De vriendelijke, dakloze ex-dief

Let op, deze tekst werd gegenereerd met de laagdrempelige AI-tool Chat GPT. 7 december. De tot sint gemaakte is net vertrokken en we maken ons op voor de kersttijd met de tot verlosser gemaakte. Kerst is de tijd van goede daden en goede doelen. In de A-kerk beluisteren we de Messiah van Händel. Superieure koorzang. Bij het Hallelujah gaan twee reliwappies staan en belemmeren de achter hen gezetenen het uitzicht. Ik houd me in en ga niet sissen. Noordelijke bedrijven en industrieën nemen zich eindelijk voor serieus werk te gaan maken van energiebesparing en arbeidsplaatsen aan te bieden aan buitendebootvallers. Boeren stoppen met janken dat boeren in hun genen zit. Vervoerders bieden een gratis bus aan voor kerstconcertgasten uit Oekraïene. Rabobank is na ING en ABN derde bank die door de rechter gedwongen wordt witwaspraktijken aan te pakken. Rechters vonnissen dat Rabobank stopt met obligatiefraude. Voor je zieke buurman probeer je een leuke attentie te regelen. Een ex-fietsendief leert mij een nuttige les.

Na invoering van de Bojan-Slats-doctrine wil ik minder bijdragen aan de netten en zeven van Bojan Slats die de oceanen plasticvrij wil houden. Dus minder weggooien en geen overbodige meuk kopen. Als de rits van mijn favoriete fietsjasje knapt geen nieuwe kopen maar op naar de kleermaker waar je alleen contant mag betalen. Ik zet de fiets op de stoep, niet op slot want ik ben immers maar even binnen. ‘Kunt u nog even wachten?’ vraagt de mevrouw van De Groningse Schaar. Zeker, naast het ideaal van de Bojan-Slats-doctrine, huldig ik al een week de Zen-modus. 

Er komt een meneer de kleermakerswinkel binnen. ‘Mag ik een papiertje en even een pen lenen?’ Hij schrijft wat op een roze post-it en verlaat de zaak. Na een half uurtje kom ik buiten en zie op mijn zadel een post-it met de interessante tekst:

Een aanvankelijke vloek ruil ik snel voor een brede smile, ik kan ‘m immers bellen. Na het telefoontje komt de ‘ex-dief’ me de sleutel brengen. Ik heb net een wijze les geleerd. ‘Waar bent u?’ vraagt hij nog, want ik heb meer sleutels.’ Ik zie een vriendelijke man, die me uitlegt dat het altijd beter is de fiets op slot te doen, ook bij korte kleermakerbezoekjes. Verbazing, opluchting, blijheid en dankbaarheid strijden bij mij om voorrang. Ik geef hem een bankbiljetje. Als ik thuis ben overdenk ik de situatie en bel hem op om een afspraak voor een interview te maken voor de A-Krant.

Boeren gaan vroeg naar bed

“Boeren gaan vroeg naar bed,” zegt chauffeur. Als we na tienen in actie komen, lopen we geen risico’s. Dagelijks rijd ik naar Drachten en aan de zuidzijde van de A7 staan geen camera’s.” Het miezert als we het Café aan de A verlaten. Op t.v. de strafschoppenserie in de finale WK voetbal. Noppert houdt de spanning erin. Ideaal voor ons.

“In de Audi nemen we alles nog een keer door. “Ik neem de afslag bij carpool Frieschepalen en  rijd over het viaduct en dan weer richting Groningen.” Ik luister. Chauffeur heeft net een nieuwe Verklaring Omtrent Gedrag en kan zich geen misstap veroorloven. Ik als pensionado voel me vrijer. “Op de heenreis kunnen we dan even kijken welke vlaggen het eenvoudigst bereikbaar zijn.” Ik voel in mijn rugzakje. Een stanleymes en een scherpe combinatietang, beide in een doek gewikkeld.

Voorbij Hoogkerk geeft chauffeur gas en we naderen de afslag Leek. Met de cruise control op 124 rijden we door. De radio schettert kerstmuziek. Ik neurie mee met ‘For unto us a child is born’. Over een paar dagen zingen wij de finale in de Martinikerk. “Mocht je straks wel een camera menen te zien, trek dan met je linkerbeen. Herkennen ze je naderhand nooit,” vervolgt chauffeur.

Nabij Marum mindert chauffeur vaart op de vluchtstrook, doet de panieklichten aan en stopt. Snel stap ik uit. Over ongeveer vijftien minuten ben ik hier weer. Succes.” En weg is hij. Telefoon op trilstand. Ik ren naar de sloot, buk me en volg het water tot de eerste dam. Prikkeldraad. Stroomdraden zonder stroom. Als er passerende auto’s met groot licht voorbij komen, laat ik me vallen en bevries.

Tien omgekeerde vlaggen zie ik. Ik pak mijn tang. De vlaggen hangen aan stokken die met tie wraps aan hekpalen zijn bevestigd. Ik knip de tie wraps door en verzamel de plastic strookjes. Het gaat eenvoudig. Vijf vlaggen neem ik mee en leg die op een stapel. Dan nog vijf. Bij de laatste leg ik een zakje nieuwe tie wraps van de Gamma neer voor de boer. Ik stuur chauffeur een appje en ga richting snelweg. Opgeruimd staat netjes. Op de terugreis horen we ‘O du Fröhliche’.

