Marseille VI

Met ‘Il est cinq heures’ van Jacques Dutronc in en tussen mijn oren ratelen we om 06.30 uur onze rolkoffers over de ongelijke stoepstenen van Rue de l’Académie naar de Boulevard d’Anthènes en kijken nog eens om. Slaperige mannen in lange gewaden en op teenslippers gaan uit bidden naar de moskee. Een uitgelichte heilige steunt een gevel en kijkt afkeurend naar overvolle vuilnisbakken. Met gemak beklim ik de 107 marmeren treden voor Station Saint Charles.

Sortie. Fini. Le départ op de achtste dag en we vinden dat het goed is. De wandelroutebijbel van Marseille leidde ons gisteren de stad uit, van rauw naar charmant, van Stad naar Haren, van spannend naar suf: naar Aix-en-Provence, een stad  van 150.000 inwoners. Een soort uitje. In de bus naar Aix overdenk ik het idee van Volkskrantcolumnist Peter de Waard dat eigenhuisbezitters zelf de WOZ-waarde mogen aangeven, maar dat de gemeente dan het recht heeft het huis voor dat bedrag aan te kopen. Zou heel wat rompslomp, in het Frans ‘tracas’ besparen. En dan Rutger Bregman die een appèl doet op de mensen met bullshitbanen en hun vraagt een U-turn te maken en ervoor te zorgen dat ze niet vermogend het graf in rollen. Een moreel appèl. Een ethisch réveil.

Waarom bevalt ons Marseille beter dan Aix? Omdat Marseille een ‘round’ in plaats van een ‘flat’ character is. Poly en niet mono. Vormvolle vorm en inhoudsvolle inhoud. Waar Aix-en-Provence één gezicht heeft, dat van de gegoede, rijke, beetje boring, mooie, provinciestad, heeft Marseille er wel tien: dat van het  multiculturalisme, de haven naast het land, gepolijst en ruw, uitwaaierend en ingedikt, mooi en lelijk, smerig en gewassen; kortom een wereldstad. Maar een wereldstad met havenstedelijke, wereldgrote problemen zoals drugshandel en drugsgerelateerde moordpartijen. Op onze laatste dag zien we een lange rij politiebussen staan aan Boulevard Canébière. Een week later lezen we dat  president Macron Marseille bezoekt i.v.m. la lutte contre la drogue.

En als we thuis zijn ruilen we de oranje beer voor het MUCEM in voor de witte ijsbeer voor het Groninger Museum; beide geslachtsdeelloos.

Marseille V

Je kiest een iconische Franse auto, een zilveren Citroën DS, zaagt die in tweeën, gooit het middendeel weg en last beide fragmenten weer aan elkaar. Opzienbarend werk van de Mexicaanse kunstenaar Gabriel Orozco. in het Musée d’Art Contemporain.

Maar eerst nog even dit: ons onderkomen ligt op de derde verdiepeing en heeft een luie trap die het gemak van een luie stoel heeft. Het voordeel van een door Moslims bewoonde wijk is dat dronkenschap niet voorkomt. Ons slaapritme benadert dat van thuis: van 22.00 – 07.00 uur. ’s Nachts is het doodstil en worden in alle rust de straten, grace à Allah, geveegd en gespoeld, ook de smalle voetgangerspassages.

Voor een Stadjer die af en toe met een prikstok papiertjes weghaalt is Marseille een behoorlijke omslag. In de armere binnenstad is milieubesef ver te zoeken. Mijn strakke waarden- en normenpatroon wordt op de proef gesteld als ik een vette dode rat in de straat zie. Een grote vuilniswagen rijdt voorbij. Etensresten op straat. Rattenoverlast in een tijd dat (ook in Marseille) de vaccinatiegraad onder kinderen schrikbarend daalt, is een slecht teken. En tegelijk beginnen we van de stad te houden als we neerstrijken op La Plaine of worden verwelkomd door een vlucht duiven op Cour Julien en een glaasje Orangina met een papieren rietje drinken.

Voor een stad met 2,2 miljoen inwoners heeft Marseille op modernekunstgebied minder te bieden dan je zou verwachten. Het schitterende museum  MUCEM aan het water nabij Le Vieux Port is gesloten, Cantini stelt weinig voor en het MAC heeft een karige vaste collectie.

