Halahaixiang (vervolg van Golden Wings)


“Ik mag jullie een nadoodgesprek aanbieden,” zegt Sjaakje Oerdedam via de telefoon. Ze zit in haar Volkswagen Jetta hoor ik. Het open raampje maakt een gierend geluid als ze over de nieuwe brug over de Krûme Ie nabij Burgum rijdt. Mijn Samsung heeft daar moeite mee. Sjaakje is huisarts van mijn overleden oudste zus.
“Oudste zus had een overlijdensrisicoverzekering die was uitgebreid met een extra module. In die module zitten twee nadoodgesprekken met maximaal twee naaste familieleden.” De Jetta, aan het janken te horen een TSI hybride, heeft zijn laatste beurt gemist, de versnelling kraakt.
Ik weet alles van Jetta’s maar van nadoodgesprekken heb ik nog nooit gehoord.
“Goed, dat lijkt mij wel wat,” zeg ik. Ik zet mijn telefoon op de luidspreker en ga door met het afplakken van strakke lijnen op een vierkant klein doek.
“Omdat jij destijds uitweidde over mijn taak als huisarts, wil ik bij voorkeur jou als gesprekspartner,” zegt Sjaakje vriendelijk. Op een inpalmende toon, zal ik later denken en in mijn dagboek noteren. “Kom maar alleen. Met zijn tweeën praten is wel zo gemakkelijk.”
“Goed,” zeg ik. Wat zou ze willen? denk ik. Negenenveertig tubes acrylverf staan op de kop voor me klaar.
“Wacht, ik parkeer even op een uitwijkhaven. In de kleine letters lees ik dat de nadoodgesprekken op een locatie naar keuze van de nabestaanden mogen worden gehouden,” zegt Sjaakje. Ik hoor dat ze de knisperende polisbladen op haar knieën uitspreidt. Ik hoor nog iets in haar stem, maar kan het niet zo snel thuisbrengen.
“Dat wordt dan aan de oever van de Leijen,” zeg ik. “Daar kwam oudste zus graag.” Na even denken voeg ik eraan toe: “Zou je dan van tevoren even willen googelen op huisartsenij in Halahaixiang? Dat is in Noord-China, niet ver van Qiqihar.”
Sjaakje Oerdedam klinkt niet in het minst verbaasd als ze mijn niet alledaagse verzoek hoort.
“Goed,” antwoordt Sjaakje. “China is hot de laatste tijd. Mijn collega onderhield me laatst over taoïsme. Kennis daarvan zou in discussies belangrijk kunnen zijn. Iets over een strakke en een gebogen, mee verende arm.”

Sjaakje is niet gek, denk ik. Gelukkig maar. Er zit niet een sticker met een vis achter op haar Jetta. Vissenstickers zijn een teken gods en Jetta’s worden veel gereden door gelovigen. Huisartsen met een vis kun je beter mijden. Gelovige dokters vertrouw ik niet en ziekenhuizen met grote kruisen op de daken, als magere antennes uit de vorige eeuw, evenmin. Op Sicilië in de vakantie oefen ik dagelijks zinnen waarmee ik naar een niet-gelovige dokter vraag.

Als ik mijn sandalen uitschop zie ik brede bruine strepen als afgeplakte lijnen op een nieuw doek. Ik zit in een geometrische periode. Sjaakje is tegenover mij komen zitten. Ze draagt een driekwart broek en een te vaak gewassen T-shirt. Dat ze aan thaiboksen doet had ik niet verwacht.
“Vroeger was het kaatsen en nu thaiboks ik dus. Nog niet zo lang hoor.”
Ik kijk naar haar armen en probeer mij haar voor te stellen als krabi-krabong vechter. Of liever als een verre nazaat daarvan. Had Sjinkie Knegt niet ook Chinese voorouders? Ze zweet. Haar oksels tonen ronde vlekken als kringen op een te vaak gebruikt biervilt. Toch ruikt ze niet verkeerd.

“Waar wil je het over hebben?” vraagt Sjaakje geroutineerd. Zij heeft duidelijk vaker een nadoodgesprek gevoerd.
“De huisartsenij en hoe die in Nederland is georganiseerd,” antwoord ik. “De perversie van de stuksmethode.” Ik hoor dat ik plechtig klink. Ik heb nagedacht. Ik wil het gesprek ten volle benutten. Niet weer dat onbevredigende gevoel achteraf dat ik meer en anders had willen zeggen.
Ik zie dat Sjaakje mij bestuderend aankijkt. Haar rechterwenkbrauw wat opgetrokken als een jonge Weimaraner die in onbekend gebied komt. Ze leunt voorover in mijn richting. De strandparasol geeft haar een lichtoranje kleur als ranja dat met te veel water is aangelengd.
“Dus niet over de dood van oudste zus?” constateert zij vragend. Van een jonge Weimaraner verandert ze in een oude.
Ik ga door zonder te reageren.
“Ik zou willen dat huisartsen zich aan de eed van Hippocrates houden. Of aan de artseneed van het NAV of de KNMG. Dat zij zich preventief meer bekommeren om de gezondheid van patiënten,” zeg ik. “Dat ze niet alleen in actie komen als er patiënten naar hen toekomen. Dat ze niet per handeling betaald worden.” Mijn stem klinkt gejaagd, hoor ik.
“In Noord-China schijnt een gebied te zijn waar dokters worden afgerekend op het aantal gezonde namen in hun kaartenbak. In de buurt van Halahaixiang, om meer precies te zijn.”
“Maar ik heb een drukke praktijk,” antwoordt Sjaakje stoïcijns.
“Ja, klopt,” zeg ik. “Maar dat komt omdat jij alle patiënten zomaar toelaat op je spreekuur.”
“Moet ik ze dan voorselecteren?” vraagt Sjaakje enigszins ongerust. Ik zie haar denken. Ze kijkt naar een surfer in de verte die met moeite blijft staan.
Sjaakje bestelt een Leffe Blond. Ik zie kleine barstjes in haar lippen. Pier brengt de glazen. Als Sjaakje zich ongegeneerd uitrekt komt haar navel vrij. Pluisjesvrij, zie ik.
“Jazeker,” antwoord ik. ”Hoogopgeleide patiënten die langskomen met kwaaltjes van niks zou je moeten weren. Zou jouw beroepsgroep moeten weren,” voeg ik er formeel aan toe.
“Wat noem jij kwaaltjes van niks?”
“Nou, gekneusde ribben, kalknagels, hoofdpijn, wratjes, verstuikte enkel, griep. De tijd die je daarmee overhoudt besteed je aan echt zieke patiënten.”

