Maarten ’t Hart 21 ‘Het eeuwige moment’ (1983)

In het titelverhaal analyseert ’t Hart wat en hoe schrijvers als Hotz, Svevo, Vestdijk, De Vries e.a. als ‘het eeuwige moment’, de illusie van iets dat eeuwig duurt, verwoordden. Hoe, door wie en hoe vaak (100 x in 100.000 gedichten) muziek in poëzie wordt beschreven toont ’t Harts grenzeloze belezenheid. Volgens Jeroen brouwers zou ’t Hart 600 woorden/minuut lezen. ’t Hart, liefhebber van Vestdijk, analyseert of en hoeveel (muziekliefhebber) Vestdijk over muziek schrijft in zijn romans, daarbij maakt hij ook nog een verschil tussen soorten muziek: kerkmuziek, vocaal, instrumentaal. Houd je van Vestdijk noch Mozart dan is ’t Harts analyse van Vestrdijks opvattingen, minutieus, meticuleus, over Mozart een harde noot.

In de serie verhalen over literatuur is ’t Hart weer lekker op dreef. In Emily Brontë ontdekt ’t Hart een romantisch, gepassioneerd genie met een mathematische inslag. Bijzondere berekeningen zouden de sleutel voor begrip van Wuthering Heights vormen. Het lijkt erop dat ’t Hart naar Daanje verwijst als hij stelt dat Brontë gehoopt heeft op lezers die bereid zijn over elk detail na te denken. Symbolisme van het incest motief, omgekeerde herhaalde motieven: ’t Hart gaat maar door.

Van Charles Dickens, van wie ’t Hart alle 14,5 romans heeft gelezen (en sommige herlezen) beschrijft ’t Hart, na David Copperfield (900 pagina’s) in enkele dagen te hebben herlezen, zijn humor, de typische namen in zijn roman , de aanschouwelijkheid van het proza, de metaforen, zijn humor en het grote aantal personages per boek (90 in Martin Chuzzlewit); sommige passages zijn als gedichten die men wel 100 maal lezen kan. En passant noemt ’t Hart wat Karel van het Reve en Bomans over Dickens zeiden.

In de afdeling dagboeken komt Kierkegaard aanbod. De 7.000 aantekeningen die na zijn dood aan verschillende personen werden toevertrouwd leidden tot 20 delen dagboeken. Zo erg was ’t Hart onder de indruk van Kierkegaard dat hij het eerste boek van K dat jij onder ogen kreeg 12 keer herlas. Het hielp hem bij zijn geloofsverlies. Om K in zijn moedertaal te kunnen lezen, is ’t Hart zelfs Deens gaan leren.

Van Södeberg had ‘t Hart in 1970 nog nooit gehoord, maar na drie bladzijden in Dokter Glas gelezen te hebben wist hij al dat hij alles van S wilde lezen en weten. Via een analyse van de overeenkomsten tussen kerkscheuringen, soortvorming in de evolutie en het ontstaan van nieuwe literaire genres, komt ’t Hart uit bij Darwin en (het grote aantal vrouwelijke schrijvers van) de misdaadroman. ’t Hart pleit voor opheffing van de scheiding tussen misdaad- en gewone roman. Na essays over Highsmith en Canetti weidt ’t Hart lekker uit over de vraag ‘Waarom schrijft u?’