L’Âme de Napoléon

In Musée Cantini (toegang gratis), een groot, statig herenhuis met drie verdiepingen is de kunst thematisch gerangschikt: portretten, kleur, abstract, enz. ideaal voor scholieren. In elke kleine zaal is een suppoost en dat heeft alles te maken met recente handtastelijkheid van bezoekers. In de vaste collectie ook veel fotografie. Mooiste werk: De ziel van Napoléon van André Masson.

Het MAC

Het MAC (Musée d’Art Contemporain, entree € 6,-) ligt in een buitenwijk. Het gebouw bestaat uit een zevental gepuntdakte zalen en biedt een keur aan moderne kunst. Voor het gebouw groeien bomen door het dak. Opvallendste werk is een Citroën DS, verkleind tot een twoseater. Verder een mechaniek van Tinguely, werk van Yves Klein, en César Baldaccini, van wie een in elkaar geperste oude Renault; oeps, twee auto’s die een verkleiningsproces hebben doorlopen, wat wil dat ons zeggen? Een interessante, enkele zalen beslaande, expositie is te zien van Marc Desgrandchamps.

Zowel Musée Cantini als het MAC worden, als wij er zijn, matig bezocht. Het aantal suppoosten overtreft het aantal bezoekers. Marseilles beroemdste ijsverkoper L’Elephant Rose heeft het, getuige de rijen op straat, aanmerkelijk drukker. ’s Avonds lees ik  over Rutger Bregmans nieuwste plannen.

Marseille IV

De zee naast de stad is een pre, voor een stad een cadeau. Wandelend langs de (inhammen van de) Middellandse Zee op een zonovergoten dag in Marseille, waardeer je factor 50. Terrasprijzen stijgen naarmate je het water nadert. Hier een villa, daar een onderkomen van het Vreemdelingenlegioen en op vlakke rotspartijen stoere bruine basten die als gehaktballen in vette jus liggen te bruinen of bezig zijn de pectoralis major aan te scherpen. Op rotspartijen naast het hoog opspattende zeewater zie je betrekkelijk veel yogaënde vrouwen, hetgeen je de vraag doet stellen wat mannen weerhoudt van yoga. In de stad langs lanen en op pleinen zie je in deze tijd op uitbotten staande bomen, vooral heel veel platanen, en soms vanuit muurspleten voorjaarsstruiken; hier en daar zie je een alles bedekkende lichtgroene waas of weerloze kleine knopjes die zelfs verstokte prozaïsten tot poëten maakt.

Wat verder opvalt in Marseille: er zijn geen snackbars, haring- of kibbelingwinkels, geen of weinig fietsenzaken, nauwelijks straatmuziek, weinig straatmeubilair, veel scooters en motoren, behoorlijk veel rotzooi op straat, een enkele dode rat, overvolle vuilniscontainers, geen Nederlandse toeristen, veel Romavrouwen met bedelende kinderen, heel veel soms hard rijdende steps, zebra’s die minder heilig zijn dan in Nederland, veel terrassen, geen elektrische bussen, en bijna alle huizen hebben luiken voor de ramen. Alle horeca- en winkelpersoneel spreekt wat Engels, maar dat Frankrijk de English Proficiency Index niet aanvoert (Frankrijk staat op 28, twee plaatsen boven Italië) is duidelijk. Maar prettig gedoseerde, licht geheimzinnige, Franse vrouwelijke glimlachen vergoeden veel.

Als ik een sculptuur van een hert zie moet ik even aan Andreas Blühm van het Groninger Museum denken, die, met de beste bedoelingen waarschijnlijk, een uitvergrote plassende ijsbeer exposeert. Beide beelden kunnen mensen smaakvol of smakeloos, mooi of lelijk vinden. De ijsbeer tovert een lach op kindergezichten; het hert maakt mensen nieuwsgierig en stimuleert denken en vragen.