Sjaakje kijkt bedachtzaam voorbij een groepje zwemmers verderop in de Leijen. Een schuimrubberen drijfstaaf steekt omhoog als de Labellostick naast de bierglazen. Ik voel dat Sjaakje welwillend wil zijn. Ze vindt het nochtans moeilijk. Ze kijkt op haar horloge. In gezelschap op je horloge kijken is als smakken aan tafel. Zou naast misofonie iets als misoscopie bestaan, vraag ik me snel af. Zou precies passen in de trend van de hedendaagse klusjespsychologie, overweeg ik. Ik concentreer me weer op Sjaakje als een puber op de Franse juf.
“En dan die anderhalf duizend overbodige medische handelingen,” vervolg ik. “Die nalaten levert veel tijdwinst op.”
“Dat was een onderzoek onder specialisten en niet onder huisartsen,” zegt Sjaakje.
Sjaakje kijkt naar de oude verfvlekken op mijn elleboog.
“Zullen we de volgende keer over oudste zus’ dood praten?” vraagt ze niet onvriendelijk, “als jij het goed vindt.”

Golden Wings

“Hebben jullie nog vragen?” Huisarts Sjaakje Oerdedam zegt het op een toon als wil zij een compliment ontvangen. Soms heb je dat. Na een ingewikkelde klus moet er worden nabesproken, het liefst met een positieve twist. De gedachten zijn al bij een glas fris.
Oudste zus zegt niets. Ze ligt al een half uur in de kist. Sjaakje Oerdedam had de dood vastgesteld, nadat wij oudste zus de dood hadden zien inglijden. Nu is uitvaartverzorgster Sjoerdsje Praam bezig oudste zus wat op te knappen. Vier broers en jongste zus voelen zich eendrachtig rot en opgelucht. Dood is nooit mooi. Maar nu het achter de rug is, is het goed. Ja toch?
Sjaakje kijkt ons aan. Als een organist trekt ze ‘luchtig register’ open.
“Als er geen vragen meer zijn, dan ga ik maar eens,” concludeert ze voorbarig. Ze verlangt hevig naar de stoel van haar Volkswagen Jetta. Raampje open en…

“Waarom,” zo begin ik aarzelend, terwijl ik Sjoerdsje Praam negeer en de zijkant van Sjaakjes streepjesonderboek bestudeer, streepjes die duidelijker en kleurrijker worden naarmate Sjaakje schever op de stoel gaat zitten en haar billen dus meer onder spanning komen te staan, “waarom heb jij oudste zus nooit op de gevaren van roken gewezen?” Streepjes overdwars maken breed, denk ik tussen de bedrijven door. Ze had beter verticale streepjes kunnen kiezen. Of een minder doorschijnende rok, dat leidt ook minder af.
Tweelingbroer schrikt. Ik zie dat hij denkt: ‘godver, waar gaat hij nu weer heen?’ Oudste broer kijkt vertrouwend toe. Jongste zus en twee jongere broers kijken vol rust naar buiten, ze denken aan zwemmen, vliegeren en hardlopen. Overbuurvrouw Geartsje Schoenema loopt voorbij. Geartsje twijfelt zichtbaar. Een knikje of de hand opsteken? Als compromis kijkt Geartsje naar de nu bijna onfatsoenlijk uitbundige hortensia’s.

Sjaakje laat de hengsels van de dokterstas los en kijkt mij aan. “Alle mensen hebben een eigen verantwoordelijkheid. Oudste zus kende de gevaren. Ik heb een drukke praktijk.” Ze verschuift ten teken dat de eindevaluatie voorbij is. Ze moet nog een rapport schrijven. Haar rok trekt een beetje op. Kniekousen dwingen mij te blijven kijken. De ene is wat afgezakt en laat een diep spoor na, net onder de knie. Ik zie een oud, geribbeld, bleek litteken op d’r knieschijf. Sjaakje heeft vroeger gekaatst, weet ik.
Ik denk aan school. Tegen vijven lonkt de buitenlucht. De belangrijkste vragen worden aan het eind van de vergadering gelost. Iedereen wil naar zijn fiets.
Ik had het oudste zus een keer gevraagd. “Is je huisarts wel eens bij je langs geweest? Heeft Sjaakje Oerdedam je gewaarschuwd voor longkanker?”

In Ureterp is een huisarts die het dorp rookvrij wil maken. Ook een vrouw natuurlijk. Sommige dokters hebben goede initiatieven. Op de televisie komen twee felle kankerspecialisten voorbij die sigarettenfabrikanten de maat nemen. ‘Verdomme, ze gaan ze aanklagen,’ hoop ik hardop als ik zit te kijken. Sportverenigingen willen rookvrije kantines. Ziekenhuizen bepleiten asbakloze ingangen. Scholen combineren de strijd tegen de krimp met die tegen de sigaret.
Huisartsen hebben het druk. Dat weet ik wel. Mijn eigen huisarts had mij acht vrijdagochtenden laten terugkomen om mijn bloeddruk te laten meten door een physician’s assistant. “Het ziet er nu goed uit, maar kom toch nog maar een keer terug. Het is een momentopname.”

“Oudste zus heeft gymnasium gedaan. Daarna nog twee masters. Zij kende de gevaren van roken.”
Sjaakje staat nu naast haar stoel. De oude caféstoel heeft een scheur in de zitting. De stroeve metalen veer kan je behoorlijk raken, weet ik. Als de punt van de veer tussen je billen komt, ben je zuur. Vertel mij wat.
Als Sjaakje haar tas pakt, zie ik een streep blote rug. Een verschoten hemd kruipt naar boven als een schaduwstreep in de middagzon. De stoelleuning tekent lichte contouren op haar vel als een tatoeëerder hulplijntjes voor golden wings.

Mijn vroegste herinnering

Er broedde een merel in de oksel van de steenperenboom in de voortuin. De grote letters TOLLENAAR bladderden af van de betonnen dakrand van het bushokje. De vuilniswagen kwam de hoek van de Van Eysingalaan om en twee gemeentemannen sprongen van de treeplank om de vuilnisemmer leeg te gooien. In de woonkamer werd de verjaardag van beppe gevierd met ranja, vruchten op sap en voor de mannen een berenburg. Beppe was als altijd in het zwart gekleed en staarde naar buiten. Om haar hals feestelijke bloedkoralen. Wie wist waar haar gedachten waren gebleven nadat ze in Leeuwarden geshockt was? Het was half twaalf in de ochtend. Heit had de radio uitgedaan en stak een sigaar op. Niemand kon mooier een baan blauwe sigarenrook naar de symmetrische plafondvlakken zenden dan hij. Stemmen klonken, gelach. Maar ik zag niks. Ik hield mijn hoofd stijf geklemd tegen de hals van mem, mijn handen speelden achter haar nek met de sluiting van een kettinkje net onder de watergolven in mems haren. Ik rook mem. Een vleugje Nivea en een beetje eau de cologne.’Klonje,’ zeiden ze bij ons thuis. Ik speelde dat ik op mijn duim zoog. Lippen op elkaar en geconcentreerd mijn mond vacuüm zuigen, dat maakte zo’n apart geluid, vooral als je veel speeksel had. Mem speelde het spel mee, kietelde me en zei: ‘Tomme út de mûle.’ We gierden beiden van de lach als ze doorkreeg dat ik haar fopte. Bij mem op schoot zitten was het leukste wat er bestond. Het was niet een alledaagse traktatie, want ik moest haar schoot delen met Folkert, mijn tweelingbroer. Vaag herinnerde ik me dat we samen op mems schoot zaten, altijd met het hoofd naar mems borsten gekeerd en de ruggen naar de buitenwereld. Hoe oud ik was? Drieëneenhalf of zo? Vier?

