Reitemakersrijge 15

Van de Reitemakersrijge naar de Martinikerk is een hanenstap. Maar nog even langs het Forum. Doet mee aan een contest voor beste bibliotheken ter wereld. Het Forum zit bij de laatste vijf. Een schitterend gebouw, uit welke hoek je er ook naar kijkt. Maar toch. Er is iets. Mijn stelling is dat met platen beplakte gevels geen stand houden. Ze komen een keer naar beneden. Hier is het niet anders; ik zie dat van een hoge plaat een brok mist. Naar beneden geflikkerd als reputatieschilfers van VVD-ministers. Groningen wentelt zich in cultuur als een tot prinses gemaakte in koninklijke toelages. Vanaf Reitemakersrijge is alles bewandelbaar. Het weekend zit propvol kunst.

Dat een twaalfkoppige zanggroep (met drie Ashby-zusjes) het best zonder dirigent kan bewijst Stile Antico in de Martinikerk op 17 oktober 2021. Onderdeel van het Schnitgerfestival. Alles is goed, alles klopt en dat is voor Groningen een mirakel. Toporgelmuziek door Jürgen Essl afwisselend met geweldige meerstemmigheid van 12 zangers. Superstemmen. Waar heb je begeleiding, of een dirigent voor nodig als je zo zingt. Mooier dan dit kan haast niet. Religieuze muziek. Minimale rebusteksten, soms zelfs bestaat een lied uit maar enkele bezwerende woorden uit de tijd maar net voorbij de periode dat religies even belangrijk waren als heksenverbranding, lijfstraffen en builenpest. Champions League zang, af en toe raak vergezeld van hedendaagse geluiden van buiten, uit de hoek van de bij vlagen gure Vindicatreuk.

Twee dagen eerder was een Schnitgerfestivalavond met, ondanks de veelbelovende naamgeving, slechts één Schnitgerorgel-bijdrage. Tja, zo kan het ook. In de A-kerk op vrijdagavond. Puike muziek o.l.v. maestro Havinga, maar de organisatie haperde als een aan drukval of vocht lijdend orgel. De kachel stond op 10. Bij de entree werd zoveel papier uitgereikt dat het publiek bleef ritselen en bladeren. Twee solisten hadden het lastig met vijf blazers. En met het publiek. Beide zangers stonden dan ook tegenover elkaar en niet naar de luisteraars gericht. Microfoonloze tussendoorse aankondiging. Onhandig gepruts en gefriemel aan oorapparaatjes tot gevolg. Pauzethee vanaf één plaats uit retrokannen.

Èn de Martinikerk èn de A-kerk èn het stichtingsbestuur zouden er goed aan doen flink te investeren in beamers met daarop de teksten geprojecteerd, zodat compulsief-obsessieve leesclubmeelezers die niet genoeg aan de muziek hebben hun leesuurtje met opgeheven hoofd & knispervrij kunnen vervolgen. Het mag dan oude muziek zijn, de uitvoering en organisatie schreeuwen om een hedendaagse setting. En een flesje bier of glaasje jus of wijn in de pauze. Lekkerder, eenvoudiger en voor de penningenmeester interessanter.

Reitemakersrijge; één

Zondagmorgen, the morning after the night before. We slapen uit tot 06.30. Twee uur langer dan gisteren. Gisteravond schrokken we op door sirenes. Twee politieauto’s, een motor en een ambulance schuin tegenover ons. Twee op het oog keurige jongemannen worden aangehouden. Op straat naast het terras ligt een aan het hoofd gewonde vrouw. De agenten nemen de situatie efficiënt op.

Zittende jongeling – F. E. Jeltsema

‘De zittende jongeling’ van Jeltsema. Zoals met bijna alle beeldende kunst zoek ik er iets van mezelf in. Deze keer is het gemakkelijk. Een smal lijf, peinzende, serieuze blik, gespierde bovenbenen, echt een dorpsjongen. Een Groninger, wed ik. Eén die goed en vlot Gronings sprak, misschien nog spreekt. Het beeld is van 1960. Gemaakt door F. E. Jeltsema (1879 – 1971). Lopend over het hondenpaadje aan de singel verbaas ik me over de beelden. Een en al brons.

In een etalage zien we twee hoerenhondjes. De gezichten staan van elkaar afgewend. Ik fantaseer over de betekenis. Jammer dat de ramen niet schoon zijn. Blauwe CDA-zomerpakken afgeprijsd in weer een andere etalage. Een stadspak heeft wel iets.

