Nieuwe broer

In november 1962 wordt Jacob geboren, kind nummer zes in ons gezin. Folkert en ik zitten in klas één van de lagere school. Juffrouw Kuperus vindt het maar een raar verhaal, nog een kindje erbij. Mem ligt in het ziekenhuis in Leeuwarden en Annie bestiert het huishouden. Af en toe krijgt ze hulp. Als ús lytse, neie broerke er eindelijk is, mogen we een keer mee op ziekenbezoek. Daar hadden we de hele week al naar uitgekeken. Heit schept op tegen iedereen die het wil horen en ook iedereen die er niet zoveel mee heeft, dat Jacob een leaf mantsje is en bij de geboorte bijna tien pond woog. Nog lang niet zo zwaar als de tweeling natuurlijk, maar niet bepaald een kleintje. Slager De Vries is net zo opgetogen als wij en bakker Beerstra, die drie keer in de week bij ons aan de zijdeur komt met brood, fluit extra hard als hij door de straat fietst. Heit zou niet naar de kerk gaan en wij hadden vrij van zondagsschool, want we zouden al vroeg vertrekken. Folkert en ik hebben op school voor mem een tekening gemaakt en voor Jacob nemen we twee cadeautjes mee: een uitgeblazen ganzenei en, in een papieren zakje, een pluk schapenwol. Dat kan hij later gebruiken om de punten van de voetbalschoenen mee op te vullen. Hij krijgt natuurlijk onze voetbalschoenen, net als wij de voetbalschoenen, met spijkertjes onder de noppen, van Piet en oom Jaap kregen.

Heit start de witte zes cilinder Ford Zephyr, gekocht van Taeke Postma uit Garijp, en wij nemen naast hem plaats op de rode bank. De kokosmat is versleten en de asbak zit vol met sigarenstompen. Heit steekt een Ritmeester op en deze keer krijgt Folkert het bandje. Op de achterbank Jelske, Piet en Tjitske. Jelske speelt dromerig met de witgele uiteinden van d’r petticoat, Piet leert onderweg een psalmvers voor maandagmorgen op school en Tjitske doet nog voor Veenklooster het raampje naar beneden want zij kan weer eens niet tegen de sigarenrook. En dat terwijl heit het kleine driehoekige raampje al open had geduwd met zijn pink. Ter hoogte van Twijzelerheide, hoogstens Twijzel, stoppen we, want Jelske moet nodig plassen, ‘pisje’ zoals wij zeggen. Omdat zij het niet naast de auto in de berm durft te doen, rijdt heit geroutineerd een boerenerf op. Een beetje extra gas als hij de bocht neemt, zodat de modder meters hoog opspat. Aan het Wyldpaed wonen allemaal klanten van hem. Door het raampje begint hij een praatje met een boer over de vee- en melkprijzen, let op ze gaan weer stijgen, terwijl Tjitske Jelske vergezelt naar de stal.

In Hardegarijp begint de snelweg en heit laat de snelheidsmeter, die bij stilstand al dertig aangeeft, beheerst klimmen tot 180. De wind suist en giert door alle geopende raampjes, as vliegt vrolijk in het rond, de zes cilinders genieten net als de inzittenden en jammer genoeg doemen de contouren van Leeuwarden met de Bonifatiuskerk al te snel op. Heit helpt andere auto’s op te schieten. Als ze niet snel genoeg aan de kant gaan, knippert hij vriendelijk met de grote lampen. Dat helpt, ook overdag. De klinkers op de Leeuwarder grachten maken een mooi geluid en overstemmen Piet die psalm 150 vers 7 neuriet. Neuriën helpt als je psalmversjes moet leren, dat weten we allemaal. Op vlijt en gedrag was een zevenmin genoeg maar met minder dan een tien op psalmversjes hoeven we niet thuis aan te komen. Ach, onder het eten wordt er ook om gelachen, steeds vaker de laatste tijd. Het remmen voor de stoplichten bij de Oldehove klinkt als muziek.

Bij het ziekenhuis, gelukkig niet het roomse, want daar was pake Diekstra nog zieker uitgekomen dan hij er binnen was gebracht, parkeert heit de auto in het grind. Bij de portier krijgen we te horen dat Folkert en ik te jong zijn, we mogen niet mee. Jelske, Piet en Tjitske mogen om de beurt om de deur gluren, heit mag naar binnen. ‘Net gûle jongens, boartsje mar mei de stientjsje hjir.’ Folkert en ik maken fanatiek snelwegpatronen in de kiezels van de parking. Onze schoenen zijn auto’s en onze nieuwe kniekousen, die mem nog op de bazar in Pro Rege, naast Bethesda, had gekocht, met veel te strakke elastieken in de boorden, worden zwart, en niemand ziet onze tranen.

De Heiltje

Waarom lag hij daar? Elk najaar opnieuw, aan het Raadhuisplein tegenover het postkantoor en de pastorie van dominee Mout? De Heiltje was een oud pulpschip, maar in Kollum werd toch geen pulp verladen? Of toch? Dat moest dan overdag gebeuren als wij naar school gingen. Meester Dijkstra had ons verteld dat pulp een bijproduct was in de suikerindustrie, dat als veevoer werd verkocht. In Hoogkerk was een suikerfabriek.

Als De Heiltje aan de kade lag, gingen we kijken. Moesten we kijken. Pulpschepen, lijkauto’s, kermiswagens, fruitvervoerders, melkwagens, ambulances, vuilniswagens, konden op onze warme belangstelling rekenen. We werden ernaartoe getrokken als ouderlingen naar een avondmaalsdienst. Zonder dat iemand het vertelde, wisten we dat ze er was. We voelden het, net zoals we voelden wanneer het knikkerseizoen aanbrak of het seizoen om rozenbottels te gaan gooien naar de openbaren.

Het was na schooltijd, zowat tegen vieren. Het schemerde nog niet echt, maar helder was het ook niet meer. ‘Kom, zei Folkert,’we gaan naar het schip.’Het was druk aan de kade. Er was slechts plaats voor één schuit. Een half gezonken roeiboot was tot spanen gedrukt. Ik zag een dode vis tussen de wal en het schip drijven. Het buikgedeelte opgeblazen. Verderop, richting de Voorstraatbrug, kleurige kringen van olieresten, half vergane kartonnen dozen, drie lekke ballen, rotte slakroppen en nog wat rotzooi. Politie Groen en mevrouw Mout stonden samen te praten en hielden de belangstellenden in de gaten.