Oom Piet vertelde het verhaal dat Folkert en ik, we waren twee, met een riem vastgebonden aan de tafelpoot op de pot zaten, hard werkend zindelijk te worden. Folkerts plas kwam altijd iets eerder en genereus schonk hij de helft in mijn potje. ‘Klear mem, klear,’ riepen we en dan waren we weer vrij. Aan het geklak hoorde ik dat heit mijn aandacht vroeg. Hij stak dan altijd beide delen van zijn kunstgebit naar buiten en maakte klakkende geluiden. Hij stak het sigarenbandje omhoog, een grote deze keer. De bandjes van bokjes stelden niets voor. Af en toe rinkelde de telefoon. Ietsje had de beurt vanochtend. Geroutineerd stond ze klanten te woord. Af en toe liep ze even naar het kantoor om iets op te zoeken. Pake en beppe uit Nes zouden pas ’s middags komen. Met een gulden. Boven het buffet zaten twee schuifdeurtjes naar de keuken. Ik hoorde Annie zingen en ik rook versgekookte appelmoes. Een heerlijke, zure geur. Borden en bestek werden achter het luik klaar gezet. Folkert hielp haar. Vanuit een ooghoek zag ik mijn dinky toy op het buffet staan. Een groene vrachtwagen op een zwart chassis met gele hekken. Een echt stuur achter de raampjes. Achter de hekken twee koeien. Swart-wyte, natuurlijk. De auto had, samen met een handvol pepernoten en een suikermuis verpakt gezeten in een afdroogdoek. De handdoek was natuurlijk voor mem. We vonden de schat op 6 december 1959, ’s morgens vroeg om half zes. Folkert en ik hadden amper een oog dicht gedaan. Folkert kreeg een raceauto. De hele morgen hadden we met de auto’s gespeeld op een wirwar van wegen die we van ingedroogde kastanjes hadden gemaakt. Onze knieën waren ruw van de kokosvloerbedekking. Als Annie om zeven uur benedenkwam, ruimden we de kastanjes weer op. Annie was op zes januari 1956 bij ons komen wonen, de dag na de geboorte van Folkert en mij. Ze had een eigen slaapkamer en werkte zes dagen in de week als hulp in de huishouding. Toen we een keer met haar naar de kleuterschool waren gelopen om zus Tjitske op te halen, dachten schoolkinderen dat zij onze mem was. We liepen langs fietsenmaker Van der Ploeg, die speciaal voor mem een verlengd bagagerek had gelast zodat Folkert en ik beiden achterop de fiets mee konden. Om de beurt mochten we de armen om mem slaan. Een vleugje Nivea, wat Sunlight.

Catechisatie

‘Doordat je de voorhuid over de eikel trekt en het dan weer snel terug schuift, ontstaat een prettig gevoel. Als je dat lang en snel genoeg volhoudt, ontstaat een ontlading, ook wel orgasme of klaarkomen genoemd. Maar als je besneden bent, is er wat van de voorhuid, zie plaatje 6c in § 4, weggesneden en als dat rafelig is afgewerkt, wordt aftrekken lastig, maar het kan nog wel hoor. De chirurg of vroeger de medicijnman, neemt de penis in zijn linkerhand, de zuster of dorpsoudste schuift de voorhuid iets op en knip, met de schaar of een scherpe steen wordt een stukje van de voorhuid weggesneden.’ Klas 1g van het Oostergo Lyceum in Dokkum luistert ademloos naar hun biologieleraar, meneer Germs, voor de Kollumers Harley-Frits. Meneer Germs vervolgt zijn route over lastig masturberen na de besnijdenis met informatie over de heilzame werking van vaseline of uierzalf die, mits niet te uitbundig aangewend, uitkomst biedt. De meisjes in de klas kijken met bewondering naar de jongens, die, zonder uitzondering, hun friemelende handen heel ver in de diepe broekzakken hebben verstopt. Meisjesbesnijdenissen werden nog niet genoemd in het biologieboek. En hup, daar gaat meneer Germs al weer verder met ejaculatio praecox en geslachtsziekten van a tot z in § 5.

De meesten van ons gingen vanaf hun twaalfde, net na de lagere school en na de laatste keer zondagsschool naar catechisatie. Op dinsdagavond zeven uur tot net voor achten in de consistoriekamer, achter de hervormde Maartenskerk aan de Voorstraat. Waar het precies goed voor was, wisten we niet. Onze ouders stelden er prijs op en het duurde maar zes maanden per jaar. Uiteindelijk, als je niet oppaste, leidde het tot belijdeniscathechisatie, maar zover is het niet gekomen. Dominee Dijkmeijer en zijn opvolger dominee Breeuwsma hadden de taak ons bij te praten over de Heidelbergse catechismus en gewoon over bijbelse en kerkelijke aangelegenheden. In feite was catechisatie een vervolg van de jongelingenvereniging. Dat was een club, vroeg in de avond, waar je, begeleid door vlotte vaders die ook voetbalden, kon knutselen, waar je uitbundig sinterklaas vierde en bij je kameraden een muis als cadeau bestelde en waar je leerde roken. Eenmaal per jaar gingen we met de jongelingenvereniging op kamp naar Ameland of Sellingen om kennis te maken met seksboekjes als Candy en Chick. De leiders van de jongelingenvereniging, naast voetballende vaders, vaak meesters van de lagere school, hadden, in samenspraak met enkele ouders, aangedrongen op een meer moderne aanpak van de catechisatie. Dat leidde ertoe dat we altijd vragen mochten stellen over dingen die ons bezig hielden. Vooral veel discussiëren over levensvragen was de bedoeling, dat zou de geesten scherpen. Vol vuur spraken we over Israel en kibboetsen; waarom god het beloofde land in zo’n dorre streek had gepland en niet in noordoost-Friesland; wat het verschil was tussen gereformeerd en christelijk gereformeerd; of je zwemmend in de Dode Zee niet op onsportieve manier aan je zwemdiploma kwam; waarom wel een gebod: eert uw vader en uw moeder, maar niet: eert uw kinderen; waarom in de bijbel, het boek van liefde, toch zoveel wordt gemoord, afgeslacht, gespietst, verbrijzeld, met de pest geslagen; of tongzoenen ook onkuis was; of het niet jaren zou duren als de ark van Noach echt met van alle dieren een tweetal gevuld werd; of Johnson een oorlogsmoordenaar genoemd mocht worden, rector Heukels en leraar Engels, meneer Van de Peppel van het Christelijk Lyceum in Dokkum hadden er immers schande van gesproken; of twee keer masturberen per dag was toegestaan; of er voor die arme katholieken een speciaal kamertje was aan de rand van de hemel omdat zij immers de brede weg bewandelden met die on-Bijbelse Mariaverering, een paus als opvolger van Petrus, en, het moest niet gekker worden, plaatsvervanger van JC, en dan ook nog allerlei gesneden beelden aanbaden; en hoe het toch kwam dat er, volgens de leraar maatschappijleer, geen grote Nederlandse schrijvers waren die zich christelijk noemden, tenminste volgens een radioreportage van de V.P.R.O.?

