Ach ja, die dag des heren

Mijn liefde voor zingen, gluren naar Matsje met het veel te korte gebreide truitje en mijn compulsief-obsessieve  neiging orgelpijpen te willen tellen heb ik overgehouden aan kerkbezoek in mijn jeugd. En sjaa, dat geneuzel over het paradijs, water in wijn veranderen en dat constante afgeven op concurrerende godsdiensten met in Italiaanse superpaleizen met vloerverwarming wonende halve zolen in soepjurken die denken de opvolger van god te zijn, nam ik voor lief. Wij dorpskinderen hoorden op school al elke dag dat de roomsen lak hadden aan de bijbel en dat de kerken aardig waren opgeknapt toen de ordinaire kermis- en woonwageninterieurs met goddeloze afbeeldingen van hen die geen afbeelding nodig hadden, werden ingeruild voor strak wit stucwerk van stucadoorsbedrijf Prins & zns uit Rinsumageest. Wij kregen speciale zondagse kleren die we gedurende een jaar of twee mochten dragen en daarna, toen ze veel te kort waren voor onze snel groeiende lijven tot doordeweekse kledij werden opgewaardeerd. Godver, wat zat ik ’s zondags graag naast mem en heit en hen die met mij heit een supergrote fiscale kinderaftrek bezorgden. Heit had een stem die verrekte goed uitkwam bij de lijzige psalmen en gezangen en mem had een sopraan die nooit wiebelde. Het begeleidende orgel was als een fenomenaal orkest. En tussen het zingen door zag je iedereen wat knikkebollend wegdutten. Dat was voor mij de tijd om Matsje te bekijken, die schuin tegenover ons zat en soms tergend lang bezig was om met haar roze tong een niet bestaand vleesdraadje tussen haar voortanden weg te peuteren, terwijl ze als een zwoele Dolly Dot avant la lettre mij fixeerde door de rose bh-bandjes te herschikken. Aan mijn glunderende kop te zien, zullen heit en mem lang hebben gedacht dat ik het in de kerk reuze naar de zin had en dat ik dominee Breeuwsma’s woorden opzoog als kleenextissues spermasporen, terwijl ik in gedachten met niets anders bezig was dan dat lastige elastiek in Matsjes slipje, dat toen nog onderbroek heette. Op schemeravonden aan het Kerkhoflaantje na de catechisatie werd ik ingewijd. Ik luisterde naar de verzonnen woordjes die ze in mijn oren fluisterde. Heerlijk die dag des heren, moesten ze weer uitvinden…

EDE STAAL ANDERS

G   E   A   N   N   U   L   E   E   R   D

PERSBERICHT

Première  EDE   STAAL   ANDERS

MUZIEK EDE STAAL IN MIX VAN ORGELIMPROVISATIE, ZANG EN TEKST

Grote Kerk Emmen, Zondag 25 oktober 16.00 uur

Stichting Culturele Dorpen Zuidenveld is erin geslaagd de muziek van Ede Staal naar Emmen te halen en wel op Zondag 25 oktober om 16.00 uur in de Grote Kerk van Emmen. Het programma bevat orgelimprovisaties, vocale kwartetten en teksten.

Organist Peter Siebesma licht het werk van Ede Staal toe en improviseert op het orgel Ede’s muziek. Daarnaast zingen vier vocalisten liedjes van Staal, begeleid op piano en worden teksten van Staal gelezen. Het vocaal kwartet bestaat uit: Hanneke van den Berg, sopraan; Marjanca Koetsier, alt; Taco van den Berg, tenor; Reinder van de Molen, bas.  De laatste tekent voor de extra teksten.

Bekend tot in Japan

De te vroeg gestorven Groninger streektaalzanger Ede Staal (1941 – 1986) is in Noord-Nederland een begrip. Wie kent niet zijn fameuze liedjes, als Mien Toentje, ’t Zel weer veujoar worden, of ’t Het nog noeit zo donker west. Zijn liedjes werden vertaald in het Limburgs, Japans en Fries. Tien jaar na zijn dood stond een dubbel-CD As ’t boeten störmt veertigste in de landelijke top-honderd. In 2004 verscheen de biografie ‘Geef mie de Nacht, Ede Staal’. Er zullen in Noord-Nederland weinig (amateur)koren zijn die geen werk van Staal op het repertoire hebben.