Het voorwiel van Folkerts fiets stak al over de walkant. Iemand duwde tegen mijn rug, ik raakte Folkerts spatbord en daar ging hij: met fiets en al te water. Het spatbord haakte nog even vergeefs achter de kaderand. Folkert ging direct kopje onder in het donkere water. Ik vond het niks, meestal deden we alles samen. Ik zag zijn handen wild om zich heen tasten. Een hand kneep in de dode vis. Ik begreep heel goed dat ik hem nu niet kon vragen om de vissenschedel te bewaren voor onze geheime verzameling dierenschedels. Het was er diep, diep genoeg voor schepen als de Heiltje om aan te leggen. Er ontstond een plotselinge drukte. Er werd ineens druk geroepen en geschreeuwd. De schipper gaf zijn hondje een schop en hij spuugde over de reling. ‘Godverdomme,’ hoorde ik. ‘Bliksem nog aan toe.’ Folkerts hoofd kwam boven. Hij proestte uit alle macht en zoog hoorbaar lucht naar binnen. Het watertrappelen hadden we al gehad in zwembad Het Paradyske. Folkert kon veel beter zwemmen dan ik. Waterplanten in zijn haar. Ik hoorde hem slikken en spugen en angstige geluiden maken. Ik begreep het niet. Mevrouw Mout en politie Groen kwamen aangerend. Slager Zeldenrust en bakker Boersma hielden een autoped, een step, achterstevoren en probeerden die aan Folkert aan te reiken als een soort reddingsboei. ‘Pak ‘m dan toch, jong.’ Bijna raakten zij ook te water. ‘Verdomde idioten!’schold de schipper. Zijn vrouw stak haar hoofd om het deurtje van de kajuit, haar haren in een ruige streng. In haar mondhoek een sigaret. Zij kwam me bekend voor. Ik dacht aan heit en mem. Maar goed dat zij dit niet zagen. De schipperszoon pakte een polsstok en plantte die woest in het water. Waar was Folkert nu? Waarom pakte hij de polsstok niet vast? Dat zou alles een stuk eenvoudiger maken. Ik hoorde de kerkklok vijf slaan, we hadden niet heel veel tijd meer, om half zes gingen we eten. Een lampion dreef voorbij, maar elf november leek verder weg dan ooit. De dode vis was nergens te bekennen. Zou hij dan toch de kop eraf hebben geknepen? Iemand parkeerde zijn auto zo dat de lichten over het zwarte water schenen. Nu zag je nog minder. ‘Klootzak, doe die lichten uit!’schreeuwde de schipper. Alles wat onder de lichtstralen was, leek nu pikdonker. Weer hoorden we geproest en gespartel. Dichter bij de kaderand nu. Fokke de Vries ging op zijn buik liggen en strekte zijn handen uit naar waar hij Folkert meende te hebben gezien. Zijn witte overhemd schuurde over de straatstenen. Ineens had hij beet. Hij hengelde Folkert uit het water als een verzopen kat. Folkert proestte en hijgde tegelijkertijd. Iemand hengelde Folkerts fietsje uit het drabbige water. Met de fietsen aan de hand zijn we naar huis gerend.

Folkert ging met mem onder de douche en werd met een kruik in bed gestopt. Toen mem terug was, deed ik aan tafel het verhaal uit de doeken. In geuren en kleuren vertelde ik wat was gebeurd. Normaal gesproken had ik nooit zo lang de onverdeelde aandacht, maar dit was een uitzondering. Beppe keek onaangedaan rond en lepelde de pap op. Niemand hoorde nu haar tanden over de lepel krassen en schuren. Ze keek in de verte. ‘Dan ga ik straks nog even naar Fokke de Vries toe, om hem te bedanken,’zei heit. ‘Maar wat zal ik voor hem meenemen?’ ‘Vijfentwintig gulden, zou dat genoeg zijn?’ ‘Maar je kunt een mensenleven toch niet in guldens uitdrukken?’ vroeg iemand. Vier kinderen, oom Jaap, heit en mem, mems hulp in de huishouding Annie, iedereen discussieerde er flink op los. Er kwam van alles voorbij: een dag of een weekend lang de zes cilinder Zodiac gebruiken, een abonnement op het zwembad, een pen met inscriptie, een medaille van zilver, een kampioensbeker, een oorkonde, een oranjekoek van bakker Riemersma, twee panklare kippen van poelier Visser, drie pond karbonades, het werd een vrolijke bespreking. Beppe glimlachte maar wat, het ging allemaal langs haar heen, wist zij wat de waarde van dit kleinkind was? Het werd afgemaakt op een slof sigaretten. Heit kocht de Ritmeesters en de Golden Fictions groot in, dan had je de meeste korting. Met een slof sigaretten bedankte heit diezelfde avond nog de mensenredder.

Diversen

Het was in de tijd dat personeelsvergaderingen genotuleerd werden in een gemarmerd schrift. In lokalen en de leraarskamer werd volop gerookt. Over personeelsuitjes werd vier keer plenair vergaderd. Aan het begin van de personeelsvergadering werden de notulen voorgelezen. Er dreigde een schriftelijke herstemming over het reisdoel. Het werd een diner-dansant te Haren. Ik was drieëntwintig en van de generatie die zich er op liet voorstaan niet te kunnen dansen. Stijldansen. En van diner-dansants had ik geen weet. Toch ging ik, single met een extreem hoge hormonenhuishouding, mee. Ik wilde alles meemaken en enkele vrouwen van collega’s vond ik ronduit leuk. Op twee na waren alle collega’s getrouwd. Deze twee collega-singles lieten de beker van het diner-dansant aan zich voorbij gaan.

In de bus stond de muziek op tien. Luide gesprekken over voetbaluitslagen, Kruisinga, de onbetrouwbare Van Agt, de neutronenbom, de vakbond en een mogelijke fusie met een andere MAVO. De collega Frans wilde ons doen geloven dat multipropriété de voorloper was van timesharing. Als de roostermaker even met de chauffeur stond te praten hoorde ik geweeklaag over roosters. Veel vrouwen keken naar het voorbij vliedende landschap en zuchtten onophoudelijk, praatten met andere vrouwen over de overgang terwijl ze in de spiegelende ruit hun haren schikten. Mannen droegen terlenkabroeken, vaak met minimaal één uitgewreven vetvlekje, en een overhemd met een stropdas die uitkierde vanonder een spencer. Sommigen in pak. Vrouwen droegen rokken met een vest of jurken, een enkele een broekpak. Velen hadden een plastic tasje bij zich. Ik droeg een wijde rode trui en een verschoten spijkerbroek. Mijn lange haren gekortwiekt tot op de kraag. Af en toe kwam er een vrouwelijke collega of een vrouw van een collega naast me zitten. Waar ik vandaan kwam, of de flat beviel, wat ik van gewest tot Gewest vond en of ik Bibebs laatste interview had gelezen. Ik voelde me een vreemde eend, licht exotisch. Maar de plaats naast mij bleef zelden lang onbezet. Prettig, maar toch een beetje raar.

In een zaaltje, waarin alles crèmekleurig was, stonden lange tafels opgesteld. De helft van de zaal een dansvloer. Ik wilde net met de directeur in discussie gaan omdat hij om ‘even stilte alstublieft’ had gevraagd aan het begin van de maaltijd. En dat op een openbare school. Alsof het was afgesproken kwamen de plastic tasjes tevoorschijn. Dansschoenen. Na de vermicellisoep vroeg Lonka mij ten dans. Nee zeggen werd niet op prijs gesteld merkte ik, want mijn stoelleuning werd al een kwartslag gedraaid. ‘Ik weet dat je niet kan dansen, maar volg mij maar.’ We verbleven meest aan de wat donkerder zijde van de zaal, het verst af van de eettafels. Grote vingerplanten zorgden voor een besloten, bijna intieme sfeer. Het bandje speelde bekende Nederlandstalige muziek, schlagers noemden we die. Wie niet danste, kletste of kaartte. Van kaarten hield ik niet en de gesprekken waren flauw. Lonka had lange benen. Ze korfbalde. ‘Dank je,’ zei ze, ‘straks nog een keer?’ ‘Tuurlijk,’ antwoordde ik.

