Maarten ’t Hart 24 ‘De scheltopusik’ (2003)

In deze Bijenkorfuitgave t.g.v. de literaire boekenmaand in 2003 wordt aan de ik-persoon gevraagd een oogje te houden op de slang van de kleinzoon van een goudkustdorpsgenote, een bloedmooie vrouw met prachtige, vochtig glanzende lippen. Als hij gaat kijken is het beest ontsnapt. Het blijkt een glasslang of scheltopusik, een pantserhazelworm te zijn. De kleinzoon wil hem niet meer zodat de slang bij Leonora en haar man belandt.

Later kom Leonora bij de ik-persoon langs om haar sores te kunnen uiten. Ze vertelt dat haar man de kinderen verteld heeft dat hij niet hun echte vader is. De man lijdt aan wanen. De ik-persoon, een gescheiden bioloog, komt af en toe langs om wat op de Bechsteinpiano te spelen. De scheltopusik is weer verdwenen en in het dorp ontstaat onrust vanwege vermeende agressie van het onschuldige dier. Om de aandacht van haar mans wanen af te leiden verhindert Leonora Maartens zoektocht naar de scheltopusik, hem zoenend houdt ze hem in haar greep. Er komt een DNA-onderzoek om aan te tonen dat de kinderen wel van Abel en Leonora zijn. Na enige tijd weet de ik-persoon de scheltopusik weer te vangen.

Bedroefd vertelt Leonora dat haat man Abel ’s nachts aan een hartinfarct is overleden. Na de begrafenis eist de kleinzoon de slang op maar de ik-persoon kondigt aan ‘m in zijn natuurlijke biotoop in Kroatië te willen bevrijden.

Dit is duidelijk niet ’t Harts beste boek, of boekje, een novelle. De dialogen zijn draderig, te lang uitgesponnen er wordt veel herhaald. Wellicht een wat in te grote haast neergepend gelegenheidswerkje voor de Bijenkorf?