Fleboloog

Gelijk een haring en Gods woord naar binnen

gaan bij elke zwartgerokte predikant,

zo voelde ik zijn warme rubberhand

een lange diepe tocht in mij beginnen.

 

‘Ontspant u zich,’ hoor ik hem zalvend spreken,

‘en buig uw knieën, spreid uw stramme benen.’

Terwijl zijn blikken priemend in mij steken

bied ik hem zicht op mijn belaagde venen.

 

Nog is het ergste leed lang niet geleden:

een struise zuster treedt behoedzaam aan

en zonder enig acht op mij te slaan

vangt zij aan mijn achterham te kneden.

 

Nooit voelde ik zozeer mijn sterf’lijkheid

als in dit helse uur van eenzaamheid.

Bosk

Waarom zouden bossen onbeweeglijk moeten zijn? Het is laat geworden, hij schopt bezweet de klompen uit, zakt onderuit en denkt wat na, zijn eerste baan als God valt ‘m zwaarder dan gedacht, hij voelt zich gesloopt, doodmoe, kapot en klaar.     

Doodmoe, kapot en klaar: zes dagen werken aan de schepping met dorpen, zeeën, planten, spinnen, bintjes, heggen, gaan je niet in de koude kleren zitten: maar eerst nu pauze met een pilsje, een sigaar.

Pauze met een pilsje, een sigaar; creëren is geen peulenschil dat weet heel bouwend Nederland: het is me een gesjouw, gehei en geschets op grote architectentekentafels en dan die inspraak nog…

En dan die inspraak nog…vaak kosten overschrijdend, vertragend, de afwerking erachteraan met hoofd en hart en hand; de eisen zijn kaarsrecht, de ware tekenaar haat losse eindjes, rafels.

Losse eindjes, rafels: want ga maar na, van niks gaat het naar alles, wat een project: onzichtbare einders, kale ledigheden, net ontstaan, nog onbegaan, oningevuld, zeg maar: nog woest en ledig.

Zeg maar: nog woest en ledig: Friesland rijst op, ontstaat uit lagen mist, zoute uitgestrekte wadden, korsten, mossen, zo ruig en wild; de toezichthouders kijken zuchtend naar des scheppers eindspel.

Des scheppers eindspel mist nog iets. Hij pijnigt zijn hersens tot er net voor de zevende dag licht komt in de duisternis; er zij licht, er zij beweging: waarom zouden bossen onbeweeglijk moeten zijn?

Max

‘Wat een mooie pet, jongen,’ hoor je van kermismeisjes

De kleurige grote klep  maakt je weer twaalf, je kart pruttelt

Tata’s staal en rode stieren menen dat je kracht uitstraalt

Maar zweet parelt op zijden donshaartjes op je bovenlip

Wijd open neusgaten als Franse ventielen en huid vol

Plakplaatjes waar Picasso en Giacometti van wegkijken

Geil zeggen pikdragende tweedeautobezitters

Je jongensogen spreken vertwijfeling, verlies beloert je

Je verzint excuses in oliestaatjes waar sjeiks zich afvragen

Of F1 een sport is of dat het curling op banden blijft,

Een derderangs materialen- en assistentenstrijd

Waarbij er grote kans blijft op struikel- of verstappen

Omdat de baan niet door je hulpen was geveegd

Op van die kekke Pirelli antislipschoentjes rem en gas je

Met de vaart waarmee Shell zijn hielen licht

Bidden de sponsoren: moge de duurste materialen

De wereld en kerosine verslindend winnen

Boven geasfalteerde boomkikkers en hagedissen

En partijvoordedierenmeisjes die net zo sneu

Kijken als jij na je verlies van beschaving

Beste Pieter Omtzigt

Als je door verwilderde,

Valse, schoot- trek-

Of straathonden,

Ik sla het woord christenhond

Opzettelijk, met moeite over,

Van die asielblijvers

Die iedereen voorbij loopt

Vanwege ontspoord,

Agressief bijtgedrag,

Schurft, luizen in hun kale pelzen,

Stinkende bekken,

Rottend tandvlees,

Verwaarloosde aarsmaden,

Ontstoken anaalklieren,

Je kent ze wel, opstaand tegen

Beprikkeldrade hekken;

