Een maand lang 50 kms per dag fietsen

Tim Krabbé: ‘Niet-wielrenners, de leegheid van die levens schokt me.’

Wat levert 30 dagen elke dag vijftig kilometers fietsen mij op? Mijn lijf kan het goed aan, ik voel me superfit en energiek. Wel geef ik toe aan extra rustperioden overdag. ’s Middags slaap ik gemakkelijk ½ – 1 uur en dan ’s nachts nog 8 à 9. Mijn gewicht blijft gelijk, mijn zoet- en vetlust boeten niet in. Niets lekkerder dan ’s avonds een schaaltje doppinda’s (die uit de Lidl zijn de beste), een gestoomde makreel, een blik Oetinger gemengd met een blik Radler; deze mix is in mijn ogen dan geen bier meer.

G. Wells: Elke keer als ik een volwassene op een fiets zie, vrees ik niet langer voor de toekomst van het menselijk ras.’

Aan stoppen gedacht? Nee. De echte inspanning begon op de zondag van de val. De ribben waren een week lang superpijnlijk. Zelfs met 8 paracetamol of 8 aspirines waren een spoorweg oversteken, de laatste 10 centimeter bij gaan liggen of de eerste 10 bij opstaan erg gevoelig. Er is nu eenmaal niets te doen aan gekneusde ribben, behalve rust nemen, maar rust kan je ook een paar dagen uitstellen. Al met al bleef het draaglijk, zodat ik de 1.500 kms in 30 dagen kon afmaken. Stoppen, klagen of een huisarts die niets met bewegen heeft en enkel vraagt: wat wil je zelf, bezoeken is een keuze.

Ron Weleters (filosoof): ‘Een streng dieet van noeste ascetische arbeid baart meer weerstand en duurzame levenskunst. Vooral ook als je er alleen op uittrekt en vol in de wind moet fietsen. Lang leve de solitaire duursporter.’

Tegenzin had ik eigenlijk niet, nooit. Verveelde ik me onder het fietsen dan schreef ik in gedachten. Mijn wekelijkse Klaastaalteksten, een nieuwjaarskaarttekst, een column voor het Ploeg-magazine, recensies voor Roet en een gelegenheidstekst als een In Memoriam. Mijn denkschrijflust ging zelfs zo ver dat ik bij thuiskomst aan vrouw I meldde een I M voor iemand klaar te hebben en dat zij opmerkte: ‘Maar die leeft toch nog?’

Ron Welters: ‘Wie veel traint is geneigd oppervlakkig hedonistisch consumentisme in te ruilen voor een bewustere, betere omgang met planeet aarde.’

Op de fiets in de frisse lucht wat nadenken doet een mens goed. Bijvoorbeeld over hoe een euthanasieverklaring geformuleerd dient te worden, wanneer de dahlia’s eruit moeten, de laatstewilpil, in hoeverre ik megalomane projectontwikkelaars de voet dwars wil zetten, de uitspraak van Joost Prinsen dat rouwen een vorm van zelfmedelijden is, hoe Nedersaksisch in Noordoost-Friesland neerstreek, de vraag of een dementerende in een verpleeghuis jaren en jaren te (laten) verzorgen een vorm van narcisme, goedertierenheid, egoïsme, menslievende hulp of een mengvorm, egoïstisch altruïsme, is.

Owen Wijndal (speler AZ): ‘Als je lekker in je vel zit is het juist leuk om veel te voetballen (= fietsen).’ 

De dertigste fietsdag is het bitter koud en de wind bijt in mijn wangen als in 1979 Svetlana in mijn tongpunt toen ze me voor de leuke lessen bedankte. Met een goed gevoel beëindig ik mijn fietstaak en overdenk wat 100 kms per dag zou doen met het lijf van een 65-jarige in 2021??

Fietsdagboek weken III en IV; 50 kms/dag

Na week drie denk ik: nog negen keer. Zoals een autospuiter na laag op laag wegschuren ziet dat je drie jaar geleden een oranje paal hebt geraakt, voelt de fysio na ongenadig in je billen te hebben geduwd, zoekend naar ‘trigger points’ die je met dry-needles te lijf kan gaan, dat je een jaar geleden een smak hebt gemaakt. Nog steeds voelen de bovenbenen soms superstrak en is een schram op mijn rechterbil via een gevoeligheidje, een bultje, een schraal plekje, een bobbeltje, een rood richeltje, een wondje geworden dat extra verzorging behoeft. Strak afplakken met een blaarpleister helpt tot nu toe.

Ik zit aan het eind van week drie nog steeds op een gemiddelde van 50,33 kms/dag. De wind wordt steviger, de temperatuur daalt, en de sleur komt binnen. Kou en regen vallen mee.