1968  1970  2022

1968 Zondagmorgen. Omdat er een gastdominee preekt, slaan we de kerkdienst over. De ochtend wordt ineens een zee van tijd. We voelen vrijheid, losheid. De hond loopt het tuinpad op, die laat zichzelf uit. Waarschijnlijk heeft hij de loopse teef van Barkmeijer een veeg gegeven. In de steenperenboom broedt een merel. De gulden roede komt met lichtgroene scheuten omhoog. Mem is bezig met het middagmaal: soep, varkenshaas, appelmoes, stoofpeertjes, gekookte aardappelen (op zondag niet verplicht) en yoghurt met ranja. Heit loopt naar de Philips pickup met automatische platenwisselaar en zet een plaat op. Straus’ Radetzkymars. Straks An der schönen blauen Donau. En als hij niet de belastingaanslag van boer Kremer hoeft bij te werken ook nog Vivaldi’s Vier jaargetijden en iets van Puccini en Mascagni, gingen we dit jaar niet richting Italië op vakantie? Zijn hand schokt strammig als hij de dirigent nadoet. Bernard Haitink. Concertgebouwdirigent, chef-dirigent, hè. Een van de besten in de hele wereld

1970 Alle Friese gemeenten die het Frysk Orkest financieel steunen krijgen een concert. De plaatselijke concertzaal kan een hotelzaal zijn. Een kerkelijk bijgebouw, die allemaal Pro Rege heten. In Kollum is het de gereformeerde kerk. Architect Egbert Reitsma gunde mede-Ploeglid George Martens de plafondschilderklus. Als heit vraagt wie er mee wil zeg ik ja. Toen al zei ik vaker ja dan nee. Samen luisteren naar een verplicht optreden van het FO. Vanaf de kraak. Heit luistert en ik zoek een vioolspeelster uit, vaak niet de jongste, één van wie ik roze bh-bandjes zie. Ze spelen niet altijd populair klassiek werk. Händel, Dvorak, Mascagni, Wagner, Sibelius. Heit bestudeert de nieuwe Hongaarse dirigent. ‘Die komt nog wel eens in het Concertgebouw,’ weet hij. ‘De akoestiek is hier goed maar niet best. Daarvoor moet je in Amsterdam zijn, hè.’

2022 De voorbereidingen voor ons Grootkoorconcert zijn in volle gang. We repeteren zes keer. In de repetitieloze zomertijd begin ik met dagelijkse studie. Maar dat houd ik niet drie manden vol. Ik vraag medetenor Bram. Twee keer nemen we alles door. Stukjes Händel, Mascagni, Sibelius, Dvorak en meer. Als ik mijn gêne afschud, de dakterrasdeur staat wijd open en de geluidsknop van voorzanger Nanne op max, gaat het lekker. Verrekte lekker zelfs. Als ik onbewust de maat sla denk ik aan 1968. Bram waarschuwt voor sopranenpower straks naast ons. Nog één keer repeteren in Groningen, Surhuisterveen en dan Amsterdam. Het Concertgebouw. Nu al stijf uitverkocht. En wie staan op de voorste rij….?

Vliegen

Met zo’n 140 km/u op 600 meter hoogte boven Groningen en Friesland vliegen is genieten. De Lambada van Urban Air met een 80 pk Rotax 912 motor doet wat hij moet doen. Vliegen is het vervolg op gestructureerd voorbereiden en het beheersen van risico’s en gevaren. Als ik hoor dat deze gemotoriseerde kist ook kan zweefvliegen ben ik gerustgesteld. Waarom hebben niet alle kleine vliegtuigen die dubbelfunctie? Piloot Jans Kuper is de meest ervaren piloot die je je kan voorstellen. Als instructeur maakt hij soms 70 starts per week. Zweven en brommen, het is hem om het even. Toch betrap ik me erop dat ik me afvraag of ik de kist aan de grond zou kunnen zetten, mocht de piloot een flauwte krijgen. Denk het wel.

We maken een tochtje Stadskanaal – Delfzijl – Schier – Ameland – Dokkum – Kollum – Groningen – Stadskanaal. Met een landing en kibbelingen op Ameland. Het weer is geweldig: zon, nauwelijks wolken en een milde oostenwind met op de terugreis wat blauwe thermiek. Jaja, ik leer bij. Tijdens de heenreis leer ik bijna alle klokjes, metertjes en schakelaars kennen. Ongemerkt herhaal ik hun functies. De techniek lijkt sober en overzichtelijk. Niks digitaals, wel elektrisch niet elektronisch, denk ik. Aan de stuurknuppel zit een soort knijprem. Op de vleugel zie je een snelheid remmende schuif omhoog komen.

De provincie Groningen is een plaatje. Op de grond herken je ecologische of bioboeren aan vlekkerige terreinen. De meer industriële vogel beschermende natuurbeheersers hebben gladde akkers met retestrakke lijnen en allemaal  een nieuwe John Deere. Hier en daar een wetsovertreder, waarschijnlijk zoëen met een geborgde zetel in het Waterschap, die aan de bodem onttrokken grondwater overdag in de felle zon vernevelend sproeit. Zonpanelenparken lijken op overvolle kerkhoven. Vaarten en diepen meanderen door het landschap als spaghettislierten op een bijna leeg bord.

Links het Lauwersmeergebied met de vluchtelingenkazerne. Van Dokkum naar Kollum verbeeld ik me dat ik mezelf fietsend zie. Een langharige testosteronpuber met een te zware schooltas op de bagagedrager naar lyceum Oostergo. Alle eerste uren les. Maandagochtend een bijbellezing en twee psalmen. Ver onder mij de Trekvaart waar ik Anton Boersma bijna in duwde. Rudy Heins die niet wilde waaieren. Mächteld die in de mist kruisjes sloeg. Jantje Roosdorp op een Solex. En ik me maar suf focussen op de subjonctif, Schwere Wörter of zwart existentialisme in Engelse films noir.