Uit dezelfde gore bakken vretend

En daarmee hun christelijke

Waarden beschermend,

Wordt besnuffeld, gekend

En uit zogenaamde

Partijliefde teringhond

genoemd,

terwijl je je stinkende

maatschappelijke best

doet voor in de steek gelatenen,

gewone medemensen,

reken dan gerust op

mijn stem.

dierenouders

dankzij de partij voor de dieren worden er straks geen pasgeboren beestjes verminkt, besneden, ongevraagd gedoopt, geen pubermeiden uitgehuwelijkt aan ongewassen oude contactgestoorde genocide ontkennende snorremansen, geen miljoenen haantjes, stiertjes, bokjes geshredderd alleen maar omdat het mannetjes zijn, doen dieren niet aan sexting, behalve kleine snotaapjes die voor 17 doezoe hun piemeltje mogen laten zien, worden dieren niet op jonge leeftijd wreed gescheiden omdat hun ouders een witte school hebben uitgezocht die al vroeg begint met het oefenen van CITO-toetsen, raken ze niet verslaafd aan crystal meth, behalve fabrieksdieren aan antibiotica verstrekt door dierenartsen die de perverse prikkel van stuksvergoeding per inenting niet konden weerstaan, mogen dieren niet roken, worden meisjesdieren niet nageroepen of aangerand of overkomt hun in verlaten parken wat voor woorden, voor poëzie te erg is, als ik goed kijk naar dierouders en me in hen verplaats, hun uiterste natuurlijkheid registrerend als een seismometer voetstappen van zware noorderlingen of het KIFID ABN-fraudestrapatsen

