, de oorlogsperiode, belangstellende hoogwaardigheidsbekleders, de regionaal-geografische ontwikkelingen en heel veel faits-divers die het boek leesbaar maken en houden. Van de vele foto’s is verreweg de mooiste die op p 61 met gelooide koppen van het prototype van Zuidenveldgangers: stoere mannen met petten.

Een speciaal onderdeel van het Zuidenveld zijn de versierdewagenoptochten en de versierde straten met de erebogen als hoogtepunten. Ik zie nog mijn oude buurman maanden voor het feest in Sleen in zijn schuur honderden vlinderfiguren voor de straatversiering lassen. Met veel gemeenschapszin en het inleveren van sloten vrije tijd, werd met man en macht gewerkt aan de gezamenlijke presentaties.

Missen we dan niets? Zeker, het boek was nog leuker en vollediger geworden als Roelie Lubbers anderhalve bladzijde had ingeruimd voor de keerzijde van de medaille, de achterkant van het gelijk. De ontwikkelingen in het boerenbedrijf gaan snel en het wordt allengs duidelijk dat die ook nodig zijn. Iedereen heeft in zijn familie wel een neefje dat een werkstuk over mest- of kalverfraude, Round-up en de miljardenclaims tegen Monsanto moet schrijven of een in Wageningen studerend nichtje dat op elke verjaardag van oom Annechienus de discussie aanjaagt met irritante vragen over biologisch boeren, het zielige van afgesneden staarten bij Belgische paarden, de circulaire landbouw van Carola Schouten en de ontwikkelingen in het dierenbevrijdingsfront, waarvan zij aspirant-lid is geworden. Het is jammer dat Lubbers de kritische geesten die binnen elke politieke partij te vinden zijn op p 7 zuurpruimen noemt. Niet zelden betreft het mensen met een agrarische achtergrond die het beste voor hebben met de boeren. Veel meer dan gratuite sympathie verdienen boeren het kritisch en met respect gevolgd te worden. Op p 253 volgt een licht herstel en komen dierenwelzijn, boerenprotesten en ecologische duurzame landbouw aan bod. Iets uitgebreider was aardig geweest en had meer recht gedaan aan de veranderingen die het boerenbedrijf te wachten staat.

Maar voor de rest: Roelie, chapeau! Ik ben nu al nieuwsgierig naar de eerstvolgende coronavrije versierdewagenoptocht in 2021 in Schoonebeek.

Coronodagboek in elf vragen

April 2020. Vrouw I en ik kennen elkaar veertig jaar. Ik was 24, zij al wat ouder. Ik stelde op koninginnedag 1980 voor naar Amsterdam te gaan. Niet dat ik een reljongen was, maar ik wilde zijn waar geschiedenis werd gemaakt en pronken met haar naast mij in mijn tweedehands vlekkerig rode Saab. Misschien op de terugweg nog even bier drinken in Maastricht. Ik kende daar een hotelletje waar je geen paspoort hoefde in te leveren. Zij voelde meer voor eten bij Emmens eerste pizzeria en als toetje mij lekker lang langzaam (“Klaas, rustig aan,” is wel bijna een mantra geworden in ons huwelijk) leren zoenen in de portiek van mijn flatje in Emmerhout. Gisteren zag ze eindelijk het door mij gebonsaide hart in het buxusblok voor ons huis. Aah, romantiek is voor een Friese jongen als Engels voor Fransen: moeilijk, maar met veel oefenen kom je een heel eind. Als ik de tuin eens niet had. Massale sterfte onder (pimpel)mezen verklaart dat in onze tuin de mussen de boventoon voeren als Denk-talkshowgasten bij Jinek. Een Vlaamse gaai en een ekster spelen Peter R. de Vries en Jort Kelder. Niets mooier dan drie al wat oudere doffers, duikelaars zelfs, die ’s middags wat rondvliegen. Fretten kunnen C overdragen lees ik. Ik besef hoeveel er nog onduidelijk is. Welke rol speelt onze dierenindustrie? Gaan de verdieners aan C, de online-shops en bezorgbedrijven, supermarkten, computerwinkels, drogisterijen, verf- en doehetzelfverkopers, fietsenwinkels, plexiglasmakers, stoepkrijt- en legpuzzelfabrikanten en farmaceuten straks coronabelasting betalen? Zijn er al besmette katten bij zorgmedewerkers? Hoe zat het alweer met Q-koorts? Er worden nieuw oplaaiende C-uitbraken voorspeld. Wil ik volgend jaar weer een seizoenkaart bij FC Emmen? Waarom willen mensen die zich nu vrijwillig onthouden van sociale interactie toch een riskante stadionplek kopen? Clubliefde? Russische roulette? Valse sentimenten haat ik, maar het ontgaat me niet dat vrouw I voor het eerst in ons huwelijk ossenstaartstoof kookt terwijl ik de ramen lap en de was opvouw. Het was afgelopen week mooi weer en languit zonnebadend lees ik het schitterende boekenweekgeschenk van Van der Zijl, Lichter dan ik van Michielsen en herlees de Geheime dagboeken van Hans Warren, schrijf, fiets, wandel, tuinier en denk na. Als ik zie dat de zon zijn best gaat doen doe ik snel mijn sportbroekje uit en laat de zon bij een gevoelig plekje op mijn linker bil. Zouden die verrekte antivaxxers ook het C-vaccin weigeren? Wat te doen als we zelf besmet raken? Vrouw I en ik bespreken het na de avondmaaltijd voordat Boer zoekt Vrouw begint: wie besmet is verkast twee weken naar boven. Boeken mee, de wifi checken en hopen dat het niet tot een ic-opname komt; rot natuurlijk, maar twee weken onbelemmerd je eigen muziek beluisteren compenseert iets van het leed. Op mijn buik op de tuinstretcher liggend val ik in slaap. Van onze Noorse overbuurvrouw leren we dat we ook rustig met ziekte en dood om kunnen gaan; ziektes & dood horen bij het leven als wachtrijen bij de belastingtelefoon of ruzies bij 50Plus. Waarom zou iedereen ouder dan tachtig moeten worden?