Een voorbijfietsende man ziet me de straat aanvegen en stopt. Een heel verhaal over een dakloos  bestaan in Eelde en de complexiteit van bijstand aanvragen zonder vast adres. Sympathieke man. Hoge ambtenaar geweest. Lijkt op de jongeling van de singel. Of ik, hij zou het ook liever niet vragen hoor, echt niet, of ik misschien…. Dat hij niet vraagt om een overnachtingsadres verbaast me zo dat ik hem graag een tientje geef. Een bed, bedbank dan, had hij ook gekregen. Stralend fietst hij verder. Halfzachte banden zoals alle stadjers. ‘Die staat er morgen weer,’ zegt vrouw I. ‘Wedden van niet?’ is mijn zekere antwoord. Ik voel me goed. De stad past me wel.

pinguïns

smelten als een schots in de februarizon bij het zien van een kolonie pinguïns overkomt iedereen

met een zacht hart; het zijn overlevers, superduikers met een effectieve eenkindpolitiek waar landen

met hemelse vrede punten aan kunnen zuigen, maar ik moet iets bekennen en mijn excuses aanbieden,

sorry zeggen tegen alle pinguïns; telkens kom ik, hoe ik ook kijk, keer, wend, kijk en weer kijk,

en, regieaanwijzing: vanaf hier mijn stemvolume tot de laatste zin tot schreeuwens verhef, uit bij de

zwartgerokte befjongens en meisjes: fiscaal juristen, notarissen en rechters, sommigen echt begaan

met medemensen, anderen, niet toegevoegde pro deo’s, gladjakkers met een soepele vacht en

een ondermaatse motoriek, waggelend als Franse pendules, minieme huidbijtwondjes als onuitwisbare

liefdesspelstigmata tonend, zuidassuikerspinnen met buikspek omgord, skeletten met de zware last

van adipositaslijders op de i.c., een wroetende, pikkende spitse snuit; die, wat zijn het nou: mannen,

verklede dieren, zich oppompen tot max 9 bar, druk en dik over tax-evasion en hoe geil multinationaal

genot aftrekbaar is via belastingparadijzen, taxwalhalla’s waartoe ook wij, Nederland in optima forma,

ondanks goede mensen als Kajsa, Sylvana, Carola, Epke, Marieke Lukas, Sigrid, Esther, Lilian,

schaamtevol behoren, je bent een klusser met de hoogste opleiding en je praat bedrijven en koningen bij

over hoe ze niks kunnen hoeven betalen maar wel op speedboten voor Galaxidi en Loutro cruisen

met opgestoken omgekeerde handen die wel alles willen krijgen en hebben maar niet weten wat geven is

in broeken die almaar binnenste buiten willen lijken maar vol zitten, voller dan mannen die in niets lijken op leeuwen op paarden: de ontspoorden;

maar dit gun je pinguïns toch niet, lieve, koude,  waggelende pinguïns toch niet, niet pinguïns, niet

Twan Huys: de grote geslotenvragenkoning

De televisiepers heeft het zwaar. De NOS plakt logo’s af om niet op afstand herkend en belaagd te worden door stenengooiers. Jongeren verliezen het vertrouwen in de media. Uit onderzoek van Motivaction blijkt dat 45% van de jongeren neutraal of negatief reageert op de vraag of het nieuws te vertrouwen is. Waarom worden journalisten agressief bejegend? Waarom verliezen jongeren het vertrouwen in de media?

De NOS staat voor een brede en onafhankelijke nieuwsvoorziening. Daarnaast heb je nog zes omroepverenigingen met specifieke doelgroepen, drie aspirant-omroepverenigingen en de commerciëlen. Vergelijk het met het verzuilde onderwijs. Er is openbaar onderwijs, bijzonder (RK, PC) onderwijs en je hebt de commerciëlen (Luzac).

De staatsomroep NOS en het openbaar onderwijs zouden voor iedereen open moeten staan en moeten proberen iedereen in Nederland te vertegenwoordigen. Laat het gekleurde nieuws en het door commercie en religies aangetaste onderwijs maar over aan PC en RK scholen en het Luzac.

Vraag: herkent elke Nederlander zich in de NOS? Hoe onafhankelijk zijn de programma’s? Als programma’s gekleurd worden door presentatoren dan haken mensen die op zoek zijn naar onafhankelijk gegaard nieuws af. Laten we eens een onderzoekje doen. In hoeverre worden in een bekend discussieprogramma open vragen gesteld? Open vragen zijn vragen die geen vooringenomenheid van de vragensteller impliceren. Dat doen gesloten vragen (beginnend met een persoonsvorm) wel, die dragen door de geslotenheid van de vraag al een antwoord in zich. Open vragen beginnen doorgaans met vraagwoorden als: hoe, in welke mate, wanneer, welk(e), wat is er de oorzaak van, enz. Het vraagwoord ‘waarom’ heeft soms een negatieve lading.