Op de fiets terug van Dokkum naar Kollum hadden we het besproken. Wietse, Andries, Anton uit Veenklooster, Johannes uit Westergeest, Rudi, Folkert en ik waren het erover eens. We zouden die suffe catechisatielessen wel eens opschudden en dominees kennis van besnijdenis testen. De meiden, inclusief Atsje, over wie ik later nog een gedicht zou schrijven, lieten we buiten het complot.

‘Dominee, in de bijbel staat dat jongens en mannen werden besneden, maar wat is dat eigenlijk? Bent u ook besneden? Waarom worden wij niet besneden? Worden vrouwen ook besneden? Is de bijslaap na besnijdenis nog wel lekker? Als je besneden bent en een kapotje gebruikt, voel je dan nog wel wat? De dominee begroef zijn handen diep in zijn broekzakken.

De riedende notoaris

Tot in de verre omtrek werd hij de riedende notoaris genoemd, Frits Bergman uit Ter Apel. Hij was ook notaris, maar nog liever was hij buschauffeur. En in zijn vrije tijd was hij buschauffeur. Samen met wat kameraden had hij achter zijn huis aan de Stationsstraat een afdak gebouwd. En daar stond hij te glimmen: een rode Scania uit 1961. De carrosserie was indertijd vanaf een frame chassis gebouwd door Jan Kiel. Op de flanken in sierlijke belettering het trade mark: De Zwaluw. Nog met een blauw nummerbord, schuiframen en een radio met bakelieten frontje. De stoelbekleding als nieuw, de bekleding geverfd op aanwijzingen van zijn opa, die zijn kennis had opgedaan van zijn vader, die ooit stoffenverver was; blauwvaarver heette dat hier. Een echte bus, een streekbus. Al zijn vrije tijd stak hij in zijn Scania. De wieldoppen glommen als manchetknopen, het mechaniek van de passagiersdeur draaide als de bierpomp op carnaval. Op hoogtijdagen stond Frits extra vroeg op en liet de diesel warm draaien. Toen hij zijn buurman vroeg of hij daar geen hinder van ondervond had die geantwoord: ‘Houlemoal nait, mien jong. Dou maor.’
Om half acht ’s morgens deed Frits de pet op, wreef de klep met een beetje spuug glanzend en hij was chauffeur. De hele dag lag voor hem, een dag met ritten naar en van het Boshuis, het klooster, langs het kanaal naar het winkelcentrum en dan verder, keren bij de R.S.G. Op deze dagen kon de successiewet hem gestolen worden, voorlopige koopaktes, huwelijkse voorwaarden, ingewikkelde testamenten, vot d’r met! De diesel snorde, geen rookpluim te bekennen. Rijden, optrekken, keren, met liefde de double clutch toepassen, wat, als het koppelingspedaal niet bleef hangen, zo’n machtig geluid maakte, als een bronstige leeuw. ‘Dubbelklutsen,’ zei Geert, zijn technische man. Geert was specialist doorsmeren. Geen nippel ontging hem. Wel even oppassen als hij met zijn vette overall binnenkwam om koffie te drinken. Geert had een smeerkuil gewild, maar daar had Frits’ vrouw gewiekst een stokje voor gestoken.
Met de Boeskoolmarkt reed Frits de hele dag. Topdagen! Westerwolde zijn gebied, met uitlopers naar Sellingen en Roswinkel. ‘Busrieder, woar gaist hin?’had een oude vrouw hem toegeroepen. Geduldig legde hij haar de route uit, en Frits neuriede’ Quo vadis, Scania Vabis.’ Hij kende zijn klassiekers. Frits keek alweer uit naar september, dan hadden ze het middeleeuwse feest bij het Klooster. Dan kon hij op twee dagen diensten rijden.
De wethouder had nog wel even raar opgekeken toen Frits hem het plan voorlegde om een busafdak achter huize Barkenkamp aan te leggen. ‘Met vloeistofdichte vloer,’had Frits er geruststellend bij gezegd, dus zonder risico van bodemvervuiling door weglekkende olie. ‘Dikke prima,’had de wethouder hem gezegd. Op Ter Apel waren ze gemoedelijk. Geen drukte om niks.
Af en toe kreeg Frits vragen voorgelegd over recht van overpad, of dat in de koopakte moest of over het onbekende artikel 67 uit de successiewet. Met veel plezier legde hij het uit. In de carnavalsperiode was het oppassen geblazen. Dan kreeg hij nog wel eens een dronken passagier. Op zich maakte hem dat niks uit, als ze maar niet op de stoelbekleding kotsten. Even stoppen naast het kanaal was gemakkelijk zat, ruimte genoeg. Tegen het eind van de ritten zwierven zijn gedachten naar vroeger, toen zijn vader het busbedrijf bestierde. De drukte in de garage, de dieselgeur en dat Frits de eerste rijlessen kreeg, hij was amper veertien. Verkoop van de zaak aan Sijpkes was een moeilijke beslissing, moar het was goud. Hij grinnikte als hij aan opa dacht. Van fietsenmaker naar fietsenfabrikant. ‘Wat Fongers kan, kan ik ook.’ Frits had de fietsemblemen nog. Kom, opletten, nait soezen, de kop d’r veur. De laatste rit. Straks de bus schoonmaken, met Geert de motor inspecteren, een rubbertje bij de motorkap vernieuwen en dan twee halve liters voordat hij met de vrouw nog even naar het feestterrein ging.

Mächteld

We fietsten langs de Trekvaart naar school in Dokkum in een cocon van mist. Het was alsof niet alleen onze adem, maar ook de uitgesproken woorden veilig landden in de vochtige, grijze, wattendeken van mistflarden. Veiligheid zorgt voor uitgelatenheid, zo weet ik nu.

‘En als het onweerde moesten we een kaars aansteken en dan achter elkaar aan door de gangen lopen en hardop bidden dat het niet zou inslaan.’ Haar stem klonk vrolijk en wij lagen krom van het lachen. Onze sturen haakten bijna in elkaar van het wiebelen. ‘En dan ook nog kaarsen, we droegen bij deze nachtelijke processie grote kaarsen.’

