Ganzenreizen

Ganzenlijven zitten ingewikkeld in elkaar met die knokige, grof scharnierende vleugels, die, uitgeslagen en klaar voor een vlucht lawaai maken als oude duiven met hernia. Ingeklapt vormen de vleugels een gestroomlijnd, bijna kierloos, geheel met het ganzenlijf. Jaarlijks bivakkeren meer dan 100.000 kol- riet- en toendraganzen in de blokvormige plassen zuidelijk van Zwartemeer en parallel aan de Nederlands-Duitse grens. Dit is altijd al een gastvrije regio geweest. Vanuit de Baltische staten en Siberië strijken ze in Zuid-Drenthe neer. Bij het krieken slaan ze de vleugels uit en gaan met een indrukwekkend lawaai van het geklapwiek dat vergeleken met het gakken nog stilletjes is, zuidwaarts. Bij al onze wandelingen zag ik nooit een wandelaar die bij dit natuurtheater doorliep.

Terwijl je komt aanlopen tussen zeven en acht voel je de spanning als bij een B-film met Huub Stapel: je kent de sleetse acteur, je weet wat gaat komen, maar wanneer precies? Je hoort het gegak dat aanzwelt als tromgeroffel voor een circusact. In de achtergrond knipperende rode lichten bovenin windmolens, niet bedoeld om mensen aan te trekken maar om piloten, zwanen en ganzen te waarschuwen: kom niet te dichtbij! In gedachten hoor je de hese stem van David Attenborough die fluisterend commentaar geeft als Betty Stöve bij tenniswedstrijden. Dan de ontlading. Honderden ganzen stijgen op en zoeken, lawaai makend als republikeinen bij verkiezingsbijeenkomsten in swingstates, in een formatie de zuidroute. Eerst wat onwennig maar allengs vlotter zie je ze, cirkelend op thermiek, ontspannen wegzeilen. In-druk-wek-kend. Mag-ni-fiek.

(afgebeeld: vliegend toendragans; en kolgans; film van Ted Schilder)

Dagblad van het Noorden – De Volkskrant 1 – 0

Het is geen tennis of taekwondo maar een uitslag is er wel. In de weekendbijlage van ‘Het Dagblad’ staan op 031020 meer dan lezenswaardige stukken over Helmantel en Wiegel. Helmantel is voorman van de figuratieven in de kunsten en Wiegel was een figurativist in de politiek. Pieter Sijpersma schreef Hans Wiegel – De biografie. In het artikel van Saskia van Westhreenen wordt duidelijk dat Sijpersma, die veel zin had in de Wiegelkluif, Jan Tromp, hier ‘vermaarde journalist van De Volkskrant’ genoemd, aftroefde. Interessant detail: Sijpersma is oud-hoofdredacteur van Het Dagblad.

En nu De Volkskrant. Deze krant ligt al een poosje onder vuur van de literatuurwatchers. Recensent Peters schond de vertrouwensrelatie met de krant door jonge vrouwelijke auteurs voorafgaand aan zijn bespreking oneerbare voorstellen te doen in ruil voor vijf sterren. Peters is een recidivist: eind vorige eeuw kreeg hij enkele maanden een recenseerverbod van de krant omdat hij in de krant negatief schreef over auteurs die hij (tegen betaling) elders positief recenseerde.

Je zou denken dat De Volkskrant, Trouwlezers spreken consequent van de linksekerkkrant, zijn lesje heeft geleerd en oplet bij de verdeling van schrijftaken die kunnen schuren. Zonder na te denken krijgt Jan Tromp de gelegenheid Sijpersma’s boek over Wiegel te recenseren. En wat gebeurt? Tromp is zuur. ‘Sijpersma is het best op dreef in het nawoord. Hij wil te veel vertellen. Hij zit zichzelf in de weg. Het is een braaf verslag en niet van binnenuit. Het is oponthoud, ballast.’

Tuurlijk, Tromp zegt ook positieve dingen over dit boek. Maar toch. De Volkskrant had er beter aan gedaan een recensent te selecteren met iets meer distantie tot het onderwerp.

mentor worden?

