De koepel

Veel koepels staan op lome, lege kerken
Of zijn de daken van een nor of lik
Maar echte koepels staan op markten, pleinen
Zo weten jan en alleman en ik

Daar wordt gedanst, gedroomd, gemusiceerd
Getapt, gepraat, gedronken, gejongleerd
Gezoend, gebikt, gelikt, gediscussieerd,
Gecopuleerd, heel soms geürineerd
En vanaf nu, vandaag, gedeclameerd.

De nieuwe koepel op de markt in Emmen
Wordt bruisend, schuimend, centrum van cultuur,
Van fluisterende, hese jongensstemmen
Met in de verte geur van de frituur
Voor zieners, blinden, dansers, clowns, jongleurs
Voor profi’s, semi’s, hele amateurs

Hier arriveerden meer dan twintig sinten
Verdeelden snoepgoed, al te veel cadeaus,
Hier trouwden lesbo’s, homo’s, hetero’s.
Er wordt gezwaaid met lange, luie linten,
Met vaandels, soms drijft er één ‘n oude hoepel.
Kijk nu: riet nieuw, en verf in zachte tinten
Maak dat hij slijt: die mooie,nieuwe KOEPEL

Zuidoost-Drentse Franse goden

De luchtballon blijft rustig verder varen
Wanneer zij Zuidoost-Drenthe hoog passeert;
De piloot, ja zo heet hij echt, opteert
Voor rust en blijft wat glazig naar de wolken staren.

Ver onder hen loopt doodgemoedereerd
Een verre neef van Ellert luid te zingen
Bedwelmd door iets anders dan seringen
Klinkt in de wolken hier zijn stem gesmeerd

Op aarde zien we rare varkens die
stinkend hun best doen om een hond te worden
niets is hier wat het is: een koe die ganzenbordde
de waarheid botst hier met de fantasie

in deze streken wordt op grote schaal
de cannabis sativaplant verbouwd
en al wat leeft en van een blowtje houdt
leeft hier als Franse God: fenomenaal!

Duiven in Noordbarge

De pluimen worden daag’lijks glad gestreken,
Hun vleugels strak, geen veertje in de war.
Ze zijn hier nu al meer dan dertig weken;
Zij: Caspar, Melchior en Balthasar.

Ze voelen zich al thuis en vliegen af en aan
En raken op de tuin niet uitgekeken.
Ze hebben, lijkt het, almaar dingen te bespreken,
Hun stemmen als een bas, tenor, sopraan.

Een Turkse tortel heet Gert-Jan, zijn bijnaam Vier.
Zijn partner is niet meer, ineens verdwenen,
Dit zijn zo van die eco-fenomenen,
Je wenst het niemand toe, noch mens noch dier.

Terwijl Noordbargers zich op schaatsen voorbereiden
Beleven duiven op de til hier gouden tijden.

Vijverbrinkenweg

Als ik mijn ogen sluit zie ik een schone schare
Cherubijnen van de allermooiste soort en kleur;
ze zingen, spelen, morsen wat met etenswaren
die ze juist kochten bij de grotestadstraiteur.

De voorste van de groep schrikt zich een ongeluk
als hij de zuidas van de Vijverbrinkenweg passeert;
zijn hart en trommelvliezen barsten bijkans stuk
bij ’t horen van een knal: een melkbus explodeert.

De hangjeugd juicht en klapt de handen rauw,
maar één van hen bedenkt zich en snelt gauw
naar ’t pas verbouwde Slener MFC, waarna hij,
op zijn opgepimpte Honda teruggekeerd,
het bijna dode engeltje met veel gevoel defibrilleert.

Ik doe mijn ogen open en begin te mijm’ren
over het nut en de moraal van dit verhaal:
daar is het al: wees wakker en vooral heel gis
en zorg dat, zo voor nieuwjaar en na kersemis,
je brommer altijd volgetankt en in topconditie is.

Café Perkaan bij kerst

Met kerst gaan zelfs de wildste sprookjes leven:
Het wordt smoordruk bij het café Perkaan
Waar onderkleren op de kapstok gaan
Serveersters schenken drank en nageslacht
Aan Drentse drinkers met verbeeldingskracht
Ook dit geheim wordt niet graag prijsgegeven:
Met kerst gaan alle sprookjes ooit weer leven
Hier knellen ware tijd en ruimte niet
De herdertjes wachtten er onbespied
Tot het magische kindeke er werd geboren,
In Wezup! Wie wil dat niet horen?!?
Twee eeuwen duren hier maar even:
Met kerst gaan alle sprookjes leven.
Elk jaar wordt de verjaardag weer herdacht
Met glühwein, bal en piek in kleurenpracht
Met Kerst staat Wezup stevig op de kaart
Waarna de drukte langzaamaan bedaart.
Met Kerst komt zelfs het kleinste dorp tot leven
Gelukkig duurt die gekkigheid maar even.