Natuurlijk wisten we wel dat roomsen rare dingen deden, maar internaatskinderen ’s nachts wakker maken als het onweerde, dat ging wel heel ver. Wat meespeelde was dat we Mächteld maar wat graag geloofden en gelijk gaven bij heikele kwesties. Mächteld was op haar vijftiende overgestapt van een katholiek internaat in Bolsward naar het christelijk lyceum Oostergo in Dokkum. Vergeleken met de roomse school in Bolsward was Oostergo een vrije school. ‘Maar zijn er dan geen gewone kinderen in het internaat?’ vroeg ik nieuwsgierig. ‘Wat bedoel je,’ vroeg Mächteld. ‘Nou ja, zoals wij, hervormden en grefo’s.’ ‘Tuurlijk niet, joh, daar zitten alleen katholieke kinderen.’ Mijn bewondering voor Oostergo groeide, daar zaten zelfs openbaren, die te lui waren om naar Leeuwarden te reizen. Niet iedereen was zo principieel als oom Jaap, die elke dag naar de openbare HBS in Leeuwarden reisde omdat hij niet naar de christelijke hbs in Dokkum wilde. De Heegers woonden aan de Oosterdiepswal in Kollum. Mächtelds vader, Eegje, van Egidius nam ik maar aan, was winkelier in confectiekleding. Het gezin Heeger was – bij mijn weten – het enige katholieke gezin in Kollum. Tot haar vijftiende hadden wij Mächteld zelfs nog nooit in het dorp gezien. Ze zat nu bij mij in de vierde klas en de fietstochten kregen direct een heel nieuwe lading. Het viel mijn moeder op dat ik steeds vroeger vertrok ’s morgens. De eerste op de startplaats deelde altijd de fietsgroep in. De groep fietsende jongens – gingen er behalve mijn zusters Tjjitske en Jelske eigenlijk wel meisjes naar het lyceum in Dokkum? – werd uitgebreid met een meisje. Natuurlijk waren de Kollumer kameraden en Johannes Wijbenga uit Oudwoude en Anton Boersma uit Veenklooster, die onderweg naar Dokkum aanhaakten, ergens tussen de melkfabriek van Huisternoord en Triemen, leuke gasten, maar tegen Mächteld konden ze niet op. Zoals zij kon lachen en schateren. De eerste tijd hielden we haar braaf uit de wind, maar na een week of twee kreeg ze ook kopwerk. Haar bruine haren dansten dan in de tegenwind, op haar bovenlip parelde zweet, haar donkere wenkbrauwen vormden één lijn en haar mond had een verbeten trek en als haar fietstas dan wat verzakte onder de verslapte snelbinders en ze die met haar hak rechtschoof, moest ze alles geven om vaart te houden. Maar ze flikte het en zo werd ze één van ons. Rooms of niet, we gingen van haar houden. We genoten van haar ongewone internaatsverhalen. Oude nonnen met kapjes op, in witte lange schorten, op mannenschoenen, die de slaapkamers controleerden. Verplichte bidsessies. Biechten. Maar wat kon zij dan hebben gedaan? De bescheiden, overzichtelijke, mores van Calvijn verbleekte bij dit regime. Helemaal niet gek dat ze graag meeging naar Oostergo. Als we er eens goed over nadachten, had ze gelijk met de overstap.

Toen ze een paar dagen achtereen niet op kwam dagen om half acht, voor het huis van dokter Roosdorp, bedachten we dat ze ziek was. Rudie Heins zou thuis een fruitmand fixen en dan gingen we ’s middags, net voor de voetbaltraining, op ziekenbezoek. Mächtelds moeder glimlachte toen ze ons vijven zag staan. Een crucifix in de gang gaapte me aan. En toen Mächteld eraan kwam en ons zag met die stomme fruitmand, schaterde ze van het lachen. ‘Even een paar snipperdagjes, meer niet.’ We dronken een kopje thee en vertelden sterke verhalen over school. Ondertussen werden we begluurd door een nog groter crucifix boven een deur.

Sjoerdsje Beintema

2003. Bredevoort was een rustplaats op onze tocht van Eijsden naar Sleen. Toen Maarten en ik door het centrum fietsten, herkende ik een auto uit mijn jeugd, een VW kever. Ik zag onmiddellijk dat het een 1100 was met ovale achterruit, daardoor ook wel ‘ovaaltje’ genoemd. Een gerestaureerd exemplaar, geen roest aan de voor mij zichtbare treeplank. Ook zag ik dat er iets met de chauffeur aan de hand was. De witte Volkswagen stond slordig geparkeerd op de stoep. Alsof kermismannen, die verderop bezig waren, hem hadden geduwd en hem daar hadden laten staan. Uit mijn ooghoeken zag ik dat de bestuurder morsdood was. Althans ik hoopte vurig dat hij dood was. Een lange, dikke, sliert glinsterend snot hing naar beneden als een gerafeld stuk elastiek. Ondanks dat hij dood was, zat de man rechtop. Dit type VW stond bekend om de goede bestuurderszit, herinnerde ik me. Bij mij thuis, vroeger, reed mem in de kever. Hij schakelde gemakkelijk en je zat altijd goed. Heit voelde meer voor de wat wegglijdende zit op de rode bank in de Zephyr.

Het voorhoofd van de dode man rustte op de bovenste rand van het stuur. Een grote, natte, vlek in zijn kruis. Ik besefte dat als ik maar een gering levensteken zag, ik in actie moest komen. Op de b.h.v.-cursus had ik niet voor niets alles over een stabiele zijligging geleerd en over hoe te reanimeren. Je mocht, als de situatie erom vroeg, eerst de mond schoonmaken voordat je met mond-op-mond-beademing begon. De b.h.v.-instructrice, Sjoerdsje Beintema, kon beeldend vertellen over braaksel op de lippen van mensen die onwel waren geworden en beademd dienden te worden. In die tijd waren er nog niet van die kunststof kapjes. ‘Maarten, fiets maar even alleen door, ik kom zo bij je, hier is iets aan de hand,’zei ik tegen Maarten. Hij begreep me en vroeg niet waarom. Ik smeet mijn fiets tegen een boom en rende naar de VW. Het hoofd was al iets verder weggezakt, de neus raakte de chromen beugel van de claxon die in dit type kevers diagonaal, als ware het een bliksemschicht, op het stuur was gemonteerd. De aanraking was echter zo licht dat de toeter niet klonk. In de kattenbak een grote pluchen hond met droeve ogen. Dat er een mevrouw uit het tehuis was komen lopen, merkte ik nu pas op. ‘Laat mij maar,’ zei ze monter en ze opende de autodeur. Wist zij al van de dode man? Had zij zijn dood voorzien? Hij zal zich niet goed hebben gevoeld en op weg zijn geweest naar de medische zorg van het tehuis, concludeerde ik snel. Misschien had hij zich telefonisch aangekondigd? ‘Bedankt,’ zei ze vriendelijk, ‘gaat u maar gerust verder.’ Ze glimlachte als iemand die dagelijks dode mannen uit VW-kevers verwijderde en handelde professioneel. Verderop zag ik Maarten naar me kijken. ‘Kom je nog?’ riep hij, ongeduldig, we zouden gaan zwemmen, weet je wel?’

Het was bloedheet. Zo warm dat de Nijmeegse wandelvierdaags de routes had ingekort. ‘Echte bikkels geven niet snel op,’ hield ik Maarten voor, ‘fietsen kan altijd, kijk maar naar de Tour de France, daar korten ze etappes ook niet in als de zon schijnt.’ Vooral veel drinken en goed eten. Toen al wist ik dat wilskracht een spier was die je kon trainen. Met gemak fietsten we de 380 kilometers van Eijsden naar Sleen in vier dagen. Op dikke-banden-fietsen.