Op zondag slaan noodlotten toe. Bij Veenoord landt een ambulancehelicopter op de weg naast drie politieauto’s, een brandweerwagen, een over de kop geslagen auto, een onthutste chauffeuse en twaalf brandweerlieden. Die redden het wel zonder mij. Een half uur later twijfel ik tussen afslaan naar Barger Oosterveld of even rechtdoor richting Foxel. De zon schijnt mild, de wind is schraal, een groep ganzen vliegt in een immense V en het wordt Foxel. Ik befiets een betonnen fietspad aan het Verlengde Scholtenskanaal Oostzijde. Het lijkt alsof het beton is gevlinderd, maar de gevolgen daarvan besef ik te laat. Het fietspad gaat bij een bocht omhoog en buigt af naar rechts. Mijn snelheid is 22 kms/uur. Ik hoor een auto, een gepimpte Opel Manta uit 1978 geloof ik, oranje, met uitschuifbare antenne, achter mij snel naderen en ik besluit geheel tegen mijn gewoonte te remmen en te stoppen en de Manta te groeten. Gevlinderd beton is spekglad. Onheil ligt op de loer als Dobermannen achter erfhekken. Maar nog heb ik niets door. Naar lucht happend lig ik ineens tussen twee witte strepen. Midden op de weg. Ik schreeuw als een aangereden hert. De auto is afgeslagen. Het ligstuur duwt mijn rechterlong plat terwijl de ribben dat proberen tegen te gaan als klaarovers naderend vrachtverkeer. Ik blijf even liggen. Niets gebroken, maar overal pijntjes. Heup, knie, ribben, linkerpols en rechterhandpalm. Ik vloek hartgrondig. Ik realiseer me dat je dus wel in je eentje vloekt en schreeuwt terwijl je voor klaaglijk zuchten en huilen toeschouwers nodig hebt, tenminste als je psychologisch onderzoek kan geloven. De Sensa Sella Evo Ltd is nog in orde. Schijfremmen, trapas, derailleur, stuur: neatniksnadaniente. Ik breek mijn route af en ga op huis aan. Onderweg vallen de pijntjes mee. Thuis til ik met moeite mijn Sensa op en hang haar aan de standaard voor een visuele inspectie. Wat lakschade aan de stang. Verder niets. ’s Middags nog onbekommerd gewandeld met familie. Acht uur na de val, FC Emmen begint net tegen AZ, ontspannen mijn spieren en spelen de gekwetste ribben op als verlate protesten tegen Baudet. Twee keer twee paracetamol doen niets.

Maandagmorgen overdenk ik mijn challenge: een maand lang 50 kms per dag wordt lastig. Maar de veertig, het oorspronkelijke doel, is bereikbaar. Twee Bayer aspirines geven wel verlichting. Als proef fiets ik een stukske met vrouw I en als ik mijn rechterlong niet gebruik gaat het goed. Nu begint mijn uitdaging pas realiseer ik me.

Op dinsdag fiets ik puur op beenkracht en laat de longen thuis. De kou fungeert als een grote tie-wrap om mijn borst. Als ik bij onregelmatigheden in de weg op tijd op de trappers ga staan, voel ik weinig. Kalm en puur op souplesse doe ik 69 kms in 2.55 uur. Nog zes dagen te gaan. woensdag en donderdag zijn moeilijk. De gekneusde ribben voelen als de metalen tanden van een bladhark die over elkaar heen knarsen. Fietsen blijft nog mogelijk, nu met 22 km/u en dagelijks 8 aspirines. Bij strakke sokken aan- of uittrekken en opstaan krijg ik hulp van vrouw I die voor een verdubbeling van het kleedbudget alles wel wil doen. Op bed gaan liggen en de eerste vijf minuten van opstaan doen de hele week gemeen pijn.

Fietsdagboek II flirten bij een rouwdienst

De tweede week gaat in: dagelijks 50 kms. Na veertien dagen zit ik op 701 kms. Mijn benen, de Giant en de Sensa stribbelen niet tegen. Als priesters, rabbijnen en dominees koester ik mijn rituelen, maar ik prevel er minder bij en ik ben voor religievrij onderwijs. Vooraf check ik de bandenspanning: altijd een halve bar onder de max. Na thuiskomst poets ik de fiets, smeer de ketting en vertroetel de beenspieren in bad; ik buig, rek, strek als een yoga-instucteur in een vrouwenuurtje.

Voor het eerst wordt het kouder en mistig. Mijn bril is als het zicht van Baudet: troebel. Ik doe 52, 53, 43, 52, 72, 19 en 55. Mijn bidon laat ik thuis. Voor een tweeuursrondje hoef ik niet een pond water mee te nemen. Startte ik vroeger als een Jillertanemaïst uptempo, nu bouw ik de vaart op. Ik heb er een bloedhekel aan te worden ingehaald. Na een kilometer of vijf ben ik op temperatuur en lig (op de Sensa) of hang (op de Giant) lekker in de beugels en laat mijn gedachten vieren.