foto: Paul Barelds

ontroeren ze me & word ik zacht als dons, week-

warm als gesmolten kaarsvet en zie de argeloosheid

van de jonge dierouders afvallen als gevelplaten

van universiteiten, als je goed kijkt en je oude hart

mee laat voelen en je terugreist naar vroege tijden

onder lagen fotoboeken, stenen, stof, herinneringen

vol hiaten, zie je je breekbare zelf, je heit, je mem,

die je leren leven en vrij laten en veel later geef je

uitgelaten ruimte aan jezelf als vader en verlang je

hevig naar argeloos geluk en mondkaploze veiligheid

uit de nestgeurtijd van toen, de kleurige warmte

van geuren, lenige kinderlijven, geluiden, verhalen vertellen,

over beren, langhors en Tom Nose, ritmisch getrommel,

een godenloze jeugd, de eerste fiets,

Diergoden

Hebben dieren ook bedachte goden soms

Religies als afgeknaagde diervoederbakken waaruit

Van tussen de vuile etensrestenrandjes gegeten wordt,

Moet worden

Goden die aanwijzen wat

Wat wel en vooral ook wat anders

Wat niet en hoe heilige harten worden gedragen

Diergoden die leefregels voorschrijven die werken als vuilniszakkoorden,

Tiewraps,  als wielrennershelmsluitingen,

Geboden met woorden die omtrekken beschrijven

Opdat dieroppassers ritueel diergeluiden

Luid lokkend ten gehore brengen

En dan hopen dat

Er wonderen gebeuren

Op punten staan te gebeuren

Dat dieren geloven dat na

De dood er weer leven is

In andere verre dierentuinen, misschien de Queens Zoo in New York,

Wat een zoo man,

Mooier en met de schitterendste

Muziek van luiten, lieren en cimbalen, wie weet zelfs harpen

En dat alle dieren uiteindelijk

Verlangen dood te gaan

Op weg naar diergoden met harige huiden

En dat hun god

Een oogje dichtknijpt

Zoals alle goden maar wat graag

Wensen te doen

Hebben dieren zulke goden

Rüppels gier

dat niemand mij kent en weet

dat ik in een kooi op een schip

dat ik over de oceaan ben gereisd

om hier mijn fakking kunstje

ondanks zoönose risico’s te doen

dat niemand zag dat ik helemaal

vanuit diergodenloos New York

kwam, uit de Queens Zoo, wow,

wat een zoo, echt zo’n zoo man,

dat ik alleen naar hier ben gekomen

voor een anoniem en bevroren

gewenst en betaald vaderschap

dat niemand zoiets verwerpt –

enkel vanwege een gesubsidieerd

fokprogramma om de kuifhertgenen

veilig te stellen, genenvervuiling

van Rüppels gieren tegen te gaan,

dat niemand dat weet, dat niemand

geïnstitutionaliseerd voortplanten

op grote schaal

dat niemand

niemand

dat

Goadinne Suzette

Sa’t mem wat sneinse kleantsjes naait

it bern yn muoikes snobguod graait

De swarte kat de hûn syn rechje aait

Gjin man de hjittens fan de hoer van Babel daait

En pake Jan oan kekke knoppen draait

De skildersfaem oer ’t flierkleed klaait

It kealtsje molke fan de buorfrou snaait

Bepaalt, beskriuwt goadin Suzette at en

faaks ek hoe it deistich wyntsje waait

(Godin Suzette / Zoals moeder wat zondagse kleertjes naait / het kind in tantes snoepgoed graait / de zwarte kat het ruggetje van de hond aait / geen man de hitte van de hoer van Babylon verdraagt / en opa Jan aan kekke knoppen draait / de schildersmeid over het vloerkleed knoeit / het kalfje melk van de buurvrouw snaait / bepaalt godin Suzette of en vaak ook hoe het dagelijkse windje waait) 

www.suzettebousema.nl

Schneeflocke wird Schneemann

Je Spaans is beter dan je zachte hart en zonder sokken lijk je stoer

En hip: een stierloze stierenvechter, als de Spaanse fiscale recherche

Jagend op de Messias, maar luister bro, luister naar oervrouw

Bartina en verbeter je stijl van leven, word trots, verdom te buigen voor

De Argentijn en los hem op de vuilnisbelt, weersta het volksoproer

En kijk terug als een gegroeide Sneeuwvlok en vermorzel het gekners; je

Gouden schoen zoekt doelgericht naar nieuwe mannen, kom, ontvouw

Wat je graag ziet en vergeet je drabbig gestuntel in je trainerskarrespoor

Begin opnieuw na ontsporingen in Valencia, Southampton, Everton,

Met Benfica, PSV, AZ, 010, Vitesse, 020; je leert van faillissementen

zeggen ze, maar je plakhaar vlekkend op je kraag zegt iets anders, je staat

in koplamplicht: getransformeerd tot een breekbaar overstekend hert

Bartina heeft de oplossing: verkoop dat Argentijnse kreng en dat

Bijtgrage Uruguyaanse lor dat ooit begon in de groene kathedraal

En al die would-be kameraden en koop je klaar aan amateurs

En word een Duitse Computer-Übungsleiter mit Ausdauer und Intensität

Ach manneke

Ach manneke, terwijl Fabio ligt te herstellen

Van Groenewegens gebeuk in uitlokkend

Polen dat de finish lekker bergafwaarts plande

Om de risicogunfactor te vergroten in het land

Waar rechters net zo duur zijn als bruinkool

Zat jouw mondkapje zo strak dat je vergat

Te gassen en je vierwielig door een driebander

Tot de reclame van Jumbozeepjes werd veroordeeld

En nu een taakstraf oploopt in het asiel

Voor platgereden salamanders en brokken

Uitgevlakte kikkerlijven; en maar denken dat

Gekochte pk’s sport opleveren, haha,

De bandjes zijn stroeve sjoelstenen

Had je maar opgelet bij Frans waar wijlen

Meneer Steenbergen je inpeperde dat

La vitesse n’est pas une épreuve de virilité