Sectionaaldeur

Maandag

Zijn knie rust op een huishoudtrapje en met onvaste hand schuift hij een rolmaat tegen het plafond van de garage. Een ingewikkelde exercitie voor een dermatoloog in ruste. Met zijn vrije hand klopt hij een neerdwarrelende dode spin van zijn colbert. En passant herschikt hij zijn stropdas met dinkeytoysafbeeldingen van Audi’s door twee eeuwen heen.

‘Pier, wat doe je?’ De scherpe stem van Lisa schalt door de tuin. Pier heet eigenlijk Pierke, maar dat lijkt teveel op een verkleiningsvorm en dat zou bij Pier niet gepast zijn. Mijn aandacht is daarmee getrokken.  Lisa, schort over een zijden blouse, bovenste drie knoopjes los, fuchsia-bh-bandjes goed zichtbaar, halfhoge hakken, komt naar Pier gelopen. Voor even laat ik mijn drie tuimelaars, een doffer en twee duivinnen, voor wat ze zijn en kijk naar de tuin van de buren. Hedera’s en een uitgeschoten bonte hulst bieden me een vrije uitkijk. Ik gluur niet, ik kijk.

‘Ik meet de hoogte van de garage,’ klinkt het amechtig. ‘Ik heb een nieuwe elektrische deur besteld en check de hoogte nog een keer. Een dubbelwandige sectionaaldeur wordt het.’ Of Lisa deze laatste woorden hoorde kun je je afvragen natuurlijk. Pier klinkt moe. Vreugdeloos, liefdeloos. Hoor ik iets van weerzin, afkeer in zijn stem? Wanneer, zo vraag ik mij af, wanneer glijdt onverschilligheid via gebrek aan belangstelling, afkeer, weerzin af naar haat als onverzorgd via doodsaai, smakeloos, naar foeilelijk ?

Of je zijn interesse, zeg maar fascinatie voor Aziatische volumineuze vrouwen een passie kunt noemen? Sinds jaar en dag werken er uitsluitend Chinese vrouwen in de maatschap van Fokkert en Pier. Altijd dikke. Wat wel een passie is: zijn belangstelling voor Bach. Vraag hem waar Buxtehudes invloed afnam en Bachs eigenheid begon, Bachs getallensymboliek, zijn veronderstelde psoriasis, niet geheel onomstreden, dat geef ik toe, de 2200 koornoten in het openingskoor van de Johannespassie, en hij praat en praat. Het liefst staand naast zijn zilvergrijze Audi 25 uit 1982, een voet quasi-onverschillig op een band rustend en met zijn vlakke hand liefkozend over het dak vegend als een foute dermatologie-aio over de cellulitisbillen van een nieuwe patiënt die nog niet op de hoogte is met gedragsprotocollen in de huidziektebusiness.

Woensdag

Ik hoor hem zacht ‘Komm du süße Todesstunde’ zingen in de tuin. Zelfs in zijn eentje is hij maatvast. Met plezier denk ik terug aan een buurtdinertje bij opleidingsrestaurant Flanagaris. Organisatie: Pier en ik. Samen hadden we een canon voorbereid, de Gealtsje-kanon met tekst van Fedde Schurer en muziek van Mozart. Toen al zag ik zijn doffe blikken als hij naar Lisa keek en pretogen voor n’importe welke andere vrouw, zelfs Gretha Kuinre kon op zijn warme blik rekenen. Ik had met hem te doen. Hij liet stiekem Jans Stromer foto’s zien van Jing-Li Zhang, een nieuwe maatschapmedewerkster uit Ziyang, iets ten zuidoosten van Chengdou. Tonnetjerond. Fel gestifte lippen. Jachtige oogopslag. Bloedmooi. Oud-specialisten zouden gerust zeggen: bloedgeilmooi.

Pier pent gehaast notities in een boekje als een Slochterense ambtenaar die aardbevingsschade opneemt. Dan loopt hij de garage uit, de oprit op en na zo’n meter of zeven stopt hij, draait zich om naar de garage, kijkt geconcentreerd, steekt zijn hand uit en maakt een zoemgeluid alsof hij op de remote control van de televisie drukt. Nooit gedacht dat hij het snelle dwarrelende ‘ße’ zo lang kon aanhouden, zo goed is zijn ademsteun nu ook weer niet. Na het inschuiven van de rolmaat bespelen zijn vingers Bachs klavecimbel. Zijn buik beweegt mee. Bij het heffen van zijn handen, ook luchtdirigeren zit in zijn genenpakket, schuift zijn overhemd wat open. Een bloot driehoekje ontstaat boven zijn broeksriem. Zijn navel een maankratertje, een omgekeerde zuignap met een minimonnikenkapsel van gedroogde doucheputhaartjes.

‘Kom je zo eten?’ In Lisa’s stem hoor ik iets dwingends. Bij het buurtdiner had ze vanaf het begin aansluiting bij de jongere buurvrouwen gezocht, die nog over make-up, versiertrucs en cocktails praten. Lisa, Pier noemt haar Liessie, ik hoorde eens ‘Liessie mijn pliessie’, ziet er nog goed uit voor haar leeftijd. Ik schat eind zestig. Gladde, gebruinde benen, gouden glimmertjes in de oren en gekrulde blonde lokken. Gespierde kuiten, strakke billen. Zonder moeite schraapt ze onkruid uit de naden van de stoeptegels zonder daarbij door de knieën te gaan. Met de wenkbrauwen is iets misgegaan. Alsof ze zich steeds iets afvraagt. Mijn aanvaring met Piers maatschap heeft ze ons nooit vergeven. Dat we zijn confrère, Fokkert Diederik Dwarsstram, die een receptuurfout had gemaakt die leidde tot een depakinetoxicatie en geen ongelijk wilde, misschien zelfs durfde bekennen, zeker niet tegenover Jing-Li, want die kan mannen die op het oog kleine vergissingen maken wel doodkijken, op de knieën kregen al helemaal niet. Ook Fokkert zelf had na die stommiteit niet met zichzelf in het reine kunnen komen en was bij een psycholoog terecht gekomen, hoorden we later viavia.