Op donderdag denk ik: waarom doe ik dit. De wind maakt het zwaar en net vandaag wil ik 70-plus doen. In mijn rechterknie voel ik een pijntje, mijn onderrug kraakt als een droge scharnier en mijn beenspieren zijn strakke vislijnen. Mijn hoofd zegt: gaan. Vragen poppen up: waarom meisjesbesnijdenissen wel en die van jongens niet verboden zijn. Waarom in de gouden Ruttejaren (’15 – ’18) met stagnerende lonen, exploderende winsten met economische groei van 2 – 2,9 % meer dan de helft van de Nederlandse bedrijven in de rode cijfers zat, waarom slaapcentra in ziekenhuizen voor mensen met apneu nu ‘twijfelachtige zorg’ worden genoemd. Net geen ‘onzinnige zorg’ (dat bestaat ook, zorg die geen zin heeft), maar het scheelt niet veel. Misschien dat lichte apneu de kant van hyperventilatie opgaat. Waarom zijn er zo weinig plattelanders met een zerowastemindset?

Terwijl ik op maandag langs het Amsterdamsche Veld schicht richting Oosteindische Landen of op dinsdag via Barnflair naar Burgemeester Bensdorp, op woensdag langs Boermastreek en Kakenbroeken, op donderdag van Schimmelarij langs Sombroeken, Katshaar en Pikveld, denk ik terug aan een recent bezochte rouwdienst waarbij ik met een sexy kosteres flirtte, of meende te flirten, tot ik doorkreeg dat haar geknipoog niet voor mij maar voor de regisseur was bedoeld. Zij was van mijn leeftijd, wellicht iets jonger. Ik ben niet een man die alleen naar jonge vrouwen kijkt. Ze had roodgestifte lippen en prachtig gelakte nagels, met zo’n laagje gel dat onder een lamp wordt aangebracht en dan, naar de nagelranden uitlopend, uithardt en er een verdikt laagje op achterlaat dat wekenlang meegaat, zoals je soms de restanten van een druppel vette olie op een derailleuronderdeel ziet of een druppel koel glazuur op een warme pas gebakken cake. Deze lippen/nagel-combi wordt best gedragen door een vrouw die weet wat ze doet. Net als ik mijn fantasie de vrije loop wil laten, ik fantaseer dat zij in het schemerige kerkhalletje onder het klokluiderstouw na de rouwdienst met die nagels, vlijmscherp hoop ik, als Thaise curry, over mijn rug en staalharde bovenbenen krast en rode streepjes tekent als de scheermesjes van de zichzelf snijdende hoofdpersoon Jude St Frances (uit ‘Een klein leven’ van Hanya Yanagihara); (als deze auteur de helft van de 750 pagina’s had gedeletet zou ik zeggen: lees dit boek!), net op dat cruciale moment zie ik achter mij die verrekte regisseur, een hork, die, geheel aan mijn lust tot flirten in een godshuis voorbijgaand, de dienst opneemt en de geheime tekens van de kosteres interpreteert.

Op vrijdag freewheel ik wat op de Gazelle en bezoek een fysiotherapeut die mijn triggerpoints in de benen kalmeert met dry-needles en op zaterdag recht ik mijn rug nabij Vlieghuis en Katshaar en schud mijn armen en schouders los.

Fietsdagboek I 30 dagen 40 km

‘Het smelt’ van Lize Spit, schiet me tussen De Krim en Steenwijksmoer te binnen als ik me afvraag welk boek iets weg heeft van Marieke Lucas Rijnevelds ‘De avond is ongemak’. Schitterende boeken, allebei van vrouwen. Een fysiek experiment fietst mijn denkwereld binnen. Wat gebeurt er met je lijf en geest als je elke dag minimaal veertig kilometer in een pittig tempo fietst in plaats van de gebruikelijke 25? Als je een gemakkelijke vrouw hebt, geen bewerkelijke familie, zelfstandige kinderen, geen facebook, kleinkinderen of neuroses en je geen t.v.-verslaafde bent en je niet per se Ilja Leonard Pfeijffers Grand Hotel Europa wilt lezen dan houd je in coronatijd al snel tijd over.  Houd je het vol of niet, val je af, gaat fietsen tegenstaan of niet? Dat soort vragen en meer interesseren me. Ik begin op 1 november. De eerste week fiets ik respectievelijk 53, 50, 40, 41,4, 43,6, 77,2 en 49 per dag. Op de vijfde dag denk ik: het gaat supergoed, wind en vermoeidheid hebben net zo weinig vat op me als redelijkheid op Baudet of Trump. Dit, dat het op dag vijf supergoed gaat, leidt tot een kleine ambitiebijstelling op dag 6: ruim 77 kms. Het gemiddelde springt gelijk tot boven de 50 p/d.