Een stukje zult met brood was een tussengerecht. Ik at met smaak, want ik had altijd trek. Tussen twee gangen door kon ik net twee glazen bier drinken. Dansen maakte dorstig. ‘Kom je mee?’ vroeg Mette. ‘Mijn man zit toch maar te kaarten.’ Ik volgde haar over de Heugavelt-tegels naar de gladde vloer, de grens werd gemarkeerd door een metalen stripje. ‘Niet struikelen,’ hield ik mezelf voor. ‘Doe je hand maar iets lager,’ en vooral niet zwengelen met je linker hand, dat weet je toch?’ Mijn rechterhand deed wat ze mij vroeg. Mijn vingers betastten voorzichtig een dichte rits op haar rug. ‘Je walst al goed, hoor.’ Ze rook prima. Soms voelde ik haar bovenbeen, vooral net voor een complexe draai. Als ik kon, zocht ik vaker een hoek om nog een keer te draaien. Nog steeds bleven we wat uit het zicht, buiten de kijklijnen. Ik combineerde in mijn hoofd het ritme met de passen en probeerde niet hardop te tellen. Dat ik werd geleid, daarvan had ik geen idee. ‘Jij houdt zeker ook niet van toepen,’ hoorde ik.

Na elke gang werd er muziek gespeeld, gekaart en gedanst. In die tijd werden op de tafels de naambordjes verwisseld en kreeg iedereen een nieuwe plaats. Bo had de lijsten gemaakt, begreep ik. Ik kwam, realiseerde ik me achteraf, steeds naast iemand te zitten die me vervolgens ten dans vroeg. De derde gang was een stuk varkenshaas, gebakken aardappeltjes en sperziebonen omwikkeld met een stukje spek. Die nieuwe Franse cuisine sprak me wel aan. Van Louise, naast mij, nam ik wat vlees over. ‘Dan mag je straks met mij dansen,’en ze knipoogde. Louise droeg stiletto’s. Ze lachte schaterend, want deze betekenis kende ze nog niet. Bij deze dans werd ik een beetje van haar af geduwd en vervolgens naar haar toe getrokken. Soms botste ik licht tegen haar aan en moest ze mij opvangen. Dat kon ze goed. Haar hele lijf leek te veren. Zacht, maar toch stevig. Van de drie was zij de soepelste. Ik dacht dat het vanaf de zijlijn al een beetje vloeiend leek. Het rumoer in de kaartershoek zwol aan. Driekwart van de mannen kaartte. Ik zag veel koppels van dansende vrouwen. Nooit twee dansende mannen. Louise begon me dingen uit te leggen, lastige dansprincipes. Bij een nieuw nummer paste ik haar aanwijzingen toe. De wals was de gemakkelijkste en mijn onzekerheid ebde weg.

Na een kwartier klonk de gong alweer. Nu zat Bo naast mij. Bo droeg een rode jurk en halfhoge pumps. Haar man gaf een vak dat veel leerlingen moeilijk vonden. Hij keurde haar geen blik waardig. Het dessert bestond uit fruit en ijs dat op spiegels klaar stond. Veel mannen sloegen het over. Ik nam vooral veel van de aardbeien en stukken meloen. Het sap droop langs mijn polsen. Naast mij hoorde ik gesmak. ‘Wil je nog een stukje van mij?’ Bo wachtte mijn antwoord niet af. ‘Kom, we gaan,’zei ze zacht maar dwingend. Voorbij de plantenbakken zei ze: ‘Leg je hand maar onder mijn riem, dan beweeg je niet zo veel.’ De riem zat niet strak gelukkig. Iets lager en ik voelde haar linker bil. Als ik mijn hand wat bewoog, glimlachte ze. Bij elke draaiing schuurden haar bovenbenen tegen mij aan. Alsof het gewoon was, alsof het zo hoorde. Ze trok me veel strakker tegen zich aan dan de voorgaande vrouwen. Dansen begon echt leuk te worden.

Terug in de bus was de sfeer suf. Ik zag drie collega’s slapen. Bo zat nu links van mij. Haar man had een oude KampeerKampioen uit het tijdschriftennetje gevist en bestudeerde opstaptreetjes voor nieuwe caravans. Toen ze opstond om de chauffeur aanwijzingen te geven over de route, er moest iemand in Valthe worden afgezet, zag ik de lijst met de tafelschikking uit haar tas steken. Bij vier namen zag ik een asterisk en in de rubriek diversen een hoofdletter K. Daarnaast het woord ‘dansen’.

(Namen, ach, namen. Bo, Mette, Louise en Lonka zijn geënt op bestaande personages.)

1966

De mussen vielen van het dak. Heit zette de auto, een witte zes cilinder Zodiac met stuurversnelling, alvast klaar. Kleine roestvlekjes onder aan de portieren deerden de auto niet. Als heit boven de honderdzeventig reed, hoorden we wel eens het geratel van een losschietende wieldop, maar die had Taeke Postma uit Oudega wel op voorraad. ‘Geïmporteerd uit de Steets,’zei hij. Tjitske leegde de altijd overvolle asbak en zette de deuren van de auto open. De zon maakte de rode skailederen banken loeiwarm. Mem had een stuk of zes flessen ranja gemaakt, vooral niet te sterk want daar werd je misselijk van. Folkert en ik zaten tussen heit en mem in. Op de achterbank Piet, Jelske, Tjitske en de gast. In de kofferbak hadden gemakkelijk drie fietsen gepast, maar die lieten we deze keer thuis. Ik was tien en vond de gast wel interessant. Zij was al elf en kwam uit ’s Heer Arendskerke. Tjitske schreef al anderhalf jaar met haar. Via de zondagsschool kon je je opgeven voor een penvriend. ‘Penvrienden zijn vaak reislustig en als je je opgeeft om te gaan schrijven, kan je de logeerkamer wel klaarmaken,’ zei zondagsschoolmeester en ouderling Meindertsma altijd. Ze droeg een brilletje en was iets kleiner dan Tjitske. Je kon wel horen dat ze niet bij ons uit de buurt kwam. Folkert en ik moesten vaak lachen als ze iets zei. Soms begrepen we het maar half.

De rit naar Bakkeveen duurde een half uurtje. Net genoeg voor Jelske om misselijk te worden terwijl heit niet eens een Agio-bokje of een Ritmeester had aangestoken. Anders dan de vorige auto, een Zephyr, had deze een sigarenaansteker. Je drukte even op een zwarte knop en dan sprong de aansteker een halve centimeter naar buiten. De gloeiend hete kop was ideaal voor een sigaren rokende chauffeur. Probeer al sturend maar eens een lucifer aan te steken. Dat kon alleen maar als je in een dorp reed. Als heit te hard reed, zei mem: ‘Net sa hurd, Anne.’ Dat konden we wel dromen. Dat zei mem vaak al voordat we Buitenpost bereikten, nou ja, hoogstens Augustinusga. Jammer genoeg deed heit vaak direct wat mem hem vroeg.