Deze oproep hoorde ik vanaf mijn 22e in het voortgezet onderwijs en vanaf mijn 60e als vroeg gepensioneerde, energieke, multitaskende vrijwilliger in een spotje van de Stichting Mentorschap. Op beide leeftijden heb ik aan deze oproep gehoor gegeven.

WWW.MENTORSCHAP.NL, met vertakkingen in alle windstreken, zoekt mentoren: mensen, die cliënten bijstaan op het vlak van de zorg. Daarnaast wordt van mentoren verwacht dat ze eens per drie weken hun cliënt bezoeken. Mentoren krijgen cliënten onder hun hoede met een geestelijke en/of lichamelijke beperking die zelf niet een vangnet vol mantelzorgers om zich heen hebben staan die voor hen de best mogelijke zorg uit het vuur slepen. Ik probeer voor mijn cliënt die zorg te krijgen die ik mijn zoons ook zou toewensen. Mentoren worden aangesteld door de rechtbank en ze moeten vooraf en vervolgens jaarlijks voldoen aan een aantal scholingseisen. Alle mentoren worden begeleid door coördinatoren van Stichting Mentorzorg. Iedere 1,5 jaar toetst de rechtbank de inzet van de mentoren. Cliënten betalen maandelijks circa € 100,- aan de overkoepelende stichting en de mentor kan er voor kiezen al dan niet € 25,- per maand als onkostenvergoeding te ontvangen.

Sinds drie jaar ben ik mentor. Met veel plezier. Ik bezoek mijn cliënt en heb geregeld contact met de zorginstelling onder wier paraplu mijn cliënt staat. Die contacten bestaan uit incidenteel overleg met de ‘persoonlijk begeleider’ en jaarlijks overleg over het zorgplan. Daarnaast kan er contact zijn met derden, zoals bewindvoerders, een huishoudelijke hulp, een arts of een gedragswetenschapper van de zorginstelling, de huisarts, medewerkers van de dagopvang, enz.

De zorg die mijn cliënt van de zorginstelling krijgt is goed. Uitstekend zelfs. Als oud-docent denk ik al snel aan het cijfer 9. Waarom geen 10? Dat heeft te maken met mijn ideeën en gedachten als opvoeder, als vader. Mijn systeem van waarden en normen kunnen bijdragen aan of conflicteren met de dienende, ondersteunende en vooral luisterende taak van de mentor.

De zorginstelling biedt mijn cliënt huisvesting, hulp bij lichamelijke verzorging, maaltijden, en verder alle mogelijke zorg. Er is eerder een overvloed aan zorg dan een tekort. Soms denk ik: de zorginstelling zou ook wel een aantal eisen aan de cliënten kunnen stellen op het gebied van leefstijl. Eisen die wij als ouders ook aan onze zoons stelden toen ze nog bij ons woonden. Ik denk hierbij aan een maximum stellen aan het energiegebruik en het aantal huisdieren, het stimuleren van meer bewegen, tegengaan van overgewicht en meer huishoudelijke taken verrichten. Tegelijkertijd realiseer ik me dat ik mijn normen en waarden niet aan anderen mag opleggen. Deze leefstijlverbeteringen vragen extra begeleiding en, belangrijker nog, druisen misschien in tegen de persoonlijke individuele vrijheid. Aan mij de taak om na te gaan of leefstijlverbeteringen deel uitmaken van zorgverbetering.

Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling


Als ik Lubbers’ Zuidenveldkroniek lees voel ik me als een kind dat door een caleidoscoop kijkt: steeds zie ik wat nieuws. Een foto op pagina 275 symboliseert het Zuidenveldgevoel treffend: vijf mannen zorgen ervoor dat een vastgelopen aanhanger weer vlot komt: met vereende krachten iets tot een goed einde brengen, dat typeert dit feest. Roelie Lubbers-Hilbrands beschrijft in Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling 1920 – 2020 de zuidenveldtentoonstellingen in al zijn facetten. Het zou mij niet verbazen als bij de eerstvolgende Zuidenveldtentoonstelling een platte kar aan haar is gewijd: haar lach en blonde lokken met duizenden maiskorrels, graanstengels en een keur aan bloemen op een plateau uitgelicht. Het boek is opgedragen aan enkele familieleden en, hier zien we Lubbers de diplomaat, aan alle deelnemers, medewerkers en bezoekers: het volk van het Zuidenveld.