Marseille III

Van oorsprong katholieke Franse steden worden vaak gedomineerd door aan deze religie verbonden gebouwen, vaak mastodonten, die ongegeneerd de openbare ruimte opeisen, als carnavalswagens op industrieterreinen. Ook Marseille kent enkele fikse katholieke jongens, zoals de grote La Major kathedraal, de basiliek Notre-Dame de la Garde en meer. Ook zijn er het straatbeeld bepalende moskeeën, zij het bescheidener en miniaturen vergeleken met de roomse bouwwerken. Moskeeën als de Arrahma, de Mariam en de Mosquéé Islâh zijn veel nieuwer dan de roomse broeders. Een interessant verschijnsel is wat ik de huiskamermoskee noem: in oude wijken zoal Noailles zie je een tot minaretloze moskee omgekat voormalig winkelpand waar de mannen gezellig wat bij elkaar komen – vrouwen zie je er nooit – om te bidden en de stand van Olympique de Marseille door te nemen.

Straten in de binnenstad mogen smal zijn, de voetgangers wordt een veilige wandelroute van zeker een meter breed geboden door beschermende stalen hekken en palen. Werkt perfect. De fiets zit nog wat in de verdrukking, die krijgt op zijn hoogste een smalle groene baan die vaak versperd is door bezorgauto’s; daar is nog veel te halen. (Race)fietszaken kom je in de binnenstad niet tegen. De metro heeft twee lijnen, die, vanwege een ingenieus bochtenwerk, de stad goed doorkruisen. Grote auto’s mijden maar liever de binnenstedelijke routes. Hoewel er in de binnenstad wel wordt gebouwd en gerenoveerd is er nog heel veel te doen. Heel veel straten zijn voorzien van verzinkbare stalen bolders. Niet voorbereide chauffeurs zie je vaak met de foon in de hand, paniekerig voorovergebogen en met een leger toeteraars achter zich overleggen met ambtenaren die aan de knoppen zitten, opdat Sesam zich opent.

Aan de kopse kant van Le Vieux Port is een schitterend kunstwerk: een spiegelende dakconstructie. Verder is er heus wel straatkunst maar niet overdadig veel.

Marseille II

Migrantenstad Marseille heeft als lijfspreuk ‘Nous sommes tous d’ici et d’ailleurs’, wij zijn allen van hier en van elders. De betekenis hiervan geeft een tolerante gastvrijheid aan en dat ondanks de permanente aanwezigheid van de ultra-rechtse Le Pen in het Franse parlement, Marine als opvolger van Jean-Marie. Je leest veel over de rauwe randjes van de stad. We zien in Noailles armoede naast welstand. Goedkope wijkmarkten naast dure merkenwinkels. De werkloosheid onder jongeren is groot en men spreekt over (her)invoering van de dienstplicht. Soms een politiebusje op straat. Na straatmarkten blijft er meer en langer vuil liggen dan op Groningens Vismarkt. Af en toe zie je een securité-meneer voor een restaurant. Relatief veel bedelende vrouwen met kleine kinderen, maar nauwelijks straatmuziek. Bijna alle mannen met Noord-Afrikaanse looks hullen zich in zwarte kleding en witte sneakers.

Vergeleken met Parijs is Marseille minder duur. En gevarieerder? Tenminste voor zover wij zien. In de regiokrant van de Provence lezen we typisch regionaal nieuws over drugshandel en opgepakte dealers en een echtpaar dat in een nieuw huis tien varkens aantreft. In de overlijdensadvertenties zien we veelal stokoude gedecedeerden. De mooiste Marseillaanse attractie is de centraal gelegen oude haven, boordevol jachtjes, zeilboten en wat verdwaalde vissersschuitjes. We kunnen – bijna – overal met de bankpas betalen. 

Marseille is een stad van steile straatjes, trappen en pleinen. Heel veel smalle straten zijn ver- of ontsierd met graffiti. Soms semi-artistieke afbeeldingen, soms wild en onsamenhangend gekras, maar altijd kleurrijk. Achterstallig woningonderhoud is schering en inslag. Maandelijks worden huizen ontruimd, soms na noodlottige ongevallen. Gestutte huizen komen overal voor. Misschien het mooiste en grootste plein is La Plaine met terrassen, kinderspeelplaatsen, bomen. Een kleinere place is Cours Julien, met fraaie houten passages over water en overal groepjes duiven die het straatbeeld verlevendigen. Een schitterend plein, nou ja meer een rotonde, is Place Castellane met een majestueuze zuil in het midden.

De temperatuur in het prille voorjaar, de tweede en derde week van maart is, als je geluk hebt, meer dan aangenaam. Overal terrasjes met van de zon genietende mensen, spelende kinderen en schuifelende senioren. Het is de tijd van de ramadan en dientengevolge overvolle stalletjes met mierzoete lekkernijen voor na het vasten.