Welk programma leent zich voor zo’n onderzoekje? De door duo’s gepresenteerde meningenprogramma’s Op1 zeker niet. In het recente verleden hebben nogal wat presentatoren zich gediskwalificeerd met privémeningen waarvoor men zich later heeft moeten excuseren (Fidan Ekiz en EO-jongen Renze Klamer die het lastig vonden hun anti-abortusstandpunt voor zich te houden en daarmee hun gast Rebecca Gomperts bruskeerden en compromitteerden, Charles Groenhuijsen die in Amerikadiscussies zich als een anti-Democraat betuigt, enz.).

Laten we Buitenhofboegbeeld Twan Huys onder de loep nemen. Buitenhof 17 januari 2021: Twan Huys in een ovale-tafelgesprek met Tweede Kamerlid SP Renske Leijten, PvdA-coryfee Job Cohen en NRC-Handelsblad columnist Tom – Jan Meeus. En, halverwege, een videogesprek met viroloog Peter Piot vanuit Londen. Eens kijken of het open of gesloten vragen zijn die Twan stelten en of alle kijkers, van links tot rechts en alles daartussenin, zich kunnen herkennen in Buitenhof.

Vragen aan Leyten, Meeuws, Cohen en Piot; de open vragen zijn vetgedrukt: U had toen niet kunnen vermoeden dat dit alles zou gebeuren een paar weken later / Zo lang zou duren? / O, u had het nog steeds sneller, eigenlijk, gewild, ja; / Klopt dat? / Klopt die? / Kon niet anders? / Wat denkt u? / Niet zo prettig om te horen voor de premier als hij meeluistert; / Maar zegt dan u de coach kan niet blijven, als je zo’n verlies hebt geleden? / U twijfelt aan de succeskansen van die brief? / Maar bent u het met JC eens…? / Maar heeft Cohen gelijk?

Cohen leert Huys een lesje door Leijten te interrumperen door twee keer een hoe-vraag te stellen

Tom-Jan, Tom-Jan Meeus? (met priemende vinger wijzen) / (bijna onverstaanbaar omdat hij L niet laat uitspreken) Wat vindt u niet kunnen? / Welke rol is dat? / Kan dat nog komen? / Kan dat nog komen mevrouw Leijten? / Tom, zie jij dat er nog van komen? / Dat is ook slecht nieuws voor de premier natuurlijk… / Meneer Cohen, ….gaat de partij, uw partij, keihard om met zijn aanvoerders? / Tom Jan, wie vind jij dat LA moet opvolgen als leider vd partij? / Wie zijn dat? / Maar die zijn in ieder geval niet … / Meneer Cohen, wat denkt U? / En daartussen wilt u geen keuze maken dan? /

Vragen aan Piot: Opgeknapt van corona, hè, want u was zelf ook besmet geraakt. / Hoe ernstig is de situatie bij u in de stad? / Bent u dat met hem eens? / Hoe kijkt u naar Nederland want wij zijn zowat het laatste land dat de vaccinaties op gang krijgt, Bulgarije doet het slechter en dan komen wij, heeft u daar een verklaring voor? / Na een inleidende tekst over de Britse variant die hier zal toeslaan… Ziet u dat ook zo? / …In Nederlands is er een discussie over… een avondklok, een soort wanhoopsdaad eigenlijk, denkt u dat dat helpt? / En dus is zo’n avondklok wel effectief, dat moet dan maar? / U zegt dus eigenlijk: egoïsme is hier onze grootste vijand? / Is dat scenario dan denkbaar dat we terecht komen in een Bergamoachtige situatie? / Zijn die allemaal effectief tegen die nieuwe varianten? /  Nu wordt er wel gezegd … Is dat een goed idee om het proces te vertragen? / Gaan we in de toekomst dit soort varianten vaker zien?