Vooral die lange taaie, speekselsliert, bleef lang in mijn gedachten hangen. En als ik die verwijderd had, waarmee trouwens, had ik de oude man dan wel durven beademen? Als het Sjoerdsje Beintema was geweest wel. Dan had ik met een doordacht gebaar het beetje snot weggeveegd met mijn zakdoek, had ik haar neergevlijd onder de boom, naast mijn fiets en dan had ik haar weer tot leven gewekt. Ze zou hebben gelachen om de korreltjes van haar lipstick in mijn mondhoeken en verdwaasd hebben rondgekeken.
Maarten kon zwemmen als de beste. Met zijn drie of vier zwemdiploma’s hoefde ik hem niet steeds in de gaten te houden, dat deden een stuk of vier vakantie vierende meiden wel. Langzaam dutte ik wat weg op mijn handdoek op de zonneweide. De eigenaresse van het Vrienden-van-de-fiets-logeeradres, probeerde mij op mijn gemak te stellen. Natuurlijk was ik weer over de dode man begonnen. De dode man plakte aan mij als kauwgum onder een schoen.

Witte

Ik zat op zijn rug, net onder de schouderbladen en duwde zijn mond met kracht in een rulle molshoop. Moest hij ook maar niet zo schreeuwen en spartelen. Folkert zat achter mij, op zijn bovenbenen en hield zijn voeten en handen in bedwang. Witte probeerde zijn hoofd te draaien. Ik voelde dat zijn verzet wegebde. Hij hoestte en spuwde natte modder uit. Oké, dacht ik, goed, ademen moet, en duwde nu zijn rechteroor in de rulle grond van de molshoop, zodat zijn mond vrijkwam. Er ontstond een kuiltje onder zijn hoofd. Twee pissebedden glipten weg, zag ik uit mijn ooghoeken. Maar pissebedden vertonen zich toch nooit in zonlicht, dacht ik. Ik had wel eens een tegel opgelicht en me verbaasd over de levendigheid van deze diertjes en dat terwijl ze onder een platte steen zaten. ‘Genoeg,’ fluisterde Folkert, ‘ik hoor de fluit van meester Van der Heide al.’ Aan het begin van de ochtend en de middag moesten de klassen zich in rijen voor de schooldeur opstellen. Als kleine militairtjes wachtten we op het fluitsein ‘binnenkomen’. ‘Ho ho,’antwoordde ik, ‘de andere wang moet ook nog even. ’Ik verslapte mijn greep om het hoofd van Witte en draaide het, zodat nu het linkeroor naar de weggekropen mol kon luisteren. Witte keerde mij zijn andere wang toe, bijna uit zichzelf. Ik begreep hem wel, hij verdiende nu eenmaal straf, dat zag hij nu ook zelf in. Zijn tranen mengden zich met de kluitjes grond tot een bruine pap. Ik zag een worm en pakte die. Het uiteinde van de worm duwde ik tegen Witte’s mond. Hij wilde niet proeven. Dat begreep ik ook. Ik voelde me sterk, de rollen waren nu omgedraaid. De helft van een tweeling zijn leverde nu iets op. Pure kracht. Samen waren we hem verreweg de baas. Mem zou het niet goed vinden, natuurlijk, wraak was niets voor haar, maar mem was er niet bij. Mems hulp, Annie, dacht er gelukkig anders over, zij was meer van oog om oog en tand om tand. Folkert trok me weg en Witte ging er vandoor. ‘Rotzak, verrekkeling!’ riep ik hem na. ‘Zeg maar tegen de meester dat ik eraan kom,’ zei ik tegen Folkert, ‘ik moet eerst mijn handen nog wassen.’ Folkert rende naar school. Ik voelde dat mijn armen en handen beefden. Ook mijn bovenbenen trilden. Ik ging tegen de muur van het bushokje zitten en voelde mijn spieren ontspannen. Of het niet te hevig was geweest voor Witte vroeg ik me nu af. Waar de bus altijd stil stond waren de straatstenen verzakt en ontstonden waterplassen met blauwgroene cirkeltjes van weggelekte olie. Ik boog me voorover en waste mijn handen en knieën. Mijn zakdoek werd handdoek. Spijt had ik niet, maar ik voelde me wel bezorgd. Of schuldig. Ik dacht na over het verschil tussen spijt en schuld. Met zijn tweeën tegen één, was natuurlijk niet goed. Maar Witte was zeker drie jaar ouder dan wij, hij zat al in de tweede of derde van de ambachtsschool en wij in de zesde van de lagere school. Had hij me maar niet moeten uitschelden elke dag als hij mij zag.

De grensrechter bij Friese Boys C2 – Kollum C2 had wit haar. Hij was een jaar of vijftien, maar groot, je gaf hem gemakkelijk zestien als je hem zag staan. Folkert was spil en ik keeper. Ik droeg een oude trui en voetbalschoenen die te groot waren. De punten had ik met schapenwol gevuld. Vaak verloren wij van Friese Boys uit Zwagerveen, zoals we ook verloren van WTOC uit Oudwoude. Viod uit Driesum en De Lauwers uit Warfstermolen konden we wel hebben. Maar deze keer stonden we toch op winst tegen de Boys. De grensrechter had wild gevlagd op het moment dat ik de bal opraapte bij de achterlijn. Iedereen zag dat het geen doelpunt was en de scheidsrechter had het vlagsignaal genegeerd. Onze trainerleider, Jan Boer, had er iets van gezegd, grensrechters van veertien, vijftien waren niet toegestaan. Hij mocht dan een goede A-speler zijn, maar dat maakte je nog niet een goede grensrechter. Kon ik het helpen dat hij door de mand viel?

Elke keer als hij me in Kollum zag, riep hij me na. Hij schold me uit voor kievit, strontkeeper, klootzak, snotneus. Dat schelden was niet het ergste, maar wel zijn dreigende houding als hij mijn kant op fietste. Als ik hem zag, dook ik weg. Ik verstopte me achter een heg of deed alsof ik post bezorgde en daarom naar de voordeur liep van willekeurig welk huis ik maar passeerde. Daardoor kwam ik geregeld iets te laat op school. Als ik op zaterdag voor heit post bezorgde in de streek rond Zwagerbosch, Triemen, Zwaagwesteinde, Veenklooster en Zandbulten, dan keek ik extra goed om me heen. Ik wist dat hij hier ergens moest wonen.
Ik kneep hem, maar dat kon je niet bang noemen. In gedachten noemde ik hem Witte. Ik nam me voor hem eens samen met Folkert te pakken.