Peter Siebesma

Geen introductie nodig. Hij is een bekend en hoogwaardig musicus, componist en organist. Hij heeft in 2018 improvisaties van elf liedjes van Ede Staal op negen verschillende Noord-Groningse kerkorgels gespeeld en ook op cd uitgebracht. Hij laat daarmee zien dat een orgel ook ánders is in te zetten dan alleen als instrument voor religieuze of klassieke muziek. Een bijzonder puntje: Siebesma en Ede groeiden vlak bij elkaar op in Kruisweg en Leens. Siebesma heeft ook een boek over Leens geschreven met de titel De weg van Lains noar Klooster, een verhalenbundel over het Groningse dorpsleven van de jaren 1950/60.

Coronaproof en kaarten bestellen

Vanwege corona staan de stoelen op anderhalve meter. Een beperkt aantal liefhebbers zal deze eerste uitvoering kunnen bijwonen. Grote Kerk Emmen, (Noorderplein 101) Aanvang: 16.00 uur. Entree: € 14,50. Kaartverkoop start vandaag via zuidenveldcultureel@gmail.com

__Einde persbericht_________________________________

14 september 2020, Info bij: Stichting Culturele Dorpen Zuidenveld;

Een hedendaagse parabel  

Mooi hoor, zo’n onwillige dood die nog wat hapert, hort en hakkelt als een sopraan na een nachtje doorsnuiven met een bronstige amant, dacht ik na jouw verhaal over je oom die opleefde na zijn ontslag uit het streekziekenhuis aan de rand van het industrieterrein van een provinciestadje. Je gunt iedereen een oud familielid dat met zijn ziekte bij de dokter komt, wie weet een op het tandvlees lopende aio, zo’n overwerkte met afgetrapte schoenen, vochtkringen onder de oksels als pisresten in een vakantieonderbroek, een tweedehands stethoscoop, nog fris liefdesverdriet en koffieadem, die haar/zijn baas in het weekend verving, en dat oom of tante dan de overvolle familiezak medicijnen laat staan en daarmee een ernstige medicatietoxicatie voorkomt en een soort wederopstanding bewerkstelligt.

De parabel van de allemerkengaragist aan de rand van het industrieterrein van een provinciestadje

“Het ouwe barrel, een Italiaanse brik uit de vorige eeuw, een echte Legno Arido, heeft zijn langste tijd gehad. Van dit soort zijn maar weinig nog rijdende exemplaren bekend. Je herkent ze aan de fijne belijning van de bollende motorkap, het wat ouderwetse motorgeluid en een speciale, heel sonoor klinkende toeter. De snelheid is er uit, hazewindhond werd slak; de uitlaat, ventielen en kleppen lijken verstopt, en de lak is flets en dof. Het koetswerk is licht gebutst.

In een allemerkengarage aan de rand van het industriegebied in het provinciestadje zegt de garagist, een haastige snorremans met een vochtige peuk in de mondhoek, na een vluchtige inspectie waarbij hij onophoudelijk op zijn nepgouden klokje kijkt: ach mevrouwtje, rijd hem maar naar huis en geniet nog even van de klassieke lijnen, de authentieke stoffige bekleding en zijn laatste geprutttel. Gebruik hem alleen nog voor wat kleine boodschapjes in de buurt; hij kan elk moment de geest geven. Dan kan-ie daarna zo naar de sloop voor demontage. Misschien, zit er een hergebruiksverklaring voor nog bruikbare onderdelen bij, kijk even goed in het handschoenenvakje op het dashboard. O ja, en teken hier even voor de nota, die geef ik straks gelijk mee.

Eenmaal thuis op de oprit, wat uit de zon en beschut tegen de herfstregens wordt het beestje vertroeteld. Een dekentje over de cabrio-soft-top, een stevige keg achter de wielen tegen wegglijden en de ronde motorkap met die nog glimmende grille wordt met liefde en olijfolie opgewreven. De bandenspanning wordt wat verlaagd en aan de brandstof wordt geen kerosine of bio-ethanol meer toegevoegd. Want waarom zou je immers het oudje op toeren jagen en de kleppen en distributieriem tot het maximum tergen.

En zie: de koppige zescilinder hoest en kraakt maar begint, aanvankelijk nog hortend en stotend als een verkouden Przewalskipaardje, weer te lopen; stationair op zijn best weliswaar, maar hij doet het! Het lijkt verdomd alsof hij er weer zin in begint te krijgen. Hij gebruikt wat extra olie, zeker, maar lekken doet hij amper. Van heinde en verre stromen kenners en bekenden toe en kijken blij en bewonderend toe.”