‘Ik heb nog nooit van Bakkeveen gehoord,’ zei Mientje, want zo heette de gast. Nou ja, kenden wij soms alle Zeeuwse plaatsnamen? Wel de hoofdplaatsen natuurlijk, maar niet alle dorpen. Piet, die bijna naast haar zat, Jelske zat er nog tussenin, keurde haar geen blik waardig. Hij schreef nummerborden over in een klein opschrijfboekje. Als we bijna bij het eindpunt waren aangekomen vroeg heit hem alle getallen van de nummerborden bij elkaar op te tellen. Later mocht hij de telling met een telmachine van het kantoor controleren. Als Piet het goed had, glunderde hij van trots. De laatste tijd begon heit ook over procenten van dat totaal. Dat moest meester Dijkstra ons eerst nog maar eens uitleggen.
Folkert vertelde onderweg over auto’s waarin een radio zat ingebouwd. ‘Je kunt het zien aan een antenne,’ zei hij, ‘die kan zo lekker zwiepen.’ Heit ging er niet op in en vertelde van een klant uit Siegerswoude. ‘Die heeft een koe met 100.000 liter op de teller.’ Ik legde Mientje uit dat zo’n koe 100.000 liter melk had gegeven. Heit ging verder: ‘Die koe heeft een prachtige, volle, uier en vijf in plaats van vier spenen.’ Mientje keek zo vragend dat ik bang was uit te moeten leggen wat een uier was. Dan zou ze ook wel niet weten wat uiers wassen betekende, mijn werk bij boer Benedictus. Tjitske vroeg: ‘Wie is die Arend in ’s Heer Arendskerke? Een kerk die naar ene Arend is vernoemd?’ Volgens Jelske kon dat helemaal niet. ‘In de bijbel komt de naam Arend niet voor. Wel de vogel arend natuurlijk. In het Latijn is het aquila.’ ‘En wat is een koe in het Latijns?’ Ik wist dat Jelske kwaad werd als we Latijns zeiden.

Wij zwommen en groeven diepe sleuven in het zand. Mem zat onder een paraplu een toespraak voor de vrouwenvereniging voor te bereiden. Ondertussen hield ze ons in de gaten. Tjitske, Jelske en Mientje speelden met een lekke tennisbal. Tot onze verbazing droeg heit een blauwe zwembroek. We hadden hem nog nooit in een zwembroek gezien. Hij had hem alvast thuis aangetrokken. Zijn onderbroek zat in zijn broekzak. Mem had nieuw elastiek in zijn zwembroek gedaan. Verderop stond een ijscoverkoper met Friesche Koe-ijs. Als we zeurden om een ijsje ging het geheid niet door. Wij hadden een gat gegraven dat we vol lieten lopen met bruin, schuimend, water. Piet nam een aanloop als een verspringer en plonsde erin. Een mevrouw die naast ons zat, las de Drachtster Courant. Haar man las stukken voor uit de kerkbode. Na Piets sprong was hun lectuur doorweekt. Wij deden alsof er niets gebeurd was en heit wees mem op een parasol verderop. Wat overdreven, een paraplu op een stok vastgebonden was net zo doeltreffend en hoe vaak gebruikte je nou een parasol.

De meisjes kregen een stel jongens uit Marum in de gaten. Mientje was door het dolle heen. Een van de jongens droeg zo’n klein zwembroekje dat je bij de rand krullend schaamhaar zag. De jongens vloekten en tierden want de batterijen van de Grundig transistroradio waren eruit gevallen. Mientje had nog nooit gezwommen en nog nooit een badpak gedragen. Ze droeg een afdankertje van Jelske. Als ze uit het water kwam was het badpak zo zwaar geworden dat het een centimeter of tien was uitgerekt. ‘Zie je dat? Zij heeft haar onderbroek aangehouden onder het badpak,’ zei Folkert. Wij deden alsof we het niet hadden gezien. Heit zijn rug jeukte en mem wreef met zijn wollen sokken over de jeukende plek. Zonder dat hij het merkte deed ze wat zonnebrandcrème op de sok. Volgens mij was het zonnebloemolie of gesmolten frituurvet. Heit stak een sigaar op en peuterde velletjes en zandkorrels tussen zijn tenen vandaan. Hij wreef dan tussen zijn tenen en rook aan zijn vingers. We kregen ranja van mem. De ranja was al wat lauw geworden, maar dan kreeg je tenminste geen buikpijn. Ze schonk de ranja in plastic bekers. Eén van die bekers gebruikte heit vaak om zijn gebit in te weken als hij naar bed ging. Die beker pakte Mientje. ‘Lekker hoor,’zei ze. Mientje vertelde waarom zij thuis nooit zwommen. Dat mocht niet, vertelde ze. ‘Dat is de here niet welgevallig,’ zei ze. Ik begreep wat ze bedoelde maar kende het woord welgevallig nog niet. Ik begon Mientje wat minder leuk te vinden en ik gooide de tennisbal iets te hard in haar richting. Mientje had niet door dat de bal gevuld was met bruin zandwater. Je kon wel zien dat ze niet vaak in de zon zat. Ze was net zo wit als heit.

De meisjes verkleedden zich door een meegebracht laken om zich heen te wikkelen. Zo zag je niets. Piet, Folkert en ik gingen even naar de boskant. Mem hoefde zich niet te verkleden, ze sloeg de zandkorrels van haar rok. ‘Ik trakteer straks op een ijsje,’zei heit. En terwijl wij allemaal naar hem keken en dit heuglijke nieuws op ons lieten inwerken, liet hij zijn zwembroek zakken en stond daar poedelnaakt. Zijn harige apparaat wiebelde alle kanten op. Het nieuwe zwembroekelastiek was waarschijnlijk net iets te kort geweest en liet een rode striem achter op zijn buik. ‘Sjoukje, waar is de handdoek?’vroeg hij aan mem. Hij draaide zich enkele malen om. Eindelijk had hij een handdoek te pakken. Hij droogde zich omstandig af, waarbij hij de bilnaad en de huidplooien bij zijn apparaat niet vergat. Vervolgens trok hij zijn ruime, witte, onderbroek aan en een wit hemd met ribbeltjes. Hij liet dan zijn onderbroek wat zakken, trok het hemd strak naar beneden en trok dan de onderbroek weer flink omhoog, waarbij hij zijn heupen van links naar rechts en weer terug bewoog. Ik zag Mientje kijken. Wij renden zwijgend naar de ijscoman.

Nun danket alle Gott

Eenenvijftig was ik op de eerste schooldag. Mijn werkgever had gevraagd wie op een andere locatie zou willen werken. Waarom niet naar Oosterzwaag oftewel Eastersweach, bijna hartje Friesland? De Anne Wadman Skoalle Mienskip telde vijf locaties, waarvan Eastersweach de kleinste. Lekker uitbuiken in een echte dorpsschool, waar, zo fantaseerde ik, de conciërge je koffie bracht in het lokaal. Mijn voorganger, Beint Eigenman, had gezegd: ‘Jij past daar wel.’ Bij mijn kennismakingsbezoek: ‘De toetsen heb ik weggegooid, ik dacht, dan loop ik je niet voor de voeten.’ Sprakeloos was ik.

Ik kreeg de klassen één tot en met vier, de meeste op twee niveaus, een enkele klas zelfs op drie. Voor elke klas moest ik nieuwe toetsen maken: proefwerken en schriftelijke overhoringen en dan nog de extra toetsen voor schrijven, luisteren, lezen, enz. Om niet te spreken van tentamens. Locatie Eastersweach, dat vroeger Bjinse Jonkersma MAVO heette, was op sterven na dood geweest. Fuseren met, zeg maar overname door de Anne Wadman Skoalle Mienskip, betekende redding van een gewisse en langzame dood. Zelden vertoonde het woord fusie meer semantische verwantschap met het woord infuus, dan hier. Het schoolgebouw was oud. Gedateerd, noemde Antsje Fokkema, voorzitter van de medezeggenschapsraad, het. ‘Enkel glas is toch veel gezelliger,’ was een gevleugelde uitdrukking van conciërge Fûgeltsje Jongen. Druipende strepen op altijd natte ramen. Er was niemand die mooier kersttaferelen op de natte ramen kon tekenen dan zij. Antsje Fokkema had ooit eens voorstellen ingediend om het gebouw te ‘updaten’. Omdat mopperen in Eastersweach altijd goedmoedig bleef, haalden voorstellen tot verbeteren niets uit.