Marseille I

Als trouwe Parijs- en Poncinbezoekers verleggen wij ons doel zuidwaarts: begin maart 2024 bezoeken we Marseille, Frankrijks oudste stad en grootste handelshaven. De NS vervoert ons stipt van Groningen naar Amsterdam. Daar stappen we over op de Euro-Star, die vanwege een stilstaande loc ergens een uurtje vertraging oploopt. In Parijs kennen we de weg en haasten we ons van Garde du Nord naar Gare de Lyon. De TGV is me er eentje. Rijdend naast een snelweg lijken de vierwieldiesels stil te staan en jagen we in drie uur naar Marseille.

Marseille is de stad van tegenstellingen. Het heeft de meeste zonuren in Frankrijk en de alles en iedereen teisterende mistralwind. Het is de stad van de savon Marseillaise en het vreemdelingenlegioen. Van rattenbestrijding in het trappenhuis en brandschone Nespressowinkels waar je de nieuwste cups kan proeven. Ons appartement staat in de Rue de l’Académie, in de wijk Nouailles.  Binnen tien minuten loop je naar de oude haven. Onze straat telt zo’n twaalf kapperszaken, waarschijnlijk net als in Groningen merendeels witwaszaken. Rechtsonder ons is een huiskamermoskee. Mijn blonde kuif valt hier op.

Mijn Adidasjack derailleert hier niet. Het valt me op dat de Moslimwinkeliers principieel zijn. Als Allah alcohol drinken en varkensvlees eten verbiedt dan ook de verkoop ervan. Onze wijk heet wel de buik van Marseille en blinkt uit met zijn specerijenwinkels en markten en lijkt meer op Algiers en Marrakech. We hebben het er zeer naar onze zin. Een Afrikaanse straatventer schenkt ons een leren armbandje en geeft hoog op van Amsterdam. .

Ons reisboek bevat vier stadswandelingen van totaal 35 kms, incl. een uitsapje naar Aix-en-Provence. De wandelingen werken we in een rustig tempo af, hier en daar een praatje makend en kleurige straten fotograferend. De lucht is azuurblauw, het water in de oude haven oogt schoon en helder, en er wordt volop gebedeld en verse vis verkocht. Op een terras zitten we naast een verwaand Brits stel dat met een cruise Marseille aandoet. Hij houdt vol dat er meer landen de Brexit volgen. Zij heeft vergeten hoe duur ‘une grande bière’ is.

Fietsen van Passau naar Wenen

Waldfenster: Clio rijdt, spoort en remt lekker en zuipt niet veel. In een pension in Waldfenster lees ik in Anjet Daanjes ‘De herinnerde soldaat’. De Duitse stadjes doen me aan Drenthe denken: overal een Freiwillige Feuerwehr en mannen die verslingerd zijn aan zit- en bosmaaiers als vrouwen aan eyeliner en 12-uurs lipstick. Maar nu naar Passau en dan door naar het land van sigarettenautomaten aan de weg, Mozart, Kafka, Hitler, Klimt, Haider, Von Karajan, Graf, Lauda, Waldheim en Happel.

Passau: de Dom van Passau heeft het grootste Domorgel ter wereld en de poenigste (goudkleurige) preekstoel. De Beierse stad, met maar liefst tien partnersteden, houdt van water, bidkapelletjes – waarbij de stigmata van de gekruisigde allemaal een soort huidschimmel lijken te hebben –  en fietsers. De Inn, Ilz en de Donau omklemmen bij het Dreiflüsseeck de stad als de Seine in zijn eentje het Parijse Île de la Cité. Anjet Daanje wint de Libris Literatuur Prijs met ‘Het lied van ooievaar en dromedaris’.

Schlögen: de route langs de Donau is één van de mooiste fietsroutes(*) denkbaar, zolang

Benedetto Fellin

je je niet ergert aan de automobilisten die rijden als akkerbouwers die bang zijn dat de round-up is uitverkocht bij de groothandel. Onderweg een privé Museum of Modern Art bezocht, het Schütze Museum met 52 vertegenwoordigers van het fantastisch realisme. Veel spannende (zelf)portretten. We spreken twee Zuidafrikaanse artists in residence en wijzen hen op kansen in Groningen. De Donau kleurt overal groen / bruin / grijs en nergens blauw.