Fietsen biedt gelegenheid tot denken en jezelf vragen stellen. Waarom mis ik mijn al drie weken verdwenen doffers meer dan de vorige week overleden oom? Zou Hanya Yanagihara’s boek ‘Een klein leven’ met 750 pagina’s beter zijn geworden met een strakke redacteur? Wat houdt een studie theologie eigenlijk in, kun je als bijvak klankschaalleer doen en studeren imams ook theologie? Waarom wordt er nog maar zo weinig gehyperventileerd en waarom zou een projectontwikkelaar een kleine dorpskern naar de Filistijnen willen helpen door 12 villa’s te bouwen terwijl tien villa’s naast acht tiny houses of een knarrenhofje op dezelfde oppervlakte een even groot financieel voordeel zou kunnen opleveren en daarnaast lof en eer van de denkende mens?

Mijn racefiets, een zwarte Giant TCR Advanced 2, met een composiet frame, instapmodel 2021 met een Shimanogroep is mijn eerste racefiets die ik op mijn lijf heb laten aanmeten, als Pistorius indertijd zijn blades. Hij kost het equivalent van een half jaar een pakje Marlboro per dag roken. Fiets en lichaam smelten tot één als Amerika en Afrika ooit één continent Pangea vormden. De Giant en ik voelen elkaar aan als een symbiotisch echtpaar dat elkaars haar knipt en één e-mailadres deelt; we zitten vaak op gemiddeld 26,6 (doorsnee) tot 29,8 (topspeed).

Naast een racefiets heb ik een Gazelle bredebandenfiets, een Orange C8 H65 Black T8 met een supermooie voorlamp die als extra twee laterale strepen licht biedt en een atb Sensa Sella evo LTD. Dit is een zware jongen, met ligstuur 17,5 kg. De gemiddelde fietspadsnelheid is ongeveer 26 km/u en dat is gek genoeg maar net onder het Giantgemiddelde.

Op de eerste dag ben ik 1.87 cm en 76,7 kg. Ik slaap per nacht 8,5 à 9 uur en overdag nog een half uur.  Mijn alcoholgebruik is matig, in het weekend dagelijks 1 blikje Radler en 1 blikje Oettinger. Daarnaast eet ik dagelijks zeker 5 stuks fruit, begin ik de dag met drie koffie en muesli met Turkse yoghurt, lunch met melk en brood, en dineer met veel groente, weinig vlees, pasta/rijst/patatten en als snacks doppinda’s en kaas.

Na één week: huh? ik ben een kg zwaarder, de fietszin lijdt niet onder de extra inspanning, mijn onderrug is gevoelig en m’n bovenbenen, zo hard dat ik er met gemak schroeven mee in gipsplaten kan duwen <ik oefen nog met spaanplaten en halfuitgehard beton>, zijn wat gespannen; schrijf-, lees-, werk-, eetlust en libido, een woord dat fietsverkopers nooit gebruiken als ze mannencomfortzadels verkopen, zijn onverminderd. Op naar de tweede week en een sportmasseur of trilplaat?

Winterfiets Elfstedentocht 12 en laatste

Week 6

Het is volbracht, we hebben de 205 kms afgelegd in bijna 10 fietsuren, 8 regenuren, ½ strakkewinduur op een dag van 03.45 – 23.30 uur. Van de 1.200 deelnemers waren wij ongeveer de enigen op een atb. Eigenlijk viel de tocht mee en dat komt door het uitblijven van harde tegenwind en gemene kou; desalniettemin zijn 200 deelnemers onderweg afgehaakt. Weervoorspellers zaten er naast als een over het klimaat twitterende Baudet. In de Elfstedenhal heb ik, als enige, lekker en uit volle borst mee kunnen zingen met het Fryske Folksliet, op de trompettonen naast Wennemars. Dan voel ik me Frieser dan Fries, als een Turk in Almere.

Tussen IJlst en Sloten spreek ik Kemal uit Turkije en Jan uit Berlikum op een Batavus met ligstuur. Op mijn standaardvraag aan Kemal en alle Turken die ik waar dan ook ontmoet of hij een Gülenist is of een AK-partijaanhanger, relativeert hij mijn tunnelblik door ‘geen van beide’ te antwoorden. Hij is een Koerd en zowel Gülen als Erdogan hebben de Koerden slecht behandeld. In Bolsward zie ik een verpleegster die later gewoon echtgenote blijkt te zijn die een senior fietser een droge kous aantrekt terwijl ze zijn schonkige, lijkwitte en blauwdooraderde knieën masseert. Buiten vraagt ze hem liefdevol: ‘Moet het eten links in je fietstas en het drinken ernaast of omgekeerd?’ Op de groepsapp lees ik dat er een fietser onderweg een acute hartstilstand heeft gekregen en in kritieke toestand naar een ziekenhuis is gejakkerd. Ik hoop dat het de kousenman niet is.

