Beste Pieter Omtzigt

Als je door verwilderde,

Valse, schoot- trek-

Of straathonden,

Ik sla het woord christenhond

Opzettelijk, met moeite over,

Van die asielblijvers

Die iedereen voorbij loopt

Vanwege ontspoord,

Agressief bijtgedrag,

Schurft, luizen in hun kale pelzen,

Stinkende bekken,

Rottend tandvlees,

Verwaarloosde aarsmaden,

Ontstoken anaalklieren,

Je kent ze wel, opstaand tegen

Beprikkeldrade hekken;

Uit dezelfde gore bakken vretend

En daarmee hun christelijke

Waarden beschermend,

Wordt besnuffeld, gekend

En uit zogenaamde

Partijliefde teringhond

genoemd,

terwijl je je stinkende

maatschappelijke best

doet voor in de steek gelatenen,

gewone medemensen,

reken dan gerust op

mijn stem.

dierenouders

dankzij de partij voor de dieren worden er straks geen pasgeboren beestjes verminkt, besneden, ongevraagd gedoopt, geen pubermeiden uitgehuwelijkt aan ongewassen oude contactgestoorde genocide ontkennende snorremansen, geen miljoenen haantjes, stiertjes, bokjes geshredderd alleen maar omdat het mannetjes zijn, doen dieren niet aan sexting, behalve kleine snotaapjes die voor 17 doezoe hun piemeltje mogen laten zien, worden dieren niet op jonge leeftijd wreed gescheiden omdat hun ouders een witte school hebben uitgezocht die al vroeg begint met het oefenen van CITO-toetsen, raken ze niet verslaafd aan crystal meth, behalve fabrieksdieren aan antibiotica verstrekt door dierenartsen die de perverse prikkel van stuksvergoeding per inenting niet konden weerstaan, mogen dieren niet roken, worden meisjesdieren niet nageroepen of aangerand of overkomt hun in verlaten parken wat voor woorden, voor poëzie te erg is, als ik goed kijk naar dierouders en me in hen verplaats, hun uiterste natuurlijkheid registrerend als een seismometer voetstappen van zware noorderlingen of het KIFID ABN-fraudestrapatsen