Evoluon

Oh, wat had ik graag Franse les gehad van juffrouw Stroom. Onze leraar Frans, meneer Jongkind, had een klapvoet. Bij proefwerken en schriftelijke overhoringen hoorde je hem aankomen. Niet dat het mij iets uitmaakte, ik was goed in Frans. Per les rookte hij drie sigaretten in een sigarettenpijpje. Zijn lokaal was naast dat van zijn collega’s Frans, mevrouw Snoeck en mevrouw Stroom. Van deze twee was juffrouw Stroom het aantrekkelijkst. Ze was niet zo groot, kleiner dan ik. In de pauzes gingen er verhalen over haar. Iets met mannen en escort. Ze woonde in Groningen. Vanuit Dokkum gezien was Groningen een wereldstad. In het fietsenhok vertelde Geert Ozinga dat hij juffrouw Stroom een keer mooi tuk had gehad. Geert Ozinga woonde in Metslawier. Hij reed op een groene Zündapp, met voetversnelling. Hij bond zijn schooltas vast met rafelig pakjestouw.

‘Op het schoolfeest had Stroom een leren broek aan,’ vertelde Geert. ‘Ik stond naast haar toen ik vijf bier bestelde.’ Omdat Geert een luide stem had, had zich inmiddels een groep vijfdeklassers verzameld, uitsluitend jongens natuurlijk. ‘Ik zeg, biertje juffie?’ Geerts stem klonk opeens naar. Ik keek om me heen en wilde niet meer naar hem luisteren. In zijn mondhoek zag ik kleine rode, vochtige blaasjes, die me aan de psoriasisarmen van tante Teatske deden denken. Geert ging verder: ‘Mooie broek hebt u aan, maar, eh, hebt u ook leren pijpen?’ Gelach en gegier. Sommigen beukten met hun zware schoenen op de vloer van de fietsenkelder. ‘Leren pijpen,’ herhaalde iemand onnodig hard.

Juffrouw Stroom zat schuin voor mij in de bus, haar stoel was iets lager geplaatst. Ik zat achter de chauffeur. Mijn ogen werden naar haar toe gezogen, alsof het buiten mijzelf om gebeurde. Achter haar hoge, openstaande, kraag zag ik een gouden kettinkje dat voor de helft in een allerliefst nekplooitje verdween. Twee paar lange, losse, haren vormden een kunstig lijnenspel op haar smalle schouders. Een klein en hard, zwart, stukje mascara klonterde enkele haartjes samen in haar linker wimper. Een wolk parfum omhulde haar als een halo om de maan in het aardrijkskundeboek. Zij wilde een filtersigaret opsteken, maar gebaarde dat ze geen aansteker had. De chauffeur bood haar brutaal zijn sigaret aan. Zijn toetervormige, zelf gerolde, sigaret, waarvan de met zijn speeksel dichtgelikte plakrand viezig bruin kleurde, als vochtkringen in een te lang gebruikte zakdoek, deed zijn werk. Haar lipstick tekende een plakkerige rode vlek op het filter, een beetje als slecht waskrijt op glad tekenpapier. Juffrouw Stroom had donker, halflang haar en volle, roodgestifte, lippen. Alleen van dichtbij zag je verticale breuklijntjes in de lipstick, maar die deerden mij niet. Ze inhaleerde de rook diep, zodat het even duurde voordat de rook, bijna een massieve, lichtblauwe, kolom, via haar mond en neusgaten tegelijk, de voorruit van de Scania-bus bereikte. Het leek alsof de rook tegen de ruit bleef plakken. Strakke, glimmende, laarzen tot net boven de knie. Als ze stond, juffrouw Stroom stond altijd met iets gebogen knieën, vormden de bovenkanten van de laarzen een openstaand, bijna uitnodigend, driehoekje. Een brede riem met een glimmende gesp zat losjes om haar middel. De bovenste rand van de gesp raakt bijna haar borsten. Soms rekte zij zich uit en dan kroop haar trui iets omhoog, wat gelukkig onopgemerkt bleef. Met tegenzin boog ze zich naar voren om de mompelende chauffeur te kunnen verstaan en ik zag een kanten strook van haar fuchsiaroze bh over haar bleke huid. Ik moest aan de zuurstoksmaak denken van vroegere kinderfeestjes. Als de chauffeur zichzelf verduidelijkte, keek hij te lang haar kant op. Haar linkervoet tikte onophoudelijk met de topveertigmuziek mee. Af en toe legde ze haar gelaarsde rechtervoet op de dashboardrand.

We waren op weg naar de paddestoel. Het Evoluon in Eindhoven. Alle leerlingen uit klassen één tot en met drie en uit de hogere klassen iedereen die natuur- en of scheikunde in het pakket had, moesten mee. Ik zat in twee atheneum van het Oostergo en wist al dat ik nooit wis- schei-of natuurkunde zou kiezen. Dit was mijn eerste museumbezoek buiten Friesland. Zonde van het geld, vond ik, maar mijn vader had zonder protesteren de extra kosten voor dit nutteloze uitje betaald. Als het voor school was, was het altijd okee. In Veenklooster waren we weleens in It Lytse Slot geweest en in Vogelsangh State, een soort filialen van het Fries Museum. Bij het uitstappen werden de leerlingen geteld. Juffrouw Stroom werd geholpen door Bangsma. Bangsma gaf geschiedenis, zijn bijnaam De Leipe. Van hem werd verteld dat meisjes die wat met de knieën wiebelden en als ze durfden, licht spreidden, wanneer ze werden overhoord, altijd op een voldoende konden rekenen. Geert Ozinga zou in plaats van overhoring zeggen: ‘Een beste beurt krijgen van Bangsma.’ Het geschiedenislokaal had de vorm van een theater, de stoelenrijen liepen op naar achteren. De meeste meisjes kregen een plaats in het midden van het lokaal, tegenover de lessenaar van Bangsma.

Het Evoluon stelde in mijn ogen niet veel voor. Veel onbegrijpelijke techniek en geen schilderijen, geen fotografie. Het leek wel een betonnen bijkantoor van Philips. Ik was dertien, misschien veertien en voelde me teleurgesteld. Met Arnold, Bennie en Rudy gingen we de stad in. Bennie had iets gehoord over het Baekelandplein, de rosse buurt van Eindhoven. Het was niet erg moeilijk het museum ongezien te verlaten. Wel werden we gezien door de buschauffeur die, de benen gespreid en brutaal de Eindhovense wereld inkijkend, zat te roken op de stoel van juffrouw Stroom.

Floris

Alle meisjes hadden zich opgedoft. Ik zag lijnen en blosjes en kleuren die je in Kollum niet veel zag. Nagellak, oogschaduw, lipstick, alles van drogisterij Olij aan de Voorstraat. Op de toonbank stond een kartonnen display met drie kleuren van Starlet Fever. Als Olij niet keek had ik uit nieuwsgierigheid wel eens zo’n staafje in de hand genomen, de dop eraf gedraaid, zodat je zo’n zachte, vochtige, felrode kop tergend traag naar buiten kon schuiven en weer terug. Snel even een veeg op je hand maken. Ik geloof dat buurmeisje Ruurdje Bosma, bakkersdochter Anneke Boersma en Louw Beerstra’s zus Meike al een minirok droegen, en Anneke en Hanneke Heins natuurlijk, de oudste dochter van slager Zeldenrust zeker niet. Mijn zusters waarschijnlijk ook niet, maar ja, die waren pas zestien en zeventien en ik hield hen natuurlijk minder in het oog dan Ruurdje en Anneke. Ik zat in de derde en had al begrepen dat je vanaf klas vier moest lezen voor de lijst. Iets eerder daarmee beginnen kon geen kwaad, Duits was niet mijn sterkste taal en van broer Piet had ik gehoord dat alles van Zuckmayer op de lijst mocht.