Verder met Leijten, Cohen en Meeus: Zijn de Nederlanders gedisciplineerd genoeg? / Gaat het demissionaire kabinet zo’n avondklok invoeren in Nederland? / Wat denk jij? (TH Gaat bij mevrouw Leijten ineens tutoyeren) / Wat Tom Jan Meeus zegt is nogal wat over de avondklok. / Zou het moeten? / we weten allemaal, dat is het enige wat telt. / Wat vinden wij van die pandemieën? TH Wat vindt u daarvan? / Want hij vindt heel duidelijk, wij zijn de natuur binnengedrongen en dit is nog…

Na 43 minuten: STOP, de teller staat op 46 vragen en/of als vraag geponeerde stellingen. Daarvan zijn 10 open vragen en 36 gesloten, gestuurde. De ergste van inquisiteur Twan: Hoe kijkt u naar Nederland want wij zijn zowat het laatste land dat de vaccinaties op gang krijgt, Bulgarije doet het slechter en dan komen wij, heeft u daar een verklaring voor? En: In Nederlands is er een discussie over… een avondklok, een soort wanhoopsdaad eigenlijk, denkt u dat dat helpt?

Huys’score: 21,7 % open vragen. 78,3 gesloten. Wat betekent het dat Twan Huys voor driekwart gesloten vragen stelt? Wat is zijn belang om gasten bijna uitsluitend gesloten vragen te stellen?

Twan Huys kan zijn mening niet voor zich houden. Dat is prima als hij bij M aanschuift als praattafelgast of als hij zijn oren laat hangen naar de opvattingen van commerciëletelevisie-eigenaren. Maar wat zou de gedragscode voor een NOS-interviewer moeten zijn? Het is een wonder dat mevrouw Leijten en dhr. Cohen vriendelijk blijven. Mevr. Leijten veegt de vloer aan met Huys en Haagse bubbeljournalist/columnist Meeus doordat ze vriendelijk blijft en keer op keer corrigerend optreedt. Interviewer Huys legt zijn gasten veel antwoorden in de mond en stelt zichzelf daarmee op een voetstuk want hij vergeet dat zijn mening er niet toe doet. Tussendoor is er nog een grote hoeveelheid gemompelde interjecties als (een stuk of vijf keer) ja / hmm, en lichaamstaal in allerlei vormen: voorhoofdrimpelaanspanning, voorover buigen, extra serieus kijken, glimlachen, aanwijzen / priemen, opgetrokken wenkbrauwen.

Terug naar de kernvraag: hoe zouden kijkers rechts van het midden zich voelen bij deze uitzending? Hoe objectief is Huys als vragensteller?

Eind goed al goed: Twan Huys laat in zijn gesprekje met een fotograaf zien dat hij goede vragen kan stellen, als hij begint met: “Wat zien we hier?” Uit-ste-kend!

IN MEMORIAM Frits Germs

Frits Germs is, bijna negentig, overleden. Oud-docent biologie, oud-reservemajoor Koninklijke Landmacht lees ik in de familieadvertentie. Ja, denk ik, èn oud-Harley-Davidson-rijder, oud-seksuele voorlichter, oud-spreker van de Saksische taalvariant het Kollumerlands, en natuurlijk sigarenroker, mooieverhalenverteller, begeleider vakantiekampen van de NH jongelingenvereniging. Kollumers waren we. Frits Germs woonde aan de Voorstraat: snor, bril, hoekig, lachrimpels. Hij fietste met ons naar school, Oostergo in Dokkum, langs de Dokkumer Trekvaart. Soms haalden wij, allemaal Bouke Mollema’s in de dop, hem in en dan hielden wij hem uit de wind als een skûtsje een BM’er. Was het mooi zomers weer dan reed Frits op een oude groene leger-Harley Davidson Liberator, met een antiek schakelmechanisme op de benzinetank en met spijkers afgewerkte zijtassen achter de buddyseat. Als hij de bochten goed nam en op tijd dubbelclutchte, bleef hij ons fietsers wel eens voor. In de fietsenkelder stak hij rustig een sigaar op en wij wrongen onze door- en doornatte kleding uit boven het kelderputje als mem een dweil als er weer een ongelukje met beppe in de w.c. was geweest. Frits was het prototype van een leraar. Hij kon goed met de leerlingen overweg, wat wil je ook met een zootje ongeregeld uit de buitendorpen dat hem bewonderde. Hij schaakte een Dokkumse langharige schone uit HBS-vijf, Nel, in mijn ogen alleen de zus van Saskia (lang blond haar, beugel, spleetje tussen voortanden, kniekousen…). Frits was één van de boys, Kollumer jongens. Doordat wij hem uit Kollum kenden durfden we hem wat meer vragen te stellen. Van broers en zusters kende ik een aantal van zijn kunsten. Bijvoorbeeld de uitwerking van een karateklap op het bord. De splinters vlogen je om de oren. Onze eigen klassenleraar had een keer geen zin in een klassenavond en toen vroegen wij Frits. En hij deed het. Terwijl wij de kunst van het ‘slijpen’ beoefenden, stond hij op de schoolbinnenplaats wat bij te kletsen met de toevallig passerende Nel. ‘Meneer, wat is ejaculatio praecox alweer? Uit paragraaf VIii?’ Kregen we een prachtig verhaal over jonge dienstplichtige militairen die in het weekend met de trein naar huis kwamen en om te voorkomen dat ze ’s avonds met hun meid op de kermis te vlotjes ejaculeerden, als hengsten op kunstmerries, zwengelden ze in het treintoilet alvast wat in het voren. Wij probeerden hem ook uit te horen over de door de licht tirannieke rector Heukels bestierde lerarenvergaderingen; of Booij, Kesting, Künzli, Van Dongen, Gort, Wiersma, Sturm, Slager, Wijmenga, Bootsma, Mulder, Bangma, Wilpshaar, zich gedroegen, maar Frits bleef discreet. Bij een uitje van de NH jongelingsvereniging in Kollum ging hij een weekend mee op stap naar Ter Apel en Sellingen en wat leuk, hij nam zijn Dokkumer vlam mee. Later leerden we Frits nog wat nader kennen omdat onze oom Jaap zijn zuster, Nancy Germs, aan de haak sloeg. Gouden tijden en platina herinneringen! Frits Germs: rust in vrede.