Wat een immense klus moet het zijn geweest om de 100 jaren Zuidenveld te boekstaven, elk jaar op twee pagina’s, met er tussendoor beschrijvingen van het volgende decennium. In 304 pagina’s, zo’n 1.800 gram papier, boordevol tekst in gevarieerde lettertypes en foto’s, vanaf 1973 ook in kleur, sommige zelfs met watermerken, vertelt zij de historie. Overzichtelijk gerubriceerd en uiterst volledig: tot en met de jaarlijkse cateraar aan toe. Prijswinnaars, advertenties, bezoekersaantallen, financiële overzichten, bestuurssamenstellingen en meer.

Bij de decenniabeschrijvingen typeert Lubbers de historica de tijdgeest bondig en to-the-point. Van democratisering in de jaren zestig tot het homohuwelijk in 2002, velerlei maatschappelijke veranderingen komen voorbij die de landbouwtentoonstellingen inbedden. Al lezende voltrekt zich de geschiedenis van het boerenbedrijf met daarin een prominente rol voor de dieren en de boeren. Ertussendoor lezen we over de economische ontwikkelingen in de agrarische sector, de rol van de vrouwen, de oorlogsperiode, belangstellende hoogwaardigheidsbekleders, de regionaal-geografische ontwikkelingen en heel veel faits-divers die het boek leesbaar maken en houden. Van de vele foto’s is verreweg de mooiste die op p 61 met gelooide koppen van het prototype van Zuidenveldgangers: stoere mannen met petten.

Een speciaal onderdeel van het Zuidenveld zijn de versierdewagenoptochten en de versierde straten met de erebogen als hoogtepunten. Ik zie nog mijn oude buurman maanden voor het feest in Sleen in zijn schuur honderden vlinderfiguren voor de straatversiering lassen. Met veel gemeenschapszin en het inleveren van sloten vrije tijd, werd met man en macht gewerkt aan de gezamenlijke presentaties.

Missen we dan niets? Zeker, het boek was nog leuker en vollediger geworden als Roelie Lubbers anderhalve bladzijde had ingeruimd voor de keerzijde van de medaille, de achterkant van het gelijk. De ontwikkelingen in het boerenbedrijf gaan snel en het wordt allengs duidelijk dat die ook nodig zijn. Iedereen heeft in zijn familie wel een neefje dat een werkstuk over mest- of kalverfraude, Round-up en de miljardenclaims tegen Monsanto moet schrijven of een in Wageningen studerend nichtje dat op elke verjaardag van oom Annechienus de discussie aanjaagt met irritante vragen over biologisch boeren, het zielige van afgesneden staarten bij Belgische paarden, de circulaire landbouw van Carola Schouten en de ontwikkelingen in het dierenbevrijdingsfront, waarvan zij aspirant-lid is geworden. Het is jammer dat Lubbers de kritische geesten die binnen elke politieke partij te vinden zijn op p 7 zuurpruimen noemt. Niet zelden betreft het mensen met een agrarische achtergrond die het beste voor hebben met de boeren. Veel meer dan gratuite sympathie verdienen boeren het kritisch en met respect gevolgd te worden. Op p 253 volgt een licht herstel en komen dierenwelzijn, boerenprotesten en ecologische duurzame landbouw aan bod. Iets uitgebreider was aardig geweest en had meer recht gedaan aan de veranderingen die het boerenbedrijf te wachten staat.

Maar voor de rest: Roelie, chapeau! Ik ben nu al nieuwsgierig naar de eerstvolgende coronavrije versierdewagenoptocht in 2021 in Schoonebeek.