It Paradyske

Zaterdags fietsten we met de hele klas naar het zwembad. De hel heette It Paradyske. Jarenlang probeerde badmeester Kalen ons te leren zwemmen. Onder de snelbinder een kokervormig zwemtasje met een koord met clipsluiting. De binnenkant van rubber, die de natheid van de zwembroek moest weerstaan. Deed je het tasje thuis open dan rook je keukenhandschoenen die te lang in het gootsteenkastje hadden gelegen. Badmeester Kalen had een harde stem, een strakke buik en kort donker haar. Brechje Bosma van de Johan Bogermanstraat zou voor hem vallen. Ze trouwden in de gereformeerde kerk terwijl iedereen wist dat badmeester Kalen een heiden was. We kleedden ons uit in halfopen kleedhokjes. Ruw beton schuurde je voeten. Ik had een rode zwembroek van geribbelde stof met een geelgroen riempje. In het water voelde die zwembroek als een loden vest dat je naar beneden trok. Als ik, voordat ik in het water ging, het riempje even opentrok en er lucht inliet en dan snel het riempje strak aantrok, dan kon ik bijna een halve minuut extra drijfvermogen opwekken. Mijn pikje zwom dan wanhopig in de zwembroek als een verdwaalde vastgebonden goudvis. Badmeester Kalen schreeuwde wat we moesten doen. De jongens moesten duiken, de meisjes met een plankje zwemmen en Goitske en ik bleven op de kant. We moesten buikelings op een bankje liggen, de armen en benen bewegend in de lucht. Was dit wat een parachutespringer voelde? Als het badmeester Kalen schikte keek hij even naar ons en blafte dat we de schoolslag moesten oefenen. Raar woord: schoolslag. Was er ook een kerkslag? Vanaf de overkant van het zwembad zag hij wat we niet goed deden. Goitske droeg een gebreid zwempakje, geel met bruine schouderbandjes. Als dat nat was trok de zwaartekracht ongenadig hard aan de stof. Soms kwam Oene langs, badmeester Kalens hulp, een stagiair van een sportopleiding. Hij bewoog mijn knieën naar buiten door hard tegen mijn voetzolen te duwen. Oene was sterk. Mijn handen moesten anders. Hij wilde van bovenaf mijn knokkels zien. Tegen Goitske deed hij nog wreder. Haar dijen en heupen deden pijn, zei ze als we na afloop terugliepen naar de kleedhokjes. Er waren zwemlessen dat we alleen droog mochten oefenen. Goitskes wangen rilden en waren dan blauwachtig. Na afloop van een droogzwemles moest ik altijd plassen. Mochten we wel te water dan probeerde ik een gele lijn achter mij te voorkomen. Dat had ik gehoord, dat als je in het water plaste, iedereen een gele lijn achter jou kon zien. Wat voelde dat lekker. Je ging even staan, opende de bovenkant van het zwembroekje en dan voelde je een warme traktatie je pikje omarmen. Op de terugweg door It Paradyske had ik weer praatjes voor tien.

(Illustraties: Jacco Olivier (1972) ‘Momentum’ (2019) in Voorlinden (juni 2020))

Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling


Als ik Lubbers’ Zuidenveldkroniek lees voel ik me als een kind dat door een caleidoscoop kijkt: steeds zie ik wat nieuws. Een foto op pagina 275 symboliseert het Zuidenveldgevoel treffend: vijf mannen zorgen ervoor dat een vastgelopen aanhanger weer vlot komt: met vereende krachten iets tot een goed einde brengen, dat typeert dit feest. Roelie Lubbers-Hilbrands beschrijft in Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling 1920 – 2020 de zuidenveldtentoonstellingen in al zijn facetten. Het zou mij niet verbazen als bij de eerstvolgende Zuidenveldtentoonstelling een platte kar aan haar is gewijd: haar lach en blonde lokken met duizenden maiskorrels, graanstengels en een keur aan bloemen op een plateau uitgelicht. Het boek is opgedragen aan enkele familieleden en, hier zien we Lubbers de diplomaat, aan alle deelnemers, medewerkers en bezoekers: het volk van het Zuidenveld.

Wat een immense klus moet het zijn geweest om de 100 jaren Zuidenveld te boekstaven, elk jaar op twee pagina’s, met er tussendoor beschrijvingen van het volgende decennium. In 304 pagina’s, zo’n 1.800 gram papier, boordevol tekst in gevarieerde lettertypes en foto’s, vanaf 1973 ook in kleur, sommige zelfs met watermerken, vertelt zij de historie. Overzichtelijk gerubriceerd en uiterst volledig: tot en met de jaarlijkse cateraar aan toe. Prijswinnaars, advertenties, bezoekersaantallen, financiële overzichten, bestuurssamenstellingen en meer.