Ach ja, die dag des heren

Mijn liefde voor zingen, gluren naar Matsje met het veel te korte gebreide truitje en mijn compulsief-obsessieve  neiging orgelpijpen te willen tellen heb ik overgehouden aan kerkbezoek in mijn jeugd. En sjaa, dat geneuzel over het paradijs, water in wijn veranderen en dat constante afgeven op concurrerende godsdiensten met in Italiaanse superpaleizen met vloerverwarming wonende halve zolen in soepjurken die denken de opvolger van god te zijn, nam ik voor lief. Wij dorpskinderen hoorden op school al elke dag dat de roomsen lak hadden aan de bijbel en dat de kerken aardig waren opgeknapt toen de ordinaire kermis- en woonwageninterieurs met goddeloze afbeeldingen van hen die geen afbeelding nodig hadden, werden ingeruild voor strak wit stucwerk van stucadoorsbedrijf Prins & zns uit Rinsumageest. Wij kregen speciale zondagse kleren die we gedurende een jaar of twee mochten dragen en daarna, toen ze veel te kort waren voor onze snel groeiende lijven tot doordeweekse kledij werden opgewaardeerd. Godver, wat zat ik ’s zondags graag naast mem en heit en hen die met mij heit een supergrote fiscale kinderaftrek bezorgden. Heit had een stem die verrekte goed uitkwam bij de lijzige psalmen en gezangen en mem had een sopraan die nooit wiebelde. Het begeleidende orgel was als een fenomenaal orkest. En tussen het zingen door zag je iedereen wat knikkebollend wegdutten. Dat was voor mij de tijd om Matsje te bekijken, die schuin tegenover ons zat en soms tergend lang bezig was om met haar roze tong een niet bestaand vleesdraadje tussen haar voortanden weg te peuteren, terwijl ze als een zwoele Dolly Dot avant la lettre mij fixeerde door de rose bh-bandjes te herschikken. Aan mijn glunderende kop te zien, zullen heit en mem lang hebben gedacht dat ik het in de kerk reuze naar de zin had en dat ik dominee Breeuwsma’s woorden opzoog als kleenextissues spermasporen, terwijl ik in gedachten met niets anders bezig was dan dat lastige elastiek in Matsjes slipje, dat toen nog onderbroek heette. Op schemeravonden aan het Kerkhoflaantje na de catechisatie werd ik ingewijd. Ik luisterde naar de verzonnen woordjes die ze in mijn oren fluisterde. Heerlijk die dag des heren, moesten ze weer uitvinden…

Een hedendaagse parabel  

Mooi hoor, zo’n onwillige dood die nog wat hapert, hort en hakkelt als een sopraan na een nachtje doorsnuiven met een bronstige amant, dacht ik na jouw verhaal over je oom die opleefde na zijn ontslag uit het streekziekenhuis aan de rand van het industrieterrein van een provinciestadje. Je gunt iedereen een oud familielid dat met zijn ziekte bij de dokter komt, wie weet een op het tandvlees lopende aio, zo’n overwerkte met afgetrapte schoenen, vochtkringen onder de oksels als pisresten in een vakantieonderbroek, een tweedehands stethoscoop, nog fris liefdesverdriet en koffieadem, die haar/zijn baas in het weekend verving, en dat oom of tante dan de overvolle familiezak medicijnen laat staan en daarmee een ernstige medicatietoxicatie voorkomt en een soort wederopstanding bewerkstelligt.