Al weken hingen aanplakbiljetten op publicatieborden. In het dorpshuis, bij de bank, in Pro Rege, in de bibliotheek zelfs twee. Ik had er één meegenomen voor meneer Eising, mijn leraar Duits. ‘Ah, Carl Zuckmayer, toll,’ had Eising gezegd, met die overdreven neiging vooral de r aan het eind van de naam niet uit te spreken. Ongeveer een kwart van de tekst op de affiche werd in beslag genomen door de elf letters van de bekende toneelspeler. En hij had niet eens de hoofdrol. Natuurlijk kenden we hem. Maar dan als Floris. Maar misschien vonden we Floris’ kameraad, de geheimzinnige Sindala, nog interessanter. In het najaar van 1969 werd er over weinig anders gesproken dan de nieuwe jeugdserie Floris. We floten mee met de tune. Op de openbare lagere school hadden ze speciale Florisdagen, maar ja, die hadden tijd over, die hoefden ook geen psalmversjes te leren. Mijn moeder vond dat die Rutger Hauer brutaal de wereld in keek. Oom Jaap wist dat hij niet eens kon voetballen.

Er was geen echt theater in Kollum, maar wel een feestzaal met een podium in hotel-restaurant De Roskam van Bonne Hof. Bonne Hof was met zijn eigen merk berenburg hofleverancier geworden. Ik meen dat bij het bezoek van koningin Juliana de w.c. in de ambachtsschool werd ontsmet met een liter jenever van Bonne Hof. In de voetbalkantine werd hier schande van gesproken. Sindsdien sierde een kroontje zijn bedrijfsnaam. Omdat het gemeentebestuur allerlei cultuurdragers in Friesland subsidieerde, kwamen die ook in het dorp spelen. Zo speelde het Frysk orkest in de gereformeerde kerk en kwam toneelgezelschap De Drachtster Compagnie in de tot theater omgetoverde bovenzaal van Bonne Hof. Je hoefde dus niet naar het theater toe, het theater kwam vanzelf bij jou langs. Deze keer met Der Hauptmann von Köpenick van Carl Zuckmayer.

Floris hadden wij gezien bij Vrouw Bosma. In 1969 hadden wij thuis nog geen t.v. Bij de familie Bosma zag ik ook Pipo, Bonanza, Ja zuster nee zuster en, per ongeluk, Hoepla. Nadat Phil Bloom de krant voor haar blote borsten wegdeed, moest de televisie gelijk uit. Ik vond Ruurdje Bosma en Anneke Boersma leuker dan Phil Bloom. Ik denk dat mijn ouders wel een televisie konden betalen, maar ze dachten dat boeken lezen en naar de radio luisteren beter was voor kinderen. Of er ook een religieuze component meespeelde, dacht ik niet, want zowel heit als mem waren meer van de vrijzinnige kant. Kon je ook nog eens een keer een kerkdienst skippen en op zondagmiddag met het hele gezin in de Zephyr op familiebezoek in Meppel gaan. Naar toneel gaan was een ongewone gebeurtenis. Als wij duidelijk konden maken dat het voor school was, vergoedde heit de onkosten zonder discussie.

En nu, in 1971, kwam Floris dus naar Kollum, vermomd als toneelspeler. Der Hauptmann von Köpenick van Zuckmayer zou ik in klas vier gaan lezen. Ik hield van lezen. De periode van Peerke en zijn kameraden, Alleen op de wereld, Robinson Crusoe, Dik Trom, De smokkelaars van de schans, Reis door de nacht, De hooiplukker van Lochem, Pietje Bell, alle delen van de Kameleon, Arendsoog, Hotse Hiddes, dat soort, die periode lag achter me. Het werd nu lezen voor de lijst. Ik had net geleerd dat je ook toneelstukken kon lezen. Jelske en Piet zeiden dat ze het boek niet meer hoefden te lezen. Even de inhoud nazoeken in uittrekselboek Der rote Faden en klaar.

Er speelde ook een acteur uit de buurt mee: Peter Tuinman uit Twijzel. Mijn moeder was wel fan van Tuinman. Die had zo’n mooie stem. Die mooie stem heeft hij nu nog, hoor ik, als ik verzekeringreclame op t.v. beluister. Als Rutger Hauer ten tonele verscheen steeg de spanning in De Roskam. Het werd dan muisstil. Geen kuchje. Geen geschuif met asbak of glas. Je hoorde alleen het knisperende geluid van een haperend t.l.-buisje in de verlichting van het bordje nooduitgang. Sommige meisjes hadden hun armen in een omgekeerde V-vorm onder hun hoofd. Alsof hun kin op de vuisten uitrustte. Rutger Hauer liep altijd heel aanstellerig met zijn bekken naar voren gekanteld. Alle meisjes zuchtten hoorbaar. Ruurdje Bosma streek haar haren almaar achterover. De zaal was half gevuld. Er waren veel scholieren die in Dokkum naar school gingen. Ik had gehoopt dat meneer Eising ook zou komen.

In de pauze van het stuk verzamelden de meiden zich in de gang van hotel De Roskam. Kamer twaalf was ingericht als kleedkamer. De hotelkamers hadden niet een eigen badkamer en toilet. Daarvan waren er twee op de gang. Rutger Hauer ging in de pauze, die een half uur duurde, twee keer naar het toilet. Hij passeerde dan een haag van opgewonden meisjes. Ruurdje Bosma maakte zich zo lang mogelijk. De Kollumer meiden vielen zowat in katzwijm. Overal zag je uitgelopen make-up. Scarlet Fever, dacht ik, en ik moest aan de winkel van Olij denken. De jongens hadden zich verzameld voor het podium en rookten uit alle macht. Wat verbeeldde die Hauer zich wel.

Na de pauze waren veel meisjes op de voorste rijen gaan zitten. Wij moesten wat verder naar achteren. De pauze was voorbij en de zaallichten doofden. Toneelspots floepten aan. Wie ermee begonnen was, dat weet ik niet. Maar ineens klonk achter in de zaal zacht de begintune van Floris. De een neuriede, een ander floot zacht en er werd gedrumd op dikke verwarmingsbuizen. Een asbakje klepperde goed mee in de maat. Het begon heel zacht, maar zwol allengs aan. Soms hoorde je een duidelijk pa-pa-pa-paaa! Rutger Hauer keek bozig. Ik begreep ineens wat mem had bedoeld met dat brutale van hem. Gek, maar dit was de laatste keer dat de Drachtster Compagnie optrad in De Roskam.