Jij hebt het zeer met mij getroffen,
zo peins ik elke dag drie maal.
Ik ben niet dik, niet dom, niet kaal
en ga niet naar de hoeren in de stad.
Heel af en toe neem ik een tuiltje
blommen voor je mee. Ik doe de tuin,
ik rook mijn vingers niet geelbruin
en noem je regelmatig lieve schat.
Ik draag geen instapschoenen, buideltas
of witte das; ik boks of tennis niet,
ik help je altoos in of uit je jas;
waarom breng jij mij dan in diskrediet
als ik, mijn lief, al sinds ons trouwen
des nachts mijn sokken aan wil houden?