De parabel van de allemerkengaragist aan de rand van het industrieterrein van een provinciestadje

“Het ouwe barrel, een Italiaanse brik uit de vorige eeuw, een echte Legno Arido, heeft zijn langste tijd gehad. Van dit soort zijn maar weinig nog rijdende exemplaren bekend. Je herkent ze aan de fijne belijning van de bollende motorkap, het wat ouderwetse motorgeluid en een speciale, heel sonoor klinkende toeter. De snelheid is er uit, hazewindhond werd slak; de uitlaat, ventielen en kleppen lijken verstopt, en de lak is flets en dof. Het koetswerk is licht gebutst.

In een allemerkengarage aan de rand van het industriegebied in het provinciestadje zegt de garagist, een haastige snorremans met een vochtige peuk in de mondhoek, na een vluchtige inspectie waarbij hij onophoudelijk op zijn nepgouden klokje kijkt: ach mevrouwtje, rijd hem maar naar huis en geniet nog even van de klassieke lijnen, de authentieke stoffige bekleding en zijn laatste geprutttel. Gebruik hem alleen nog voor wat kleine boodschapjes in de buurt; hij kan elk moment de geest geven. Dan kan-ie daarna zo naar de sloop voor demontage. Misschien, zit er een hergebruiksverklaring voor nog bruikbare onderdelen bij, kijk even goed in het handschoenenvakje op het dashboard. O ja, en teken hier even voor de nota, die geef ik straks gelijk mee.

Eenmaal thuis op de oprit, wat uit de zon en beschut tegen de herfstregens wordt het beestje vertroeteld. Een dekentje over de cabrio-soft-top, een stevige keg achter de wielen tegen wegglijden en de ronde motorkap met die nog glimmende grille wordt met liefde en olijfolie opgewreven. De bandenspanning wordt wat verlaagd en aan de brandstof wordt geen kerosine of bio-ethanol meer toegevoegd. Want waarom zou je immers het oudje op toeren jagen en de kleppen en distributieriem tot het maximum tergen.

En zie: de koppige zescilinder hoest en kraakt maar begint, aanvankelijk nog hortend en stotend als een verkouden Przewalskipaardje, weer te lopen; stationair op zijn best weliswaar, maar hij doet het! Het lijkt verdomd alsof hij er weer zin in begint te krijgen. Hij gebruikt wat extra olie, zeker, maar lekken doet hij amper. Van heinde en verre stromen kenners en bekenden toe en kijken blij en bewonderend toe.”

It Paradyske

Zaterdags fietsten we met de hele klas naar het zwembad. De hel heette It Paradyske. Jarenlang probeerde badmeester Kalen ons te leren zwemmen. Onder de snelbinder een kokervormig zwemtasje met een koord met clipsluiting. De binnenkant van rubber, die de natheid van de zwembroek moest weerstaan. Deed je het tasje thuis open dan rook je keukenhandschoenen die te lang in het gootsteenkastje hadden gelegen. Badmeester Kalen had een harde stem, een strakke buik en kort donker haar. Brechje Bosma van de Johan Bogermanstraat zou voor hem vallen. Ze trouwden in de gereformeerde kerk terwijl iedereen wist dat badmeester Kalen een heiden was. We kleedden ons uit in halfopen kleedhokjes. Ruw beton schuurde je voeten. Ik had een rode zwembroek van geribbelde stof met een geelgroen riempje. In het water voelde die zwembroek als een loden vest dat je naar beneden trok. Als ik, voordat ik in het water ging, het riempje even opentrok en er lucht inliet en dan snel het riempje strak aantrok, dan kon ik bijna een halve minuut extra drijfvermogen opwekken. Mijn pikje zwom dan wanhopig in de zwembroek als een verdwaalde vastgebonden goudvis. Badmeester Kalen schreeuwde wat we moesten doen. De jongens moesten duiken, de meisjes met een plankje zwemmen en Goitske en ik bleven op de kant. We moesten buikelings op een bankje liggen, de armen en benen bewegend in de lucht. Was dit wat een parachutespringer voelde? Als het badmeester Kalen schikte keek hij even naar ons en blafte dat we de schoolslag moesten oefenen. Raar woord: schoolslag. Was er ook een kerkslag? Vanaf de overkant van het zwembad zag hij wat we niet goed deden. Goitske droeg een gebreid zwempakje, geel met bruine schouderbandjes. Als dat nat was trok de zwaartekracht ongenadig hard aan de stof. Soms kwam Oene langs, badmeester Kalens hulp, een stagiair van een sportopleiding. Hij bewoog mijn knieën naar buiten door hard tegen mijn voetzolen te duwen. Oene was sterk. Mijn handen moesten anders. Hij wilde van bovenaf mijn knokkels zien. Tegen Goitske deed hij nog wreder. Haar dijen en heupen deden pijn, zei ze als we na afloop terugliepen naar de kleedhokjes. Er waren zwemlessen dat we alleen droog mochten oefenen. Goitskes wangen rilden en waren dan blauwachtig. Na afloop van een droogzwemles moest ik altijd plassen. Mochten we wel te water dan probeerde ik een gele lijn achter mij te voorkomen. Dat had ik gehoord, dat als je in het water plaste, iedereen een gele lijn achter jou kon zien. Wat voelde dat lekker. Je ging even staan, opende de bovenkant van het zwembroekje en dan voelde je een warme traktatie je pikje omarmen. Op de terugweg door It Paradyske had ik weer praatjes voor tien.