‘De deur is toch nog niet versleten, wel? Elektrisch, zeg je? Zo-een als Jans en Riekeltje-Roosmarijn Stromer hebben? Van Hoebersma uit Erica?’ Zonder antwoorden af te wachten stevent ze op de keukendeur af, als een duivenhouder op zijn klok na een Belgische vlucht. Pier kijkt haar hoofd- en buikschuddend na.

‘De laatste tijd draag je je haar zo vlak en plat. Die hoog opgestoken coupe vond ik mooier. Ben je deze week al bij HairZo geweest?’

Vrijdag

Een kleine vrachtwagen rijdt de oprit op bij Pierke en Lisa zie ik door het raam in mijn werkkamer. Een werkbroek boven werkschoenen stapt uit. Het haar een lange vlecht. Pier komt aanlopen en gebaart tot hoever de vrouw kan achteruit rijden. Ze stapt weer in.

‘Dit is een echte Grander, volautomaat type ZII met een kunststof aandrijfriem. Kan niet meer losschieten van het tandwiel. Op afstand met uw smartphone te bedienen.’ Haar stem klinkt opgewekt als van een cursusleider voor slechtnieuwsgesprekken. ‘De deur is geluiddicht. Dubbelwandig hè, that’s it. Als u me even helpt met sjouwen dan zit hij er in anderhalf uur in. Gek, maar u heeft geen extra loopdeur in de garage. Lastig soms. U wilde ook nog een stopcontact aan de buitenmuur? Ga ik voor zorgen.’

‘Graag,’ antwoordt Pier, dan kan ik mijn foon buiten opladen en de garageradio bij het tuinzitje plaatsen. Bach klinkt buiten nog beter dan binnen, dat komt vanwege de geïnternaliseerde tonen die, …’ De Stihl-boor met automatische afslag en diamantboor overstemt alle geluid als een beiaardier marktgeruis op zaterdag.

De werkvrouw monteert een geleidestang aan het dak van de garage. ‘Kijk, hier komt de elektromotor, 1500 Watt maar liefst, die kan zomaar 200 kilogram extra naar binnen lieren, het gewicht van twee man. Of vrouw natuurlijk en ze lacht wat onhandig naar Pier. Moet je echt niet met je handen of haar tussen aandrijfriem en geleidestang in komen.’ Pier staat erbij. Ik zie dat hij zijn hand boven zijn hoofd houdt, pink op zijn kuif, als meet hij iets in gedachten. Ik zie hem prevelen en in zijn aantekeningenboekje kijken.

Als de monteur weg is zie ik Pier naar de garage lopen. Bestuderend bekijkt hij het draaimechanisme dat de gekantelde deur naar binnen trekt. Ik zie hem een rood koordje over een stangetje gooien. Googelend bij Grander Type ZII zie ik dat het een veiligheidskoord is waarmee in geval van nood de deur gestopt kan worden. Moet altijd binnen handbereik zijn, staat er nog bij. Dan verhoogt hij de garagevloer met een drie centimeter dikke mdf-plaat. Weer zie ik hem de binnenhoogte opmeten. Hij is wat van plan, dat voel ik.

Zondagmorgen

De omhooggestoken coupe maakt Lisa jaren jonger. Als zij in de cabrio vertrekt naar Nieuw-Amsterdam waar haar stokoude vader heideschapen fokt, zet Pier zich neer in de schaduw naast de garage. De muziekinstallatie plaatst hij op de tuintafel. Ik hoor ‘Man singet mit Freuden vom Sieg.’ Het plopgeluid van een kurk die uit de fles wordt getrokken is onhoorbaar. Soms drinkt Pier een fles wijn zonder dat je iets aan hem merkt. Ik stap op hem af.

‘Dag Pier.’ Pier blijft zitten op een Frans tuinstoeltje, zo een dat voor heel even ruitvormige moeten in zijn billen achterlaat als hij opstaat. Als mij een dag later wordt gevraagd of Pier een onrustige nerveuze indruk maakte zal ik de vraag negatief beantwoorden. Pier is Pier. Geen enkel huwelijk is zonder problemen. Buren moeten elkaar de ruimte laten.

‘Ik ben een paar dagen de hort op,’ zegt Pier. ‘Naar Aken. Een congres voor oud-dermatologen. Iets over plaveiselcarcinomen, meen ik. Lies blijft thuis. Ik hoop dat ze de nieuwe garagedeur kan bedienen.’

Eeuwe Kijlstra

Zijn gezicht een lach van oor tot oor. Engels is voor hem dan ook geen straf. Zijn Engelse taalvaardigheid dankt hij aan zijn oneindig surfgedrag, games, mij, internationale chatgroups over ranzigheden van Australië tot Amerika’s westkust, BBC 1 t/m 3, en alles ertussenin.

‘Sir, what’s the meaning of the word turtle?’

‘Eeuwe, a sea animal that …’

‘Thanks sir, now I know,’ onderbreekt hij me, daarmee zijn kennis van het Engels en mijn overbodigheid, voor hem althans, tonend. Zijn linkerhand krult onrustig in de scheur in zijn spijkerbroek bij zijn knie.

