Maarten ’t Hart 31 ‘Een dasspeld uit Toela’ (1990)

Een groot deel van de zestien, zeer informatieve verhalen, eigenlijk artikelen, in deze bundel verschenen in NRC en/of waren de teksten van lezingen. Kritische stukken, je hoort de meester al lekker uithalen. ’t Hart fulmineert tegen al te strenge regeldwang van neerlandici die op de universiteit onnodige en onmogelijke wetmatigheden voor romans uitbroeden terwijl de enige geldige regel die is dat er geen regels voor romankunst zijn. Strak veegt ’t Hart de vloer aan met de elitaire laag die neerkijkt op volkskunst. Behalve in de orgelmuziek en de schilderkunst heeft Nederland internationaal nooit iets voorgesteld. Een prachtverhaal over het verschil literatuur <-> wetenschap en verifieerbaarheid en plagiaat. Dat de neerlandistiek oprukt in de literatuur is te merken aan het aantal afgestudeerden bij uitgevers en in de literaire kritiek. Gelaagdheid, complexiteit en polyinterpretabiliteit zal toenemen. Hoe lang zal het duren voordat auteurs afgestudeerd moeten zijn?

In enkele gevallen hebben nare kritieken schrijvers (Melville, Salinger) of componisten (Bizet) dusdanig hard geraakt dat ze depressief of ziek werden of zelfs vroegtijdig stierven. Ook ’t Harts eigen ervaringen komen aan bod. In een artikel over stijl breekt hij een lans voor scherpe, kernachtige onopgesmuktheid tegenover geraffineerde schoonschrijverij. Al zijn meningen worden gelardeerd met concrete voorbeelden uit de (inter)nationale literatuur.

Een mooi stuk over de juist gestorven auteur en collega-bioloog Hillenius en over Hotz, van wie ’t Hart door herschikking van de volgorde en analyse van personages en tijden uit de hoofstukken van vijf boeken een roman over Hotz’ moeder destilleert. Dan nog een analyse van Hotz’ vermeende toegenomen sobere schrijfstijl en een mooi verhaal over Biesheuvel, van wie wordt gezegd dat hij veel fantasie heeft, maar volgens ’t Hart zich steeds in bijzondere situaties manoeuvreert en die vervolgens tot verhalen uitwerkt. De verguisde Mensje van Keulen wordt door ’t Hart op het paard gezet, haar eenvoudige schrijfstijl geeft juist haar kwaliteit aan. In ‘Karakter’ van Bordewijk herkent ’t Hart het vijftig jaar later bekende fenomeen van de BOM-moeder.

Dan een verhaal over de onverenigbaarheid van het schrijverschap met dat van wetenschapper. De ambities, erkenning van vakgenoten en van een leespubliek zitten elkaar in de weg, zo erg dat ’t Hart van zijn vroegere collega-vrienden geen heeft overgehouden. Een schitterend verhaal over een typisch Karel-van-het-Reviaanse evolutietheorie, met in de hoofdrollen Darwin, vogels, ongevleugelden, ogen, mutatiekansen, giftanden en Karel van het Reves minderbelezenheid. Dan Nog Multatuli en het Darwinisme, waarin Multatuli wordt opgevoerd als iemand met schrikbarend weinig kennis over exacte vakken. Later nog een verhaal over Multatuli’s beroerde Nederlands met een overkill aan gallicismen, germanismen, latinismen. ’t Hart spaart hem (die vaak wordt aangeduid als grootste Nederlands schrijver) niet en benoemt M’s gemekker en infantiliteiten. I.t.t. veel Multatuli-bewonderaars heeft ’t Hart wel alles van M gelezen. Hij laakt Multatulibewonderaars die enkel over M’s stijl spreken.