Bij de decenniabeschrijvingen typeert Lubbers de historica de tijdgeest bondig en to-the-point. Van democratisering in de jaren zestig tot het homohuwelijk in 2002, velerlei maatschappelijke veranderingen komen voorbij die de landbouwtentoonstellingen inbedden. Al lezende voltrekt zich de geschiedenis van het boerenbedrijf met daarin een prominente rol voor de dieren en de boeren. Ertussendoor lezen we over de economische ontwikkelingen in de agrarische sector, de rol van de vrouwen, de oorlogsperiode, belangstellende hoogwaardigheidsbekleders, de regionaal-geografische ontwikkelingen en heel veel faits-divers die het boek leesbaar maken en houden. Van de vele foto’s is verreweg de mooiste die op p 61 met gelooide koppen van het prototype van Zuidenveldgangers: stoere mannen met petten.

Een speciaal onderdeel van het Zuidenveld zijn de versierdewagenoptochten en de versierde straten met de erebogen als hoogtepunten. Ik zie nog mijn oude buurman maanden voor het feest in Sleen in zijn schuur honderden vlinderfiguren voor de straatversiering lassen. Met veel gemeenschapszin en het inleveren van sloten vrije tijd, werd met man en macht gewerkt aan de gezamenlijke presentaties.

Missen we dan niets? Zeker, het boek was nog leuker en vollediger geworden als Roelie Lubbers anderhalve bladzijde had ingeruimd voor de keerzijde van de medaille, de achterkant van het gelijk. De ontwikkelingen in het boerenbedrijf gaan snel en het wordt allengs duidelijk dat die ook nodig zijn. Iedereen heeft in zijn familie wel een neefje dat een werkstuk over mest- of kalverfraude, Round-up en de miljardenclaims tegen Monsanto moet schrijven of een in Wageningen studerend nichtje dat op elke verjaardag van oom Annechienus de discussie aanjaagt met irritante vragen over biologisch boeren, het zielige van afgesneden staarten bij Belgische paarden, de circulaire landbouw van Carola Schouten en de ontwikkelingen in het dierenbevrijdingsfront, waarvan zij aspirant-lid is geworden. Het is jammer dat Lubbers de kritische geesten die binnen elke politieke partij te vinden zijn op p 7 zuurpruimen noemt. Niet zelden betreft het mensen met een agrarische achtergrond die het beste voor hebben met de boeren. Veel meer dan gratuite sympathie verdienen boeren het kritisch en met respect gevolgd te worden. Op p 253 volgt een licht herstel en komen dierenwelzijn, boerenprotesten en ecologische duurzame landbouw aan bod. Iets uitgebreider was aardig geweest en had meer recht gedaan aan de veranderingen die het boerenbedrijf te wachten staat.

Maar voor de rest: Roelie, chapeau! Ik ben nu al nieuwsgierig naar de eerstvolgende coronavrije versierdewagenoptocht in 2021 in Schoonebeek.

Spanje 5: Intemperie

Den Uyl

Jesús Carrasco’s Intemperie verhaalt van een vluchtende dorpsjongen. Een vlucht wil ik het niet noemen, maar een soort uittocht is het zeker wanneer we op zondag 15 maart noordwaarts kachelen in een stoet van campers, enkele caravans en een zootje ongeregelde Poolse en Roemeense minivrachtwagentjes. De zon schijnt en de temperatuur en dieselprijzen wisselen als seksuele contacten van plattelandsmeisjes die voor het eerst in Salou zijn. De lange weg naar Lyon rijdend krijg ik visioenen van een premier die een verstandige toespraak zal gaan houden die me voor hem zal innemen. Verdomme, ik zal toch geen VVD’er worden? Ik vergelijk Ruttes toespraak met die van Den Uyl in december 1973; allebei getuigend van ferm en fier staatsmanschap. Vergeleken daarmee is de sprekende koning een sneue ledenpop. Al rijdend tast ik mijn geheugen af. Na afloop van Den Uyls rede sprak mijn moeder in een evaluerend gesprekje met mijn vader met bedroefde stem en vooruitziende blik de historische woorden: “Dizze man haldt ús bern út de tsjerke, Anne”¹ en ze onderdrukte een traan terwijl ze de kuiven van de beide Benjamins gladstreek met een likje spuug. Mijn vader die Den Uyl met zijn VAD²-plannen wel kon wurgen keek haar eens aan en mompelde iets als: “Dat sil mei ús Jaap Boersma³ neist dizze