Linz: Oostenrijks derde stad, een stad ter grootte van Groningen, maar de gezelligheid en levendigheid van Apeldoorn of Heerenveen. In sjieke kledingwinkels worden nog steeds afzichtelijke lederhosen verkocht. De vaste lijnen van trolleybussen en trams maken het fietsers soms o zo lastig. De route langs de Donau ernaartoe is wonderschoon. Af en toe ga je met een dieselpontje naar de overkant.

Grein: We fietsen met Noren, Fransen, Belgen, Schotten, Duitsers en een alleraardigst koppeltje uit Zwijndecht. De route naar Grein, een typisch Oostenrijks stadje aan de Donau, gaat langs Mauthausen, waar een monument en museum met bezoekerscentrum het concentratiekamp toont. De barakken, met o.a. het crematorium, geven een onthutsend beeld van het voormalige concentratiekamp, waar 100.000 mensen van de 200.000 die er verbleven vermoord zijn, o.a. met het gas Zyklon B. Naast Mauthausen waren er in Oostenrijk nog zo’n veertig zogenaamde nevenkampen.

Melk en Krems: In Melk bezoeken we Stift Melk, een abdij met gangen van bijna 200 meter. Indrukwekkend. Klatergoud. Pompeus. Het is een frisse dag met een motregenwaas die maar niet regen wil worden. Met tegenwind kracht vier stoempen we langs de Donau. We vergapen ons aan de grote hoeveelheid door bevers aangeknaagde bomen. Achter kaap kont van vrouw I kost het fietsen me geen moeite, maar ik zweet als een paard dat op middeleeuwse hoefijzers de endurance doet. Met een Oostenrijker praten we over Steurhinterziehung of tax evasion. We hebben het over solidariteit. Saamhorigheid. Hij schaamt zich voor de zwartgeldstromen. Hij gelooft ons niet als we hem vertellen dat In Nederland 9.500.000 mensen in een maand vrijwillig hun belastingaangifte invullen. Digitaal ook nog.

Tulln: Harde wind en kou. De tocht naar Tulln is saai. Met medefietsers praten we over de opkomst van de Japanse knoop, de vochtopnamecapaciteit van nepzemen in fietsbroeken, het plan van onderwijsminister Wiersma om onvoldoendes op het vak Nederlands middelbareschooldiplomering tegen te houden, het succes van e-bikes en volksmennende populistische politici, die in no time veel volgelingen scoren, maar ook snel weer van hun voetstuk kunnen vallen. Hoe komt het dat fascistoïde politici in Oostenrijk sneller succes hebben dan in Nederland? We bezoeken een jarentachtigcafé met muziek van Supertramp en Rolling Stones en drinken er enkele retro campari’s on the rocks.

Wenen: de laatste fietsdag brengt ons naar Wenen.

(*) De Donau Radweg klettert mijn fietsroutetoptien gelijk op drie binnen na het  Pieterfietserspad Maastricht/Emmen, de (winterfiets)Elfstedentocht en net voor het jaagpad Dokkum – Dokkumer Nieuwezijlen.

Taal in Parijs

Het mooiste Parijse  métrostation is Concorde. De muren een spatie- en interpunctieloos scrabblespel: 44.000 beletterde tegels die samen de verklaring van de rechten van de mens vormen. Parijs bezoeken betekent Frans spreken waar mogelijk.

Zo spreek ik een muzelman in een Parijse moskee die zich had verschanst in de koranbieb en, gezien de pics op zijn inderhaast weggelegde foon, niet had gerekend op durfallen die hun hoofd om de deur zouden steken. De moskee heeft muren die met een compulsief-kinderlijke eenvoud zijn ingelegd met blauwwitbruine mozaïekjes. Die geven het gebouw een  welhaast Calvinistisch-zuinige uitstraling, vergeleken met de roomse kerken die overlopen van pompeuze, gelijkvormige, bijna anti-artistieke, goedkope maar tegelijk dure bombast. De woestijngodsdienstvertegenwoordiger praat me aan dat ik open moet staan voor allerlei betekenislagen in de koran.