Ondanks de zes lagen kleding over mijn torso krijg ik een koude buik. Mijn benen doen het, met slechts één kledinglaagje goed. Vanaf Stavoren hebben we ruggensteun van de wind als boeren met een opkoopregeling, asbestsaneringssubsidie, verduurzamingsgelden, of de reguliere EU-miljarden. De  verwarmde wanten lopen vol water als lekkende kruipruimtes en ik krijg ze moeilijk uit en aan; kristusziele, elektrocutie zal met lithiumbatterijen toch niet zo’n vaart lopen? Een EHBO’ster in Stiens ziet me worstelen en tovert mijn knipkaart behendig tevoorschijn als een Lidl-kassière de portemonnee van een kind en vraagt of ze mijn jack op de cv zal leggen. Later komt ze een praatje maken en checkt, vanwege mijn gestuntel of is het gewoon professionele liefde op het eerste gezicht? of ik niet onderkoeld ben. Ik wil haar kussen. Haar bezorgdheid is weldadig.

In Dokkum, bijna mijn hometown natuurlijk, zitten er in de Posthoorn meer dan zes bevroren medewerkers achter een eiken tafel als Stalinistische gerechtsdeurwaarders in Omsk. Eén wil wel even een knipje in mijn kaart doen. De 12 kms van Dokkum naar Aldtsjerk zijn de ergste. De bepijling hapert, amper straatverlichting en waar ze zijn doet de helft het niet. Dat is de schuld van die verrekte Farmers Defence Force-boeren denk ik zeker te weten totdat ik sleuven zie waar Rinsumageester sleuvengravers glasvezelkabels hebben toegedekt en aangestampt als Turken Armeense genocideverhalen of plattelandsburgemeesters door rekenkamers onthuld financieel wanbeheer.

Frans, door vermoeidheid openhartig als een gewaterboarde Guantanamo Bay-inmate, bekent dat hij de melodie van het Friese Volkslied hoog op het repertoire wil zetten van een nog op te richten amateurensemble van fagot- en hobotoeteraars. Dan nog het laatste stempel en een, sorry, superlelijk, kruisje in de Blokhuispoort, het lekkerst denkbare familiebier en op naar de parkeergarage waar ik de schuurplekjes in mijn schaamstreek bestudeer in de alles vergrotende spiegel van een Tesla in aangenaam t.l.-licht.Onderweg naar huis neurie ik de melodie van

Frysk bloed tsjoch op! Wol no ris brûze en siede,
En bûnzje troch ús ieren om!
Flean op! Wy sjonge it bêste lân fan d’ierde,
It Fryske lân fol eare en rom.

Winterfiets Elfstedentocht 11

Week 5

Nog even een openneertje naar Gramsbergen en wij denken dat we klaar zijn voor de winterse elfstedentocht. We bestuderen weersontwikkelingen als virologen het coronavirus. Soms krijgen we een knoop in de maag, maar paniek en angst leggen het af tegen enthousiasme en de wil mee te doen. Deze week wordt er een van middagdutjes, luisteren naar muziek van The Royal Wind Music, een bezoekje aan de fysio, pastapestomaaltijden, beetje schrijven, dagelijks kip en rodebietensap. Ik lees De Vlucht van Carrasco en Camino van Simsion en Buist. Waar komt een vluchtende eenling uit en waarom willen mensen 1.100 km wandelen naar Santiago de Compostella? Of, mijmer ik, meedoen aan een koor van 1.000 man dat gaat concerteren in het Concertgebouw of Albinoni op hobo leren spelen? Ik leg het aan Frans voor, maar beiden vinden we psychologiseren meer iets voor zorgzoekers dan voor fietsers. Ik blijf fietsend nadenken. Waarom gaan ruiters niet massaal over op hoefschoenen en bitloos mennen? Waarom wordt er bij de OZB niet secuurder naar marktwaarde gekeken? waarom blijft bij weldenkend Nederland AH de winkel van de plofkipliefhebbers en de nicotinelobby en de ABN de bank van de zwartgeldmachinerie? Waarom gaat Rutte bij de herdenking van oorlogsslachtoffers een keppeltje dragen? Wat betekent windkracht W 4 of W 5 in Friesland? Het land is uitgestrekt als de Drentse weerzin tegen nee-zeggen en vlak als de hersenen van PSV-hooligans die menen dat trainers wisselen helpt tegen verliezen. Op zich is de geest van Grutte Pier aan wie de heldhaftige woorden ‘Leaver deas as slaef’ kleven als wagensmeer aan fietskettingen, die door Zuidoost-Friesland waait als de winnaarsmentaliteit door het stadion van FC Emmen, voldoende voor ons. Wy sille sjen, fergeemje!