Boersma

úfretter toch wol in slagje meifolle, Sjoukje,” stak een filterloze Golden Fiction op, legde het sigarettendoosje met die adembenemende zilveren band op tafel, inhaleerde inhalig, peuterde een stukje droge worst tussen de kiezen vandaan, bestudeerde dat als grefo’s de geschriften van Luther, droogde zijn vingers aan de binnenkant van zijn sokken, nam zijn kunstgebit in de handen en liep vervolgens naar de keuken om onder de keukenkraan zijn gebit, met wat Vim op de afwaskwast, schoon te boenen boven de gootsteen waarin net een door een buurman geslachte kip was schoongeboend. Wie kon toen bevroeden dat mem met vijfenhalf van de zeven kinderen die zouden uittreden, gelijk zou krijgen?

Spanje scherpt, voorgegaan door Duitsland de reisadviezen aan. Ze zijn als een soort uiterste houdbaarheidsdata. Men gaat er rekkelijk of precies mee om. Duitse inreisverboden wakkeren onze verplaatsingsdrift aan als zandstormen bedoeïenen. In Valencia worden de feesten van Las Fallas afgeblazen. Las Fallas doet me aan carnaval denken. In Nederland was het carnaval een brandhaard. Dat het carnaval een feest is met de wortels in de religie bewijst ook nu onomstotelijk dat godsdienstuitwassen niet bepaald bevorderlijk zijn voor de volksgezondheid: alles achter de voordeur houden ware beter.

Spanje 2; In de klauw van Klotinden

Probeer maar eens bij een Spaanse rijwielhersteller in je nieuwste Spaans uit te leggen dat de schijfremmen van je mountainbike een naar metalig geluid maken. En dat het dan toch lukt, kijk dat gevoel heb ik graag. Vale, mira, bij de sympa bakkersvrouw vragen om een multicereal i.p.v. een witte plakbaguette die je darmen verkleeft en verstopt als een reparatieplug een buitenband van een drietonner, dat gaat, gesteund door glimlachjes en heen en weer schietende pupillen al heel aardig.

Ik wil een evenwicht zien te vinden in mijn beeld van Spanje en zoek daarom naar een uitgebalanceerde mix van Spaanse pros en cons. Dus èn constateren dat de situatiekaart van de camping je verneukt door te suggereren dat achter de heg het strand al begint èn vaststellen dat de jeugdwerkloosheid in enkele jaren van boven de 35 naar 15 % is gedaald. Constateren dat de verstikkende greep van het katholicisme, het koningshuis en Franco de Spanjaarden onder de dikke debiliserende duim hebben proberen te houden, maar ja, bij alle drie was/is de keus aan de Spanjaarden zelf naturalmente, naast oog hebben voor een welhaast aangeboren houding open te staan voor grensoverschrijders. En daarvan zijn er veel.

In het voorjaar is Spanje het land van de geknotte en uitbottende acacia, waarvan de nieuwe loten naar buiten willen spuiten als ontsnappende lucht na een bloeddrukmeting, uitbundig bloeiende krentenbomen, de prunus japonica, die in geteelde toestand in de verte doet denken aan groepjes aan anorexia lijdende synchroonzwemsters die hun roze beentjes schuin omhoog boven de waterlijn naar de zon priemen en dat nog synchroon ook, hoerige bougainvillea’s en overschatte uit Nederland geïmporteerde voetballers.

Gelukkige Slaven van Tom Lanoye, De meeste mensen deugen van Rutger Bregman, 21 lessen voor de 21e eeuw van Yuval Harari en In de klauw van Klotinden van Piet Oly vullen de leemten van wifi-gerelateerde bezigheden en onvolgbaar nieuws over de nieuwe plagen: overstromingen, sprinkhanen en virussen die maar niet de vaart van muizenexplosies willen evenaren en de effecten waarvan maar niet in de schaduw kunnen staan van de 20.000 jaarlijkse doden die de door de Nederlandse staat gestimuleerde tabaksindustrie eist.