Klas 4b telde negenentwintig leerlingen. Woensdagmiddag het zevende en achtste uur hadden ze Engels. Directeur Iebeltsje Feringa vertelde me nog dat ik eventueel lastige leerlingen apart aan het werk mocht zetten in een aanpalend lokaal. Dat zou ik niet doen, want veel collega’s hadden de vreemde gewoonte om de lokaaldeuren open te zetten tijdens de lessen. Dat leidde tot een wonderlijke, bij vlagen surrealistische, kakofonie in de gangen. Waarschijnlijk om passanten te suggereren dat er wel gewerkt werd. Zelfs in vrije lokalen heerste geen rust om zelfstandig taken uit te kunnen voeren. Dat kwam ook door de dunne, ongeïsoleerde, wanden. Stond je een keer flink te plassen in het invalidentoilet, dat tevens dienst deed als personeelstoilet, dan hoorde je gegier van meisjesstemmen in het leerlingentoilet naast je.

Daar waren ze. Slechts vijf minuten te laat. In Eastersweach had men de schoolbel afgeschaft, want die bezorgde de leerlingen stress. Op deze wijze duurden pauzes twee keer langer dan normaal. De les voorafgaande aan de pauze was vijf minuten korter en de erop volgende les begon minimaal vijf minuten later. Er werd gefluisterd dat bepaalde collega’s al maanden waren gestopt met beginnen.

De eerste leerling, Romke Zwerus, liep naar het raam, opende het en spuugde eens lekker naar beneden. Wicher-Jaitse snoot zijn neus met het geluid van een uitlaatloze zandzuiger. Hoite Snitsma vertelde me dat hij van Engels niks begreep en dat zijn ouders het een onbelangrijk vak vonden. Die opmerking had de teamleider, Halbe Goslinga, eens de wenkbrauwen doen fronsen, tijdens een ouderavond over multimediale didaktiek, waarbij mevrouw Snitsma, men zei hier vrouw Snitsma, eens een boekje open had willen doen over het belang van het Fries in relatie tot het Engels. Halbertsje Oeversma legde een extra grote knoop in de voorpanden van d’r bloes, duwde de broeksband zo laag mogelijk, zodat haar navel eens lekker de ruimte kreeg en nieuwsgierig om zich heen keek. Dat haar borsten behoorlijk opbolden, doordat die in gevecht waren met de ongenadig naar beneden getrokken stof, stelde haar gerust. Menso Boskma stak zijn hand in zijn broek en legde zijn apparaat iets meer naar links, met de vrije rechterhand trok hij Wikke Vrooms string omhoog, waarop Wikke haar tas mikte op de wateremmer onder het bord zodat de juist passerende Tjibbe Wiersma opsprong en zijn hoofd bezeerde aan de vlijmscherpe bordrand. Van Menso werd tijdens een rapportenvergadering door collega Tonke Dragtstra verteld, dat hij de punten uit zijn broekzakken had geknipt, zodat hij meisjes die met hem op schoolavonden dansten gemakkelijk kon laten voelen waar die stevigheid die uit zijn broek opwelde, vandaan kwam. Tonke bezwoer ons dat ze dit van Menso’s stiefmoeder had gehoord, en nee, ze had geen geheimhouding hoeven te beloven. Uran Malkiç riep luid om hulp. Iedereen negeerde hem en Tjibbe depte met Wicher – Jaitse’s zakdoek de bloedsporen onder zijn rechter oog. Wisse bestudeerde zijn padvindersmes, mèt bloedgleuf, en wees ermee naar Duotsje, die Carola fluisterend een tampon aanreikte uit haar lunchbox.

‘Hi guys, welcome. My name is Mr Miller, Mr Nick Miller and I’m your new English teacher. Please take a seat, find a piece of paper and listen to the following recording. On the blackboard you will find twenty questions. Time starts running in fifteen seconds.’ If you’re Lucky this lesson will end in fifty minutes.

Sieds, Minke, Ealtsje, Bearn en Jildou zaten al klaar, tuk op proeftoetsen. Minke, met een glimlach van oor tot oor en ragfijne pluisjes in haar mohairtruitje. Minke was net voor mijn les in de weer geweest met lipstick. Scarlet Fever, las ik op een verpakking naast haar stoel. Haar stem was zacht als vloeipapier: ‘Thank you sir. New shoes? Jildou ging hier overheen met een gemeend klinkend, poeslief: ‘English is my favourite subject, sir, always has been.’ Een por van Minke deed haar zwijgen.

Ik startte de cassetterecorder, een nog goede Philips C68 in een zwarte skaihoes, met een tellermechanisme waarbij de 9 en de 0 niet van elkaar te onderscheiden waren. Het kijkglaasje boven de teller was, gek, enigszins beslagen. Een alles overheersende, gelukzalige, bloedstollende, rust trad in. Ik liep naar het raam en keek naar buiten. Ik peuterde velletjes van mijn duimnagelriemen en bestreed een lichte jeuk aan mijn schenen met de hak van mijn schoen, iets wat ik volgens collega verzorging Ruurdje Rompersma beter met uierzalf, dat was immers overal goed voor, kon bestrijden. Had zij immers niet een keer een rode vlek op haar rechter bil, zeg maar net onder de heup, met uierzalf genezen? En haar man had eens uitslag in zijn lies… Collega Gjalt Gaukema, zag ik door de halfbeslagen ramen, was weer eens te laat. Op het plein parkeerde Gjalt zijn oude tractor, een Deutz 3006. De groene verf vertoonde roestplekken. Aan de zwarte vlekken op de pleintegels zag je dat hij wat olie lekte. Gjalt had eens verteld dat de aftakas en de hef een beurt wel konden gebruiken.

Na twintig minuten drukte ik op de pauzeknop. ‘We will now have a short break. Please don’t talk, just relax and make sure you’re ready for part two. Go ahead.’ Ik drukte op de play-toets, negeerde drie opgestoken vingers en deed alsof ik ‘Mijn kut staat op springen,’ niet hoorde.
Lessen zeven en acht werden gedeeld door een pauze. De cassetterecorder en ik negeerden eendrachtig de niet-bestaande bel en vijf minuten na het pauzebegin liet ik klas 4b gaan en drukte hun op het hart om vooral op tijd terug te zijn, binnen 9 minuten en 45 seconden, sharp! voegde ik er nog even aan toe, voor de bespreking van de luisteroefening. Onhoorbaar luid neuriede ik ‘Nun danket alle Gott’ en ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder’ en al lucht dirigerend liep ik de trap af naar de leraarskamer.