Klas vier VMBO-TL aan de Anne Wadman Scholengemeenschap te Oosterzwaag werkt aan een examentekst. Hoe komt een Drentse scholengemeenschap aan de naam van een Friese schrijver?

‘Heeft de oude Trientsje Flokstra erdoor gedrukt,’ meldt Stien Wiekema, ‘Wadman is gewoon de beste  Noord-Nederlandse auteur van een kaliber dat Drenthe niet kent.’ Stien kijkt triomfantelijk de leraarskamer rond als een bull’s eye gooiende dartster na afloop van een avondje pub-quizzen in Zaal De Brinkies.

Drie jaar werk ik in Oosterzwaag en elke dag brengt me verbazingen als gevulde eksternesten een populierklimmer. Ik ben nog gedreven na twintig jaren in de hoofdvestiging van mijn school te E. Wil de inspecteur imponeren. Laten zien dat de zuipkeetjongens terecht Italië, Spanje en Finland verslaan in de proficiency-index die wereldwijd de Engelse taalvaardigheid onder studenten meet. En met Eeuwe heb ik beet. Goud. Hij is als Shangri Las’ leader of the pack. Bruinsma en Sprangers van de natte hoek, nog voorbij de gymzaal, verguizen hem als een rat en Toebesma, Fruwel en Quant-Sjok, tehatexers pur sang, een creatief drietal dat ik toch echt een keer over klaarkomen in het invalidentoilet had horen fluisteren, iets wat IJkkers in elke personeelsvergaderingpauze betwist, kunnen niets met Eeuwe beginnen.

‘Sir, done,’ en hij dumpt zijn tekst op mijn tafel.

‘And well done too, if you ask me,’ imiteert hij mij grijnzend en zelfbewust. De rest van 4TL zweet en reikhalst naar de eindelesfluit. Eeuwe pakt de spons uit de emmer waarbij krijtkalkrestjes een ingenieuze cirkel aan het wateroppervlak vormen als warme pis in natte sneeuw en veegt het bord schoon. Precies als hij is laat hij geen witte sporen achter en doet ook de aluminium randen. Heerlijk.

‘Time is up,’ roept hij door de klas, een minuut voor het einde en hij begint routineus de papieren op te halen.

Bij het volgende inspectiebezoek, ik krijg godverdomme weer die gladde bloedmooie Suze Rondemans – Ben Sallah die me alleen al met haar parfum imponeert als een tuimelaarster zaad zoekende straatdoffers en dan moet die mij tot op het bot verpulverende Berberse oogopslag nog komen, schuif ik Eeuwe naar voren met een wat ik instant-speech-opdracht noem.

‘Who’s in for an instant speech?’ vraag ik aan het eind van een pittig grammaticalesje over de lijdende vorm in het Engels.

‘I am sir,’ klinkt het luid en duidelijk en niet-ingestudeerd.

Suze Rondemans, achter in het lokaal, kijkt op uit d’r papierwinkel, I-padje op de tafelrand naast d’r gespierde verleidelijk opgetrokken linker voet die een libidokilling enkelsokje, verrek, nog met wol gevoerd ook, verraadt. Haar wenkbrauwen op zijn scherpst gelijnd als Riffijnse geometrische teksthaken uit de voor Marokko aangepaste Word-invoegsymbolen.

‘Attention please, I’d like to inform you of Squirtles, turtles and more,’ gaat Eeuwe rustig van start.

En dan begint mijn Eeuwe in feilloos R P, zeg maar Engelands ABN, een verhaal over Pokémon spelende dorpsmeisjes die zogenaamd niet weten dat squirting spuiten betekent maar wel allemaal op jacht zijn naar de blauwe Squirtle. Pokémonvaktermen als Wartortle, hidden ability, Isle of armor komen voorbij als biersoorten in zijn vaders als man cave verhulde zuipkeet aan de rand van Oosterzwaag waar ongeschoren Oosterzwagers gezamenlijk de Formule I volgen waarbij ze, halfdronken, luid Vroem-Vroem roepen.

Als Eeuwe een krijtje pakt en op het punt staat een squirtende vrouw af te beelden grijp ik in.

‘Thanks, Eeuwe, enough is enough.’

Suze glimlacht naar mij.