Winterfiets Elfstedentocht 10

Week 4

Dat DWDD-sidekick Erben Wennemars, die van ledigheid i.c. terugblikken op en praatjesmaken over de alleen in Nederland serieus beoefende schaatssport zijn werk heeft gemaakt, meefietst zegt me niks. Net zolang wachten met inschrijven totdat je op Buienradar ziet dat je pielemuis er waarschijnlijk niet af zal vriezen is een heldendaad als bungeejumpen in een boulderhal. Vandaag gaan we noordwaarts, richting Groningse steppen en permafrost, tegen de wind in. Namen als Mussel- en Stadskanaal hebben een aantrekkingskracht op ons als vette opkoopregelingen op varkensboeren. Onze bovenbenen, inmiddels cilinderzuigers uit een antieke sleep- of duwboot, willen weerstand voelen, druk en pressie als registeraccountants die boekencontrole doen bij makelaars en legeschuurverhuurders in Brabant. Het plan is 80 kms relaxed fietsen. Het klinkt als een contradictio in terminis, maar wij weten beter. Na de slopende heenreis zullen we halverwege een matig windje in de rug voelen die ons huiswaarts zal stuwen en duwen als vrouwenhanden mannenruggen bij de ingang van zwangerschapsgymnastiek. De vermoede tegenkrachten voeden ons, maken ons sterk. We gaan elkaar aankijken en om het hardst roepen: “Godver, wat lekker, hier doen we het voor.” Adrenaline en endorfine zullen onze aderen doorspuiten en opschonen als vegers schoorstenen en onze knieën en kuiten zullen aanspannen en ontspannen als sluitspieren van zenuwachtige kickboksers op evenemententoiletten zonder slot op de deur. We hebben er zin in en kijken uit naar twee februari als hazewindhonden naar konijnen. We zijn nog geen vijf minuten weg of de vloer van de Siebrandsbrug haalt ons onderuit als klimaatontkenners discussianten met zinnige argumenten. Een uur pauzeren dicteert Frans. En weer is hij de verstandigste. Dan Buinerveen: 72 kms, gefietst op bolle weggetjes, onder regenbogen en even schitterende als overbodige, dreigende zwerken, indachtig Zoetemelks motto: de tour winnen doe je in bed. Uitgerust komen we thuis. Op zaterdag heeft Frans wat anders te doen, hij oefent hobo voor een gastrol bij het NNO. Ik ben erg gemotiveerd en wil zien wat mijn lijf doet bij een wat langere afstand. Ik rond Hasselt en Zwartsluis en weersta tien x de verleiding vroegtijdig af te buigen naar Meppel.  Mijn lijf accepteert deze extra inspanning als agenten overwerken om Farmers for Defence binnen de lijnen te houden. Op het eind van de tocht sijpelt moeheid langzaam en bijna ongemerkt naar binnen als condens tussen twee lagen glas in een geïsoleerd raam. Ik finish na 160 kms in 7 fietsuren met 2 pauzes. Janke Lysbert benoem ik, zeker voor een jaar, misschien wel langer tot allerliefste nicht omdat ze aanbiedt in Leeuwarden pannenkoekjes te komen brengen. Week 4: 72 + 160 = 232 kms.