De hotelbaas van het centraler dan centraal gelegen hotel Flor de Rivoli vindt dat de Fransen niet moeten zeuren als de pensioenleeftijd wordt opgekrikt van 62 (voor machinisten van 52 en voor balletdansers van 42) naar 64 en nog durft de Frans te protesteren als een verwende puber die zijn foon op school bij de conciërge moet inleveren.

Een kunstenaar in het kunstenaarsverzamelgebouw Rue Rivoli 59 legt me uit dat hij geheel zelfstandig op jacht is naar een uitgever voor zijn illustraties bij een boek van Kipling. Een net niet mensenschuwe suppoost in het – gratis toegankelijke – Musée de la vie Romantique deelt mijn verrassing bij het zien van de onbekende Nederlandse meester Henry Scheffer, die ondanks dat hij in Dordrecht werd geboren, hier gewoon een Fransman wordt genoemd. Met gitarist Lucas uit Brazilië heb ik een genoeglijk alle kanten op fladderend gesprek op een bankje in de zon voor de Sacré Coeur. We bespreken elkaars interesses en leefwijzen en spreken af het gesprek nog eens voort te zetten in Parijs, Porto of Groningen.

Frans, met die in het Nederlands al lang verouderde subjonctif, blijft voor de Friese Saks een moeilijke taal. Misschien net zo moeilijk als het Engels voor de Frans. De English Proficiency Index zet Frankrijk  even op zijn plaats: 34e, zelfs na Italië en Hongarije. De adviezen spreken voor zich: niet meer films nasynchroniseren en zo de Franse puber de kans onthoudend al kijkend aan tweedetaalverwerving te doen en Franse docenten Engels opdragen evenveel tijd te besteden aan nascholing als ze nu kapotslaan aan pensioendemonstraties.

Spanje 5: Intemperie

Den Uyl

Jesús Carrasco’s Intemperie verhaalt van een vluchtende dorpsjongen. Een vlucht wil ik het niet noemen, maar een soort uittocht is het zeker wanneer we op zondag 15 maart noordwaarts kachelen in een stoet van campers, enkele caravans en een zootje ongeregelde Poolse en Roemeense minivrachtwagentjes. De zon schijnt en de temperatuur en dieselprijzen wisselen als seksuele contacten van plattelandsmeisjes die voor het eerst in Salou zijn. De lange weg naar Lyon rijdend krijg ik visioenen van een premier die een verstandige toespraak zal gaan houden die me voor hem zal innemen. Verdomme, ik zal toch geen VVD’er worden? Ik vergelijk Ruttes toespraak met die van Den Uyl in december 1973; allebei getuigend van ferm en fier staatsmanschap. Vergeleken daarmee is de sprekende koning een sneue ledenpop. Al rijdend tast ik mijn geheugen af. Na afloop van Den Uyls rede sprak mijn moeder in een evaluerend gesprekje met mijn vader met bedroefde stem en vooruitziende blik de historische woorden: “Dizze man haldt ús bern út de tsjerke, Anne”¹ en ze onderdrukte een traan terwijl ze de kuiven van de beide Benjamins gladstreek met een likje spuug. Mijn vader die Den Uyl met zijn VAD²-plannen wel kon wurgen keek haar eens aan en mompelde iets als: “Dat sil mei ús Jaap Boersma³ neist dizze

Boersma

úfretter toch wol in slagje meifolle, Sjoukje,” stak een filterloze Golden Fiction op, legde het sigarettendoosje met die adembenemende zilveren band op tafel, inhaleerde inhalig, peuterde een stukje droge worst tussen de kiezen vandaan, bestudeerde dat als grefo’s de geschriften van Luther, droogde zijn vingers aan de binnenkant van zijn sokken, nam zijn kunstgebit in de handen en liep vervolgens naar de keuken om onder de keukenkraan zijn gebit, met wat Vim op de afwaskwast, schoon te boenen boven de gootsteen waarin net een door een buurman geslachte kip was schoongeboend. Wie kon toen bevroeden dat mem met vijfenhalf van de zeven kinderen die zouden uittreden, gelijk zou krijgen?