Coronodagboek in elf vragen

April 2020. Vrouw I en ik kennen elkaar veertig jaar. Ik was 24, zij al wat ouder. Ik stelde op koninginnedag 1980 voor naar Amsterdam te gaan. Niet dat ik een reljongen was, maar ik wilde zijn waar geschiedenis werd gemaakt en pronken met haar naast mij in mijn tweedehands vlekkerig rode Saab. Misschien op de terugweg nog even bier drinken in Maastricht. Ik kende daar een hotelletje waar je geen paspoort hoefde in te leveren. Zij voelde meer voor eten bij Emmens eerste pizzeria en als toetje mij lekker lang langzaam (“Klaas, rustig aan,” is wel bijna een mantra geworden in ons huwelijk) leren zoenen in de portiek van mijn flatje in Emmerhout. Gisteren zag ze eindelijk het door mij gebonsaide hart in het buxusblok voor ons huis. Aah, romantiek is voor een Friese jongen als Engels voor Fransen: moeilijk, maar met veel oefenen kom je een heel eind. Als ik de tuin eens niet had. Massale sterfte onder (pimpel)mezen verklaart dat in onze tuin de mussen de boventoon voeren als Denk-talkshowgasten bij Jinek. Een Vlaamse gaai en een ekster spelen Peter R. de Vries en Jort Kelder. Niets mooier dan drie al wat oudere doffers, duikelaars zelfs, die ’s middags wat rondvliegen. Fretten kunnen C overdragen lees ik. Ik besef hoeveel er nog onduidelijk is. Welke rol speelt onze dierenindustrie? Gaan de verdieners aan C, de online-shops en bezorgbedrijven, supermarkten, computerwinkels, drogisterijen, verf- en doehetzelfverkopers, fietsenwinkels, plexiglasmakers, stoepkrijt- en legpuzzelfabrikanten en farmaceuten straks coronabelasting betalen? Zijn er al besmette katten bij zorgmedewerkers? Hoe zat het alweer met Q-koorts? Er worden nieuw oplaaiende C-uitbraken voorspeld. Wil ik volgend jaar weer een seizoenkaart bij FC Emmen? Waarom willen mensen die zich nu vrijwillig onthouden van sociale interactie toch een riskante stadionplek kopen? Clubliefde? Russische roulette? Valse sentimenten haat ik, maar het ontgaat me niet dat vrouw I voor het eerst in ons huwelijk ossenstaartstoof kookt terwijl ik de ramen lap en de was opvouw. Het was afgelopen week mooi weer en languit zonnebadend lees ik het schitterende boekenweekgeschenk van Van der Zijl, Lichter dan ik van Michielsen en herlees de Geheime dagboeken van Hans Warren, schrijf, fiets, wandel, tuinier en denk na. Als ik zie dat de zon zijn best gaat doen doe ik snel mijn sportbroekje uit en laat de zon bij een gevoelig plekje op mijn linker bil. Zouden die verrekte antivaxxers ook het C-vaccin weigeren? Wat te doen als we zelf besmet raken? Vrouw I en ik bespreken het na de avondmaaltijd voordat Boer zoekt Vrouw begint: wie besmet is verkast twee weken naar boven. Boeken mee, de wifi checken en hopen dat het niet tot een ic-opname komt; rot natuurlijk, maar twee weken onbelemmerd je eigen muziek beluisteren compenseert iets van het leed. Op mijn buik op de tuinstretcher liggend val ik in slaap. Van onze Noorse overbuurvrouw leren we dat we ook rustig met ziekte en dood om kunnen gaan; ziektes & dood horen bij het leven als wachtrijen bij de belastingtelefoon of ruzies bij 50Plus. Waarom zou iedereen ouder dan tachtig moeten worden?

Covid I tm VI

I Wopke Hoekstra is de gebeten hond want hij spreekt, na Jeroen Dijsselbloem enkele jaren geleden, de Italianen en Spanjaarden aan op hun onvermogen financiële buffers te fixen. Hij heeft het grootste gelijk van de wereld, dat weet iedereen. Dat hij toch binnen 24 uur zijn woorden bijstelt, “ach, als je zoveel weerwoord krijgt, betekent dat dat je andere woorden had moeten kiezen,” zal iedereen herkennen, ik ook. Soms blijft de woordontvanger liever nog wat doofjes; Wopke stijgt op mijn virtuele ladder. Op termijn zullen zijn harde woorden contraproductief blijken te zijn: kritische noten dreunen tien keer langer door dan positieve feedback.