Twee wandelaars

Mijn met het katholieke geloof worstelende vrolijke vriend en ik liepen langs het Schoonebekerdiep met in de verte voor ons Coevorden en achter ons Schoonebeek; bij het sluisje wilden we noordwaarts afbuigen. Mijn vriend liep leeg als het sluisje tweehonderd meter voor ons wanneer de deuren open stonden. Dan weer kreeg een bisschop een stomp en dan was het de geloofsleer zelf die deuken opliep als Badr Hari tegen Rico Verhoeven, maagd Maria werd met fluweel behandeld. Hij zat in een proces van ontwikkeling, nog even en hij was er. Hem hierbij helpen en vooral afleiden probeerde ik, ervaringsdeskundige, uit alle macht; was dat immers niet waar vrienden voor zijn en ik richtte mijn en zijn aandacht op een waterschapmedewerker die bezig was zuurstofplanten onder het wateroppervlak weg te snijden als leliekwekers die overbodig lelieloof met een te hoge concentratie landbouwgif dat hier gewasbeschermingsmiddel wordt genoemd afsnijden. De waaromvraag verraste de werkman, zag ik tevreden. Voordat hij uit zijn met ouderwetse Chickprentjes volgeplakte cabine vanaf een luchtgeveerde stoel stapte en me toebeet me met mijn eigen zaakjes te bemoeien (ja, ‘zaakjes’ zei hij alsof hij sprak over de balzakken van mannen met een groeistoornis), hervond hij zich en gaf met verve de Duitsers aan de overkant van het water de schuld, voor zover je iemand met verve kan beschuldigen, alsof hij nog iets moest vereffenen. Iets wat evengoed in het verleden zou hebben kunnen plaatsgevonden, wat nog op mijn begrip had kunnen rekenen, als in het heden, waar ik meer moeite mee zou hebben gehad. Hierbij zou hij compleet voorbij zijn gegaan aan de kwaliteiten van haar die ik bewonderend Mutti Merkel heb leren noemen, een staatsvrouw die zoveel innerlijke power heeft dat ze zelfs na haar scheiding de naam van haar ex is blijven dragen, zo’n vrouw dus, iemand die wel wat anders te doen heeft dan uiterlijke power te cultiveren en de pijlkruidwildgroei, fonteinkruiduitwassen en de verstikkende krabbescheer in een ondiep water tussen twee economische grootmachten te monitoren en weg te snijden als Giethoornse rietsnijders de wateren naar Zwartsluis vrij houden. ‘Bemoei je met je eigen zaakjes,’ hoorde ik, wat ik onmiddellijk vertaalde in het Drentse regiolect dat waterplantsnijders van hier binnensmonds bezigen: ‘Bemui joe mit joen eigen zoakies’. ‘Dat is het beste wat je kunt doen, Nederlandstalige zinnen direct in het Drents omzetten,’ had mijn Sleense taalcoach me altijd voorgehouden in de periode dat ik bezig was me in te vechten in de Drentse plattelandscultuur, toen ik nog de illusie had dat dat zou kunnen werken in Sleen. Tegengas geven of meeveren, tweestrijd hield me in de tang als een walnoot die op het punt staat gekraakt te worden. Een ogenblik wiebelde ik even met mijn bovenbenen omdat mijn onbesneden penis en scrotum vanwege de nieuwe, nog iets te strakke spijkerbroek wat in de verdrukking waren gekomen en ik zwaaide mijn kont wat van links naar rechts zodat alles op zijn plaats kon vallen, als ministeriële argumenten in een non-discussie over ten onrechte toegekende subsidies aan bijna verlopen huisartspraktijkmedewerkers die vergeten waren zoom- en skypelessen te nemen. En omdat deze beweging, je zou het bijna een voorloper van een tango-intro kunnen noemen, me een plezierig, zeg maar gerust vrij en tegelijk lekker gevoel gaf, herhaalde ik het nog een paar keer waarbij de waterschapmedewerker mij meewarig aankeek, waarschijnlijk herkende hij het gevoel van opkruipend knellend katoen in de liesstreek. Ik liet de man voor wat hij was en we vervolgden ons pad. Zuidoost-Drenthe was mijn lievelingsgebied geworden waarvoor ik Noordoost-Friesland, zij het met moeite, had ingeruild. Als museumbezoekers die soms moeite hadden het verschil te onderkennen tussen moderne kunst en provocaties zo had ik lang moeite gehad mijn voorkeuren voor beide gebieden te onderscheiden, ik noemde mezelf Noorderling, maar Drenthe stond nu op nummer één. De mildheid waarbij regionale taalvarianten werden getolereerd om diepgravende discussies over wat goed en wat semantisch en grammaticaal fout was maar te voorkomen, het oorverdovend gakken van opvliegende ganzen in de Meerstalblokken zuidelijk van Zwartemeer, het maar niet uit de verledenbubbel willen opstijgen van ‘oeze’ bekende muzikant/columnist  die zaterdag op zaterdag zijn 500 woorden vulde met terugblikken op hoe mooi zijn moestuintje er in de vorige eeuw, het einde daarvan natuurlijk hè, bijstond en hoe de kwaliteit van dahliabollen achteruit rende, het onvermogen van de Drent om nee te zeggen of gewoon het met iemand oneens te zijn dat hier van hobby tot kunst was verheven en bijkans de Japanse diep ingeslepen gewoonte het woordje nee te willen vermijden evenaarde of zelfs de loef afstak, dat allemaal had ik in mijn hart gesloten als predikanten en imams ooit verzonnen verhalen in hun hoofden hadden gekapseld. En dan had ik de pracht van de vrouwen tussen het Schoonebekerdiep en de zuidelijke randen van Den Hool nog buiten beschouwing gelaten, want hun schoonheid, vooral de innerlijke variant daarvan, loog ik, raakte me keer op keer zo hevig als pijlpunten pompoenen op kinderfeestjes. Achterom kijkend zagen we de waterschapmedewerker in de verte alsof hij iets tegen zijn oor hield, waarbij de tractor, een John Deere 300 pk met zowel een aan de achterzijde geplaatste aftakas als een lateraal naderhand ingebouwde om de zaagmachine aan de zijkant van de tractor van energie te kunnen voorzien, licht van zijn rechte lijn afweek, iets wat mij m’n hart deed vasthouden en mijn vriend deed denken aan het proces van ontkerkelijking dat tevens een afwijken van de kerkelijke leer inhield of moest inhouden en waar hij middenin zat. Zijn vrolijkheid was wat weggezakt als de dubbelluchtbanden van de John Deere in de zachte berm. Zo erg hadden mijn woorden de tractorchauffeur van het Waterschap Velt en Vecht toch niet van zijn stuk gebracht hoopte ik vurig, tenminste dat was verre van mijn bedoeling geweest en zonder er verder acht op te slaan vervolgden we onze weg, waarbij ik de somberte in mijn vriends ogen zag wegvloeien als afval na de verwerking van suikerbieten op naast de fabrieksterreinen gelegen vloeivelden en wij ons konden richten op baken Emmen in de verte in het noorden waarbij we de veengronden van het Hebelermeer achter Schoonebeek en Nieuw-Schoonebeek aan ons voorbij konden laten gaan als toetjes aan obese boeren op een Zuidenveldvriendenvergadering in het Wapen van Drenthe in Oosterhesselen.