Winterfiets Elfstedentocht 9

Week 3

Als ik deze week wakker word van een vlagerige harde wind die om het huis jankt als een wolvenkind op zoek naar een moedertepel of scharrelschapenbloed met ecokeurmerk, lijkt mij finishen op 2 februari verder weg dan introductie van het homohuwelijk onder priesters of een genderneutrale CDA-fractieleidster. Ik leg me er deemoediglijk bij neer en vlucht in dromen en fantasieën en de veertiendaagse voorspelling van Buienradar die over twee weken 7⁰ en windkracht W 4 voorspelt. Misschien moet ik mijn ambitie bijstellen van ‘juichend over de eindstreep komen’ naar, eeh, ‘gewoon meedoen en maar kijken waar het schip strandt’. Afgelopen zondag met Frans in Coevorden was een betonrichel naast het fietspad al te hoog voor mijn bijgestelde ambitie en reactievermogen. Godver! Vertelt Frans, pillendraaier, zanger, hoboïst, echtgenoot, racefietser, net over een ingewikkelde hobodag op één februari, sommige mensen doen ook echt alles, flikkeren we op de grond. Een ruwe val op de betonklinkers herinnert me aan onze sterfelijkheid. Zo’n 120 jaar aan man verpakt in zo’n 160 kilo’s ligt uitgeteld in twee delen op de koude grond luisterend zich af te vragen waaraan Coevorden de duizenden kraaien op de elektriciteitslijnen te danken heeft. Even houd ik mijn ogen gesloten en ga alle vijf vitale lijfonderdelen langs. Dan is het tijd voor flarden Hitchcock, Coevordense kofferbakmoorden, Armageddon, ganzenhoedsters, de symboliek van een aangekoekt randje op een ketchupfles als symbool van vergankelijkheid in de hedendaagse beeldende kunst, organiste Zhukova en haar bloedstollende rode dress; mijn breinflitsen maken overuren. Een onbewust tot in de puntjes beheerste valtechniek, een ijzeren conditie en het rotsvaste gevoel dat Lieve Heren evenmin bestaan als royals met een fatsoenlijke belastingmoraal houden ons en beide fietsen schadevrij. Nulnadanienteneat mankeert ons vieren! Fluitend en om de vijf minuten hondsgelukkig terugblikkend op dit ‘Mirakel van Coevern’ <binnenkort in theater de Hofpoort> ronden we Slagharen, Hoogeveen en Westerbork. Na 93 kms volgt een blauweplekkenonderzoek in warm badwater. Verlangend kijk ik uit naar een rustweekje: beetje mantelzorgen, Spaans studeren, tuin opknappen en Buienradar volgen. Zuidoost-Drenthe: 93 kms. Naschrift: breaking njewzz: vandaag, 19/1, weer onderuit, nu op Siebrandsbrug Emmen. De kunststof planken, gevoerd met dwarse snorretjes die er stroef uitzien, trokken aan ons als Citrixgaten aan Poetineske hackers. We moeten in 2 weken tijd onze naïeve argeloosheid zien kwijt te raken.

Winterfiets Elfstedentocht 8

Week 2

Op de fiets waaieren mijn gedachten uit als vrouwenharen onder een föhn. Hoe komt het toch dat veel plattelandsburgemeesters langetermijnvisieloos zijn en slappe knieën hebben? Na enkele uren fietsen weet ik het. Dat mantelzorgen voor een leuke vrouw veel lichter is dan lange fietstochten maken, houd ik nog even voor me. Afzien met tegenwind en slagregens is zoveel inspannender dan stofzuigen, koken, stilzijn bij middagslaapjes, jezelf wat wegcijferen en theezetten voor vriendinnen. Normaal gesproken ben ik hondstrouw: mijn krant heb ik al 46 jaar, mijn tweelingbroer 64 en mijn vrouw 42. Wat fietsenmakerstrouw betreft ben ik een hoerenloper; ik bekijk de etalages en vergelijk. Ik ken ze allemaal: Roosken in Erica, Janszen in Noord-Sleen, Egberts in Borger, Zanting in New Amsterdam, en in MM: Zwiers op het industrieterrein, Holleman van Fietsen voor Jou, Klaas-Jan Terwisga voor mijn Gazelle en voor Inges e-bike de Wheelerdealer. De aanpak verschilt. Ze preken voor eigen parochies als dominees van 67 verschillende kerksoorten met hun eigen verzonnen goden en waarheden. Waar wel een lijn in zit: ze zien mijn afgetrapte Bulls nog niet of er moet een nieuwe ketting, stuurpen of cassette op en er is altijd wel een asje versleten en een fietsbroek van acht jaar, ja die kan ook echt niet meer hè. Onder de € 250,- uitkomen is net zo lastig als gemiddeld boven de 30 rijden op de atb. Alle fietsenmakers zijn aardige pikken. Ik word getriggerd door hun deskundigheid, praatjesmakerij, fietservaring en goedkoopte. Maar nooit door de overal aanwezige grootbeeldschermen met fietsers in de Ardennen die met ultragladde kuiten en wapperende lokken voor € 2.900,- aan kleertjes showen en zweetvrij colletjes pakken. Waar blijven de werkplaatsvrouwen? Goede adviezen genoeg. Ook over voeding. Een rijwielhersteller zei: “Maar dan neem je halverwege toch even de tijd voor een lekkere uitsmijter,” en dat was voor mij als zalf op een wonde. Onder fietsers is ‘een gelletje pakken’ net zo gewoon als ‘vrijheid blijheid’ voor liberalen op het jaarcongres en gedegen toekomstvisies voor durfpolitici als Jesse K. Als vuurwerk in ruim plastic verpakte gelletjes en sportsupplementen lijken me beter voor fabrikanten en doorverkopers dan voor spieren. Hoe doen de groten der aarde het met voedsel? ‘Mathieu van der Poel (dixit De Volkskrant) stond niet echt bekend als iemand die er een gebalanceerd dieet op nahield. Zijn ontbijt: twee witte pistoletjes, één met jam en één met ei. Drie uur voor de wedstrijd: pasta met ham en kaas en een flinke scheut ketchup. Na de koers een koffiekoek en een wentelteefje. En als dagafsluiting: een bak friet met ketchup, saté en een worst.’ Dat hij later in de supplementenbizniz is gegaan, zijn bedrijf is gebaseerd op de nutrigenomica, past in het beeld van de economistische sporter voor wie het geweten ook een verdienmodel is en rekbaar als opvattingen over knalvuurwerk, zwart en roetvegen. ‘Navraag,’ nog steeds de VK, ‘leert dat de wetenschappelijke basis van het bedrijf ‘wankel’ is.’ Zonder krentenbollen, bananen en Twixen was mijn dieet als pijnbestrijding zonder aspirine, als Tesla’s zonder accu, als vrouw zonder föhn.