Winterfiets Elfstedentocht 12 en laatste

Week 6

Het is volbracht, we hebben de 205 kms afgelegd in bijna 10 fietsuren, 8 regenuren, ½ strakkewinduur op een dag van 03.45 – 23.30 uur. Van de 1.200 deelnemers waren wij ongeveer de enigen op een atb. Eigenlijk viel de tocht mee en dat komt door het uitblijven van harde tegenwind en gemene kou; desalniettemin zijn 200 deelnemers onderweg afgehaakt. Weervoorspellers zaten er naast als een over het klimaat twitterende Baudet. In de Elfstedenhal heb ik, als enige, lekker en uit volle borst mee kunnen zingen met het Fryske Folksliet, op de trompettonen naast Wennemars. Dan voel ik me Frieser dan Fries, als een Turk in Almere.

Tussen IJlst en Sloten spreek ik Kemal uit Turkije en Jan uit Berlikum op een Batavus met ligstuur. Op mijn standaardvraag aan Kemal en alle Turken die ik waar dan ook ontmoet of hij een Gülenist is of een AK-partijaanhanger, relativeert hij mijn tunnelblik door ‘geen van beide’ te antwoorden. Hij is een Koerd en zowel Gülen als Erdogan hebben de Koerden slecht behandeld. In Bolsward zie ik een verpleegster die later gewoon echtgenote blijkt te zijn die een senior fietser een droge kous aantrekt terwijl ze zijn schonkige, lijkwitte en blauwdooraderde knieën masseert. Buiten vraagt ze hem liefdevol: ‘Moet het eten links in je fietstas en het drinken ernaast of omgekeerd?’ Op de groepsapp lees ik dat er een fietser onderweg een acute hartstilstand heeft gekregen en in kritieke toestand naar een ziekenhuis is gejakkerd. Ik hoop dat het de kousenman niet is.

Ondanks de zes lagen kleding over mijn torso krijg ik een koude buik. Mijn benen doen het, met slechts één kledinglaagje goed. Vanaf Stavoren hebben we ruggensteun van de wind als boeren met een opkoopregeling, asbestsaneringssubsidie, verduurzamingsgelden, of de reguliere EU-miljarden. De  verwarmde wanten lopen vol water als lekkende kruipruimtes en ik krijg ze moeilijk uit en aan; kristusziele, elektrocutie zal met lithiumbatterijen toch niet zo’n vaart lopen? Een EHBO’ster in Stiens ziet me worstelen en tovert mijn knipkaart behendig tevoorschijn als een Lidl-kassière de portemonnee van een kind en vraagt of ze mijn jack op de cv zal leggen. Later komt ze een praatje maken en checkt, vanwege mijn gestuntel of is het gewoon professionele liefde op het eerste gezicht? of ik niet onderkoeld ben. Ik wil haar kussen. Haar bezorgdheid is weldadig.

In Dokkum, bijna mijn hometown natuurlijk, zitten er in de Posthoorn meer dan zes bevroren medewerkers achter een eiken tafel als Stalinistische gerechtsdeurwaarders in Omsk. Eén wil wel even een knipje in mijn kaart doen. De 12 kms van Dokkum naar Aldtsjerk zijn de ergste. De bepijling hapert, amper straatverlichting en waar ze zijn doet de helft het niet. Dat is de schuld van die verrekte Farmers Defence Force-boeren denk ik zeker te weten totdat ik sleuven zie waar Rinsumageester sleuvengravers glasvezelkabels hebben toegedekt en aangestampt als Turken Armeense genocideverhalen of plattelandsburgemeesters door rekenkamers onthuld financieel wanbeheer.

Frans, door vermoeidheid openhartig als een gewaterboarde Guantanamo Bay-inmate, bekent dat hij de melodie van het Friese Volkslied hoog op het repertoire wil zetten van een nog op te richten amateurensemble van fagot- en hobotoeteraars. Dan nog het laatste stempel en een, sorry, superlelijk, kruisje in de Blokhuispoort, het lekkerst denkbare familiebier en op naar de parkeergarage waar ik de schuurplekjes in mijn schaamstreek bestudeer in de alles vergrotende spiegel van een Tesla in aangenaam t.l.-licht.Onderweg naar huis neurie ik de melodie van

Frysk bloed tsjoch op! Wol no ris brûze en siede,
En bûnzje troch ús ieren om!
Flean op! Wy sjonge it bêste lân fan d’ierde,
It Fryske lân fol eare en rom.