foto: Paul Barelds

ontroeren ze me & word ik zacht als dons, week-

warm als gesmolten kaarsvet en zie de argeloosheid

van de jonge dierouders afvallen als gevelplaten

van universiteiten, als je goed kijkt en je oude hart

mee laat voelen en je terugreist naar vroege tijden

onder lagen fotoboeken, stenen, stof, herinneringen

vol hiaten, zie je je breekbare zelf, je heit, je mem,

die je leren leven en vrij laten en veel later geef je

uitgelaten ruimte aan jezelf als vader en verlang je

hevig naar argeloos geluk en mondkaploze veiligheid

uit de nestgeurtijd van toen, de kleurige warmte

van geuren, lenige kinderlijven, geluiden, verhalen vertellen,

over beren, langhors en Tom Nose, ritmisch getrommel,

een godenloze jeugd, de eerste fiets,

Diergoden

Hebben dieren ook bedachte goden soms

Religies als afgeknaagde diervoederbakken waaruit

Van tussen de vuile etensrestenrandjes gegeten wordt,

Moet worden

Goden die aanwijzen wat

Wat wel en vooral ook wat anders

Wat niet en hoe heilige harten worden gedragen

Diergoden die leefregels voorschrijven die werken als vuilniszakkoorden,

Tiewraps,  als wielrennershelmsluitingen,

Geboden met woorden die omtrekken beschrijven

Opdat dieroppassers ritueel diergeluiden

Luid lokkend ten gehore brengen

En dan hopen dat

Er wonderen gebeuren

Op punten staan te gebeuren

Dat dieren geloven dat na

De dood er weer leven is

In andere verre dierentuinen, misschien de Queens Zoo in New York,

Wat een zoo man,

Mooier en met de schitterendste

Muziek van luiten, lieren en cimbalen, wie weet zelfs harpen

En dat alle dieren uiteindelijk

Verlangen dood te gaan

Op weg naar diergoden met harige huiden

En dat hun god

Een oogje dichtknijpt

Zoals alle goden maar wat graag

Wensen te doen

Hebben dieren zulke goden

Rüppels gier

dat niemand mij kent en weet

dat ik in een kooi op een schip

dat ik over de oceaan ben gereisd

om hier mijn fakking kunstje

ondanks zoönose risico’s te doen

dat niemand zag dat ik helemaal

vanuit diergodenloos New York

kwam, uit de Queens Zoo, wow,

wat een zoo, echt zo’n zoo man,

dat ik alleen naar hier ben gekomen

voor een anoniem en bevroren

gewenst en betaald vaderschap

dat niemand zoiets verwerpt –

enkel vanwege een gesubsidieerd

fokprogramma om de kuifhertgenen

veilig te stellen, genenvervuiling

van Rüppels gieren tegen te gaan,

dat niemand dat weet, dat niemand

geïnstitutionaliseerd voortplanten

op grote schaal

dat niemand

niemand

dat

Goadinne Suzette

Sa’t mem wat sneinse kleantsjes naait

it bern yn muoikes snobguod graait

De swarte kat de hûn syn rechje aait

Gjin man de hjittens fan de hoer van Babel daait

En pake Jan oan kekke knoppen draait

De skildersfaem oer ’t flierkleed klaait

It kealtsje molke fan de buorfrou snaait

Bepaalt, beskriuwt goadin Suzette at en

faaks ek hoe it deistich wyntsje waait

(Godin Suzette / Zoals moeder wat zondagse kleertjes naait / het kind in tantes snoepgoed graait / de zwarte kat het ruggetje van de hond aait / geen man de hitte van de hoer van Babylon verdraagt / en opa Jan aan kekke knoppen draait / de schildersmeid over het vloerkleed knoeit / het kalfje melk van de buurvrouw snaait / bepaalt godin Suzette of en vaak ook hoe het dagelijkse windje waait) 

www.suzettebousema.nl

Schneeflocke wird Schneemann

Je Spaans is beter dan je zachte hart en zonder sokken lijk je stoer

En hip: een stierloze stierenvechter, als de Spaanse fiscale recherche

Jagend op de Messias, maar luister bro, luister naar oervrouw

Bartina en verbeter je stijl van leven, word trots, verdom te buigen voor

De Argentijn en los hem op de vuilnisbelt, weersta het volksoproer

En kijk terug als een gegroeide Sneeuwvlok en vermorzel het gekners; je

Gouden schoen zoekt doelgericht naar nieuwe mannen, kom, ontvouw

Wat je graag ziet en vergeet je drabbig gestuntel in je trainerskarrespoor

Begin opnieuw na ontsporingen in Valencia, Southampton, Everton,

Met Benfica, PSV, AZ, 010, Vitesse, 020; je leert van faillissementen

zeggen ze, maar je plakhaar vlekkend op je kraag zegt iets anders, je staat

in koplamplicht: getransformeerd tot een breekbaar overstekend hert

Bartina heeft de oplossing: verkoop dat Argentijnse kreng en dat

Bijtgrage Uruguyaanse lor dat ooit begon in de groene kathedraal

En al die would-be kameraden en koop je klaar aan amateurs

En word een Duitse Computer-Übungsleiter mit Ausdauer und Intensität

Ach manneke

Ach manneke, terwijl Fabio ligt te herstellen

Van Groenewegens gebeuk in uitlokkend

Polen dat de finish lekker bergafwaarts plande

Om de risicogunfactor te vergroten in het land

Waar rechters net zo duur zijn als bruinkool

Zat jouw mondkapje zo strak dat je vergat

Te gassen en je vierwielig door een driebander

Tot de reclame van Jumbozeepjes werd veroordeeld

En nu een taakstraf oploopt in het asiel

Voor platgereden salamanders en brokken

Uitgevlakte kikkerlijven; en maar denken dat

Gekochte pk’s sport opleveren, haha,

De bandjes zijn stroeve sjoelstenen

Had je maar opgelet bij Frans waar wijlen

Meneer Steenbergen je inpeperde dat

La vitesse n’est pas une épreuve de virilité

De enkel van Robben

De pizza’s smaken beter met wat ananas

En wurgseks, ook al is het maar voor even

brengt Drentse vrouwen weer tot leven;

mijn voet bleef haken in het gras

De NAM mengt graag wat extra frisse lucht door gas

Herinneringen blijven soepel zweven

En vormen een gekleurd stilleven

Van tenen vastgelijmd in gras

Het boerenhoofd is als een lege kalebas

De denkprocessen stoppen om half zeven

green socks matter zo staat geschreven

Een enkel vastgeklemd in gras

Pasgemaaide velden zijn vaak niet waterpas

Was ik nou maar in München thuis gebleven

Wordt zijn hoofd, hart, kruis ingewreven

wat is dat toch, dat hoge gras

(N.a.v. een citaat uit het Het Dagblad van het Noorden): Robben ging ook nog even in op zijn afwezigheid tijdens de eerste training van FC Groningen. De enkel van de aanvaller bleef vrijdag tijdens een training hangen in het gras. Dat leverde lichte klachten op, maar niets waarover we ons grote zorgen hoeven maken, verzekerde hij.

37 jaren afrodisiacum

Jij hebt het zeer met mij getroffen,

zo peins ik elke dag drie maal.

Ik ben niet dik, niet dom, niet kaal

en ga niet naar de hoeren in de stad.

 

Heel af en toe neem ik een tuiltje

blommen voor je mee. Ik doe de tuin,

ik rook mijn vingers niet geelbruin

en noem je regelmatig lieve schat.