Een hedendaagse parabel  

Mooi hoor, zo’n onwillige dood die nog wat hapert, hort en hakkelt als een sopraan na een nachtje doorsnuiven met een bronstige amant, dacht ik na jouw verhaal over je oom die opleefde na zijn ontslag uit het streekziekenhuis aan de rand van het industrieterrein van een provinciestadje. Je gunt iedereen een oud familielid dat met zijn ziekte bij de dokter komt, wie weet een op het tandvlees lopende aio, zo’n overwerkte met afgetrapte schoenen, vochtkringen onder de oksels als pisresten in een vakantieonderbroek, een tweedehands stethoscoop, nog fris liefdesverdriet en koffieadem, die haar/zijn baas in het weekend verving, en dat oom of tante dan de overvolle familiezak medicijnen laat staan en daarmee een ernstige medicatietoxicatie voorkomt en een soort wederopstanding bewerkstelligt.

De parabel van de allemerkengaragist aan de rand van het industrieterrein van een provinciestadje

“Het ouwe barrel, een Italiaanse brik uit de vorige eeuw, een echte Legno Arido, heeft zijn langste tijd gehad. Van dit soort zijn maar weinig nog rijdende exemplaren bekend. Je herkent ze aan de fijne belijning van de bollende motorkap, het wat ouderwetse motorgeluid en een speciale, heel sonoor klinkende toeter. De snelheid is er uit, hazewindhond werd slak; de uitlaat, ventielen en kleppen lijken verstopt, en de lak is flets en dof. Het koetswerk is licht gebutst.

In een allemerkengarage aan de rand van het industriegebied in het provinciestadje zegt de garagist, een haastige snorremans met een vochtige peuk in de mondhoek, na een vluchtige inspectie waarbij hij onophoudelijk op zijn nepgouden klokje kijkt: ach mevrouwtje, rijd hem maar naar huis en geniet nog even van de klassieke lijnen, de authentieke stoffige bekleding en zijn laatste geprutttel. Gebruik hem alleen nog voor wat kleine boodschapjes in de buurt; hij kan elk moment de geest geven. Dan kan-ie daarna zo naar de sloop voor demontage. Misschien, zit er een hergebruiksverklaring voor nog bruikbare onderdelen bij, kijk even goed in het handschoenenvakje op het dashboard. O ja, en teken hier even voor de nota, die geef ik straks gelijk mee.

Eenmaal thuis op de oprit, wat uit de zon en beschut tegen de herfstregens wordt het beestje vertroeteld. Een dekentje over de cabrio-soft-top, een stevige keg achter de wielen tegen wegglijden en de ronde motorkap met die nog glimmende grille wordt met liefde en olijfolie opgewreven. De bandenspanning wordt wat verlaagd en aan de brandstof wordt geen kerosine of bio-ethanol meer toegevoegd. Want waarom zou je immers het oudje op toeren jagen en de kleppen en distributieriem tot het maximum tergen.

En zie: de koppige zescilinder hoest en kraakt maar begint, aanvankelijk nog hortend en stotend als een verkouden Przewalskipaardje, weer te lopen; stationair op zijn best weliswaar, maar hij doet het! Het lijkt verdomd alsof hij er weer zin in begint te krijgen. Hij gebruikt wat extra olie, zeker, maar lekken doet hij amper. Van heinde en verre stromen kenners en bekenden toe en kijken blij en bewonderend toe.”

Haperende dood

Je vrouw krijgt een appje van haar tante dat haar oom uitbehandeld is. Het ziekenhuis geeft hem de keus: lekker thuis sterven of lijden in het ziekenhuis. In beide gevallen zou morfine bijstand kunnen geven en zorgen voor een rustig, pijnvrij wegglijden als op sokken roetsjen op een gietvloer. Er zit zoveel vocht achter de longen dat operatief ingrijpen fataal zal zijn. Of je vrouws oom en tante ook gelijk jouw oom en tante zijn is je niet helemaal duidelijk. Officieel wel maar gevoelsmatig niet. ‘We zetten een bed in de kamer en dan kan het bezoek om hem heen zitten,’ besluit tante besluitvaardig. Wij overleggen. Als we hem nog willen spreken kunnen we maar beter snel zijn. ‘Is er op de maandag nog een gaatje?’ vraagt je vrouw.

Na vier dode familieleden sinds afgelopen maart zeg, denk en schrijf je geregeld dat de dood bij het leven hoort als fiscale zwendel bij VVD-kopstukken of zwartgeld bij strafrechtadvocaten.

Wat scheelt: deze oom heeft humor. Ik heb wel schrijfsels met hem uitgewisseld waar de ironie vanaf droop als plakkend zweet van buikplooien in zomers. Het werd oprecht gezellig. De gespreksonderwerpen stuiterden door de kamer als knikkers op marmer. We praatten over vroeger, over de snelle, zwarte Mercedes Benz SLK Kompressor cabrio uit 1998 met 305.000 echte kilometers op de teller die zo lekker in natte bochten kon driften, van de ook aanwezige neef. We gingen verder over je vrouws opa/ooms vader die dichter in Groningen was en op wiens begrafenis jij oom voor het eerst ontmoette, over het verlies van smaak en zin in wijn in de terminale fase, over hoe moe je werd van al dat vocht achter de longen, over de springerige jonge rode kat met de mooist denkbare jongensnaam, over ziektegeschiedenissen en hospitaalervaringen met rafelige randjes als een afgedragen trui gebreid met de gerstekorrelsteek, over muziek van Mozart en Brahms en speciaal Brahms Liebeslieder waar je twee of drie van kende, waaronder het schitterende, bliksemsnelle Am Gesteine rauscht die Flut en over sûkerbôle.