Spanje scherpt, voorgegaan door Duitsland de reisadviezen aan. Ze zijn als een soort uiterste houdbaarheidsdata. Men gaat er rekkelijk of precies mee om. Duitse inreisverboden wakkeren onze verplaatsingsdrift aan als zandstormen bedoeïenen. In Valencia worden de feesten van Las Fallas afgeblazen. Las Fallas doet me aan carnaval denken. In Nederland was het carnaval een brandhaard. Dat het carnaval een feest is met de wortels in de religie bewijst ook nu onomstotelijk dat godsdienstuitwassen niet bepaald bevorderlijk zijn voor de volksgezondheid: alles achter de voordeur houden ware beter.

Spanje 4; Un asunto serio

Dat onze Spanjetrip anders gaat worden is duidelijk. We volgen de ontwikkelingen in Nederland via de NOS-app en als ik mezelf wil frustreren via de ultimas noticias van El Pais; de datos actualizados zijn eenvoudiger te interpreteren. We ontmoeten Nederlanders die zich hebben uitgeput met vijf maanden rustig aan doen aan de costa’s. In El Campello, acht kilometers van Alicante vraag ik mijn buren: “Hoe fiets je het best naar Alicante?” “Ach, ik heb het geprobeerd maar die fietspaden hier zijn verschrikkelijk, ik heb het opgegeven.” Naar Alicante fietsend, begrijp ik hun antwoord steeds beter. Onaffe straten, onbegrijpelijke wegafsluitingen, afval en gebroken glas op plaatsen waar beter afvalbakken pasten. De algemene organisatiegraad in Spanje is lager dan die in Nederland. Ik bedenk een televisieformat waarbij mensen aan de Spaanse kusten tiny houses plaatsen zonder de autoriteiten te verwittigen. Mijn oudste broer waarschuwt me voor de gebrekkige Spaanse zorg. Ambulances zijn vaak slecht toegerust. Hygiëne laat te wensen over.

Als bewust facebookloze heb ik tijd. Psychiater Witte Hoogendijk meent in de Volkskrant dat rationalisten het het gemakkelijkst hebben in deze tijd. Dat herken ik. Ik blijf 20.000 Nederlandse tabaksslachtoffers per jaar in Nederland afzetten tegen de nieuwste aantallen Coronadoden. Het wil maar niet erg worden. Hoogendijk, ook een liefhebber van inkoppertjes natuurlijk, constateert dat je beter serieus nieuws kan volgen dan social media.

Als het woord lockdown in het Spaans en Nederlands wil binnendringen als spermatozoïden in, nou ja ik bedoel virussen in mannenlijven wordt het un asunto serio. Als derden mijn bewegingsvrijheid willen bepalen, hoe goed bedoeld ook, dan word ik onrustig. Terrassen en restaurants worden gesloten. Stranden no go areas. Supermarkten blijven het goed doen. De Lidl wil maar geen lege schappen vertonen. Frankrijk gaat grenzen in de gaten houden als overblijfmoeders schoolpleinen. Nederlandse verslaggevers blijven hardnekkig hun in de studio voorbereide antwoorden via gesloten vragen ontlokken aan vriendelijke Madrilenen. Camping sanitair wordt vaker geboend en gespoeld met bruistabletten. Het werkt. Blauwig wc-water stelt gerust als blauwe latex handschoenen aan zorgpersoneelhanden. Met pijn in het hart neem ik afscheid van katoenen zakdoeken en besef hoe smerig handen schudden en met schoenen huiskamers betreden eigenlijk is. Een schoonzus was de tijd ver vooruit door al jaren geen echte begroetingszoenen meer te geven maar kunstig met bijpassende plofgeluidjes samenvallende luchtverplaatsinkjes in de vorm van klapzoentjes.

Op afstand bepalen twee seniore muziekpikken en ik dat de Matthäus Passion, waarvoor we speciaal een stichtinkje hebben opgericht zal moeten worden afgelast. Godver, wat zal ik het openingskoor, het supermooie en uitgerekte Mache dich mein Herze rein en de vrolijke melodie van Gebt mir meinen Jesu wieder of Können Tränen meiner Wangen en het eindeloos repeterende en door een schitterende cello ondersteunde mantra van Komm süsses Kreuz so will ich sagen in de Sleense akoestiek missen op 5 april. Nog eentje dan: Mache dich, mein Herze, rein. Gelukkig word ik als Vrouw I me vraagt wanneer we de Matthäus-cd’s gaan afspelen.