Terug naar de Winterfiets Elfstedentocht. Vanaf nu is het trainingsdoel niet het lijf maar de geest. Die wil ik laten wennen aan succestochten. De mentale hardeschijf resetten door hem te verwennen. Dus fietsen met als doel superfit aan te komen en het idee te hebben de hele dag zonder inspanning door te kunnen trappen. Dus vanaf heden meer Harmonia en minder Ares en na afloop spinnenwebben ragen, de douche voorverwarmen, tijdschriften klaarleggen, slopen strijken en nooit vergeten te zeggen dat ondanks alles het haar goed zit. Ellertsveldroute: 55 kms.

Winterfiets Elfstedentocht 7

Week 1

(olieverfschilderij van Ineke Stevens-Tijdeman)

Even terugblikken: in 2019 fietste ik 60% meer dan in 2018; met zo’n percentage versla ik met gemak de statistieken van illegale vuurwerkverkopen, alle ASN-beleggingsfondsen en zelfs de AEX, maar de statistieken over de teruggang van de weidevogels haal ik natuurlijk niet. Ik houd de veertiendaagse weersvoorspellingen in de gaten als senioren pensioenontwikkelingen, akkerbouwers subsidiestromen en junioren hun facebookaccount. Tot half januari wordt amper nachtvorst voorspeld. Dat is good njewzz en zou betekenen dat de rode racer Bulls Desert Falcon de voorkeur krijgt boven de witte Copperhead. Dat zou mooi wezen. Deze week komt van fietsen niet veel helaas. Slechts 1 x: Coevorden / De Krim / Slagharen / Hoogeveen / Westerbork / Assen / Grolloo / Borger: 125 kms in 5.20. Het stuk van Hoogeveen naar Westerbork doorsnijdt Drenthe als een bot mes brokkelige, oude Friese kaas. Je kan het natuurlijk niet vergelijken met Workum Harlingen waar de elementen woest en redeloos tekeer (kunnen) gaan als vuurpijlen in Duindorp, als brave boeren voor provinciehuizen.

Nu ben ik klaar met de voorbereidingen, denk ik, hoewel onzekerheid blijft knagen als een ratje aan duivenvoerverpakkingen. Nooit heb ik meer last van mijn zitvlak of gevoelige liezen: die zijn na de geïntensiveerde trainingsarbeid als gelooid leer van een Portugese visser die in een string de zonnige baren bevaart. Ik rijd nu met nieuwe schoenen, een soort Langlauf Schuhe die de tenen iets meer bewegingsvrijheid geven. Het eerste stuk vanmorgen had ik (lichte) wind tegen. Een paardenstaart op blote voeten in sneakers en op een e-bike, blijkens de jasopdruk werkend bij Leisure Resort Slagharen, houdt me van De Krim tot Slagharen uit de wind. Mijn daggemiddelde klimt tussen 07.00 en 12.00 uur  langzaam maar zeker van 20, 21, 22 naar een dikke 23. Ik denk aan Bram Tankink, over wie ik las in Tank afgelopen oudejaarsdag op weg naar televisie- knalvuurwerk- en oliebolvrij Antwerpen. Tank (geschreven door Blijlevens en Tankink) is een heel ander boek dan Cruijff (door Auke Kok). In Tank wordt Tankinks leven en sport beschreven en omdat Tankink in zijn wielercarrière weinig won (zelfs Emmens Gouden Pijl niet), is het een prettig leesbaar boek geworden, over een gewoon mens. Zowel in pelotons, families en scholen, denk ik, zijn uitvallers, brekebenen, middenmoters, verstotenen, knechten en gevallenen, vaak interessanter dan kopmannen en winnaars. Nog drie trainingsweken te gaan, maar eerst maar eens een weekje fietsen inruilen voor liefdevol mantelzorgen.