En over een door sommige mensen tegen beter weten in in stand gehouden zelf verzonnen, opgeblazen idee van een leven na de dood en de onmogelijkheden betreffende dit idee fixe. En over hoe oom, al proevend en smakend zich een pad door drie religies had geworsteld, als een jongleur door brandende hoepels, zonder restschade en hoe het in godsnaam mogelijk was over te stappen van de Doopsgezinden naar de Jehovah’s naar het Boeddhisme, als een vakantieganger die  de stadia doorliep van vakanties naar Tilburg-Noord, Singapore of de bossen van Appelscha.

Oom had geen spijt van zijn zoektocht. Hij was geëindigd als agnost. Je vergelijking met het Ietsiepietsisme viel in het niets vanwege een aangereikte schaal met dunne plakken cake, waar je twee van mocht nemen onder de woest opgetrokken wenkbrauwen van je vrouw. Agnost of niet, oom kon niet laten om tegen je vrouw te zeggen dat hij straks zijn zus/haar moeder zou groeten, daarbij veelbetekenend naar boven wijzend.

Twee weken later: de dood gedraagt zich als een hoofdstedelijke installateur of  de belastingdienst in de toeslagenaffaire: onwillig en te laat, hij verrekt het om te komen. Klaarblijkelijk slinkt het vocht in ooms lijf als de grondwaterstand op de Hondsrug in de zomer. Oom stuurt een mail dat we welkom zijn bij de volgende poging dood te gaan.

In Memoriam

Je zus vertelt me dat je bent overleden. Ik leg net een foto aan de kant waarop je lachende kop staat. Raar hoe familiedraden kunnen lopen. Toevalligheden zijn als lijm in fotoboeken. Nog een lijmdraad: ik zit in een Zeeuwse periode en ben de Geheime Dagboeken van Hans Warren aan het herlezen. Van Warren weet ik veel meer dan van jou. Terug naar de foto: jij zit tussen je vader en moeder in, daarnaast je zus. Wij vieren onze eerste trouwdag. Jullie allevier een lach van oor tot oor. In onze familie is dat een bijzonderheid. Ik herinner me de dag dat je werd geboren. Mijn moeder riep het door de woonkamer, ik met mijn rug tegen een lauwe radiator bezig drie kilo aardappelen te schillen. Mijn tweelingbroer hoefde ze alleen te ontpitten en te verzuipen. “Oom Auke en tante Doet hebben er een zoon bij.” Als ik jouw naam hoor vraag ik of jij naar mij bent vernoemd. Mem speelt Kurt Waldheim: “Ek nei dy jonge, fansels ek nei dy.” Onze vaders waren broers. Tussen jou en mij zitten dus vier lijmdraden spermatozoïden. Jullie woonden in de hoofdstad. Je vader had een artistieke inslag. Bouwkundig tekenaars verhuizen van woonboot naar flat naar waterkadehuis. Jou herinner ik me als een van de broers uit de Kameleon: strohaar dat alle kanten oppiekt, actie, fiere jongenspraat, een sympathieke belhamel en de wereld in willen. Voor Friezen is Zeeland als Overijssel voor Arubanen. Een andere wereld. Wat hen bindt: water, een eigen draadjestaal en geloof in een verzonnen en aanbeden held die je later laat vallen als een hijskraan een basaltblok op een zompige dijk. Daarin verschilt de bijbel van de Kameleon. Als je een jaar of twaalf, dertien bent help ik, pas verhuisd naar de hoofdstad, je met de vervoeging van Engelse werkwoorden. Detail: waarom de paragraaf Engelse meervoudsvormen zo ver moet gaan dat zelfs de uitzondering – en achter ox is opgenomen, verbaast me tot vandaag. We lachen erom en roken een sigaret. Je ogen glinsteren als je praat over opgevoerde brommers en meiden in fietsenhokken. Kijk, daarover hadden ze het niet in die Kluitmanserie. Je helpt je vader die een glazen keukencocon in de woonkamer plaatst, je bent architect of niet. Natuurlijk verliezen we elkaar uit het oog als jij de liefde zoekt in Zeeland. Voor Friezen is zo’n stap niet alledaags. Je doet waar je goed in bent. Penitentiaire inrichtingen zie ik voor me. Gevuld met gedetineerden en mannen als jij. Dat leven meer is dan werken en de familyman spelen weet jij als de beste en de burgemeester laat via marionettendraden de koning zijn kunstje doen met een terecht eerbetoon aan jou. Niet voor iedereen is Zeeland louter voorspoed en geluk, daar weten Hans Warren, jij en de jouwen alles van. Als je vader doodgaat, Friezen huilen niet, spreek ik een dochter: wijs en ondernemend. In haar herken ik jou, waarom zou je klagen? Jij ziet er monter uit. De drieletterafkorting uit je voornaam heeft je in de tang. Je leven wordt geknepen. Ik denk aan een schroefdop die koolzuur tegenhoudt. De organist van dienst doet zijn best, maar vergeet een handvol klassiekers. Ouders moeten doodgaan voor hun kinderen. Vaders doen dat. Dat niet alle moeders zich aan die wetmatigheid houden is natuurlijk meer dan mooi.