In de pauze bestudeerde ik het gezicht van collega Hannes Aeikema voor wie mijn goede vriend Theodorus Simonides me had gewaarschuwd. Hannes had zich dermate misdragen tijdens een 10-minutengesprek op Theodorus’ school, het hoofdgebouw van de Anne Wadman Skoalle Mienskip dat Theodorus, de stress nog in zijn benen, na afloop van het gesprek zijn auto enthousiast tegen een betonblok reed.

Diever

1967. Mijn tweelingbroer Folkert en ik waren elf en mem was zwanger van iemand die later Auke Piet ging worden. Hij was na Jelske, Piet, Tjitske, de tweeling Klaas en Folkert en benjamin Jacob het laatste kind in ons gezin en maakte het zevental compleet. Van op vakantie gaan kon geen sprake zijn, want mem leed aan hoge bloeddruk. En wat dokter Van Akkeren ook kwam meten bij ons thuis, de druk bleek veel te hoog. Ik hoorde nog dat heit dokter Van Akkeren adviseerde vaker een nieuwe auto te kopen omdat dat belastingtechnisch aantrekkelijk was. In de hal rekende hij contant met de huisarts af. In het dorp ging het verhaal dat de dokter een ‘dure’ vrouw had. Dat hij niet kerkte vond niemand raar, men fluisterde dat zijn vrouw uit Brabant kwam en Brabants was, net als Limburgs, gelijk aan rooms. ‘De jongens mogen misschien wel kamperen bij tante Tet en oom Folkert in Diever,’ opperde heit. Dan kunnen Jelske en Tjitske misschien bij oom Tinus en tante Tet terecht. Piet had weer eens geluk, die hoefde niet op vakantie.

Oom Tinus en oom Folkert hadden samen een tent. Het mocht. Of mijn tweelingbroer en ik daar heel blij van werden, dat vraag ik me af. We werden blij van elkaar en van spelen. Een vakantie thuis was pas echt vakantie. Hele dagen voetballen op het Edemaveldje, pijl-en-boog-gevechten met de openbaren in het Witwaterplantsoen, meisjes hun broek laten uittrekken in het schoollaantje, slager De Vries laten schrikken door een ingepakte dode mol op de toonbank te leggen en dan te zeggen: ‘Dit had mem niet besteld,’ vliegers leren maken, boer Benedictus helpen met koeienuiers wassen, een tent bouwen op de vliering en dan vanuit het dakraam in de goot plassen, een vuurtje stoken met benzine die we uit Daan Wiersma’s brommer tapten. Wat we ervoor terug kregen was een sobere vakantie onder de dennenbomen. En langere gebeden en Bijbellezingen na de maaltijden dan thuis. Maar met zijn tweeën konden we alles aan, dus ook logeren bij oom Folkert en tante Tet. Oom Folkert was dorpstimmerman in Nes en organist in de gereformeerde kerk. Hij neuriede de hele dag psalmen, soms zelfs meerstemmig. Hij begon dan bijvoorbeeld met de melodielijn van ‘Looft heer nu allen god’, stopte abrupt, keek nadenkend omhoog, het hoofd wat schuin en zei: ‘Ho,’ en vervolgde met de tweede stem. Daarna keek hij even zuinigjes en glimlachte als beide stemmen in zijn hoofd spoorden. Vervolgens ging hij verder met ‘Zingt allen saam van godes grote naam.’ Tante Tet had immense borsten. Als ze zich bukte, wat zelden voorkwam, had ze moeite overeind te komen, oom Folkert ging dan achter haar staan, maakte kraanwagengeluiden, pakte haar onder de oksels vast en hees haar overeind. We zagen eens twee stoffen puntzakken aan de waslijn hangen. Volgens Folkert was dat tante Tets b.h.

De tent was een huisjestent in Diever, met een zelfgemaakte voortent van transparante lappen landbouwplastic. Het kostte drie mannen een hele zaterdag om de tent op te zetten. Tentpalen gingen een halve meter de grond in, vloerkleden werden strak getrokken, de Friese vlag werd gehesen en duimdikke scheerlijnen aan bomen geknoopt. Niet voor niets heette dit een huisjestent, hoewel winkeltent een betere benaming zou zijn. Of, vanwege de doorzichtige luifel: etalagetent. Heit wachtte nog steeds op onze reactie. ‘Maar dan willen we wel op de fiets gaan,’zei Folkert, die had geleerd hoog in te zetten. Tot onze grote verbazing mocht het direct. ‘en elk een rijksdaalder mee voor ijsjes,’voegde ik er aan toe. ‘Een daalder elk,’antwoordde heit, gewend aan gehaaide onderhandelingstechnieken, ‘maar ook trakteren, hè.’ Op onze doortrapfietsen helemaal naar Drenthe. Folkert een groene en ik een zwarte. Beide zijn gemoffeld bij fietsenbedrijf EKMI in Kollum, aan de Eyso de Wendtstraat. Ik heb lang gedacht dat Ekmi een voornaam was van één van de gebroeders Van der Ploeg, maar nu weet ik het: Eerste Kollumer Moffel Inrichting. Ik kan me nu nog delen van de route in herinnering roepen. Dat we voorbij Oosterwolde de weg vroegen en zeiden, ‘we komen helemaal uit Friesland,’en dat de boerenarbeider, die aandachtig aan zijn achterwerk krabde, zei, ‘maar dit is ook Friesland hoor.’

De kist

Wie pake Diekstra (opa Dijkstra) precies was, geen idee. Er zijn families die ineens worden uitgebreid met extra leden, vaak mannen of vrouwen op leeftijd die het predikaat oom, tante of pake krijgen, soms in de vorm van een achtervoegsel, bijvoorbeeld Sietske-muoi, Pieter- of Jan-om. Zo hadden wij een extra opa, pake Diekstra genaamd, die pas de bouwval van mijn herinneringen binnentreedt vanaf zijn dood. Dood komt hij pas tot leven, zeg maar. Bij ons thuis werd niet moeilijk gedaan over de dood. Vaak werd de dood wat uit de buurt van de opgroeiende kinderen gehouden. Toen mijn eerste ‘werkgever’, boer Jelte Benedictus overleed, werd er met mij niet over gesproken, laat staan dat ik meeging naar de begrafenis. Vond ik dat erg? In het geheel niet. Een vlot bouwen in de sloot achter Filius, voetballen op het Edema-veldje, spelen met de afgehakte kippenpoten bij Jan-piek-Visser, jaloers kijken naar de brommers van Wietse Triemstra, gingen voor de dood.