II Het is zeven uur in de ochtend en ik denk aan jullie, oude en nieuwe lezers in Houten, Huizen, Heemstede, Oude Pekela en nog verder. Ik ga over op elke week zes observaties. Besparen op postzegels ga ik, met deze postzegelloze brieven. Naar buiten kijkend hoor ik vogels die de kou trotseren als Friezen openstaande bruggen, zie ik de krachtige magnolia die op het punt staat de witte kaarsen te doen ontsteken en ontroerend-lieve paarsblauwe violen die de grauwe grijze tuinbodem doen oplichten en vrolijk maken als lipstick mijn buurvrouws toet.

III Even een levensteken in deze vreemde en interessante tijd, waarin voor het eerst dagelijks Covid-slachtoffers worden bijgehouden in taart- en staafdiagrammen, doden voortleven in Op1-discussies, landen worden vergeleken op gezondheidszorgefficiency en huisartsen, onder wie een aantal duimen draaiend en de dagelijkse bezoekersstromen door een telefoonlijn persend, die zich afvragen waar de klachten over plasproblemen, lage rugpijn, verstuikte enkels en huidschilfers blijven. Zelfs mensen met nieuwe knobbeltjes en hartlijders blijven in de kast en stellen opname uit.

IV C en deze keer bedoel ik niet Cruijff, Christus of chihuahua is verschrikkelijk. We tellen onder de dodelijke slachtoffers merendeels aan adipostas lijdende 80-plussers met onderliggende ziektes, lees ik en dat maakt het voor mij draaglijker. Mijn ouders stierven toen ze 67 en 73 waren en dat, zo kan ik je verzekeren, relativeert sterftecijfers en mortaliteitsstatistieken enorm.

V Ik kan het niet laten en vergelijk de aantallen Coronadoden met de 20.000 jaarlijkse tabaksslachtoffers (nieuwtje: Albert Heyn die maar doorgaat met het verdienmodel op de verkoop van tabaksproducten wordt nu op NS-stations verboden deze producten aan te bieden) en de bijna 10.000 doden ten gevolge van de griep in 2017/18. Met filosoof/medicus Marli Huijer, ex-denker des vaderlands, zeg ik: waar hebben we het over?

VI Een ketting- of piramidebrief bezorgt me elke morgen een verse stroom gedichten en verzen van uiteenlopende namen als Vasalis, Toon, The Cure, Zwagerman, Jan Kal, Soepboer, Hettinga, De Vries, en meer. Ik lees over ziekenhuizen die nog steeds deep-down elkaars concurrent zijn en de kaarten van vrije IC-kamers voor de borst houden, Duitsland waar 15.000 IC-bedden klaar staan, elkaar beconcurrerende laboratoria als HuisartsLab, Certe en Izore en bevraag mezelf driemaal daags hoe het komt dat de heere der heerscharen de bible belt bepaald niet spaart van deze pijnbank. Je hoort al mensen spreken over een parallelle wereld die na C meer duurzaam zal zijn en vrij van intensieve veeteelt, carnaval, overbodige reizen naar het einde van de wereld om daar op klompen de loop van een riviertje te bestuderen of in oude auto’s of op veel te hoge bergschoenen interessante bergpassen in den vreemde te vervuilen en goudenkettingverkopers te vernederen door 100% fooi te geven.

Beste lezers van Klaastaal

Ik heb, een beetje laat, dat dan weer wel, de statistiekenknop van www.klaastaal.nl ontdekt als een Groningse plattelander de G-spot na een gespreksavond in de bieb en ik lees dat per jaar tussen 1,8 en 3,1 K mijn teksten lezen. Mooi hoor en dat voor iemand die facebook en twitter op afstand houdt als een schapenhouder de wolven. Lezers bedankt. Ook krijg ik info over trouwe lezers, bouncers en meer, bijvoorbeeld trends en apparaten en de tijd die men besteedt aan het lezen van een artikel. Hoe ik werk? Per week probeer ik 1 artikeltje te posten, vaak met een culturele, sportieve of persoonlijke inslag. Naast de losse lezers zijn er nog  abonnementhouders en die krijgen mijn teksten automatisch. Af en toe reageren lezers; hierbij leggen de klagers en critici het af tegen de positieve geluiden. Soms stuur ik een linkje naar een betrokkene. Dat leidde een keer, een jaar of twee geleden, tot een lezerspiek van een dikke 600 (tegen zo’n 50 à 60 reguliere) gebruikers/lezers in een week. Een terugblik op een accordeonconcert te Leeuwarden had via een aardige tante facebook gehaald en via de plaatsspecificatieknop onder locaties zag ik mijn tekst door Friesland jachten als een natuurbrand door Australië.

