Maarten ’t Hart 32 ‘Onder de korenmaat’ 1991

Het achterplat belooft een roman over een in radeloos verdriet eindigende liefdesgeschiedenis. Pianist/componist Alexander Goudveyl, 45, begeleidt vriendin Hester en ontmoet dierenaarts Sylvia Hoogervorst, 30, die een diepe indruk op hem maakt. Ze spreken een paar x af bij Alexander thuis; overdag en ’s avonds als A’s vrouw slaapt. Bijna alles is muziekgerelateerd: telefoonnummers, namen, rammelende dakpannen, kentekenplaten, enz. Hoewel de verhouding nog geen twee weken duurt wordt al over het einde gedacht en gesproken. Dat de vijftien jaar jongere Sylvia van popmuziek houdt verwijst naar een vroegtijdige afloop. Wat daar ook naar bewijst is een omgewaaide joekel van een populier, die Alexander maar niet van de oprit verwijderd krijgt.

Alexander is erg ontevreden in de relatie met Joanna en stelt geregeld voor om uit elkaar te gaan vanwege de verschillen en gescheiden werelden. Sylvia echter heeft alles voor hem: de betoverende geur, het krullende haar, haar lengte, de oorbellen, de zoen- en vrijlust, haar looptempo, enz. Sylvia vraagt Alexander bij haar in te trekken. Soms echter staat de muziek tussen hen in: pop tegenover klassiek. Met vriendin Hester bespreekt Alexander de liefdesperikelen.

Wat Alexander aan zijn vrouw Joanna bindt is de muziek van Brahms. Als hij haar verlaat moet hij ook afscheid nemen van deze componist. Alexander schrikt als Sylvia, na een bezoek aan zijn vroegere woonplaats, zegt dat ze wel in zijn oude stadje zou willen wonen. Het blijkt dat ze nogal wat vriendjes heeft gehad, serieuze en minder serieuze. Hester en Sylvia ontmoeten elkaar als Alexander een anti-Mahler lezing geeft. Daarna wordt duidelijk dat Sylvia niet en Alexander wel samenwoonplannen heeft.

Halverwege het boek komen de eerste barstjes in de relatie. Alexander is jaloers op andere of ex- vrienden van Sylvia. S wil alleen een maand naar Aruba en A hoeft haar niet te brengen en te halen, tot wanhoop van Alexander. De lezer voelt op zijn klompen aan: dit gaat  de verkeerde kant op. S vertelt A dat haar verliefdheid is overgegaan in vriendschap. Langzamerhand ontrolt zich het einde van de relatie, gesymboliseerd in snijdende winterkoude, telefoons die onophoudelijk rinkelend niet worden opgenomen, de hoofdpersoon die zonder noodzaak een konijn doodt en meer. Alexander realiseert zich een ‘wegwerpvrijer’ geweest te zijn, een volgnummertje in een oneindige reeks en hij bedrinkt zich met vier flessen wijn en begint een oeverloos gesprek met een vleermuis.