Of werd de dood weggehouden om van ons eeuwige gevraag af te zijn? Pake Diekstra stierf toen wij vijf waren en Folkert en ik mochten mee om in de kist te kijken. Een kist? Kisten waren er voor aardappels, bloembollen en marinespullen van oom Piet… Zondagse broek aan, schoenen gepoetst, en snottebelvrij met mem op naar de kist, vier huizen verderop. Opgetogen pratend, flink door de plassen stampend, vergezelden we mem, die, net zo fier en trots op ons als wij op haar, ons maande niet zo vrolijk rond te kijken, want dat paste niet bij de kist. Buurman meneer Kronemeijer onderbrak zijn geschoffel even en monsterde ons. Mems donkergele jas met een zachte, zwarte kraag stond haar goed. Het gewatergolfde haar bleef deze keer extra lang goed zitten en van moeilijke voeten had ze geen last, hoewel dat best gekund had op halfhoge hakken. Dat er ook een beppe Diekstra was, dat weet ik wel, maar daar houdt mijn geheugen op. Ze was zeker niet interessant, want ze mocht niet in de kist. Wijzelf trouwens ook niet. ‘Nog lang net,’ verzekerde mem ons. ‘En ús eigen beppe dan?’ hielden we aan. Die ook niet, hoewel dat misschien niet heel lang zou duren, want die was immers ook al oud en zij werd geshockt in Franeker. En pake Klaas, die had de kistperiode al lang achter zich, zelfs zo lang dat wij hem er nooit in hebben kunnen zien. Na Kronemeijer kwamen Nicolai, Hofstede voor al uw verzekeringen, de Opel Manta pas gewassen op de oprit, en Jelle-pingel-Van der Meulen, organist en muziekleraar en nog later gids in het gebied waar het Lauwersmeer zou komen. Jelle droeg een artistiekerige alpinopet. Dat Jelle niet stokoud zou worden, wisten we toen nog niet. Ook niet dat Jelle en de zijnen Folkert en mij zou selecteren om vooraan te lopen in het stoetje bij de heropening van de Maartenskerk na een jarenlange restauratie. We droegen samen de statenbijbel en zongen een variant op Bachs Komm Jesu, komm zu deiner Kirche en na afgifte van de zware last een tekst van ds. Dijkmeijer op de melodie van Jesu bleibet meine Freude.

Er waren nog twee volwassenen in de voorkamer, achter de twee schuifdeuren met rechthoekige glas-in-lood-raampjes. Tevredenheid had de plaats van verdriet overgenomen. En daar stond hij. Een lichtbruine, dichte kist met een geborduurd kleedje erbovenop. Heel anders dan de aardappelkisten. Een kaars brandde, de druppels kaarsvet die zo’n tintelend gevoel op je nagels konden geven, of waar je zo lekker met een lucifershoutje in kon prikken, roken net zo lekker als thuis. Een bosje dahlia’s, die heit gisteren had gebracht, op een tafeltje. Een mevrouw die een vlekvrij schort droeg, was klaar voor ons, ze had een stoof naast de kist gezet. Ik mocht eerst, dat hadden we afgesproken, dan mocht Folkert de appelmoespan uitlikken. Terwijl mem zo luchtig mogelijk fluisterde met een man die in een hoek op een stoel bleef zitten, klom ik op de stoof. Mijn handen op een ruitvormig raampje. Allereerst zag ik gerimpelde witte stof, de bekleding in de kist. Dan een driedelig pak, het bovenste deel van een stropdas en een stoppelkin. Wilde ik verder kijken moest ik me wat ophijsen, maar daarvoor boden mijn vlakke handen op het geruite raampje me te weinig grip. Ze gleden weg. Mijn tenen deden pijn. Mem zag me worstelen en tilde me op zodat pake Diekstra in volle glorie zichtbaar werd. Op zijn hoofd donkere aders. Hij had zijn bril nog op, maar zijn gebit niet in, dat had ik in een doosje naast de dahlia’s zien liggen. Maar zijn ogen, zijn ogen waren dicht. Mooi vond ik het. De kist viel niet tegen. Mijn ogen gingen van zijn kalende hoofd tot zo diep mogelijk naar rechts in de duistere ruimte in de kist. Verder dan de broeksriem kwam ik niet. Ik voelde mems handen verslappen en nu mocht Folkert.

W(-a²)=v

‘Als we de kerkdienst laten schieten, kunnen we nog wel even over het dijkje naar de molen in Tochmalân lopen,’ zei heit tegen mem. ‘Er is avondmaal en dat gaat lang duren.’Met dit soort aantrekkelijke keuzes kregen mijn ouders ons kinderen wel mee. Jelske, Piet, Tjitske en Folkert en ik deden laarzen aan en stonden al klaar. Mem stak een rolletje pepermunt bij zich. Heit likte nog een enveloppe dicht. ‘Voor Benedictus,’ legde hij uit, ‘die krijgt binnenkort belastinginspecteur Valkema op bezoek.’ Via de Van Scheltingalaan naar de Voorstraat en dan langs een paadje naast loodgieter Huizinga, naar de weilanden. Het was aan het eind van de zomer. Piet, Folkert en ik gingen slootje springen. Oppassen voor een nat pak, natte laarzen waren een ramp. Heit deed voor hoe je van rietbladeren een scheepje maakte. We hoorden heit en mem over beppe Jelske praten en ‘dat het zo eigenlijk niet meer ging’. Mem leerde ons dat ‘bûnte liuw’ en strânljip’ beide scholekster betekenen. Later legde Jelske aan Piet uit wie Golda Meir was en dat het koninklijk huis van Friezen afstamde. Voorbij het grote hek, waar we over klommen, was een weiland waarin een stier stond. Een grote, zwartbonte, fokstier, met een ring door de neus. Deze keer stond hij vast aan een ketting. Gek genoeg had niemand angst voor de stier. Tjitske en Jelske liepen wat harder, meer niet. Heit en mem droegen hun zondagse schoenen. Heit was door een koeienvlaai gelopen. Soms kon je de versheid van de poep niet inschatten. Het droge, donkere, vel over de vlaai was bedrieglijk. Folkert leende heit zijn zakdoek even. Mem mopperde, maar bleef glimlachen, haar grijze gewatergolfde krullen werden door de wind in model gehouden. ‘Wie het eerst bij de molen is krijgt een pepermunt,’zei mem en weg waren we. Wij begrepen heel goed dat heit en mem ook weleens rustig samen wilden praten. Beppe Jelske moest misschien in Franeker worden opgenomen. Piet won de hardloopwedstrijd vaak, maar deze keer zat Folkert hem op de hielen. Als Tjitske rietkragen zag, begon ze over eendenkorven. Jelske moest plassen. ‘Even pisje,’zei ze. Tjitske ging mee. Ondertussen deden we allemaal moeite om zo lang mogelijk op het pepermuntje te zuigen. De winnaar kon op een tweede rekenen. Folkert speelde soms vals en bewaarde het snoepje in zijn zakdoek. Ik vond dat niet altijd eerlijk. Was je ergens toevallig goed in, kreeg je iets extra. ‘Je moet je talenten voor je laten werken,’ zei mem dan. Bij de molen staken we de Dwarsryd over en liepen over een dijkje naar de boerderij van Benedictus. Boer Jelte en boerin Wietske Benedictus woonden vlakbij een brug over de Sylster Ryd, die Tilhouten werd genoemd. Hun boerderij heette heel deftig Phaesmazathe. Op hun vijfentwintigjarig huwelijksjubileum was Jelte tot burgemeester van Tilhouten benoemd, compleet met burgemeesterketting. Boer Benedictus hield niet van wandelen. Wandelen was weliswaar twee keer zo actief als vissen en zonnebaden, zoals Jan met een formule toelichtte, maar verder, ledigheid. In de bijbel wordt ook niet gewandeld. Jan wilde later scheikundeleraar worden en oefende veel met formules: W(-a²)=v.

Ik was gek op de boerderij, op de geuren, de werktuigen, de koeien, het licht, de paarden, het hooi, de poepspetters op de witgekalkte muren, kortom op alles. Ik mocht wel eens komen helpen bij het melken. Ik kreeg dan een vochtige doek waarmee ik de spenen en de onderkant van de uiers moest schoonmaken. Janke was de jongste dochter van Benedictus, zo’n drie jaren ouder dan ik. Als Janke me zo met de koeienuiers bezig zag, moest ze altijd geheimzinnig lachen. Bij dit werk moest ik knecht Jochem en boer Benedictus zien voor te blijven. Knecht Taeke deed andere dingen. Hij kruide de mest naar buiten en schoof de drijfmest met een houten duwstok door de grup naar de gierkelder. Maar eerst met een vork het stro uit de grup vissen en in de kruiwagen scheppen. Zwaar werk. Zware shag hield Jochem en Taeke op de been.