(Illustraties: Jacco Olivier (1972) ‘Momentum’ (2019) in Voorlinden (juni 2020))

Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling


Als ik Lubbers’ Zuidenveldkroniek lees voel ik me als een kind dat door een caleidoscoop kijkt: steeds zie ik wat nieuws. Een foto op pagina 275 symboliseert het Zuidenveldgevoel treffend: vijf mannen zorgen ervoor dat een vastgelopen aanhanger weer vlot komt: met vereende krachten iets tot een goed einde brengen, dat typeert dit feest. Roelie Lubbers-Hilbrands beschrijft in Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling 1920 – 2020 de zuidenveldtentoonstellingen in al zijn facetten. Het zou mij niet verbazen als bij de eerstvolgende Zuidenveldtentoonstelling een platte kar aan haar is gewijd: haar lach en blonde lokken met duizenden maiskorrels, graanstengels en een keur aan bloemen op een plateau uitgelicht. Het boek is opgedragen aan enkele familieleden en, hier zien we Lubbers de diplomaat, aan alle deelnemers, medewerkers en bezoekers: het volk van het Zuidenveld.

Wat een immense klus moet het zijn geweest om de 100 jaren Zuidenveld te boekstaven, elk jaar op twee pagina’s, met er tussendoor beschrijvingen van het volgende decennium. In 304 pagina’s, zo’n 1.800 gram papier, boordevol tekst in gevarieerde lettertypes en foto’s, vanaf 1973 ook in kleur, sommige zelfs met watermerken, vertelt zij de historie. Overzichtelijk gerubriceerd en uiterst volledig: tot en met de jaarlijkse cateraar aan toe. Prijswinnaars, advertenties, bezoekersaantallen, financiële overzichten, bestuurssamenstellingen en meer.

Bij de decenniabeschrijvingen typeert Lubbers de historica de tijdgeest bondig en to-the-point. Van democratisering in de jaren zestig tot het homohuwelijk in 2002, velerlei maatschappelijke veranderingen komen voorbij die de landbouwtentoonstellingen inbedden. Al lezende voltrekt zich de geschiedenis van het boerenbedrijf met daarin een prominente rol voor de dieren en de boeren. Ertussendoor lezen we over de economische ontwikkelingen in de agrarische sector, de rol van de vrouwen, de oorlogsperiode, belangstellende hoogwaardigheidsbekleders, de regionaal-geografische ontwikkelingen en heel veel faits-divers die het boek leesbaar maken en houden. Van de vele foto’s is verreweg de mooiste die op p 61 met gelooide koppen van het prototype van Zuidenveldgangers: stoere mannen met petten.

Een speciaal onderdeel van het Zuidenveld zijn de versierdewagenoptochten en de versierde straten met de erebogen als hoogtepunten. Ik zie nog mijn oude buurman maanden voor het feest in Sleen in zijn schuur honderden vlinderfiguren voor de straatversiering lassen. Met veel gemeenschapszin en het inleveren van sloten vrije tijd, werd met man en macht gewerkt aan de gezamenlijke presentaties.