Gemeentedichters Emmen starten week van de poëzie

Drie gemeentedichters (gemdi’s) traden zondagmiddag op in de bieb. De 35 luisteraars die FC Emmen niet naar Arnhem zijn nagereisd, kerkbezoek mijden als oorwurmen open ruimtes en de koopjeklaarzondag laten voor wat het is, luisteren vriendelijk en met aandacht. Men verbaast zich over het verzoek mobieltjes op stil te zetten terwijl de jonge cateraar luidruchtig een spaan aandacht meepikt.

Het is de eerste dag van de poëzieweek. Ik had net Arjan Peters’ artikel (Hoe dicht de dichter?) in de Volkskrant gelezen waarin Peters (sinds jaar en dag literair criticus in de VK) de werkwijze van drie dichters (Rosa Schogt, Asha Karami en Erik Jan Harmens) tegen het licht houdt. Ik zie levensgrote verschillen met de gemdi’s. Het grootste: de landelijke bekende dichters maken niet, nauwelijks, of per ongeluk gebruik van rijm. Schogt: “Ik geef de voorkeur aan klankrijm boven nadruk op het rijm. Het moet aanvoelen alsof het bijna per ongeluk rijmt.” Karami: “Ik schrijf geen klassieke vormen, maar schep een eigen orde, hier zonder hoofdletters of punten.” Harmens: “De taal mag een beetje mishandeld worden. Ik ging scherpe regels schrijven. Uitgebeend.”

Bertus Beltman

De drie vanmiddag gehoorde gemdi’s rijmen als Ajax scoort: veel. Bertus Beltman hanteert strakke vormen, ijzeren (zo lijkt het) schema’s, als garagisten die cilinders op een honderdste millimeter uitboren. Eddie Zinnemers is wat losser, maar zou hij stoppen voor het rijmwoord en het publiek vragen het volgende woord te scanderen, er werden weinig fouten gemaakt. Hetzelfde geldt voor Gähler. Gähler ontpopt zich als relatie- en zorgdeskundige. Ik mis vanmiddag Anna Sophie Bakker, Eva Broekmann en Peter Veen. Van Veen lees ik de laatste tijd veel, eeh, ready-mades, bijvoorbeeld een behangplakhandleiding vermomd als gedicht. Bakker en Broekmann komen met hun wat vrije poëzie wellicht het dichtst bij de klassieke opvatting (van Kloos) dat poëzie de allerindividueelste expressie is van de allerindividueelste emotie.

We horen vanmiddag thematiek die je verwacht te horen bij dichters. Over tijd van leven, digitale doofheid, over verleden en toekomst, de bevrijding, vriendschap en zorg. Beltman filosofeert over de te snelle komst van de toekomst: “Was het nog maar gisteren.” En: “Het is nooit te laat om kind te zijn.” Millennial Gähler, een zelfverklaard ‘achterafgenieter’ start met een vers over genieten, waarin the male chauvinist pig in mij al snel het verlangen naar een orgasme herkent en vervolgt met het dilemma van wel of niet een oordeel geven. Zinnemers is de luchtigste van de drie en etaleert zijn kwaliteit als sneldichter, nou ja, snelrijmer, als hij de uitslag van FC Emmen tegen Vitesse in twee regels beschrijft. Verder komt in zijn werk alledaags nieuws als pandaporno, Badr Hari, stikstof en de Brexit voor. Hij vloekt de farmers for defence, de klimaatontkenners, de idiotie van kickboksen, mallotige media-aandacht voor neukende panda’s en de knettergekke Boris J. niet stijf, maar spaart de kool en de geit wanneer hij uitkomt bij zijn eigen keuzeloosheid in allervriendelijkste en vrolijke liedjes en verzen.

Als ik even wegdommel hoor ik zangeres Lisa Ploeger (18) ‘here we go again in 1973’ zingen, maar had gemist dat het niet haar eigen tekst maar een cover was. Zij begeleidt zichzelf op een akoestisch gitaar en doet dat heel goed. Ze heeft een mooie stem, vooral wanneer ze de hoogte ingaat en vooral als ze even lekker uithaalt. Haar beste tekst deze middag is het gewaagde en superassertieve “I’m better than ever (when I stopped running in circles and crying in my sleep).” Vooral dat I’m better than ever deed ’t hem.

Na de pauze laat Beltman ons genieten van zijn strakke versvormen, stapt Gähler van het podium en op het publiek af en demonstreert Zinnemers hoe liedteksten en cabaret verschillen van poëzie. Als entr’acte treedt Rudolf Kuko op die Emmens schoonheid à capella bezingt.