Gedaanteverwisseling aan de Oude Meerdijk

Daar ginds is een manege in de straat,
waar vaak wat knollen worden uitgeladen.
Een paardenstaart kamt op de automaat
Haar forse kameraad, heel vastberaden.

Gedecideerd geeft zij haar vriend de sporen;
Haar zweepje losjes in de linkerhand.
Maar als de vos verrast zijn spieren spant
Slaakt zij een schrille gil en duikt naar voren.

Een uurtje draven in de oefenbak,
Verveeld wat lummelen en rondjes maken;
De juryblikken doen gesprekken staken:
Een onvoldoende zegt het mantelpak.

De paardenstaart wordt minzaam nagestaard;
De toekomst van de vos: een karrepaard.

Sleen

De mooiste Drentse brink, met dertig eiken,
of zelfs nog meer, ik weet het niet precies.
Er is geen dorp dat zich met jou laat vergelijken;
jouw bakker bakt de lekkerste biscuits.

O Sleen, de fraaiste dames draven langs
je straten, stegen, via Pieters Pad;
ik zie ze wuiven, lachen, eersterangs!
en werk weer verder aan mijn tafelblad.

Maar Sleen, al ben je bakermat van Bartje,
al koop je hier nog waterijs per kwartje,
je hebt één nadeel, zeg ik heel riskant;

in dit wonderschone Drentse zandland,
met de allerhoogste spitse toren,
kan men de Friese taal te weinig horen.

Wonderful world

Hun ouders zingen toegewijd van Schweinespeck
en Borstenvieh en houden permanent de dirigent
in ’t oog, als was hij vrouw met zeven borsten in een kermistent;
nooit heb ik zoveel maatgevoel gezien:
Nienke, Geertien, Kim, Josien.

Het liefste eten zij patat met mayonaise
en dromen van de Spice Girls of Tom Cruise
die op hun tienerkamer smult van een tompoes.
Nog eeuwen ver lijkt zeventien:
Nienke, Geertien, Kim, Josien.

Ze fietsen elke dag naar Emmen op en neer,
trotseren hagel, regen, wind en wagensmeer.
Komen de allersterkste meiden echt uit Slien?
Is het dan toch waar misschien?
Nienke, Geertien, Kim, Josien.

Op school lijken hun blonde lokken als van goud,
ze vragen: sir, are you a ladykiller?
Waarop ik zeg: nee, da’s m’n broer, noem mij maar Mr Miller,
en droom weer weg naar de Top tien:
van Nienke, Geertien, Kim, Josien.

Fietstocht

Holsloot per fiets, een lichte wind, de schuwe
zon schijnt mild, een kievit buitelt kopje als
een kind, de juffrouw op het plein ben ik;

de lucht van mest en ingekuilde grassen,
een ver geluid, gebries, gooien mij zeer ver terug
in ‘t diepe van mijn jeugd, immense vlakte tijd

trekt rimpelloze voren naar het nu; ik zie mezelf
als jongen met een pet, ik hoor een lach en zoek;

geluk ligt binnen mijn bereik en ik geniet
een helder hoofd, gedachten zijn weer vrij.

Emmen, geslaagd

Met een nieuwe rugtas vol Franse hunebedstenen op weg:
Angelslo, vanaf de Heckningecamp, begin jaren negentig, je
Aarzelt bij de afslag naar de Heemingeslag, alsof
Ruimte je uitdaagt en influistert, de moskee
Talmt nog bescheiden op een taaie tekentafel:
Eigengereide kantinebakstenen; buurman Ludolf harkt graffiti:
Naadloze, nieuwe banen gras; takken vallen en bloc
En nu, eindelijk later, verorbert Ellert een tosti
Na een kalme, net geen Koreaanse, koningpilsnacht;
Magisterloze dagen tot examens. Nu baskets, volleys, nee
Even geen school meer, maar vrijheid, tijd voor feestje
En vakantie, werken; nu al kiezen voor leven later,
Straks, Life is Life, muziek, droom, voor herinneringen geslaagd.

(N.B. dit gedicht gaat over geslaagden in Emmen, maar speciaal over onze zoons Maarten en Mees, zoals de titel verraadt en de begin- (maar ook eind-) letters van de dertien regels)