Missen we dan niets? Zeker, het boek was nog leuker en vollediger geworden als Roelie Lubbers anderhalve bladzijde had ingeruimd voor de keerzijde van de medaille, de achterkant van het gelijk. De ontwikkelingen in het boerenbedrijf gaan snel en het wordt allengs duidelijk dat die ook nodig zijn. Iedereen heeft in zijn familie wel een neefje dat een werkstuk over mest- of kalverfraude, Round-up en de miljardenclaims tegen Monsanto moet schrijven of een in Wageningen studerend nichtje dat op elke verjaardag van oom Annechienus de discussie aanjaagt met irritante vragen over biologisch boeren, het zielige van afgesneden staarten bij Belgische paarden, de circulaire landbouw van Carola Schouten en de ontwikkelingen in het dierenbevrijdingsfront, waarvan zij aspirant-lid is geworden. Het is jammer dat Lubbers de kritische geesten die binnen elke politieke partij te vinden zijn op p 7 zuurpruimen noemt. Niet zelden betreft het mensen met een agrarische achtergrond die het beste voor hebben met de boeren. Veel meer dan gratuite sympathie verdienen boeren het kritisch en met respect gevolgd te worden. Op p 253 volgt een licht herstel en komen dierenwelzijn, boerenprotesten en ecologische duurzame landbouw aan bod. Iets uitgebreider was aardig geweest en had meer recht gedaan aan de veranderingen die het boerenbedrijf te wachten staat.

Maar voor de rest: Roelie, chapeau! Ik ben nu al nieuwsgierig naar de eerstvolgende coronavrije versierdewagenoptocht in 2021 in Schoonebeek.

Spanje 5: Intemperie

Den Uyl

Jesús Carrasco’s Intemperie verhaalt van een vluchtende dorpsjongen. Een vlucht wil ik het niet noemen, maar een soort uittocht is het zeker wanneer we op zondag 15 maart noordwaarts kachelen in een stoet van campers, enkele caravans en een zootje ongeregelde Poolse en Roemeense minivrachtwagentjes. De zon schijnt en de temperatuur en dieselprijzen wisselen als seksuele contacten van plattelandsmeisjes die voor het eerst in Salou zijn. De lange weg naar Lyon rijdend krijg ik visioenen van een premier die een verstandige toespraak zal gaan houden die me voor hem zal innemen. Verdomme, ik zal toch geen VVD’er worden? Ik vergelijk Ruttes toespraak met die van Den Uyl in december 1973; allebei getuigend van ferm en fier staatsmanschap. Vergeleken daarmee is de sprekende koning een sneue ledenpop. Al rijdend tast ik mijn geheugen af. Na afloop van Den Uyls rede sprak mijn moeder in een evaluerend gesprekje met mijn vader met bedroefde stem en vooruitziende blik de historische woorden: “Dizze man haldt ús bern út de tsjerke, Anne”¹ en ze onderdrukte een traan terwijl ze de kuiven van de beide Benjamins gladstreek met een likje spuug. Mijn vader die Den Uyl met zijn VAD²-plannen wel kon wurgen keek haar eens aan en mompelde iets als: “Dat sil mei ús Jaap Boersma³ neist dizze

Boersma

úfretter toch wol in slagje meifolle, Sjoukje,” stak een filterloze Golden Fiction op, legde het sigarettendoosje met die adembenemende zilveren band op tafel, inhaleerde inhalig, peuterde een stukje droge worst tussen de kiezen vandaan, bestudeerde dat als grefo’s de geschriften van Luther, droogde zijn vingers aan de binnenkant van zijn sokken, nam zijn kunstgebit in de handen en liep vervolgens naar de keuken om onder de keukenkraan zijn gebit, met wat Vim op de afwaskwast, schoon te boenen boven de gootsteen waarin net een door een buurman geslachte kip was schoongeboend. Wie kon toen bevroeden dat mem met vijfenhalf van de zeven kinderen die zouden uittreden, gelijk zou krijgen?

Spanje scherpt, voorgegaan door Duitsland de reisadviezen aan. Ze zijn als een soort uiterste houdbaarheidsdata. Men gaat er rekkelijk of precies mee om. Duitse inreisverboden wakkeren onze verplaatsingsdrift aan als zandstormen bedoeïenen. In Valencia worden de feesten van Las Fallas afgeblazen. Las Fallas doet me aan carnaval denken. In Nederland was het carnaval een brandhaard. Dat het carnaval een feest is met de wortels in de religie bewijst ook nu onomstotelijk dat godsdienstuitwassen niet bepaald bevorderlijk zijn voor de volksgezondheid: alles achter de voordeur houden ware beter.