Beste lezers, het ga je goed in 2020;  Klaas

Het groot Dictee der Nederlandse Taal in Emmen

29 jaar na het eerste Groot Dictee der Nederlandse Taal met het inmiddels beroemde ‘przewalskipaard’ van Kees Fens waagden op twee november 2019 negen personen zich aan het meeschrijven met het Nationaal Dictee in de bibliotheek in Emmen. Dat is twee meer dan vorig jaar. Via een narrowcasting-systeem konden de deelnemers de landelijke uitzending in Zutphen volgen. Voorlezer dit jaar is Gerdi Verbeet en Wim Daniëls heeft het dictee geschreven. Daniëls brak vorig jaar met de vanaf het begin breed gedragen traditie het dictee te vullen met woorden die enkel door trouwe lezers van het Groene Boekje gekend werden. Dat het dictee daardoor nu heel eenvoudig werd, nou nee.

Dit jaar was er een actueel thema: de agrariër. Ook nu weer was er het obstakel van het verbindingsstreepje in bijvoorbeeld tafeltje-dek-je en eau-de-colognegeur en de inmiddels beruchte ‘driewoordenwoorden’ als ‘vollegrondteelt’ en ‘warmemelkdrinkers’.

Het landelijk gefilmde dictee, met celebrity’s als Jan Siebelink, Kader Benali, minister van Onderwijs Ingrid van Engelshoven, Oscar Hammerstein en Ingmar Heytze duurde ongeveer drie kwartier. Heytze zei: “Mijn idee is dat het goed te maken is terwijl dat niet zo is.”

In Emmen deden mee: Margreet Joling, Riet Lina, Thérèse Major, Aly Schirring, Jenny Scholte, Elly Schutten, Leidy Veldman, Joke Voss en Dini Wagelaar. Winnaar met slechts vijftien foutjes: Aly Schirring. Zij ging naar huis met de Taalkalender 2020 van Onze Taal. Ter vergelijking: bij de prominenten maakte kinderboekenschrijver Gideon Samson twaalf fouten. Van alle deelnemers in Zutphen presteerde Niels de Jonge het beste met zes fout. In Emmen was er voor alle deelnemers Winterbloei van Jan Wolkers.

Het Groot Dictee der Nederlandse Taal 2019:

 Boeren, burgers en buitenlui

1. ‘Het móét me van het hart: we worden beschimpt en geschandaliseerd, terwijl we nota bene ’s lands belangrijkste maaltijdbezorgers zijn’, zei een boer uit een Zuidoost-Noord-Brabants dorp geagiteerd tegen me.

2. ‘Daarenboven hebben we een kolossale bijdrage geleverd aan het Nederlandse vocabulaire’, brieste hij voort. 

3. Inderdaad zijn duizend-en-een woorden dankzij de boerenstand in de Nederlandse taal terechtgekomen, bijvoorbeeld: tractor, boerenperziken, gewasbesproeiing, vollegrondteelt,
rood- en zwartbont en mond-en-klauwzeer.

 4. Daarbovenop heb je tientallen boerenzegswijzen, waaronderop z’n janboerenfluitjes’ in de betekenis ‘langzaamaan, rustig aan’, en ‘de boer zijn hemd’ voor het vel op gekookte melk, dat sommige warmemelkdrinkers zo fraai over de balustrade van hun melkmok weten te draperen.