 

Ik draag geen instapschoenen, buideltas

of witte das; ik boks of tennis niet,

ik help je altoos in of uit je jas;

 

waarom breng jij mij dan in diskrediet

als ik, mijn lief, al sinds ons trouwen

des nachts mijn sokken aan wil houden?

Gemeentedichters Emmen starten week van de poëzie

Drie gemeentedichters (gemdi’s) traden zondagmiddag op in de bieb. De 35 luisteraars die FC Emmen niet naar Arnhem zijn nagereisd, kerkbezoek mijden als oorwurmen open ruimtes en de koopjeklaarzondag laten voor wat het is, luisteren vriendelijk en met aandacht. Men verbaast zich over het verzoek mobieltjes op stil te zetten terwijl de jonge cateraar luidruchtig een spaan aandacht meepikt.

Het is de eerste dag van de poëzieweek. Ik had net Arjan Peters’ artikel (Hoe dicht de dichter?) in de Volkskrant gelezen waarin Peters (sinds jaar en dag literair criticus in de VK) de werkwijze van drie dichters (Rosa Schogt, Asha Karami en Erik Jan Harmens) tegen het licht houdt. Ik zie levensgrote verschillen met de gemdi’s. Het grootste: de landelijke bekende dichters maken niet, nauwelijks, of per ongeluk gebruik van rijm. Schogt: “Ik geef de voorkeur aan klankrijm boven nadruk op het rijm. Het moet aanvoelen alsof het bijna per ongeluk rijmt.” Karami: “Ik schrijf geen klassieke vormen, maar schep een eigen orde, hier zonder hoofdletters of punten.” Harmens: “De taal mag een beetje mishandeld worden. Ik ging scherpe regels schrijven. Uitgebeend.”

Bertus Beltman

De drie vanmiddag gehoorde gemdi’s rijmen als Ajax scoort: veel. Bertus Beltman hanteert strakke vormen, ijzeren (zo lijkt het) schema’s, als garagisten die cilinders op een honderdste millimeter uitboren. Eddie Zinnemers is wat losser, maar zou hij stoppen voor het rijmwoord en het publiek vragen het volgende woord te scanderen, er werden weinig fouten gemaakt. Hetzelfde geldt voor Gähler. Gähler ontpopt zich als relatie- en zorgdeskundige. Ik mis vanmiddag Anna Sophie Bakker, Eva Broekmann en Peter Veen. Van Veen lees ik de laatste tijd veel, eeh, ready-mades, bijvoorbeeld een behangplakhandleiding vermomd als gedicht. Bakker en Broekmann komen met hun wat vrije poëzie wellicht het dichtst bij de klassieke opvatting (van Kloos) dat poëzie de allerindividueelste expressie is van de allerindividueelste emotie.

We horen vanmiddag thematiek die je verwacht te horen bij dichters. Over tijd van leven, digitale doofheid, over verleden en toekomst, de bevrijding, vriendschap en zorg. Beltman filosofeert over de te snelle komst van de toekomst: “Was het nog maar gisteren.” En: “Het is nooit te laat om kind te zijn.” Millennial Gähler, een zelfverklaard ‘achterafgenieter’ start met een vers over genieten, waarin the male chauvinist pig in mij al snel het verlangen naar een orgasme herkent en vervolgt met het dilemma van wel of niet een oordeel geven. Zinnemers is de luchtigste van de drie en etaleert zijn kwaliteit als sneldichter, nou ja, snelrijmer, als hij de uitslag van FC Emmen tegen Vitesse in twee regels beschrijft. Verder komt in zijn werk alledaags nieuws als pandaporno, Badr Hari, stikstof en de Brexit voor. Hij vloekt de farmers for defence, de klimaatontkenners, de idiotie van kickboksen, mallotige media-aandacht voor neukende panda’s en de knettergekke Boris J. niet stijf, maar spaart de kool en de geit wanneer hij uitkomt bij zijn eigen keuzeloosheid in allervriendelijkste en vrolijke liedjes en verzen.

Als ik even wegdommel hoor ik zangeres Lisa Ploeger (18) ‘here we go again in 1973’ zingen, maar had gemist dat het niet haar eigen tekst maar een cover was. Zij begeleidt zichzelf op een akoestisch gitaar en doet dat heel goed. Ze heeft een mooie stem, vooral wanneer ze de hoogte ingaat en vooral als ze even lekker uithaalt. Haar beste tekst deze middag is het gewaagde en superassertieve “I’m better than ever (when I stopped running in circles and crying in my sleep).” Vooral dat I’m better than ever deed ’t hem.

Na de pauze laat Beltman ons genieten van zijn strakke versvormen, stapt Gähler van het podium en op het publiek af en demonstreert Zinnemers hoe liedteksten en cabaret verschillen van poëzie. Als entr’acte treedt Rudolf Kuko op die Emmens schoonheid à capella bezingt.