Rob Stoker Verslagen vriendschap (roman, € 18,50)

Bij de presentatie van Rob Stokers derde boek werd even gesteggeld over de vraag hoe je Verslagen Vriendschap moet noemen: een roman, een literaire of psychologische thriller? Waarom de, excusez le mot, luie uitgevers (het boek bevat nogal wat taalfouten (¹)) niet gewoon op ‘jeugdboek’ of zelfs ‘jongensboek’ kwamen is een raadsel.

Verslagen Vriendschap is een spannend, filmisch geschreven jeugdboek. Felix en Leon zijn twee zestienjarigen die in een slaperig houtzagersstadje wonen. Leon is een enigszins onzekere jongen uit een gewoon gezin die blij is vriendschap met Felix te kunnen sluiten en kennis maakt met Felix’ aantrekkelijke tante Lynn. Felix woont bij zijn tante in een pension en zit vol geheimen en geheimzinnigheden. Beide jongens zitten voor het schoolexamen en werken graag in de houtzagerij.

Tegenover deze twee staat een trio anti-helden: Mike, Joshua en Peter, ook wel de ratjes of huftertjes genoemd. Bij een vervelende confrontatie pakt Felix met zijn klauw Mike even bij de pols tot het kraakt. Later chanteert hij de ratjes met foto’s waarop ze masturberend zijn afgebeeld. Het verhaal is dooraderd met geheimen en leugens en stoere jongensdingen. Dat alles zorgt voor een onheilspellende sfeer.

Vanaf het begin komen geheimzinnige zaken aan de oppervlakte. Een geblindeerde zwarte Audi staat her en der in het stadje geparkeerd. Van de chauffeur heeft niemand het gezicht ooit gezien. Waarom zou een jongen zijn vader in de brand steken? Felix heeft een jaar in een jeugddetentie-inrichting gezeten. Langzaam wordt de verhaallijn ontpeld. Halverwege het boek vallen zaken op hun plaats en wordt duidelijk wat er zich vroeger heeft afgespeeld. De spanning wordt niet aangetast, integendeel.

De door Stoker gepresenteerde wereld doet gedateerd aan. Roken is nog stoer, je kunt zelfs stoer sigaretten uit pakjes toveren, vrouwen runnen pensions, het huishouden of een koffiepunt en mannen zagen hout, zijn boswachter, advocaat, alcoholist of psycholoog. Die psycholoog is een gekke Henkie wiens therapie door patiënten wordt gesaboteerd. Stoere houtzagers noemen een schuchtere jongen ‘homootje’, ogen spuwen vuur en staren alsof ze water zien branden. Stoker hanteert het taalgebruik van een VMBO-leraar: niet te lange zinnen in een klare taal; het enige vreemde woord is parameters.

Literaire beeldspraak of metaforen zijn zo goed als afwezig. Wat het jeugdboekgevoel vergroot is dat Stoker achternamen vaak achterwege laat. De advocaat heet Tom, de psycholoog Robin en de boswachter Tim. Een vader die zijn handen niet van zijn dochter kan afhouden geeft het boek een moderne impuls. Verder in het boek blijkt ook hier dat de leugen zwaarder weegt dan het vermeende misbruik.

Het boek is kunstig geconstrueerd en verdeeld in hoofdstukken die alle het woord ‘onheil’ bevatten: Het jaar van het onheil, Het jaar voor het onheil, Vijf jaar na het onheil en meer. De plaats van handeling wordt niet nader aangeduid maar je voelt op elke bladzijde Amerika. Het betreft een provinciestadje waardoorheen een rivier loopt. Het landschap is heuvelachtig met naaldboombossen. Alle personen hebben Engelstalige namen. Omdat Stokers vertelperspectief dat van de alwetende is weet de lezer veel meer dan de personages en dat staat soms de geloofwaardigheid in de weg. Voor een filmscript is dat natuurlijk ideaal; de filmlocatie lijkt, afgaande op de omslagfoto, al bekend.

(¹) 9 bleef iets langer bleef hangen / 12 Felix gezicht, 163 Felix verklaring / p 26 aan het eind van dag / 39 deze gezicht / halfopgerookte?? / 42 ofzo / 44 een vent hebt / 65 Anna = Anne / 77 binnen korte termijn?/ 103 herinnerde hij / 106 behalve (met) wiskunde / 108 in het pension en liepen we / 128 dat ze echt in paniek in raakte / 129 muziek te luisteren / 133 die slipje / 152 gelijk hoog /p180 mili-eutechnische/