 5.  Velen wijzen heden ten dage naar de boeren als degenen door wie de biodiversiteit teloorgaat en ook als de ultieme stankverspreiders, terwijl er geen punt wordt gemaakt van dreumesen die ongegeneerd hun wegwerpluiers volpoepen, noch van notoire schetenlaters en evenmin van goedgekapte jongeren en bejaarden met hun verstikkende eau-de-colognegeur.

 6. Het is wrang dat een beroepsgroep die dagelijks tafeltje-dek-je mogelijk maakt zo verguisd wordt, terwijl we allemaal tijdenlang boer zijn geweest toen we van jagers-verzamelaars evolueerden in landbouwers met een huisje-boompje-beestje-ideaal.

 7. Anderzijds valt niet te loochenen dat anno nu vooral de intensieve veehouderij, al dan niet in de vorm van bio-industrie, het milieu schade berokkent.

 8. Maar toch: hoedt u zich voor al te veel gejeremieer over boeren.

 9. Wij allen zorgen voor milieuschade, als carnivoor, automobilist, motorrijder, vliegende globetrotter, afsteker van vuurwerk op oudjaarsavond en in de nieuwjaarsnacht, enzovoort.

10. Om de milieuproblemen het hoofd te bieden, moeten we gezamenlijk onze verantwoordelijkheid nemen en vooral één ding doen: ons boerenverstand gebruiken.

 

 

 

Naturalis, Leiden

Een nieuw, schitterend museum. Dankzij de interessante architectuur is er ook voor volwassenen veel te zien, want ja, het museum is in de eerste plaats heel geschikt en aantrekkelijk voor kinderen. Aan de buitenkant vallen de joekels van natuursteensierstrips op waarvan je altijd hoopt dat ze naar beneden komen als jij elders bent. Vanuit de hal naar boven kijkend valt op dat de vloeroppervlakte per verdieping kleiner wordt. Dat biedt zowel beneden als boven mooie, ruimtelijke zichtlijnen. Dankzij deze ruimte-indeling is dit een museum dat, vergeleken met de kubieke meters, weinig vierkante meters expositieruimte heeft. Via een meer dan prachtige, luie trap, loop je langs de (oneven) etages waar veel te zien of te beleven is. De even etages ontbreken voor de bezoekers, omdat ze of niet (lijken te) bestaan of zijn ingericht voor andere doeleinden. In het auditorium op de begane grond staat een preparatie van een meeuw aangekondigd: iets wat plattelandskinderen op jongensverjaarsfeestjes kunnen bekijken is hier museaal. 

Wat is er te zien? Leven, verleiding, dood, dino’s, live science en meer. Meer dan een miljoen objecten. De mensheid in alle tijdperken, de natuur vanaf ver voor het verzonnen koppeltje Adam en Eva en dierenskeletten met afmetingen van cruisschepenonderdelen. Brave museummedewerkers kraken stenen en hebben een verhaal dat zowel de (klein)kinderen als de opa’s en oma’s aanspreekt. Er is een verdieping met veel actieve presentaties (zo kun je onder een harige bol proberen te gaan hangen als een apenjong dat zich aan moeders buik klemt), er is een ijstijdexpositie en er is een opgezette of synthetische viervoeter die zich als allemansvriend ontpopt.

Grootste min is een hele zaal die wordt ingenomen door twee campers en een immense foto op de vloer van een rotsformatie.

Wat is er niet te zien? Veel. De link naar de mens van nu is mager. Wat was er mooier geweest dan een in tweeën gesneden (bekende) Nederlander naast een oermens te plaatsen om zo de effecten van roken, stressen, vervetten, te weinig bewegen aan te tonen? En dat proces dan op zondagmiddag met 40 opa’s en drie kinderen in de snijzaal aanschouwelijk te maken?

Salomon, het Kollumer Oproer

De première van Salomon, het Kollumer Oproer is oorverdovend mooi. Hoofdrolspeler Syb van der Ploeg als Salomon, speelt zich uit de naad (om maar eens een Friezisme te gebruiken). De couleur locale krijgt kracht en kleur door de locatie achter de Maartenskerk waar de opstandelingen meer dan twee eeuwen geleden daadwerkelijk werden opgesloten, de Friese paarden, de meer dan 100 spelers, waarvan een groot deel vrijwilligers uit de regio, en uiteraard de moeder aller regiotalen: het Fries. Ook niet onbelangrijk: voor locatietheater in de open lucht is er een prima balans tussen muziek en zang. Aan licht en geluid is meer dan gemiddeld aandacht besteed.