Vrouw Benedictus had voor ons ranja ingeschonken. Heit en de boer rookten een sigaar en mem hielp de boerin. Net nadat Tjitske had verteld dat heit en mem het avondmaal in de kerk oversloegen, keek iedereen stil naar buiten, naar een koe die op het punt stond te gaan kalven. De familie Benedictus was gereformeerd en zij sloegen nooit een kerkdienst over. Hun kinderen: Aagje, Jan, Jeltje en Janke, waren er ook. De kinderen van Benedictus waren veel ouder dan wij. Ze spraken al over dominee Kuitert, die een vakantiehuis achter de boerderij had. Dominee Harry Kuitert was in Friesland net zo bekend als Abe Lenstra. Misschien nog wel bekender. Woorden als vrijzinnig, samen op weg, en mensvormigheid klonken. Toen Aagje vertelde dat in een V.P.R.O.-programma was gezegd dat Maarten Luther misschien een antisemiet was, keek iedereen zorgelijk. Gelukkig waren wij er te jong voor en heit en mem hoorden we daar niet over. Folkert en ik schopten elkaar onder de tafel tegen de schenen. Tweelingbroerstaal voor ‘opschieten een beetje, wij willen verder’. Net voordat we vertrokken zei heit: ‘Ik heb de rekening alvast meegenomen, dat scheelt weer een postzegel.’

Nu kwam het mooiste stuk van de wandeling, voor de wind, door de bermen van de Willem Loréweg. Toen heit vertelde dat er richting Aldsyl een gebied was dat Sjoukjemuoisgat (*) heette, kwamen we niet meer bij van het lachen. We liepen langs boer Feitsma die in de oorlog ‘de andere kant had opgekeken’, de betonnen bunker in de verte, en, nog verder, de toren van onze kerk, die veel hoger was dan die van de gereformeerden, en langs een boer over wie het ver haal ging dat hij eigenlijk niet in zijn eentje vertrouwd was met grote geiten en pony’s. In de Voorstraat snel voorbij de snoepautomaat van Van Eck en dan op huis aan. Tjitske probeerde weer mem uit te horen over de huishoudelijke hulp van Bosgraaf die dood in de regenwaterbak was gevonden. En straks voor iedereen een half flesje Exota!

(* Mijn moeder heet Sjoukje. Sjoukjemuoi = tante Sjoukje)

Afdraaien

Met haar neus tegen het cabineraam van de verhuisauto zat ze. Vastgeplakt leek het. Haar vader en moeder tussen haar en de chauffeur in. Op elkaar gedrukt als flikken in een Drosteblik. Nadat ze even gewacht hadden voor een Gado-bus, draaiden ze de oprit van hun nieuwe huis op. Aukina had meer belangstelling voor het kanaal. Het ‘daip’ zoals ze hier zeiden. ‘Daor is ’t daip, pas maor op want d’r zit een boesjeude in, die je in ’t wotter trekt.’ Woorden van de nieuwe buurman. Hij bedoelde het niet verkeerd. Een boesjeude was een boeman, leerde ze later.
In het kanaal lagen oude roeibootjes, een nette sloep en een enkele vlet. Voorbij de bocht naar Heiko die het met Aaltje hield, lag een platbodem, de Heiltje 23. De midscheepse mast geknakt als een topzware gele lis, de giek bungelend in het kanaal. Voor elk huis een steiger. Gele plompen hadden het moeilijk in het donkere water. Gek genoeg pijlpunten en krabbescheer niet. Aukina, Geesje, Abeltje en Alie waren hartsvriendinnen. Op woensdagmorgen renden ze het schoolplein af naar het kanaal. Vaak wonnen ze de race van de jongens. Hiepko, Mans, Homme, grote Geert en Gezienus waren net iets later, zij moesten de meester helpen met opruimen. Aan het eind van de woensdagmorgen hadden de jongens spreekwoorden terwijl de meisjes handwerkten. De vrije woensdagmiddag lonkte. ‘Waarom heet ik Aukina?’ had ze haar moeder gevraagd. ‘Aukina lijkt op Auke, een jongensnaam.’ ‘Je va komt uit Annerveenschekanaal en die vond de combinatie van een A en een K zo leuk,’antwoordde haar moeder geduldig.
Het mooiste van het kanaal waren de bruggetjes. Badde of draaigie heetten die hier. Smalle oversteken verbonden beide walkanten. Sommige met, sommige zonder leuning. De draaigies konden worden opengedraaid door te draaien aan een ingenieuze hendel die de brug open duwde. Iedereen wilde natuurlijk wel draaien.
De meiden renden naar het dichtstbijzijnde stadsdraaigie en begonnen de roestige hendel los te draaien. De eerste minuut gebeurde er niks. De spanning nam toe want ze hoorden het geklepper van de jongensklompen al. De jongens kwamen snel dichterbij. Net toen Abeltje het ijzer van Alie overnam, week de brede loopplank van de ijzeren drempel en werd het water breder. Belletjes en lichte schuimsporen ontstonden. Futen maakten dat ze wegkwamen. De waterscheiding te breed voor de jongens. Homme deed alsof hij ging springen. Klompen uit, een aanloop. Hiepko trok hem aan zijn arm. Woeste blikken vanonder de kleppen van de verschoten petten. ‘Aander maol kriegen wie joe…’ Opgetogen dansten de meiden op de smalle badde. Weer gewonnen.
Niet alleen hadden ze de jongens verslagen, ook Roelf Roetert, de brugafdraaier, waren ze te snel af. Roelf was brugafdraaier voor drie bruggen en als hij bij de verste was, ergens tegenover boer Wolters, kon hij nooit op tijd terug zijn om de meiden tegen te houden. Ook Roelf droeg klompen, klompen met leertjes in plaats van kapklompen. Maar hij was niet de snelste. Het leek alsof hij constant hinkelde. Waar hij wel goed in was, was verspugen. Als hij op de boerenbadde stond kon hij, bij windstil weer, het moest er natuurlijk wel eerlijk aan toe gaan, wel drieëneenhalve meter ver spugen. Hij bolde zijn wangen, maakte eerst losse maar allengs strakke kauw- en knaagbewegingen, zodat zijn speeksel een krachtig mengsel met de pruimtabak vormde. Als het dun en waterachtig was, nam hij de spuughouding aan. Zijn bovenlichaam kromde zich en dan kwam de ontlading, die gepaard ging met een fluitend geluid dat eindigde in een klots. De straal spuug maakte een fraaie boog en eindigde in het kalme water een beetje als een suikerklont in een mok chocolademelk. Cirkels rond daar waar de klodder het water raakte. Trots keek Roelf in het rond en incasseerde bewonderende blikken. Hij stond net zo trots als wanneer een passerende kapitein twee centen in zijn klompje stopte dat Roelf slingerend boven het scheepje hield. Dat Roelf later door een vrouw zou worden opgevolgd, ach, daarvan had niemand nog een idee.