Covid I tm VI

I Wopke Hoekstra is de gebeten hond want hij spreekt, na Jeroen Dijsselbloem enkele jaren geleden, de Italianen en Spanjaarden aan op hun onvermogen financiële buffers te fixen. Hij heeft het grootste gelijk van de wereld, dat weet iedereen. Dat hij toch binnen 24 uur zijn woorden bijstelt, “ach, als je zoveel weerwoord krijgt, betekent dat dat je andere woorden had moeten kiezen,” zal iedereen herkennen, ik ook. Soms blijft de woordontvanger liever nog wat doofjes; Wopke stijgt op mijn virtuele ladder. Op termijn zullen zijn harde woorden contraproductief blijken te zijn: kritische noten dreunen tien keer langer door dan positieve feedback.

II Het is zeven uur in de ochtend en ik denk aan jullie, oude en nieuwe lezers in Houten, Huizen, Heemstede, Oude Pekela en nog verder. Ik ga over op elke week zes observaties. Besparen op postzegels ga ik, met deze postzegelloze brieven. Naar buiten kijkend hoor ik vogels die de kou trotseren als Friezen openstaande bruggen, zie ik de krachtige magnolia die op het punt staat de witte kaarsen te doen ontsteken en ontroerend-lieve paarsblauwe violen die de grauwe grijze tuinbodem doen oplichten en vrolijk maken als lipstick mijn buurvrouws toet.

III Even een levensteken in deze vreemde en interessante tijd, waarin voor het eerst dagelijks Covid-slachtoffers worden bijgehouden in taart- en staafdiagrammen, doden voortleven in Op1-discussies, landen worden vergeleken op gezondheidszorgefficiency en huisartsen, onder wie een aantal duimen draaiend en de dagelijkse bezoekersstromen door een telefoonlijn persend, die zich afvragen waar de klachten over plasproblemen, lage rugpijn, verstuikte enkels en huidschilfers blijven. Zelfs mensen met nieuwe knobbeltjes en hartlijders blijven in de kast en stellen opname uit.

IV C en deze keer bedoel ik niet Cruijff, Christus of chihuahua is verschrikkelijk. We tellen onder de dodelijke slachtoffers merendeels aan adipostas lijdende 80-plussers met onderliggende ziektes, lees ik en dat maakt het voor mij draaglijker. Mijn ouders stierven toen ze 67 en 73 waren en dat, zo kan ik je verzekeren, relativeert sterftecijfers en mortaliteitsstatistieken enorm.

V Ik kan het niet laten en vergelijk de aantallen Coronadoden met de 20.000 jaarlijkse tabaksslachtoffers (nieuwtje: Albert Heyn die maar doorgaat met het verdienmodel op de verkoop van tabaksproducten wordt nu op NS-stations verboden deze producten aan te bieden) en de bijna 10.000 doden ten gevolge van de griep in 2017/18. Met filosoof/medicus Marli Huijer, ex-denker des vaderlands, zeg ik: waar hebben we het over?

VI Een ketting- of piramidebrief bezorgt me elke morgen een verse stroom gedichten en verzen van uiteenlopende namen als Vasalis, Toon, The Cure, Zwagerman, Jan Kal, Soepboer, Hettinga, De Vries, en meer. Ik lees over ziekenhuizen die nog steeds deep-down elkaars concurrent zijn en de kaarten van vrije IC-kamers voor de borst houden, Duitsland waar 15.000 IC-bedden klaar staan, elkaar beconcurrerende laboratoria als HuisartsLab, Certe en Izore en bevraag mezelf driemaal daags hoe het komt dat de heere der heerscharen de bible belt bepaald niet spaart van deze pijnbank. Je hoort al mensen spreken over een parallelle wereld die na C meer duurzaam zal zijn en vrij van intensieve veeteelt, carnaval, overbodige reizen naar het einde van de wereld om daar op klompen de loop van een riviertje te bestuderen of in oude auto’s of op veel te hoge bergschoenen interessante bergpassen in den vreemde te vervuilen en goudenkettingverkopers te vernederen door 100% fooi te geven.