Een ingenieuze vondst, een Nederlands sprekende Google Maps, kundig gepresenteerd door Meriyem Manders, maakt het spektakel voor niet-Friessprekers te volgen. Af en toe staat Google Maps aan de laadpaal waarbij ledlampjes als een aura oplichten. Zij linkt het verleden aan de nieuwe tijd en wijst Salomon op gedachtenkronkels.

Het verhaal in een notendop: de uit Duitsland gevluchte Jood Salomon Levy is allergisch voor onrecht. Hij komt in actie als enkele streekjongens, Jan Binnes en Abele Reitses, de ene vanwege zijn rol bij het Kollumer Oproer en de ander vanwege dienstweigeren, door de Franse overheersers worden vervolgd. Salomon wordt neergezet als vrije jongen, womanizer met een libido als een gevuld kruidvat, en vooral strijder tegen discriminatie en onrecht: ‘Ik bin fan net ien!’. Het komt meer dan goed uit dat Syb van der Ploeg, in het echt ook nazaat van Salomon Levy, kan zingen en toneelspelen. De Fransozen doen waar ze goed in waren: ze guillotineren de hoofdpersoon. 

De verhaallijn wordt door scriptschrijver Dick van den Heuvel naar het nu en het recente verleden eigentijds gehouden, zonder de historische setting te verwaarlozen. Er wordt tot het randje met de chronologie gespeeld. De spelers zijn gekleed in historische kledij die zo uit het Museum in Veenklooster lijkt te komen. De verbindende elementen zijn de nare behandeling die marathonloopster Foekje Dillema ten deel viel, een hint naar de Me-Too-discussies, en meer. In de Foekje Dillema-case krijgt de KNAU het behoorlijk te verduren. Een vreemde noot in het spel is een terugkerende discussie tussen humoristische representanten van de berenburgindustrie. De aanwezigheid van schaatser Henk Angenent toont de sympa bereidheid om spruitjes telende niet-acteurs een kans te geven voor een groot publiek, wa wit…

Het massaal toegestroomde publiek (er zijn zo’n 1200 bezoekers, en dat zes keer) wordt gelijk het verhaal ingezogen door irritante Franse jengelmuziek: de anti-Franse toon is dus prettig gezet. De live muziek wordt verzorgd door De Kast en een kopersectie van Wilhelmina, de Kollumer brassband. We horen ‘In neie dei’ en bewerkte ouwe gouwes als ‘Vluchten kan niet meer’ en ‘Ben ik te min’. Het kon minder. En dan die onverstoorbare Friese paarden die flegmatiek, als Friezen op vakantie in Frankrijk, een bijdrage leveren, niet alleen voor de bühne, maar ook over het kerkpaadje galopperend achter het podium. Dit soort franje maakt dat het publiek ogen tekort komt. De scene met Kollumer vrouwen die hitsige madammekes spelen toont aan dat de verraderlijk koele uitstraling van de deernes meer broeierige verlangens verbergt dan voor mogelijk wordt gehouden. 

Een indrukwekkende scene is die waarin spelende kinderen de jonge Salomon wegpesten met discriminerende teksten als Je hoort hier niet, Joden hebben Jezus vermoord, opzouten! waarbij ongetwijfeld subtiel wordt verwezen naar de bepaald onfrisse houding van de Kollumers toen eind vorige eeuw de  moordenaar van Marianne Vaatstra in het asielzoekerscentrum werd gezocht in plaats van in een aanpalend dorp. Wat ik miste voor een evenwicht tussen terechte regionale trots en overdreven chauvinisme was een kat naar de blokkeerfriezen; oog voor je eigen tekortkomingen zou een fraaie extra laag zijn geweest.

(Salomon, het Kollumer oproer; 4 t/m 9 juli 2019; stoel € 31,50; consumptiemunten € 2,50)